Uitspraak 201306769/2/R6

Datum van uitspraak: donderdag 26 september 2013
Tegen: provinciale staten van Zuid-Holland
Proceduresoort: Voorlopige voorziening
Rechtsgebied: Ruimtelijke-ordeningskamer - Inpassingsplan
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2013:1385

201306769/2/R6.
Datum uitspraak: 26 september 2013

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. de stichting Stichting Oude Kern Rijsoord, gevestigd te Ridderkerk,
2. [verzoeker sub 2] en anderen, allen wonend te Ridderkerk,
3. de stichting Stichting Nieuw Reijerwaard Comité, gevestigd te Ridderkerk, en anderen,
verzoekers,

en

provinciale staten van Zuid-Holland,
verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2013 hebben provinciale staten het inpassingsplan en exploitatieplan "Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer de Stichting Oude Kern Rijsoord, [verzoeker sub 2] en anderen en de Stichting Nieuw Reijerwaard Comité en anderen beroep ingesteld.
De Stichting Oude Kern Rijsoord, [verzoeker sub 2] en anderen en de Stichting Nieuw Reijerwaard Comité en anderen hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 20 september 2013, waar de Stichting Oude Kern Rijsoord, vertegenwoordigd door C.P. Groshart, [verzoeker sub 2] en anderen, in de persoon van [gemachtigde], bijgestaan door mr. F.G. van Dam, advocaat te Den Haag, en ing. J.C. Pors, de Stichting Nieuw Reijerwaard Comité en anderen, vertegenwoordigd door mr. J. Rutteman, advocaat te Amsterdam, en provinciale staten, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink en mr. J.A. Spee, beiden advocaat te Den Haag, en E. Schepers en S. Zondervan, zijn verschenen.
Voorts is ter zitting de Gemeenschappelijke Regeling Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard (hierna: de Gemeenschappelijke Regeling), vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, en C.J.M. van Grunsven, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het inpassingsplan voorziet in de realisering van een agrologistiek bedrijventerrein op het grondgebied van de gemeenten Ridderkerk en Barendrecht, in de oksel van de A15 en A16. De ontwikkeling omvat ongeveer 96 hectare (netto) bedrijventerrein, verkeersmaatregelen, een groene inpassing aan de zijde van de Rijksstraatweg te Ridderkerk en windturbines.

3. Stichting Oude Kern Rijsoord, [verzoeker sub 2] en anderen en Stichting Nieuw Reijerwaard Comité en anderen kunnen zich met het inpassingsplan en het exploitatieplan niet verenigen. De gronden van de verzoeken hebben in het bijzonder betrekking op nut en noodzaak van het bedrijventerrein, de locatiekeuze, het milieueffectrapport, milieuzonering, verkeersontsluiting en -afwikkeling, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, geur, trillinghinder, parkeren, landschappelijke waarden, de groenzone, bouwhoogtes, financiële uitvoerbaarheid, beschermde diersoorten, diverse planregels en de inhoud van het exploitatieplan. [verzoeker sub 2] en anderen keren zich voorts tegen het niet langer als zodanig bestemmen van de woning van [verzoeker sub 2].

4. Gezien de complexiteit van de zaak vergt de beoordeling van de door verzoekers aangedragen aspecten nader onderzoek waarvoor deze procedure zich niet leent. De vraag of vooruitlopend op die beoordeling in de bodemzaak een voorlopige voorziening moet worden getroffen zal dan ook worden beantwoord aan de hand van een belangenafweging.

5. Provinciale staten hebben in hun brief van 13 september 2013 gesteld met het oog op bestaande belangstelling voor vestiging op het bedrijventerrein te willen te starten met in die brief vermelde, voorbereidende werkzaamheden. Verzoekers betogen dat aldus een stap wordt gezet in de richting van de uitvoering van het inpassingsplan zoals het er ligt, waardoor het moeilijker wordt dit terug te draaien. Tevens wijzen zij erop dat ingevolge de Crisis- en herstelwet reeds een versnelde procedure van toepassing is.

6. Uit hetgeen ter zitting is medegedeeld, leidt de voorzitter af dat provinciale staten en de Gemeenschappelijke Regeling geen bezwaar hebben tegen schorsing indien in de brief van 13 september 2013 vermelde voorbereidende werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd. Zij hebben ter zitting desgevraagd medegedeeld te onderkennen dat het verrichten van bedoelde voorbereidende werkzaamheden voor eigen rekening en risico zal plaatsvinden en dat ongedaanmaking van die werkzaamheden aan de orde kan zijn indien het inpassingsplan in de bodemprocedure wordt vernietigd. In aanmerking genomen dat de betrokken werkzaamheden niet leiden tot onomkeerbare gevolgen, ziet de voorzitter mede gelet op het vorenstaande aanleiding het inpassingsplan te schorsen met dien verstande dat een voorlopige voorziening wordt getroffen om de Gemeenschappelijke Regeling in de gelegenheid te stellen de hierna te melden voorbereidende werkzaamheden te verrichten.

6.1. De voorbereidende werkzaamheden waarmee een aanvang mag worden gemaakt betreffen: het bouwrijp maken van de gronden rond de "eerste bedrijfslaan" door tracés voor riolering en overige ondergrondse infrastructuur op te hogen, met inbegrip van het aanbrengen van verticale drainage, het aanleggen van het tracé van de weg, inclusief de riolering en andere kabels en leidingen, het asfalteren van de weg en mogelijk het aanvangen met de aanleg van vervangend water (de "blauw wig") ter hoogte van de verbindingsweg, alsmede het starten met het bouwrijp maken van het gebied in het oosten van het plangebied, een en ander overeenkomstig de daartoe op de bijlagen bij de brief van provinciale staten van 13 september 2013 aangeven locaties.

7. Provinciale staten dienen ten aanzien van [verzoeker sub 2] en anderen en de Stichting Nieuw Reijerwaard Comité op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de Stichting Oude Kern Rijsoord is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van provinciale staten van Zuid-Holland van 26 juni 2013, kenmerk 6593;

II. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de voorbereidende werkzaamheden zoals beschreven in overweging 6.1 ter plaatse van de daar bedoelde gronden kunnen worden verricht;

III. veroordeelt provinciale staten van Zuid-Holland tot vergoeding van de in verband met de behandeling van de verzoeken opgekomen proceskosten bij [verzoeker sub 2] en anderen tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en bij de stichting Stichting Nieuw Reijerwaard Comité en anderen tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat provinciale staten van Zuid-Holland aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht vergoeden ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de stichting Stichting Oude Kern Rijsoord, € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [verzoeker sub 2] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de stichting Stichting Nieuw Reijerwaard Comité en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Kuipers
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2013

271.