Uitspraak 201208004/1/R2

Datum van uitspraak: woensdag 21 augustus 2013
Tegen: de raad van de gemeente Apeldoorn
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: RO - Gelderland
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2013:818

201208004/1/R2.
Datum uitspraak: 21 augustus 2013

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting Stichting Werkgroep Milieuzorg Apeldoorn (hierna: de Werkgroep), gevestigd te Apeldoorn,
2. de stichting Stichting Gebiedsgroep LOG Beemte-Vaassen en Omgeving (hierna: de Gebiedsgroep), gevestigd te Vaassen, gemeente Epe,
3. de vereniging Belangenvereniging Beemte Broekland (hierna: de Belangenvereniging), gevestigd te Beemte Broekland, gemeente Apeldoorn,
appellanten,

en

de raad van de gemeente Apeldoorn,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2012, kenmerk nr. 58-2012, heeft de raad het bestemmingsplan "Landbouwontwikkelingsgebied Beemte-Vaassen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de Werkgroep, de Gebiedsgroep en de Belangenvereniging beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Gebiedsgroep, de Belangenvereniging en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juni 2013, waar de Werkgroep, vertegenwoordigd door J.W.F. te Woerd, bijgestaan door L. Solis, de Gebiedsgroep, vertegenwoordigd door J.W.F. te Woerd en H.J. Bos, de Belangenvereniging, vertegenwoordigd door mr. M. Kuiper, advocaat te Harderwijk, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A. Kelderhuis en ing. J. Vermeij, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan betreft het op het grondgebied van de gemeente Apeldoorn gelegen gedeelte van het landbouwontwikkelingsgebied (hierna: LOG) Beemte-Vaassen dat is aangewezen in het op 30 maart 2005 door provinciale staten van Gelderland vastgestelde en op 5 juli 2005 door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer goedgekeurde reconstructieplan Veluwe (hierna: het reconstructieplan). De raad heeft met het plan beoogd uitwerking te geven aan het reconstructieplan. Het plangebied ligt in de omgeving van de Natura 2000-gebieden Uiterwaarden IJssel en Veluwe (hierna: de Natura 2000-gebieden).

3. Het andere gedeelte van het LOG Beemte-Vaassen is gelegen op grondgebied van de gemeente Epe. De raad van de gemeente Epe heeft hiervoor op 5 juli 2012 het bestemmingplan "Landbouwontwikkelingsgebied Beemte-Vaassen" vastgesteld. Dat bestemmingsplan is grotendeels gelijkluidend aan het onderhavige plan. Aan beide bestemmingsplannen is het op 14 januari 2010 uitgebrachte rapport "PlanMER landbouwontwikkelingsgebied Beemte-Vaassen" (hierna: MER) ten grondslag gelegd. Het bestemmingsplan van de raad van de gemeente Epe is aan de orde in de uitspraak van de Afdeling van heden in zaak nr. 201209306/1/R2.

Beroepsgronden betreffende de uitgangspunten van het MER

4. De Belangenvereniging, de Werkgroep en de Gebiedsgroep richten zich tegen de in het plan voorziene vestiging, door nieuwvestiging dan wel door omschakeling van bestaande agrarische bedrijven, van intensieve veehouderijen en de uitbreiding van bestaande intensieve veehouderijen. Zij vrezen dat het plan leidt tot een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van de inwoners van het plangebied en betogen dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen. De Belangenvereniging, de Werkgroep en de Gebiedsgroep stellen zich op het standpunt dat het MER onvoldoende inzicht geeft in de gevolgen van de met het plan mogelijk gemaakte vestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijen voor het woon- en leefklimaat, met name wat betreft geurhinder, geluidhinder, fijnstofhinder en gezondheidsrisico's, en de Natura 2000-gebieden. Zij betogen dat het MER ten onrechte niet is gebaseerd op de maximale mogelijkheden van het plan.

