Uitspraak 201308293/1/A1

Datum van uitspraak: woensdag 25 juni 2014
Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Haarlem
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Bouwen
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2014:2306

201308293/1/A1.
Datum uitspraak: 25 juni 2014

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WiNiMaCo Holding B.V, gevestigd te Haarlem,
3. [appellant sub 3], wonend te Haarlem,
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 juli 2013 in zaak nr. 10/6232 in het geding tussen:

[appellant sub 3]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2009 heeft het college aan WiNiMaCo vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het veranderen van een kinderdagverblijf en een buitenschoolse opvang aan de Hildebrandlaan 2 te Haarlem. Voorts heeft het college ontheffing verleend van de parkeereis van de Haarlemse Bouwverordening.

Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft het college het door [appellant sub 3] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellant sub 3] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 oktober 2010 vernietigd en het besluit van 26 mei 2009 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en WiNiMaCo hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 3] heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college en WiNiMaCo hebben een zienswijze naar voren gebracht.

WiNiMaCo en [appellant sub 3] hebben nog nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2014, waar het college, vertegenwoordigd door M.J.J. Eijkelboom-van de Geyn, mr. Z. Aygünes-Karaca, J.H. Bosman en F.R. Kool, allen werkzaam bij de gemeente, WiNiMaCo, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. H.J. Visser, advocaat te Haarlem, ing. V. Huizer, ing. L.R.H. Pluim en mr. K.E. van Dijk, allen werkzaam bij Antea Group, en [appellant sub 3], bijgestaan door mr. S.H. van den Ende, advocaat te Amsterdam, ir. R. Michels, werkzaam bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Delft Infra Advies B.V. en ir. J.P.J. Oostdijk, werkzaam bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Peutz B.V., zijn verschenen.

Overwegingen

1. De aanvraag om bouwvergunning is ingediend ter legalisering van een interne verbouwing en uitbreiding van het in het gebouw reeds gevestigde kinderdagverblijf en de buitenschoolse opvang "De Teddyzolder". In "De Teddyzolder" kunnen in totaal 131 kinderen worden opgevangen, waarvan 76 in het kinderdagverblijf en 55 in de buitenschoolse opvang.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zuiderhout" rust op het perceel de bestemming "Globaal bestemd gebied A".

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor garagebedrijf, woondoeleinden, tuinen en erven en bijbehorende voorzieningen, waaronder parkeervoorzieningen.

Ingevolge het tweede lid werkt het college deze bestemming uit met inachtneming van het bepaalde in dit voorschrift.

Ingevolge het vierde lid, onder a, zijn op de als globaal gebied A aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken, werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden toegestaan ten behoeve van de in het eerste lid vermelde doeleinden.

Ingevolge het vierde lid, onder b, mogen de onder a bedoelde bouwwerken slechts worden gebouwd overeenkomstig een goedgekeurde uitwerking.

3. Voor het perceel is geen uitwerkingsplan vastgesteld. Het gebruik van het gebouw voor een kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang is in strijd met het bestemmingsplan. Om de interne verbouwing en het gebruik als kinderopvang toch mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

4. WiNiMaCo betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het beroep van [appellant sub 3] niet-ontvankelijk is. Dat [appellant sub 3] feitelijk niet meer in de naast de kinderopvang gelegen woning aan de [locatie A] woont en de woning al enige tijd te koop staat, leidt niet tot het oordeel dat hij geen procesbelang meer heeft, alleen al omdat hij nog eigenaar is van de woning.

Incidenteel hoger beroep van [appellant sub 3]

5. [appellant sub 3] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat partijen niet van mening verschillen dat de kinderopvang geen inrichting is in de zin van de Wet milieubeheer. [appellant sub 3] voert aan dat het gelet op de aanwezige technische installaties niet is uit te sluiten dat de kinderopvang een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer is en derhalve onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer valt. Ten behoeve van een eventueel in te dienen handhavingsverzoek op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer verlangt [appellant sub 3] een oordeel hieromtrent van de Afdeling.

