Uitspraak ​201110658/1/R3

Datum van uitspraak: woensdag 24 juli 2013
Tegen: het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: RO - Noord-Brabant
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2013:3043

​201110658/1/R3.
Datum uitspraak: 24 juli 2013

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. het college van burgemeester en wethouders van Someren (hierna: het gemeentebestuur),
2. [appellant sub 2], wonend te Someren,
3. de vereniging Motor- en Autoclub Lierop, gevestigd te Lierop, gemeente Someren (hierna: MAC Lierop),

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2011 heeft het college aan de raad van de gemeente Someren een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 29 juni 2011 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Someren".

Tegen dit besluit hebben het gemeentebestuur, [appellant sub 2] en MAC Lierop beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbende] en anderen een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluiten van 24 april 2012 en van 19 maart 2013 heeft het college zijn besluit van 2 augustus 2011 gedeeltelijk ingetrokken.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2013, waar het gemeentebestuur, vertegenwoordigd door J.M.G. Merkx MSc en mr. A.A.M. Kuijken, beiden werkzaam bij de gemeente, MAC Lierop, vertegenwoordigd door mr. M. Bos, advocaat te Rosmalen, en het college, vertegenwoordigd door A.H.P. Bosmans, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende] en anderen, bijgestaan door mr. P.M.L. Schilder Spel, advocaat te Utrecht, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), gelezen in samenhang met het vierde lid, voor zover hier van belang, kan het college, onverminderd andere aan hem toekomende bevoegdheden, met betrekking tot een onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan waarover hij een zienswijze over het ontwerp heeft ingediend en deze niet volledig is overgenomen, aan de gemeenteraad een aanwijzing geven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wro, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld (hierna: reactieve aanwijzing). Het college vermeldt in de redengeving de aan het besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die de provincie beletten het betrokken provinciaal belang met inzet van andere aan haar toekomende bevoegdheden te beschermen.

Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, kan, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, het college aan de raad een aanwijzing geven om binnen een daarbij te bepalen termijn een bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften omtrent de inhoud van dat bestemmingsplan.

Ontvankelijkheid

2. Bij besluit van 24 april 2012 heeft het college de reactieve aanwijzing met betrekking tot artikel 29, lid 29.2, onder 2, van de planregels ingetrokken. Voorts heeft het college bij besluit van 19 maart 2013 de reactieve aanwijzing met betrekking tot de bestemming "Recreatie" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - 7" aan de Maarheezerdijk ongenummerd, artikel 17, lid 17.1, aanhef en onder 6, de 7e rij van de bij artikel 17, lid 17.2 behorende tabel en artikel 17, lid 17.6, van de planregels ingetrokken. Het college is in zoverre tegemoet gekomen aan de bezwaren van het gemeentebestuur en het plan is, voor zover het voornoemde onderdelen betreft, alsnog bekend gemaakt en in werking getreden. Nu het gemeentebestuur derhalve in zoverre geen belang meer heeft bij een beoordeling van het besluit van 2 augustus 2011, is het beroep van het gemeentebestuur, voor zover dit betrekking heeft op de ingetrokken reactieve aanwijzingen ten aanzien van voornoemde onderdelen, niet-ontvankelijk.

Het plan en de reactieve aanwijzing

3. Aan de gronden van het motorcrossterrein zijn de bestemming "Bos" en de aanduiding "motorcrossterrein" toegekend.

3.1. Ingevolge artikel 11, aanhef en onder 1, van de planregels is het motorcrossterrein dat al tientallen jaren bestaat, in de vorm van een aanduiding op de verbeelding aangegeven. Het terrein mag niet worden uitgebreid en het gebruik mag niet worden geïntensiveerd. Het terrein mag tot maximaal acht uur per week worden gebruikt, hierdoor kan het niet uitgroeien tot een "grote lawaaimaker" in de zin van artikel 40 van de Wet geluidhinder, waarvoor deze wet specifieke regels bevat.

Ingevolge lid 11.1, aanhef, zijn de voor "Bos" aangewezen gronden bestemd voor bosbouwkundige doeleinden ten behoeve van het behoud van duurzaam bos ter plaatse en behoud van de groeiplaats.

Ingevolge dat lid, onder 6, is ter plaatse van de aanduiding "motorcrossterrein" een motorcrossterrein toegestaan.

4. Het college heeft aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot de aanduiding "motorcrossterrein" en de bijbehorende regeling in het plan, zoals opgenomen in artikel 11, aanhef en onder 1, en artikel 11, lid 11.1, aanhef en onder 6, van de planregels.