De Werkgroep en de Gebiedsgroep stellen dat bij een planherziening meer en omvangrijkere intensieve veehouderijen mogelijk kunnen worden gemaakt. Volgens de Gebiedsgroep zal in strijd met de wijzigingsvoorwaarden gebruik worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheden en zijn in het MER de nadelige effecten van andere maatregelen op het plangebied onvoldoende bezien. De Gebiedsgroep stelt ook dat het MER ten onrechte betrekking heeft op het gehele LOG Beemte-Vaassen.

Zij stellen dat ten onrechte niet als uitgangspunt is genomen dat alle bestaande agrarische bedrijven worden gewijzigd in intensieve veehouderijen. Volgens de Belangenvereniging en de Gebiedsgroep is daarnaast ten onrechte geen rekening gehouden met de in het plan voorziene mogelijkheid dat alle agrarische bouwvlakken worden uitgebreid tot 1,5 hectare. De Werkgroep en de Gebiedsgroep stellen verder dat geen rekening is gehouden met de wijzigingsbevoegdheid die is neergelegd in lid 3.8, aanhef en onder c, waarmee een nieuw bouwvlak van 3 hectare voor een intensieve veehouderij kan worden toegekend. Evenmin is rekening gehouden met de wijzigingsbevoegdheid die is neergelegd in artikel 7, lid 7.7, waarmee woonbestemmingen kunnen worden gewijzigd in agrarische bouwvlakken van 3 hectare, aldus de Werkgroep en de Gebiedsgroep. De Gebiedsgroep stelt dat het plan middels deze wijzigingsbevoegdheden voorziet in vier bouwvlakken van 3 hectare voor intensieve veehouderijen. De Gebiedsgroep wijst erop dat in het plan niet is vastgelegd op welke concrete locatie de wijzigingsbevoegdheden betrekking hebben.

Volgens de Gebiedsgroep is bij de berekeningen in het MER ten onrechte uitgegaan van varkenshouderijen, terwijl reeds bekend is dat zich ook andersoortige bedrijven zullen vestigen. Volgens de Gebiedsgroep is onduidelijk of voor het MER de juiste invoergegevens zijn gebruikt.

De Gebiedsgroep en de Werkgroep voeren verder aan dat niet bekend is welke bedrijven zullen verplaatsen naar het LOG, noch welke stikstofdepositie die bedrijven veroorzaken. Ook is volgens hen niet verzekerd dat zich in het plangebied uitsluitend bedrijven kunnen vestigen die hun bedrijfslocatie verplaatsen van een locatie dichterbij de Natura 2000-gebieden. Verder betwijfelen zij de effectiviteit van toe te passen mitigerende maatregelen, die volgens hen niet in het plan zijn opgenomen en niet concreet zijn onderzocht.

Relevante regels

5. Ingevolge artikel 1 van de Reconstructiewet concentratiegebieden, voor zover hier van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder ‘landbouwontwikkelingsgebied’ verstaan: een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat landbouw dat geheel of gedeeltelijk voorziet, of in het kader van de reconstructie zal voorzien, in de mogelijkheid tot uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van intensieve veehouderij.

6. Blijkens de verbeelding is binnen de plandelen met de bestemming "Agrarisch" één bouwvlak van 3 hectare en een maximum bebouwingspercentage van 60% toegekend. Binnen deze plandelen zijn voorts dertien bouwvlakken kleiner dan 3 hectare toegekend, zonder maximum bebouwingspercentage.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor intensieve veehouderijen.