5.1. Het college heeft in hoger beroep te kennen gegeven dat onderzoek inmiddels heeft uitgewezen dat de kinderopvang moet worden aangemerkt als een inrichting type B en daarmee onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer valt. Het college is er bij de besluitvorming evenwel vanuit gegaan dat de kinderopvang geen inrichting is in de zin van de Wet milieubeheer. [appellant sub 3] heeft dit aan de besluitvorming ten grondslag liggende uitgangspunt in beroep niet bestreden. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat partijen niet van mening verschillen dat de kinderopvang geen inrichting is in de zin van de Wet milieubeheer. Het betoog faalt.

5.2. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 3] dient ongegrond te worden verklaard.

De hoger beroepen van het college en WiNiMaCo

6. Het college en WiNiMaCo betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de te verwachten geluidhinder vanwege buiten spelende kinderen zodanig zal zijn dat het woon- en leefklimaat van [appellant sub 3] onevenredig zal worden aangetast en dat het bouwplan daarom in strijd is met een goede ruimtelijke inpassing.

Hiertoe voeren zij aan dat de rechtbank voor de vaststelling van de toepasselijke geluidnormen ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) en de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) in plaats van bij het ten tijde van de besluitvorming geldende Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Barim), thans het Activiteitenbesluit milieubeheer. De Handreiking is volgens het college en WiNiMaCo niet bedoeld voor de beoordeling van het geluid afkomstig van een kinderdagverblijf of buitenschoolse opvang, maar van industriële inrichtingen. Indien de strenge normen uit de Handreiking van toepassing zijn, zal realisering van scholen en kinderdagverblijven binnen een stedelijke gemeente als Haarlem bijna onmogelijk worden.

Voorts voeren het college en WiNiMaCo aan dat de rechtbank heeft miskend dat een tuin geen geluidgevoelig object is in het kader van de Wet geluidhinder en dus niet in aanmerking komt voor bescherming tegen geluidhinder en dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2012 in zaak nrs. 201011267/1/A1, 201012364/1/A1 en 201012366/1/A1.

WiNiMaCo voert daarbij nog aan dat de meetresultaten van het door Peutz verrichte onderzoek niet kunnen worden gebruikt om de geluidbelasting bij de woning van [appellant sub 3] vast te stellen, nu de metingen zijn gedaan op de gevel van [locatie B] en deze woning direct grenst aan de tuin van "De Teddyzolder", zodat de geluidbelasting daar hoger zal zijn dan bij [appellant sub 3]. Bovendien is de rechtbank er ten onrechte aan voorbij gegaan dat het maximaal volgens de vrijstelling toegestane gebruik van het speelterrein feitelijk nooit zal plaatsvinden.

6.1. De beslissing om al dan niet vrijstelling te verlenen behoort tot de bevoegdheid van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter het besluit terughoudend dient te toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om ontheffing te verlenen heeft kunnen komen.

6.2. Niet meer in geschil is dat de kinderopvang een inrichting is in de zin van de Wet milieubeheer, zodat het Barim, zoals dat gold ten tijde van belang, van toepassing is.

Ingevolge artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder i, van het Barim blijft bij het bepalen van de geluidsniveaus, bedoeld in onder meer artikel 2.17, het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd en onoverdekt terrein dat onderdeel is van de instelling voor kinderopvang buiten beschouwing.

6.3. Dat het stemgeluid van de buiten spelende kinderen buiten beschouwing blijft bij de toetsing aan het Barim, laat onverlet dat de te verwachten geluidsoverlast als gevolg van het buiten spelen van op de kinderopvang aanwezige kinderen uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening diende te worden meegewogen in de belangenafweging die het college bij het verlenen van vrijstelling van het bestemmingsplan diende te verrichten, omdat de te verwachten hinder van invloed is op het woon- en leefklimaat van omwonenden in de omgeving. Omdat de te verwachten geluidhinder in de tuinen van omwonenden ook van invloed is op hun woon- en leefklimaat, diende dit ook in die belangenafweging te worden betrokken. Dat aan een tuin geen bescherming toekomt in het kader van de Wet geluidhinder, doet hieraan niet af.

