Uitspraak ​201208101/1/R2

Datum van uitspraak: woensdag 10 juli 2013
Tegen: de raad van de gemeente Overbetuwe
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: RO - Gelderland
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2013:3180

​201208101/1/R2.
Datum uitspraak: 10 juli 2013

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,
2. [appellante sub 2A], gevestigd te Elst, gemeente Overbetuwe, en [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C], beiden wonend te Elst, gemeente Overbetuwe (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 2]),
3. [appellant sub 3], wonend te Elst, gemeente Overbetuwe en de vereniging Comité Verantwoord Beleid Overbetuwe (hierna: CVBO), gevestigd te gemeente Overbetuwe,
4. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Otco Straal- en Spuitbedrijf B.V, gevestigd te Elst, gemeente Overbetuwe, en anderen,
appellanten,

en

de raad van de gemeente Overbetuwe,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2012, met kenmerk 12RB000039, heeft de raad het bestemmingsplan "Elst Centraal, Infra, P+R en Huis der Gemeente" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en CVBO, en Otco B.V. en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en CVBO, Otco B.V. en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De raad heeft de rapporten "Grondexploitatie Elst Centraal 2012", "Kosten- en dekkingsoverzicht Spoorzone Elst maart 2012", "Spoorzone: raming gemeentelijke plankosten" en "Grondexploitatie" ingezonden. Daarbij heeft hij voor deze stukken verzocht om beperkte kennisneming, als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De Afdeling heeft het verzoek om beperkte kennisneming gedeeltelijk toegewezen. De betrokken partijen is gevraagd om toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. Deze toestemming is verkregen. De stukken waarvoor het verzoek van de raad is afgewezen maken deel uit van het dossier.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2013, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. G. Aarts, advocaat te Amsterdam, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [appellant sub 2C], bijgestaan door mr. P.J.G. Poels, advocaat te Nijmegen, en dr. H. Olden, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. E.H.M. Harbers, advocaat te Nijmegen, CVBO, vertegenwoordigd door G. de Leeuw en dr. J.M.G. Lankveld, bijgestaan door mr. E.H.M. Harbers, advocaat te Nijmegen, Otco B.V. en anderen, vertegenwoordigd door ing. R.J.H. Hoedemaker, bijgestaan door mr. P.J.G. Poels, advocaat te Nijmegen, en de raad, vertegenwoordigd door ing. A. Mulders en ir. H. Bos, beiden werkzaam bij de gemeente, [3 belanghebbenden], bijgestaan door mr. M.J. Tunnissen, advocaat te Arnhem, zijn verschenen. Voorts zijn NS Poort, vertegenwoordigd door mr. M.E. Koolen, advocaat te Utrecht, en het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door F.M.J. van Rooijen, ter zitting gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in de ontwikkeling van een gemeentehuis met parkeerterrein, kantoren en een parkeergarage naast het station van Elst, Gelderland. Voorts biedt het plan een regeling voor de aanleg van een zogenoemd keerspoor op het station van Elst, voor de aanleg van verkeers- en verblijfsgebieden rondom het station en voor twee tunnels onder de spoorlijnen bij dit station.

2.1. Ten behoeve van het plan heeft het ontwerpbestemmingsplan "Elst Centraal, Infra" van 24 juni 2010 tot en met 3 augustus 2010 ter inzage gelegen, en heeft het ontwerpbestemmingsplan "Elst Centraal, Huis der Gemeente" van 3 februari 2011 tot en met 16 maart 2011 ter inzage gelegen. Gedurende deze perioden kon een ieder zienswijzen naar voren brengen bij de raad. Met het vastgestelde plan zijn beide ontwerpen gewijzigd vastgesteld als één plan.

Ontvankelijkheid

3. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, zoals dat luidde ten tijde van belang, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

3.1. CVBO heeft noch een zienswijze over het ontwerpplan "Elst Centraal, Infra", noch over het ontwerpplan "Elst Centraal, Huis der Gemeente" naar voren gebracht bij de raad. Dat in het plan twee ontwerpen zijn samengebracht, is op zichzelf geen omstandigheid op grond waarvan CVBO redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, nu de mogelijkheid bestond om zienswijzen naar voren te brengen over beide ontwerpen.