Ingevolge lid 3.8, mag toepassing van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in dit lid alleen plaatsvinden voor zover de in het gebied voorkomende waarden dan wel het in het plan beoogde stedenbouwkundige en landschappelijke beeld niet onevenredig worden aangetast. Voorts zijn de algemene criteria van artikel 15, lid 15.3, van toepassing. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van:

a. […]

b. het vergroten van bestaande bouwvlakken tot maximaal 1,5 hectare, mits:

1. de afstand van het vergrote gedeelte van het bouwvlak tot de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Wonen" alsmede tot andere agrarische bouwvlakken ten minste 100 m bedraagt;

2. vergroting noodzakelijk is in verband met de agrarische bedrijfsvoering, hetgeen dient te worden aangetoond aan de hand van een bedrijfsplan;

3. ten aanzien van de maatvoering en situering van de bebouwing de regels van de bestemming "Agrarisch" op overeenkomstige wijze worden toegepast;

4. aangetoond is dat vergroting van het bouwvlak, gelet op de omvang, ligging en aard van het agrarische bedrijf op de nieuwe locatie ten opzichte van in de nabijheid gelegen functies een zodanig beperkte milieuhinder veroorzaakt dat daardoor de belangen van deze functies niet in onevenredige mate worden geschaad;

5. zorg gedragen wordt voor een goede landschappelijke inpassing op basis van het bepaalde in het 'Beeldkwaliteitplan Landbouwontwikkelingsgebied Beemte-Vaassen', zoals opgenomen in bijlage 4 ‘Beeldkwaliteitsplan’, waarbij wijziging ten behoeve van de bestemming "Natuur" mogelijk is;

6. in geval van een vergroting van een intensieve veehouderij of een biologisch pluimveebedrijf, door de GGD Gelre-IJssel een gezondheidskundig advies wordt uitgebracht.

c. nieuwvestiging van agrarische bedrijven door het opnemen van nieuwe bouwvlakken van 3 hectare, dan wel het verwijderen van bestaande bouwvlakken en het opnemen van nieuwe bouwvlakken van 3 hectare op dezelfde locatie, mits:

1. het aantal bedrijven van 3 hectare in de gemeente Apeldoorn niet meer bedraagt dan 3, met dien verstande dat in de gemeente Apeldoorn het maximaal aantal nieuw op te nemen bouwvlakken niet meer bedraagt

dan 1;

2. het bebouwingspercentage per bouwvlak niet meer bedraagt dan 60%;

3. de afstand van het nieuwe bouwvlak tot overige bestemmingen alsmede de afstand tot omliggende agrarische bouwvlakken ten minste 100 m bedraagt;

4. aangetoond is dat de nieuwvestiging een volwaardig intensieve veehouderij betreft met een omvang van ten minste 70 nge, hetgeen dient te worden aangetoond aan de hand van een bedrijfsplan;

5. ten aanzien van de maatvoering en situering van de bebouwing de regels van de bestemming "Agrarisch" op overeenkomstige wijze worden toegepast;

6. aangetoond is dat het nieuwe bouwvlak, gelet op de omvang, ligging en aard van het agrarische bedrijf op de nieuwe locatie ten opzichte van in de nabijheid gelegen functies een zodanig beperkte milieuhinder veroorzaakt dat daardoor de belangen van deze functies niet in onevenredige mate worden geschaad;

7. zorg gedragen wordt voor een goede landschappelijke inpassing op basis van het bepaalde in het 'Beeldkwaliteitplan Landbouwontwikkelingsgebied Beemte-Vaassen', zoals opgenomen in bijlage 4 'Beeldkwaliteitsplan' waarbij wijziging ten behoeve van de bestemming "Natuur" mogelijk is;

8. in geval van nieuwvestiging van een intensieve veehouderij of een biologisch pluimveebedrijf, door de GGD Gelre-IJssel een gezondheidskundig advies wordt uitgebracht.

Ingevolge artikel 7, lid 7.7, mag toepassing van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in dit lid alleen plaatsvinden voor zover de in het gebied voorkomende waarden dan wel het in het plan beoogde stedenbouwkundige en landschappelijke beeld niet onevenredig worden aangetast. Voorts zijn de algemene criteria van artikel 15, lid 15.3, van toepassing. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van nieuwvestiging van agrarische bedrijven door het omzetten van een woonbestemming in een agrarisch bouwvlak van 3 hectare, mits is voldaan aan de onder a tot en met h gestelde voorwaarden. De voorwaarde onder a luidt dat het aantal bedrijven van 3 hectare in de gemeente Apeldoorn niet meer bedraagt dan 3. De voorwaarden onder b tot en met h zijn gelijkluidend aan de voorwaarden van artikel 3, lid 3.8, onder c, onder 2 tot en met 6.