Anders dan WiNiMaCo veronderstelt, behoeft de beoordeling door de rechter zich niet te beperken tot de vraag of voor [appellant sub 3] als appellant in de beroepsprocedure een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Het college heeft in redelijkheid de woning aan de [locatie B] maatgevend mogen achten voor de beoordeling of voor de hele woonomgeving een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Geen grond bestaat derhalve voor het oordeel dat het college de resultaten van de verrichte geluidmetingen op de gevel van [locatie B], waar wellicht een hogere geluidbelasting zal zijn dan bij [appellant sub 3], niet kon gebruiken om de geluidbelasting voor de omgeving vast te stellen.

6.4. Het college heeft voor beantwoording van de vraag of de te verwachten geluidbelasting van de kinderopvang op de omgeving acceptabel is, aansluiting gezocht bij de geluidnormen zoals gesteld in het Barim. Het heeft zich in het vrijstellingsbesluit op het standpunt gesteld dat de geluidnormen van het Barim ter plaatse van de nabij gelegen woningen ten gevolge van het kinderdagverblijf en de buitenschoolse opvang niet zullen worden overschreden en dat, ondanks de geringe afstand tot nabij gelegen woningen, de te verwachten geluidhinder derhalve niet zodanig zal zijn dat geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omwonenden kan worden gegarandeerd. De Afdeling begrijpt het betoog van het college en WiNiMaCo dat ziet op de VNG-brochure aldus, dat van de hierin opgenomen richtafstanden mag worden afgeweken, nu is verzekerd dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

6.5. De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) als deskundige benoemd. De StAB heeft in het onderzoeksverslag van 12 juni 2012 geconcludeerd dat voor de beoordeling of de geluidhinder aanvaardbaar is, als uitgangspunt de in de Handreiking opgenomen richtwaarde voor een rustige woonwijk van 45 dB(A) heeft te gelden en niet de door het college gehanteerde grenswaarde van 50 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en 70 dB(A) voor het maximale geluidniveau uit het Barim. De rechtbank heeft deze conclusie ten onrechte overgenomen. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.

Gelet op de het college toekomende ruimte bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting vanwege de kinderopvang, dient de rechter de keuze van het college terughoudend te toetsen. Weliswaar is de kinderopvang gelegen in een rustige woonwijk op relatief geringe afstand van woningen en tuinen, maar dat leidt niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid mocht aansluiten bij de grenswaarden uit het Barim. De kinderopvang is gelegen aan de Kleine Houtweg, een doorgaande ontsluitingsweg, en in de woonwijk is door de aanwezigheid van enkele niet-woonfuncties enige functiemenging aanwezig. De situatie ter plaatse is niet zodanig bijzonder dat het college hierin aanleiding had moeten zien om aan te sluiten bij strengere normen dan die ingevolge het Barim gelden. Het college kon zich dan ook op het standpunt stellen dat met inachtneming van de geluidnormen uit het Barim een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden kan worden gegarandeerd. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

6.6. De door de StAB in aanmerking genomen resultaten van de door Peutz verrichte geluidmetingen ter plaatse en de bronvermogensniveaus van spelende kinderen zijn niet in geschil. Aan het vrijstellingsbesluit zijn geen voorwaarden verbonden ten aanzien van het maximaal aantal kinderen dat tegelijk buiten speelt en het maximaal aantal uren per dag dat wordt buiten gespeeld. De rechtbank heeft daarom terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de StAB bij de beoordeling van de te verwachten geluidbelasting vanwege de kinderopvang ten onrechte is uitgegaan van ruime openingstijden en lange tijdsperioden gedurende welke grote aantallen kinderen kunnen buiten spelen. De stelling van WiNiMaCo dat in de praktijk het maximaal toegestane gebruik van het speelterrein niet zal worden benut, leidt niet tot een ander oordeel, nu het college bij gebreke van voorschriften aan het vrijstellingsbesluit hiertegen niet handhavend kan optreden.

Gelet op voorgaande bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de rechtbank zich ten onrechte heeft gebaseerd op de door de StAB berekende geluidniveaus. Op grond hiervan moet worden geconcludeerd dat de door het college gehanteerde grenswaarden van het Barim in ruime mate worden overschreden voor zowel het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau als het maximaal optredende geluidniveau. Het standpunt van het college dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, berust aldus op een onvoldoende draagkrachtige motivering en het besluit is niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen. De rechtbank heeft het besluit terecht vernietigd.