Dat CVBO eerst bij akte van 23 april 2012, na de termijn van het indienen van zienswijzen, is opgericht, is evenmin een zodanige omstandigheid. Daartoe overweegt de Afdeling dat het in dit geval niet met het wettelijk stelsel verenigbaar is dat een in een later stadium van de procedure opgerichte rechtspersoon zich in de procedure kan mengen. Hierbij betrekt de Afdeling dat het belang waarvoor CVBO opkomt reeds bestond ten tijde van de termijn voor het indienen van zienswijzen. Dat CVBO pas is opgericht na die termijn dient voor haar rekening te komen.

Voor zover CVBO aanvoert dat zij ten aanzien van de planonderdelen die ten opzichte van de ontwerpbestemmingsplannen gewijzigd zijn vastgesteld verschoonbaar geen zienswijze heeft ingediend, overweegt de Afdeling als volgt. De doelstellingen van CVBO, zoals deze zijn vastgelegd in de statuten, behelzen het bevorderen van een gezond financieel beleid van de gemeente Overbetuwe en het voorkomen van activiteiten die dit bedreigen, en in het bijzonder in verband hiermee het voorkomen van de bouw van een nieuw gemeentehuis nabij het station van Elst. Het plan is ten opzichte van de ontwerpbestemmingsplannen gewijzigd vastgesteld met betrekking tot de verkeersbestemmingen. Het plan is verder ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan "Elst Centraal, Huis der Gemeente", wat betreft de bouw van het gemeentehuis ongewijzigd vastgesteld, en wat betreft de indeling van de voorziene bouwmogelijkheden op enige ondergeschikte punten gewijzigd vastgesteld. De vermelde wijzigingen hebben geen invloed op het plan, voor zover het de onderwerpen betreft waarop de doelstellingen van CVBO zien. Derhalve is CVBO door de wijziging niet in een nadeliger positie komen te verkeren.

Ook voor het overige doet zich geen omstandigheid voor op grond waarvan CVBO redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het niet indienen van een zienswijze haar redelijkerwijs niet kan worden verweten.

Het beroep van [appellant sub 3] en CVBO, voor zover ingesteld door CVBO, is niet-ontvankelijk.

3.2. [appellant sub 3] heeft bij de raad een zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan "Elst Centraal, Huis der Gemeente" naar voren gebracht. Over het ontwerpbestemmingsplan "Elst Centraal, Infra" heeft hij geen zienswijze naar voren gebracht bij de raad. Geen rechtvaardiging is gelegen in de omstandigheid dat in het plan twee ontwerpen zijn samengebracht, nu de mogelijkheid bestond om zienswijzen naar voren te brengen over beide ontwerpen.

Het plan is ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan "Elst Centraal, Infra" evenwel gewijzigd vastgesteld ten aanzien van de bestemmingen "Verkeer" en "Verkeer - Verblijf". Niet is uitgesloten dat [appellant sub 3] hierdoor in een nadeliger positie is komen te verkeren dan ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan. In zoverre wordt geoordeeld dat verschoonbaar geen zienswijze is ingediend.

De conclusie is dat het beroep van [appellant sub 3] en CVBO, voor zover ingesteld door [appellant sub 3], niet-ontvankelijk is, in zoverre het de plandelen met de bestemming "Verkeer - Railverkeer" betreft. Voor het overige is het beroep ontvankelijk.

Crisis- en herstelwet

4. [appellante sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], en Otco B.V. en anderen betogen dat de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) ten onrechte van toepassing is verklaard op het plan.

4.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, onder a, gelezen in verbinding met categorie 3, onder 3.4, van bijlage I van de Chw is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op de ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 van de Wro ten behoeve van de aanleg of wijziging van wegen.

4.2. Het plan voorziet onder meer in de aanleg van wegen. Derhalve is de Chw op grond van artikel 1.1, eerste lid, onder a, gelezen in verbinding met categorie 3, onder 3.4, van bijlage I, van toepassing op dit plan. Hierbij is niet van belang of de bedoelde wegen al dan niet een ondergeschikt onderdeel vormen van de door het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen, zoals [appellant sub 3] aanvoert. Dat de voorbereidingen voor het plan reeds in 1995 een aanvang hebben genomen, zoals [appellant sub 3] stelt, geeft voorts, ongeacht of dit juist is, geen aanleiding voor een ander oordeel. De datum waarop het besluit is genomen, is beslissend voor de toepasselijkheid van de Chw en niet de datum waarop het bestuursorgaan is begonnen met de voorbereidingen voor dit besluit. Het betoog faalt.