Het MER

7. In het MER is onderzocht wat de gevolgen zijn van de in het plan geboden ontwikkelingsruimte voor intensieve veehouderijen. In het MER zijn de effecten van drie varianten bezien, genoemd a, b, en c. Voor het onderhavige plan bestaat geen verschil tussen deze varianten, nu deze alleen verschillen wat betreft de locaties van vijf beoogde intensieve veehouderijen binnen het plangebied van het bestemmingsplan dat is vastgesteld door de raad van de gemeente Epe. Voorts zijn in het MER de effecten van basis- en plusvarianten bezien. In de basisvarianten zijn uitsluitend de effecten bezien van de vestiging van drie intensieve veehouderijen op agrarische bouwvlakken met een omvang van 3 hectare. In de plusvarianten is daarnaast rekening gehouden met de uitbreiding tot 1,5 hectare van drie bestaande intensieve veehouderijen, zogenoemde doorgroeilocaties.

Bij het bepalen van de effecten van de intensieve veehouderijen is uitgegaan van zogenoemde ‘fictieve inplaatsingen’. Voor de voormelde drie bouwvlakken van 3 hectare en de drie doorgroeilocaties is uitgegaan van varkenshouderijen. Verder is een bepaald formaat bedrijven aangenomen met een bepaald aantal dieren en een bepaalde verdeling van dierencategorieën en stalsystemen, zoals weergegeven in tabel 4.3 van het MER. De referentiesituatie waar vanuit wordt gegaan is de vergunde situatie in 2008.

Oordeel van de Afdeling

8. In deze procedure staat uitsluitend het plan ter beoordeling. De intensieve veehouderij die mogelijk wordt gemaakt met het bestemmingplan "Landbouwontwikkelingsgebied Beemte-Vaassen" dat is vastgesteld door de raad van de gemeente Epe, valt derhalve buiten de omvang van dit geding. Voor zover de beroepen van de Belangenvereniging, de Werkgroep en de Gebiedsgroep daartegen zijn gericht, blijven zij daarom in deze procedure buiten beschouwing.

9. Betreffende het betoog van de Gebiedsgroep over de omvang van het onderzoeksgebied, stelt de Afdeling het volgende vast. Het onderzoeksgebied waarop het MER betrekking heeft, omvat zowel het gedeelte van het LOG Beemte-Vaassen dat deel uitmaakt van het grondgebied van de gemeente Apeldoorn als het gedeelte dat deel uitmaakt van het grondgebied van de gemeente Epe. In het MER is derhalve niet alleen rekening gehouden met de ontwikkelingen die door het onderhavige plan mogelijk worden gemaakt, maar tevens met de ontwikkelingen die zijn voorzien in het bestemmingsplan "Landbouwontwikkelingsgebied Beemte-Vaassen" dat is vastgesteld door de raad van de gemeente Epe.

Het onderzoeksgebied omvat het gebied dat is aangewezen als LOG Beemte-Vaassen en heeft eenzelfde, overwegend agrarische, karakteristiek. Binnen het onderzoeksgebied wordt hoofdzakelijk de ontwikkeling van agrarische bedrijven mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling is gebaseerd op één beleidsgrondslag, namelijk het reconstructieplan en het Gebiedsplan. De Gebiedsgroep heeft niet onderbouwd welke specifieke kenmerken van het plangebied niet zijn meegenomen in het onderzoek. De enkele stelling dat in het MER meer aandacht is voor het gedeelte van het LOG Beemte-Vaassen dat deel uitmaakt van het grondgebied van de gemeente Epe is daartoe onvoldoende, nu de raad onweersproken heeft gesteld dat daar het zwaartepunt van de ontwikkeling van het LOG Beemte-Vaassen is voorzien. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het MER niet aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen gelet op de omvang van het onderzoeksgebied.