6.7. De rechtbank heeft voorts overwogen dat rekening diende te worden gehouden met de in de VNG-brochure opgenomen richtafstand. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 oktober 2013 in zaak nr. 201210263/1/A1), heeft de VNG-brochure een indicatief en globaal karakter en is afwijking van de in de VNG-brochure opgenomen aanbevolen afstanden mogelijk, maar dient de afwijking ervan voldoende te worden gemotiveerd. Niet in geschil is dat in de VNG-brochure voor de activiteiten in het kinderdagverblijf en de buitenschoolse opvang uit een oogpunt van geluidhinder in een rustige woonwijk een richtafstand van 30 m wordt aanbevolen. Anders dan waarvan de rechtbank uitgaat blijkens haar oordeel dat aan de tuin bescherming toekomt, betreft dit de afstand tussen enerzijds de perceelsgrens van de kinderopvang en anderzijds de gevels van de nabij gelegen woningen. Vast staat dat in dit geval niet wordt voldaan aan die richtafstand. Nu uit overweging 6.6 volgt dat de grenswaarden uit het Barim in ruime mate zullen worden overschreden, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat ondanks de afwijking van de in de VNG-brochure opgenomen richtafstanden realisering van de kinderopvang ruimtelijk aanvaardbaar kon worden geacht.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de zaak waarop de door het college en WiNiMaCo aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2012 betrekking had, niet op een lijn is te stellen met onderhavige zaak, reeds omdat in die zaak de grenswaarden van het Barim niet werden overschreden.

6.8. Gelet op vorenstaande heeft de rechtbank, zij het gedeeltelijk op andere gronden, terecht geoordeeld dat in het besluit niet is gegarandeerd dat de geluidbelasting ten gevolge van de buiten spelende kinderen zodanig zal zijn dat het woon- en leefklimaat voor omwonenden aanvaardbaar zal zijn.

De betogen falen.

7. Het college en WiNiMaCo betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat ter plaatse een tekort aan parkeerplaatsen voor kort parkeren bestaat, zodat de feitelijke toepassingsvoorwaarde om ontheffing van de parkeereis te verlenen, ontbrak.

Hiertoe voeren zij aan dat de StAB bij de berekening van de parkeerbehoefte vanwege de kinderopvang ten onrechte niet is uitgegaan van de in de Haarlemse Bouwverordening opgenomen parkeernormen. Voorts voeren het college en WiNiMaCo aan dat de kinderopvang is gesitueerd in een gebied dat overeenkomstig de typering door het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: CROW) als "zeer sterk stedelijk" moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft de StAB dan ook ten onrechte gevolgd in de conclusie dat het college bij de vaststelling van het aantal benodigde parkeerplaatsen had moeten uitgaan van de maximum parkeerkencijfers binnen de door het CROW gehanteerde bandbreedte. Het college en WiNiMaCo voeren voorts aan dat de rechtbank de StAB ten onrechte niet heeft gevolgd in de conclusie dat voor kort parkeren vijftien parkeerplaatsen binnen een loopafstand van 100 m aanwezig zijn, omdat op de vijf door de rechtbank niet in aanmerking genomen parkeerplaatsen aan het begin van de Hildebrandlaan aan de zijde van de Kleine Houtweg wel legaal geparkeerd kan worden. WiNiMaCo heeft voorts vraagtekens geplaatst bij de in aanmerking genomen loopafstand van 100 m vanaf de kinderopvang bij beantwoording van de vraag of voor het kort parkeren voldoende parkeergelegenheid aanwezig is.

7.1. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Haarlemse Bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort. Daarbij moet voldaan worden aan de parkeernormen zoals die in de bijlage "Tabel Parkeernormen" zijn vermeld, dit met een geografische differentiatie volgens bijbehorende, eveneens als bijlage bijgevoegde, kaart.

Ingevolge het vierde lid, onder a, kan het college ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien.

Volgens de in bijlage 13 van de Haarlemse Bouwverordening opgenomen "Tabel Parkeernormen" geldt voor een crèche, peuterspeelzaal en kinderdagverblijf een parkeernorm van 0,6 per arbeidsplaats.