4.1. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat het motorcrossterrein in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998" niet als zodanig was bestemd, zodat de vestiging van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Nu in dat plan geen bestaand bestemmingsvlak of bouwblok was opgenomen waarbinnen het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken was toegestaan, is de vestiging van deze nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in strijd met artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: de Verordening 2011).

Voorts heeft het college aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat als gevolg van het motorcrossterrein de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) zal worden aangetast en verstoord. Het als zodanig bestemmen van een motorcrossterrein is derhalve in strijd met artikel 4.2, eerste lid, van de Verordening 2011.

Tot slot heeft het college aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat in strijd met artikel 11.12 van de Verordening 2011 een lawaaisportterrein in de vorm van een motorcrossterrein wordt gevestigd, nu dit terrein in het voorheen geldende plan niet als zodanig was bestemd. Op grond van dit artikel wordt vestiging of uitbreiding van een lawaaisport buiten bestaand stedelijk gebied, met uitzondering van een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, uitgesloten.

Het beroep van [appellant sub 2]

5. [appellant sub 2] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, doch hetgeen hij heeft aangevoerd ziet niet op de bij dat besluit gegeven aanwijzingen. Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

De beroepen van het gemeentebestuur en MAC Lierop

6. Het gemeentebestuur en MAC Lierop betogen dat ten onrechte een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de aanduiding "motorcrossterrein" en de bijbehorende regels in het plan.

Zij voeren hiertoe aan dat, in tegenstelling tot wat het college stelt, niet zal worden gebouwd op het motorcrossterrein, omdat het plan niet in bouwmogelijkheden op gronden met de aanduiding "motorcrossterrein" voorziet. Enkel de beperkte bouwmogelijkheden binnen de bestemming "Bos" zijn toegestaan. Gelet hierop heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom de aanduiding "motorcrossterrein" in strijd is met het principe van zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2011. Voorts stelt MAC Lierop dat artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder a, alleen voorwaarden stelt voor de invulling van vrijkomende agrarische bedrijven en niet voor een motorcrossterrein.

Verder voert MAC Lierop aan dat het college ten onrechte stelt dat het als zodanig bestemmen van het motorcrossterrein in strijd is met artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening 2011, nu het toegestane ruimtebeslag niet meer is dan hetgeen al jarenlang door middel van overgangsrecht wordt toegestaan en dit onderdeel van het artikel regels stelt voor uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag.

6.1. Ingevolge artikel 1, onder 71, van de Verordening 2011 wordt onder het begrip ruimtelijke ontwikkeling het volgende verstaan: bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning is vereist.

Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, houdt het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval in dat:

a. ingeval van vestiging van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is verzekerd dat gebruik wordt gemaakt van een bestaand bestemmingsvlak of bouwblok waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken toestaat, behoudens ingeval in deze verordening anders is bepaald;

b. uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden.

6.2. In het voorheen geldende plan "Buitengebied 1998" was het motorcrossterrein bestemd als "Multifunctioneel bosgebied". Deze bestemming stond het gebruik als motorcrossterrein niet toe. Voorts maakte dit plan het ter plaatse van het motorcrossterrein niet mogelijk om te bouwen. Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2011 is, gelet op artikel 1.1, onder 71, een bouw- of gebruiksactiviteit waarvoor een omgevingsvergunning is vereist. Vast staat dat een motorcrossterrein op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gelezen in samenhang met artikel 2.1, tweede lid, en categorie 19.4, aanhef en onder c, van onderdeel C van bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht vergunningplichtig is. Gelet hierop zijn de aanduiding "motorcrossterrein" en de bijbehorende regels in het plan, nu het gaat om de vestiging van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling en geen gebruik wordt gemaakt van een bestaand bestemmingsvlak of bouwblok waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken toestaat, in strijd met artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2011. Dat het plan geen bouwmogelijkheden ter plaatse van het motorcrossterrein mogelijk maakt, doet hier gelet op het vorenstaande niet aan af. Dat, zoals MAC Lierop stelt, uit de toelichting van de Verordening 2011 volgt dat dit artikel alleen voorwaarden stelt voor de invulling van vrijkomende agrarische bedrijven, kan, wat daar ook van zij, hier evenmin aan afdoen, nu dit niet uit artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 1.1, onder 71, volgt. De betogen falen.

6.3. Het college heeft artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening 2011 niet ten grondslag gelegd aan de reactieve aanwijzing, zodat het betoog van MAC Lierop dat het college ten onrechte stelt dat het als zodanig bestemmen van het motorcrossterrein in strijd is met dit onderdeel van het artikel, gelet hierop feitelijke grondslag mist.