Dit betoog van de Gebiedsgroep faalt.

10. Anders dat de Gebiedsgroep betoogt, vereist artikel 7.7, eerste lid, van de Wet milieubeheer niet dat in het MER in het algemeen de effecten van de zogenoemde ‘programmatische aanpak stikstof’ en de Stikstofverordening Gelderland op het plangebied worden onderzocht.

Voor zover de Gebiedsgroep vreest dat het college van burgemeester en wethouders bij de gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheden zal afwijken van de daaraan verbonden voorwaarden, betreft dit een met het plan strijdige uitoefening van de wijzigingsbevoegdheden waarmee in het MER evenmin rekening behoeft te worden gehouden.

Ook hoeft in het MER geen rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat, zoals de Werkgroep en de Gebiedsgroep stellen, bij een planherziening meer of omvangrijke intensieve veehouderij mogelijk kan worden gemaakt. Het onderhavige plan voorziet hier immers niet in.

Deze betogen van de Werkgroep en de Gebiedsgroep falen.

11. Bij de beoordeling van de mogelijke milieueffecten van het plan, waaronder geurhinder, geluidhinder, fijnstofhinder, gezondheidsrisico’s en de effecten voor de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden, dient in het MER te worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden die het plan biedt. De Afdeling ziet zich in dit verband eerst gesteld voor de vraag of het MER is gebaseerd op het maximale aantal intensieve veehouderijen waarin het plan bij recht en na gebruikmaking van de in het plan vervatte wijzigingsbevoegdheden voorziet.

Het plan maakt ter plaatste van de plandelen met de bestemming "Agrarisch" bij recht intensieve veehouderij mogelijk. Anders dan de raad ter zitting heeft gesteld, is in de planregels niet bepaald dat de vestiging van intensieve veehouderijen ter plaatse van agrarische bouwvlakken alleen mogelijk is indien het bouwvlak op ten minste 100 meter afstand ligt van woonbestemmingen en andere intensieve veehouderijen. De voorwaarde dat ten minste 100 meter afstand moet worden gehouden tot de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Wonen" onderscheidenlijk overige bestemmingen, en tot andere agrarische bouwvlakken, is immers slechts een voorwaarde bij het vergroten van bestaande bouwvlakken tot 1,5 hectare, bij het opnemen van nieuwe bouwvlakken van 3 hectare en het verwijderen van bestaande bouwvlakken en het opnemen van nieuwe bouwvlakken van 3 hectare op dezelfde locatie en bij het omzetten van een woonbestemming in een agrarisch bouwvlak. Gelet hierop is het aantal intensieve veehouderijen dat zich in het plangebied kan vestigen niet in de planregels of in de verbeelding begrensd. Het plan staat er derhalve niet aan in de weg dat bij recht ter plaatse van alle veertien agrarische bouwvlakken een intensieve veehouderij wordt gevestigd.

Voorts voorzien de wijzigingsbevoegdheden van artikel 3, lid 3.8, onder c, voor zover hier van belang, en artikel 7, lid 7.7, van de planregels erin dat nieuwe agrarische bouwvlakken van 3 hectare worden toegekend, onderscheidenlijk dat woonbestemmingen worden omgezet in agrarische bouwvlakken van 3 hectare. In de bijbehorende voorwaarden is bepaald dat van deze wijzigingsbevoegdheden alleen gebruik kan worden gemaakt als het aantal bedrijven van 3 hectare in de gemeente Apeldoorn niet meer bedraagt dan drie. Nu in de verbeelding één bouwvlak van 3 hectare is opgenomen, kunnen met de voormelde wijzigingsbevoegdheden, anders dan de Werkgroep en de Gebiedsgroep stellen, ten hoogste nog twee nieuwe intensieve veehouderijen mogelijk worden gemaakt.