De in bijlage 13 van de Haarlemse Bouwverordening neergelegde parkeernormen zijn gebaseerd op de CROW-normen. Daarbij is in bijlage 13 neergelegd dat bij toepassing van die normen is gekozen voor de typering "zeer sterk stedelijk" en voor de minimum parkeerkencijfers binnen de door CROW gehanteerde bandbreedte. Volgens de in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Haarlemse Bouwverordening bedoelde kaart is het gebied waarin de kinderopvang is gesitueerd getypeerd als schil/overloopgebied.

7.2. Voor de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen heeft het college zich wat betreft de parkeerbehoefte van de personeelsleden - het langparkeren - gebaseerd op de in de Haarlemse Bouwverordening opgenomen parkeernormen. Niet in geschil is dat op basis van deze normen 16,6 parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd. Omdat de Haarlemse Bouwverordening geen parkeernorm bevat voor de berekening van de parkeerbehoefte die het gevolg is van het halen en brengen van de kinderen - het kortparkeren - heeft het college zich bij de berekening hiervan gebaseerd op de parkeerkencijfers van CROW, die ten grondslag zijn gelegd aan de "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom" uit 2004. Het college heeft zich gelet hierop in het besluit van 5 oktober 2010 op het standpunt gesteld dat voor het kortparkeren 9,7 parkeerplaatsen vereist zijn. Het college heeft aan de ontheffing van de in het eerste lid van artikel 2.5.30 van de Haarlemse Bouwverordening opgenomen parkeereis ten grondslag gelegd dat er in de omgeving van de kinderopvang voldoende ruimte is om in de vereiste parkeerplaatsen te voorzien.

7.3. De StAB is in het onderzoeksverslag bij de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen voor zowel het langparkeren als het kortparkeren uitgegaan van de parkeerkencijfers van CROW.

De rechtbank heeft ten onrechte aanleiding gezien de StAB hierin te volgen, voor zover het betreft de te hanteren norm voor langparkeren. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het gemeentebestuur voor de vaststelling van de parkeernormen niet verplicht is om de parkeerkencijfers van CROW over te nemen. Het heeft de vrijheid om in afwijking van deze parkeerkencijfers eigen, op de plaatselijke situatie afgestemde, parkeernormen vast te stellen. Nu geen grond bestaat voor het oordeel dat de in de Haarlemse Bouwverordening opgenomen parkeernorm voor langparkeren bij een kinderopvangvoorziening niet realistisch zou zijn, heeft het college deze norm bij de berekening voor het aantal benodigde parkeerplaatsen voor langparkeren mogen hanteren.

Uit het onderzoeksverslag van de StaB volgt dat in de in aanmerking te nemen omgeving van de kinderopvang voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is om te voorzien in de 16,6 parkeerplaatsen voor langparkeren die op basis van de parkeernorm uit de Haarlemse Bouwverordening vereist zijn. Partijen hebben de conclusie van het onderzoeksverslag op dat onderdeel niet betwist.

7.4. Het college is bij gebreke van een norm in de Haarlemse Bouwverordening voor de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen voor kortparkeren uitgegaan van de parkeerkencijfers van CROW. Daarbij is het voorts uitgegaan van de in bijlage 13 van de Haarlemse Bouwverordening neergelegde gebiedstyperingen. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college de in bijlage 13 van de Haarlemse Bouwverordening neergelegde uitgangspunten niet aan de berekening ten grondslag mocht leggen. Gelet hierop mocht het college van de laagste parkeerkencijfers binnen de door CROW gehanteerde bandbreedte uitgaan. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte de StAB gevolgd in de conclusie dat gelet op de ligging van de kinderopvang in dit geval dient te worden gekozen voor de hoogste parkeerkencijfers binnen de bandbreedte van de van toepassing zijnde parkeerkencijfers, op grond waarvan voor het kortparkeren 19,9 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden.