7. Het gemeentebestuur en MAC Lierop stellen voorts dat het motorcrossterrein al ruim 20 jaar bestond voordat de gronden werden aangewezen als EHS. Zij maken hieruit op dat het college destijds van mening was dat binnen de EHS een motorcrossterrein was toegestaan en dat het motorcrossterrein geen belemmering vormde voor de binnen dit deel van de EHS aanwezige natuurwaarden. Als het college van mening zou zijn dat het motorcrossterrein en de EHS niet samengaan, is, zo stellen zij, de begrenzing van de EHS op dit punt onzorgvuldig tot stand gekomen en is dit gebied ten onrechte als EHS aangewezen. Voorts wijzen zij erop dat niet zal worden gebouwd op het motorcrossterrein, omdat het plan niet in bouwmogelijkheden voor de aanduiding "motorcrossterrein" voorziet. Het college heeft verder niet gespecificeerd welke waarden zullen worden aangetast of verstoord. Het betreffende gebied is krachtens artikel 4.1, tweede lid, van de Verordening 2011 op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan aangewezen als "droog bos met productie". Gelet op de toelichting over de waarden bij "droog bos met productie" stellen het gemeentebestuur en MAC Lierop dat het motorcrossterrein deze waarden niet zal aantasten of verstoren. Het gemeentebestuur voegt daaraan toe dat indien het college kan onderbouwen op welke wijze het motorcrossterrein de EHS zal schaden, het bereid is om in overleg met het college elders compenserende maatregelen te treffen.

MAC Lierop voert voorts aan dat ingevolge artikel 4.2, tweede lid, van de Verordening 2011 het bestemmingsplan de geldende niet-natuurbestemming en de met het oog daarop gegeven regels omtrent gebruik van de gronden in acht moet nemen. Gelet hierop mag volgens MAC Lierop geen inbreuk worden gemaakt op haar op grond van het overgangsrecht gevestigde belangen en rechten.

7.1. In de Verordening 2011 is door middel van een kaart die als bijlage daarvan deel uitmaakt, vastgelegd dat de gronden waarop het motorcrossterrein zich bevindt, zijn aangewezen als EHS. De Afdeling vat de betogen van het gemeentebestuur en MAC Lierop in dit geval op als mede gericht tegen de begrenzing van de EHS in de Verordening 2011. In de Verordening 2011 zijn algemene regels opgenomen met betrekking tot bestemmingsplannen die zijn gelegen in de EHS.

Aan een algemeen verbindend voorschrift, zoals hier aan de orde, kan verbindende kracht worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

7.2. Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, van de Verordening 2011 zijn als ecologische hoofdstructuur aangewezen de als zodanig aangeduide gebieden waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing met een nauwkeurigheid van 12,5 m zijn vastgelegd.

Ingevolge het tweede lid gelden voor de gebieden aangewezen op grond van het eerste lid als ecologische waarden en kenmerken de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan.

Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, aanhef en onder a, strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in de EHS tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

Ingevolge het tweede lid neemt een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid de geldende niet-natuurbestemming en de met het oog daarop gegeven regels omtrent het gebruik van de grond en van de zich daarop bevindende bouwwerken in acht.

7.3. Op de beheertypekaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan 2011 - 2012 is het motorcrossterrein aangeduid als "droog bos met productie". In de toelichting op de kaarten is "droog bos met productie" als volgt omschreven: bossen op voedselarme tot lemige zandgronden gedomineerd door loofbomen en (meereisende) naaldboomsoorten. Houtoogst is een doel en vindt periodiek plaats. Derhalve zijn de te beschermen waarden op de beheertypekaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan 2011 - 2012 vastgelegd. Dat het motorcrossterrein al ruim 20 jaar bestond voordat de gronden werden aangewezen als EHS, betekent niet dat dit gebruik aan de aanduiding van het gebied als EHS in de weg hoefde te staan, nu het gebruik van het terrein als motorcrossterrein in de voorheen geldende bestemmingsplannen niet als zodanig was bestemd. Daarbij betrekt de Afdeling dat de bepalingen in de Verordening 2011 met betrekking tot de EHS zowel zien op bescherming van aanwezige natuurwaarden als op te ontwikkelen natuurwaarden. In hetgeen het gemeentebestuur en MAC Lierop hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de begrenzing van de EHS ter plaatse in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift of in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel, zodat de betogen falen.