Gelet op het vorenstaande voorziet het plan in zestien agrarische bouwvlakken waar intensieve veehouderijen kunnen worden gevestigd. In het MER is er echter vanuit gegaan dat in het plangebied dertien intensieve veehouderijen worden gevestigd. Het plan maakt derhalve meer intensieve veehouderijen mogelijk dan waarvan in het MER is uitgegaan. De betogen van de Belangenvereniging, de Werkgroep en Gebiedsgroep slagen.

12. Voorts rijst de vraag of het MER is gebaseerd op de maximale omvang van de bedrijfsgebouwen van de intensieve veehouderijen waarin het plan bij recht en na gebruikmaking van de in het plan vervatte wijzigingsbevoegdheden voorziet. Daarbij is in dit geval ten eerste van belang of is uitgegaan van het maximale aantal agrarische bouwvlakken dat kan worden uitgebreid tot 1,5 hectare.

In de plusvarianten van het MER is ervan uitgegaan dat drie agrarische bouwvlakken zullen worden uitgebreid tot een omvang van 1,5 hectare. Het betreft de agrarische bouwvlakken ter plaatse van de Broeklanderweg 49, de Gatherweg 7-9 en de Bloemencamp 8. Het plan sluit echter niet uit dat in elk geval ook de drie agrarische bouwvlakken ter plaatse van de Werler 5-7, de Bloemencamp 4 en De Gaete 2 kunnen worden uitgebreid tot een omvang van 1,5 hectare. De voorwaarde die is neergelegd in artikel 3, lid 3.8, aanhef en onder b, onder 1, van de planregels heeft immers, anders dan de raad ter zitting heeft gesteld, betrekking op het vergrote gedeelte van het agrarische bouwvlak en niet op het te vergroten agrarische bouwvlak als zodanig. De drie laatstgenoemde agrarische bouwvlakken zijn kleiner dan 1,5 hectare en zijn niet volledig gelegen binnen een straal van 100 meter tot de bestemmingen "Maatschappelijk" of "Wonen" of andere agrarische bouwvlakken. Zij kunnen daarom in beginsel worden uitgebreid tot een omvang van 1,5 hectare.

Gelet op het vorenstaande voorziet het plan in meer agrarische bouwvlakken die tot 1,5 hectare kunnen worden uitgebreid dan in het MER is onderzocht. De betogen van de Belangenvereniging, de Werkgroep en Gebiedsgroep slagen.

13. Wat betreft de locaties van de agrarische bouwvlakken met een omvang van 3 hectare overweegt de Afdeling verder als volgt.

De stelling van de raad dat het plan geen agrarische bouwvlakken mogelijk maakt op locaties die niet in het MER zijn onderzocht, kan niet worden gevolgd. In de verbeelding is in de noordwesthoek van het plangebied een agrarisch bouwvlak van 3 hectare toegekend op een locatie waar in het MER geen intensieve veehouderij is voorzien. Voorts hebben de wijzigingsbevoegdheden die zijn neergelegd in artikel 3, lid 3.8, onder c, en artikel 7, lid 7.7 betrekking op het hele plangebied. De voorwaarde die is neergelegd in lid 3.8, aanhef en onder c, onder 3, onderscheidenlijk lid 7.7, onder d, dat de afstand van het nieuwe agrarische bouwvlak tot overige bestemmingen en andere agrarische bouwvlakken ten minste 100 meter moet zijn, brengt niet met zich dat uitsluitend op de in het MER onderzochte locaties agrarische bouwvlakken van 3 hectare mogelijk kunnen worden gemaakt. Op elke locatie, ook maagdelijke grond, buiten een straal van 100 meter van de voormelde functies kan op grond van het plan een agrarisch bouwvlak van 3 hectare voor een intensieve veehouderij worden gelegd.