Het college heeft zich op grond van de aan het besluit van 5 oktober 2010 ten grondslag gelegde berekening van 25 november 2009 op het standpunt gesteld dat voor het kortparkeren 9,7 parkeerplaatsen vereist zullen zijn. Hierbij is het college voor kortparkeren ten behoeve van de kinderen in de buitenschoolse opvang uit groep 1 tot en met 3 uitgegaan van een parkeerbehoefte aan 1,26 parkeerplaatsen. Op basis van de door het college gehanteerde formule bedraagt deze parkeerbehoefte echter 4,64 parkeerplaatsen, zodat in totaal 13,08 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden voor het kortparkeren.

Het college is aldus bij de verlening van ontheffing van de in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Haarlemse Bouwverordening opgenomen parkeereis van een te lage behoefte aan kortparkeren uitgegaan. De rechtbank heeft de bij het bestreden besluit verleende ontheffing, zij het op andere gronden, dan ook terecht vernietigd.

7.5. De StAB heeft op basis van een ter plaatse uitgevoerd parkeeronderzoek in het onderzoeksverslag geconcludeerd dat er in het gebied direct rondom de kinderopvang tot een afstand van ongeveer 100 m vijftien parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor kortparkeren.

De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college niet van een afstand van 100 m als acceptabele loopafstand tussen de kinderopvang en een parkeerplaats kon uitgaan. De rechtbank heeft evenwel ten onrechte overwogen dat de vijf plaatsen in de berm van de Hildebrandlaan buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat sprake is van strijd met het bestemmingsplan en het parkeren in de berm bovendien door aldaar geplaatste paaltjes thans feitelijk onmogelijk is gemaakt. Vast staat dat de desbetreffende parkeerplaatsen aan de linkerzijde van het begin van de Hildebrandlaan niet in de berm zijn gelegen. Weliswaar is niet in geschil dat zal worden afgeweken van de door CROW aanbevolen wegbreedte als op de rijbaan zal worden geparkeerd, maar het college heeft in hoger beroep aan de hand van kaart- en fotomateriaal voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom het ondanks de beperkte wegbreedte het verantwoord acht dat aan het begin van de Hildebrandlaan kortdurend ten behoeve van het halen en brengen van kinderen wordt geparkeerd. Het college heeft hierbij van belang geacht dat de Hildebrandlaan een weg met partieel eenrichtingsverkeer is met een laag verkeersvolume en dat de kinderopvang aan de Hildebrandlaan het enige adres is, dat slechts op enkele momenten per dag een kortdurende parkeerbehoefte genereert. Voorts heeft het college van belang geacht dat de snelheid van het autoverkeer ter plaatse beperkt zal zijn en de Hildebrandlaan geen onderdeel is van de hoofdfietsroute waardoor, afgezien van het bestemmingsfietsverkeer voor de kinderopvang zelf, de intensiteit van fietsverkeer laag is. Onder deze omstandigheden bestaat volgens het college geen reden om aan te nemen dat het gebruik van het begin van de Hildebrandlaan voor het parkeren een onveilige situatie voor fietsers of voetgangers zal opleveren. Aldus heeft het college toereikend gemotiveerd dat het de aan het begin van de Hildebrandlaan gelegen parkeerplaatsen in redelijkheid in zijn beoordeling mocht betrekken.

7.6. Vorenstaande leidt tot de conclusie dat het college ervan heeft mogen uitgaan dat in de omgeving van de kinderopvang in de nodige ruimte voor zowel langparkeren als kortparkeren kan worden voorzien. Hierin ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van de door de rechtbank terecht vernietigde ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, onder a, van de Haarlemse Bouwverordening, in stand te laten.

De betogen van het college en WiNiMaCo slagen.

8. Het college en WiNiMaCo betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte de StAB heeft gevolgd in de conclusie dat in het kader van de ruimtelijke onderbouwing een kort onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde diersoorten op de locatie had moeten worden uitgevoerd alvorens vrijstelling van het bestemminsplan te verlenen.

8.1. De vraag of voor de uitvoering van het bouwplan ontheffingen nodig zijn op grond van de Flora- en faunawet, en zo ja, of deze ontheffingen kunnen worden verleend, komt aan de orde in een eventueel te voeren procedure op grond van de Flora- en faunawet. Weliswaar zou het college geen vrijstelling voor het plan hebben mogen verlenen indien en voor zover het op voorhand in redelijkheid had moeten onderkennen dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staan. Daarvan is in dit geval echter niet gebleken.