7.4. De raad moet bij het vaststellen van een bestemmingsplan de algemene regels uit de Verordening 2011 in acht nemen en mag geen plan vaststellen waarin ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt die in strijd met deze regels de EHS aantasten. Het college heeft ter zitting gesteld dat de ecologische waarden en kenmerken van het gebied door de verstoring die het motorcrossterrein meebrengt niet duurzaam kunnen worden ontwikkeld. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Nu uit artikel 4.2, eerste lid, onder a, van de Verordening 2011 volgt dat een bestemmingsplan dat is gelegen in de EHS strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden, heeft het college gelet op het vorenstaande terecht gesteld dat de aanduiding "motorcrossterrein" en de bijbehorende regels in het plan in strijd zijn met dit artikel. Dat, zoals het gemeentebestuur en MAC Lierop stellen, niet op het motorcrossterrein zal worden gebouwd, doet hier niet aan af.

De betogen falen.

7.5. Voor zover MAC Lierop betoogt dat ingevolge artikel 4.2, tweede lid, van de Verordening 2011 het bestemmingsplan de geldende niet-natuurbestemming en de met het oog daarop gegeven regels omtrent gebruik van de gronden in acht moet nemen en gelet daarop geen inbreuk mag worden gemaakt op haar op grond van het overgangsrecht gevestigde belangen en rechten, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de toelichting op de Verordening 2011 volgt dat dit lid een generieke bepaling bevat ter bescherming van gevestigde belangen en rechten, zodat hetgeen is geregeld in op het moment van inwerkingtreding van de Verordening 2011 geldende bestemmingsplannen, onverkort wordt geëerbiedigd. Er mogen echter geen nieuwe ontwikkelingen worden geschapen door middel van een herziening van een bestemmingsplan. Het gebruik van het terrein als motorcrossterrein was in het voorheen geldende plan niet als zodanig bestemd. Nu artikel 4.2, tweede lid, van de Verordening 2011, gelet op het vorenstaande, alleen op de gevestigde belangen en rechten van de geldende niet-natuurbestemming en de met het oog daarop gegeven regels in een bestemmingsplan ziet en niet op gebruik dat onder het overgangsrecht is toegestaan, staat dit artikel niet in de weg aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het als zodanig bestemmen van het motorcrossterrein.

Het betoog faalt.

8. MAC Lierop voert voorts aan dat artikel 11.12 van de Verordening 2011 in strijd is met artikel 4.1 van de Wro, aangezien het provinciaal belang het met het oog op een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk maakt om lawaaisportvoorzieningen in het buitengebied op te heffen of de vestiging daarvan tegen te gaan, zonder een ontheffingsmogelijkheid op te nemen. Nu artikel 11.12 van de Verordening 2011 lawaaisporten op gronden buiten bestaand stedelijk gebied en zoekgebieden voor stedelijke ontwikkeling uitsluit, wordt het voor het gehele buitengebied verboden om een terrein als motorcrossterrein in gebruik te nemen. Gelet hierop dient artikel 11.12 van de Verordening 2011 onverbindend te worden verklaard.

Voorts voert het gemeentebestuur aan dat het motorcrossterrein al sinds 1971 met toestemming van het gemeentebestuur in gebruik is, welk gebruik 8 uur per week in beslag neemt. Het gemeentebestuur heeft hier nimmer handhavend tegen opgetreden noch is strijdig gebruik gewraakt. Gezien het feit dat het motorcrossterrein onder het overgangsrecht valt, is er geen zicht op handhaving en is er volgens het gemeentebestuur geen andere mogelijkheid dan het motorcrossterrein als zodanig te bestemmen. Nu dit gebruik onder het overgangsrecht van het voorheen geldende plan "Buitengebied 1998" viel, wordt het motorcrossterrein planologisch gezien niet gevestigd als bedoeld in artikel 11.12 van de Verordening 2012. Verder verwijst het gemeentebestuur naar de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2010 in zaak nr. 200807042/1/R1. Gelet op het vorenstaande heeft het college, aldus het gemeentebestuur, onvoldoende gemotiveerd waarom het als zodanig bestemmen van het motorcrossterrein in strijd is met artikel 11.12 van de Verordening 2011.

8.1. Ingevolge artikel 11.12 van de Verordening 2011 sluit een bestemmingsplan dat is gelegen buiten bestaand stedelijk gebied de vestiging of uitbreiding uit van een voorziening voor sportactiviteiten waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd, waaronder in ieder geval begrepen de rallysport, de motorsport en de modelvliegsport, behoudens mogelijke vestiging in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling waarbij het bepaalde in artikel 3.3 met betrekking tot nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen op overeenkomstige wijze wordt toegepast met inbegrip van de aldaar vereiste regionale afstemming.

Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, van de Wro, kunnen, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen.