In het MER is ervan uitgegaan dat de agrarische bouwvlakken van 3 hectare zullen worden toegekend ter plaatse van de Werler 1, de Bloemencamp 5 en de Broeklanderweg 45. Derhalve zijn in het MER de effecten bezien van één mogelijke verdeling van de drie agrarische bouwvlakken van 3 hectare binnen het plangebied. Gelet op het vorenstaande voorziet het plan echter ook voor andere locaties, die niet in het MER zijn onderzocht, in de mogelijkheid dat ter plaatse een agrarisch bouwvlak van 3 hectare wordt toegekend. De betogen van de Belangenvereniging, de Werkgroep en Gebiedsgroep slagen.

14. Gelet op hetgeen is overwogen onder 11, 12, en 13 voorziet het plan in een groter aantal intensieve veehouderijen, een grotere omvang van de bedrijfsgebouwen van de betreffende intensieve veehouderijen en agrarische bouwvlakken van 3 hectare voor intensieve veehouderijen op meer locaties dan waarvan in het MER is uitgegaan. Derhalve is het MER niet gebaseerd op hetgeen het plan daadwerkelijk mogelijk maakt.

De stelling van de raad dat bij de beoordeling van een omgevingsvergunning voor de vestiging of uitbreiding van een intensieve veehouderij een nadere beoordeling van de milieueffecten zal worden verricht, leidt niet tot een ander oordeel omdat dit niet wegneemt dat de raad bij de vaststelling van het plan dient te beoordelen of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en of is verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden daardoor niet zullen worden aangetast.
Uit het vorenstaande volgt dat de raad ten onrechte het MER aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd en dat het plan in zoverre niet met de bij het nemen van een besluit vereiste zorgvuldigheid is vastgesteld. In hetgeen de Werkgroep, de Gebiedsgroep en de Belangenvereniging hebben aangevoerd, ziet de Afdeling derhalve aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen zijn reeds hierom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de voormelde bepaling. Hetgeen de Belangenvereniging, de Werkgroep en de Gebiedsgroep overigens hebben aangevoerd, behoeft geen verdere bespreking.

15. Ten behoeve van een nieuw vast te stellen bestemmingsplan wijst de Afdeling erop dat, indien bij een nieuw plan-MER opnieuw wordt uitgegaan van een voor het betrokken gebied representatieve verhouding van onder meer pluimveehouderijen, varkenshouderijen en melk- en rundveehouderijen zonder dat in de verbeelding of planregels wordt vastgelegd dat een bepaalde soort intensieve veehouderij op een bepaalde locatie is toegelaten of uitgesloten, van belang is dat voor de omliggende gevoelige objecten wordt onderkend dat op elke daarvoor beschikbare locatie elke soort intensieve veehouderij mogelijk is.

Voorts wijst de Afdeling erop dat, indien opnieuw wordt uitgegaan van de zogenoemde fictieve bedrijven met een bepaald aantal dieren als weergegeven in tabel 4.3 van het MER, duidelijk dient te zijn dat het aantal dieren representatief is voor de maximale oppervlakte van de bedrijfsgebouwen, ervan uitgaande dat daarbij aan de relevante wettelijke vereisten wordt voldaan.

16. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Apeldoorn van 21 juni 2012, kenmerk nr. 58-2012;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Apeldoorn tot vergoeding van bij de stichting Stichting Werkgroep Milieuzorg Apeldoorn in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 42,88 (zegge: tweeënveertig euro en achtentachtig cent);

veroordeelt de raad van de gemeente Apeldoorn tot vergoeding van bij de stichting Stichting Gebiedsgroep LOG Beemte-Vaassen en Omgeving in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 41,48 (zegge: eenenveertig euro en achtenveertig cent);

veroordeelt de raad van de gemeente Apeldoorn tot vergoeding van bij de vereniging Belangenvereniging Beemte Broekland in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 985,48 (zegge: negenhonderdvijfentachtig euro en achtenveertig cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Apeldoorn aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de stichting Stichting Werkgroep Milieuzorg Apeldoorn, € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de stichting Stichting Gebiedsgroep LOG Beemte-Vaassen en Omgeving en € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de vereniging Belangenvereniging Beemte Broekland, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Tuit
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2013

458-743.