Uit de door [appellant sub 3] overgelegde informatie uit het Natuurloket, dat in het kilometerhok waarbinnen de kinderopvang zich bevindt beschermde soorten voorkomen, blijkt niet op voorhand dat deze soorten ook voorkomen op het perceel. Weliswaar kan de verbouwing inclusief de wijziging van het gebruik van het gebouw in planologisch opzicht niet als een geringe wijziging worden aangemerkt, maar nu op het perceel voorheen een garagebedrijf met benzineservicestation aanwezig was en niet in geschil is dat het huidige gebruik van het gebouw voor kinderopvang feitelijk reeds gedurende vele jaren bestaat en geen aanwijzingen bestonden voor de aanwezigheid van beschermde soorten, behoefde het college niet op voorhand aan te nemen dat ter plaatse beschermde soorten aanwezig zijn en de Flora- en faunawet aan het gebruik voor kinderopvang in de weg staat.

De betogen slagen.

9. WiNiMaCo betoogt dat de rechtbank ten onrechte met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het besluit van 26 mei 2009 heeft herroepen. Zij voert hiertoe aan dat het college de gelegenheid had moeten krijgen om de door de rechtbank geconstateerde gebreken aan de vrijstelling wat betreft de aspecten geluid en parkeren te herstellen.

9.1. In geval een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van definitieve beslechting van het geschil te onderzoeken, waarbij onder meer aan de orde is of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten dan wel zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank heeft aan haar beslissing om het besluit van 26 mei 2009 zelf voorziend te herroepen, ten grondslag gelegd dat de aan het besluit klevende gebreken niet konden worden hersteld.

Zelf voorziend herroepen van een bouwvergunning is alleen mogelijk als vaststaat dat de vrijstelling niet kan worden verleend. Dat stond echter niet vast, nu gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet was uitgesloten dat het college na vernietiging van het besluit van 5 oktober 2010 alsnog toereikend zou kunnen motiveren dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden kan worden gegarandeerd. De rechtbank had derhalve moeten volstaan met de vernietiging van het besluit van 5 oktober 2010. Het is aan het college om in het kader van het nieuw te nemen besluit op bezwaar te onderzoeken of de vrijstelling en bouwvergunning kunnen worden gehandhaafd.

Het betoog slaagt.

10. Het college betoogt ten slotte dat de rechtbank de aan [appellant sub 3] te vergoeden proceskosten niet juist heeft berekend. Hiertoe voert het college aan dat de rechtbank bij de berekening van de vergoeding van de ingeschakelde deskundigen twee uur meer in aanmerking heeft genomen dan volgens de facturen aan de deskundigenrapporten zijn besteed. Voorts heeft het college aangevoerd dat [appellant sub 3] twee geluidsonderzoeken heeft laten uitvoeren, terwijl één onderzoek toereikend zou zijn geweest. WiNiMaCo heeft haar beroepsgrond ter zake ter zitting ingetrokken.

10.1. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant sub 3] er op het moment van inschakelen van de deskundigen vanuit mocht gaan dat deze een relevante bijdrage aan de beslechting van het voorliggende geschil zouden leveren. In hetgeen het college heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank de kosten van het tweede geluidsonderzoek ten onrechte voor vergoeding in aanmerking heeft gebracht.

Volgens de in beroep overgelegde bijlage bij het proceskostenformulier hebben verschillende door [appellant sub 3] ingeschakelde deskundigen in totaal 91,25 uur aan deze zaak besteed, waarvan 22 uur door DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V aan de zaak zijn besteed. Uit de eveneens bij het proceskostenformulier gevoegde declaraties blijkt evenwel dat DGMR 2 uur daarvan niet in rekening heeft gebracht bij [appellant sub 3]. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant sub 3] toegelicht dat hij dit als korting van DGMR heeft ontvangen. Gelet hierop heeft de rechtbank twee uur te veel in aanmerking genomen en het door het college te vergoeden bedrag van kosten van deskundigen € 232,18 te hoog vastgesteld.