8.2. Het beroep van MAC Lierop strekt tot onverbindendverklaring van artikel 11.12 van de Verordening 2011. De Afdeling overweegt dat aan een algemeen verbindend voorschrift, zoals hier aan de orde, slechts verbindende kracht kan worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift dan wel in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

8.3. Voor zover is betoogd dat artikel 11.12 van de Verordening 2011 in strijd is met artikel 4.1, eerste lid, van de Wro, overweegt de Afdeling dat algemene regels door provinciale staten kunnen worden gesteld indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. Provinciale staten hebben met het verbod op een vestiging of uitbreiding van een voorziening voor sportactiviteiten waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd de nadelige ruimtelijke gevolgen van dergelijke sportactiviteiten willen beperken. Voorts streven provinciale staten naar de opheffing van lawaaisportterreinen in het buitengebied. Nu dit een ruimtelijk belang is dat zich leent voor behartiging op provinciaal niveau vanwege de daaraan klevende bovengemeentelijke aspecten hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat het met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk was om voormelde algemene regels te stellen.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 11.12 van de Verordening 2011 onverbindend zou moeten worden verklaard wegens strijd met artikel 4.1, eerste lid, van de Wro.

Het betoog faalt.

8.4. Zoals onder 6.2 overwogen stond het voorheen geldende plan het motorcrossterrein niet toe. Gelet hierop heeft het college het als zodanig bestemmen van het motorcrossterrein terecht aangemerkt als planologische vestiging als bedoeld in artikel 11.12 van de Verordening 2011. Dat het gebruik als motorcrossterrein op grond van het overgangsrecht van dat plan was toegestaan en al decennialang plaatsvond, brengt niet met zich dat geen sprake is van vestiging als bedoeld in artikel 11.12. Nu het motorcrossterrein niet in stedelijk gebied of zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling ligt, maar in de EHS, stelt het college terecht dat de aanduiding "motorcrossterrein" en de bijbehorende regels in het plan in strijd zijn met artikel 11.12 van de Verordening 2011.

Voor zover het gemeentebestuur heeft betoogd dat het gebruik van de gronden als motorcrossterrein als zodanig dient te worden bestemd, omdat het gebruik van het motorcrossterrein onder het overgangsrecht valt en gelet daarop hiertegen niet handhavend kan worden opgetreden, overweegt de Afdeling dat dit niet betekent dat de aanduiding "motorcrossterrein" aan het terrein had moeten worden toegekend, nu gebruik dat onder het overgangsrecht valt in beginsel geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen doet ontstaan dat dit gebruik als zodanig wordt bestemd. De enkele omstandigheid dat het gebruik van het terrein als motorcrossterrein al gedurende langere tijd gaande is en het niet meer mogelijk zou zijn om hier handhavend tegen op te treden, maakt dit niet anders. Zoals het college ter zitting heeft gesteld, volgt uit de toelichting op artikel 11.12 van de Verordening 2011 dat onder bijzondere omstandigheden een voorkomend geval kan worden voorgelegd aan provinciale staten om een specifieke afweging te maken. Vast staat dat een dergelijk verzoek niet is ingediend. Voorts heeft het college ter zitting te kennen gegeven welwillend te staan tegenover overleg, waarbij tevens de mogelijkheid tot verplaatsing van het motorcrossterrein kan worden besproken. Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad geen andere mogelijkheid had dan het motorcrossterrein als zodanig te bestemmen en het college gelet hierop in zoverre ten onrechte een reactieve aanwijzing heeft gegeven.

Wat betreft de verwijzing van het gemeentebestuur naar de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2010 in zaak nr. 200807042/1/R1, overweegt de Afdeling dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat de aanduiding "motorcrossterrein" in dit geval niet in strijd is met de Paraplunota ruimtelijke ordening of ander provinciaal beleid, maar met een bindende bepaling uit de Verordening 2011.

Het betoog faalt.

9. Het beroep van het gemeentebestuur, voor zover ontvankelijk, en het beroep van MAC Lierop zijn ongegrond.

Proceskosten

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Someren niet-ontvankelijk, voor zover het betreft de ingetrokken reactieve aanwijzingen met betrekking tot:

- artikel 29, lid 29.2, onder 2, van de planregels;

- de bestemming "Recreatie" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - 7" aan de Maarheezerdijk ongenummerd, artikel 17, lid 17.1, aanhef en onder 6, de 7e rij van de bij artikel 17, lid 17.2 behorende tabel en artikel 17, lid 17.6, van de planregels;

II. verklaart het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Someren voor het overige en de beroepen van [appellant sub 2] en de vereniging Motor- en Autoclub Lierop geheel ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Lap
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2013

288-758.