Het betoog slaagt.

11. WiNiMaCo heeft de Afdeling verzocht om - indien de vernietiging door de rechtbank in stand blijft - het college in de gelegenheid te stellen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen, als bedoeld in artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb. WiNiMaCo heeft zich onder verwijzing naar het door haar in hoger beroep overgelegde rapport van Antea Group van 19 maart 2014 op het standpunt gesteld dat de geluidbelasting vanwege de kinderopvang beneden de door het college gehanteerde grenswaarden van het thans geldende Activiteitenbesluit milieubeheer zal blijven indien op de perceelsgrens een geluidscherm van 2,5 m hoog zal worden geplaatst, zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden kan worden gewaarborgd. Bovendien stelt WiNiMaCo voor om het aantal kinderen dat gelijktijdig buiten speelt te maximeren en om daarbij venstertijden te hanteren.

11.1. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

De Afdeling acht toepassing van de bestuurlijke lus in dit geval niet aangewezen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat voor het plaatsen van het bedoelde geluidsscherm een omgevingsvergunning is vereist waarvan het gelet op de ligging van het perceel in een beschermd stadsgezicht en de op het perceel rustende bestemming niet op voorhand kan worden aangenomen dat deze zal worden verleend. Voorts is van belang dat het college nog geen standpunt heeft ingenomen over de vraag of het aan het vrijstellingsbesluit beperkende voorwaarden wenst te verbinden ten aanzien van het maximaal aantal kinderen dat tegelijk buiten speelt en het maximaal aantal uren dat wordt buiten gespeeld.

12. De hoger beroepen van het college en WiNiMaCo zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij het besluit van 26 mei 2009 is herroepen en deze betrekking heeft op de proceskostenveroordeling. De Afdeling ziet aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 5 oktober 2010, voor zover daarbij ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, onder a, van de Haarlemse Bouwverordening is verleend, in stand blijven. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, stelt de Afdeling de te vergoeden kosten van de ingeschakelde deskundigen vast op een bedrag van € 10.361,03, zodat het totaal van de te vergoeden kosten in beroep €11.777,03 bedraagt. De aangevallen uitspraak dient voor het overige, met verbetering van de gronden waarop het berust, te worden bevestigd.

13. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep te worden veroordeeld. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

[appellant sub 3] heeft op het formulier proceskosten te kennen gegeven dat hij kosten heeft gemaakt in verband met de door deskundigen aan hem uitgebrachte deskundigenrapporten alsmede kosten, verbonden aan het meebrengen van de deskundigen naar de zitting. Voor zover het verzoek ziet op kosten die hij heeft gemaakt in verband met de behandeling van het door hem ingestelde beroep bij de rechtbank, wordt overwogen dat deze kosten niet zijn gemaakt in verband met de behandeling van het hoger beroep en om die reden niet als proceskosten in hoger beroep voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het hoger beroep geen deskundigenrapport heeft overgelegd, komen de blijkens de facturen door hem gemaakte kosten van deskundigen evenmin voor vergoeding in aanmerking. De kosten van het door [appellant sub 3] naar de zitting meebrengen van deskundigen worden vastgesteld op € 600,00.

14. Voor een veroordeling in verband met de door WiNiMaCo gemaakte proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 3] ongegrond;

II. verklaart de hoger beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Haarlem en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WiNiMaCo Holding B.V. gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 juli 2013 in zaak nr. 10/6232, voor zover daarbij het besluit van 26 mei 2009, kenmerk 2006/2503/22, is herroepen en wat betreft de proceskostenveroordeling;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 5 oktober 2010, kenmerk MS/JZ/2009/129162 e.a., voor zover daarbij ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, onder a, van de Haarlemse Bouwverordening is verleend, in stand blijven;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. bepaalt dat tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Haarlem te nemen nieuwe besluit op het bezwaar van [appellant sub 3] slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlem tot vergoeding van bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 13.351,03 (zegge: dertienduizend driehonderdeenenvijftig euro en drie cent);

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Haarlem aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WiNiMaCo Holding B.V het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 478,00 (zegge: vierhonderdachtenzeventig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Deen
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2014

604.