Ontwerpbestemmingsplannen en gewijzigd vastgestelde plan

5. [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen stellen dat belanghebbenden in hun rechten kunnen zijn aangetast doordat bij de vaststelling van het plan twee ontwerpbestemmingsplannen zijn samengevoegd. Hierdoor kan volgens hen aan sommigen een beroepsmogelijkheid tegen het plan zijn onthouden.

[appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen hebben niet weersproken dat de ontwerpbestemmingsplannen ter inzage hebben gelegen voordat het plan is vastgesteld. De mogelijkheid heeft opengestaan om zienswijzen over de ontwerpbestemmingsplannen naar voren te brengen, hetgeen [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen hebben gedaan. Niet valt in te zien dat door het samenvoegen van de betrokken ontwerpbestemmingsplannen aan belanghebbenden een beroepsmogelijkheid is onthouden. De Afdeling kan [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen dan ook niet volgen in de niet nader onderbouwde stelling dat belanghebbenden door de handelswijze van de raad in dit opzicht in hun rechten zijn geschaad. Het betoog faalt.

6. [appellant sub 3] stelt dat het vastgestelde plan de mogelijkheid biedt om evenementen te organiseren op de gronden waarop de plandelen met een verkeersbestemming zien, hetgeen een wezenlijke wijziging betreft ten opzichte van de ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplannen waarin dit nog niet mogelijk werd gemaakt. Hij betoogt dat derhalve ten onrechte niet opnieuw een ontwerp van het plan ter inzage is gelegd.

De Afdeling overweegt dat slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, de wettelijke procedure opnieuw dient te worden doorlopen. In het plan zoals dit is vastgesteld, zijn enkele plandelen met bestemmingen ten behoeve van verkeer en verblijf gewijzigd ten opzichte van hetgeen was opgenomen in de ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplannen. Deze wijziging houdt in dat in de doeleindenomschrijvingen van de bestemmingen is opgenomen dat deze eveneens dienen voor verblijfsdoeleinden, verkeer-, vervoer- en verblijfsvoorzieningen ten behoeve van railverkeer, evenementen en standplaatsen op een afstand van minimaal tien meter uit milieugevoelige functies. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze afwijkingen ten opzichte van de ontwerpbestemmingsplannen naar aard en omvang zodanig groot zijn dat sprake is van een wezenlijk ander plan. Het betoog van [appellant sub 3] faalt.

7. [appellante sub 2], [appellant sub 3], en Otco B.V. en anderen betogen dat ten onrechte niet alle wijzigingen ten opzichte van de ontwerpbestemmingsplannen zijn opgenomen in het zienswijzenrapport waarnaar in het besluit tot vaststelling van het plan wordt verwezen. [appellant sub 3] wijst in dit verband op de mogelijkheden voor verblijfsdoeleinden, de organisatie van evenementen en standplaatsen, die in het plan, maar niet in de ontwerpbestemmingsplannen, zijn opgenomen.

7.1. De raad erkent dat enige wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan "Elst Centraal, Infra" in de bestemmingsomschrijvingen voor de verkeersbestemmingen per abuis niet in het overzicht met ambtshalve wijzigingen zijn opgenomen.

7.2. Ten aanzien van de gestelde wijzigingen in de bestemming “Verkeer”, overweegt de Afdeling dat de genoemde doeleinden reeds aanwezig waren in de bestemming “Verkeer” zoals deze was opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan “Elst Centraal, Huis der Gemeente”. Het plan is hiermee overeenkomstig vastgesteld. In zoverre faalt het betoog.

Ten aanzien van de gestelde wijzigingen in de bestemming “Verkeer – Verblijf”, overweegt de Afdeling dat in artikel 8, lid 8.1, onder 8.1.1, van de planregels behorende bij deze bestemming enige doeleinden gewijzigd zijn vastgesteld ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan “Elst Centraal, Infra”, maar niet zijn opgenomen in het overzicht met ambtshalve wijzigingen in het zienswijzenrapport. Het betreft de doeleinden:  sub d: “verblijfsdoeleinden”; sub e: “verkeer-, vervoer- en verblijfsvoorzieningen t.b.v. railverkeer”; sub f” “evenementen”; sub g: “standplaatsen; en sub m: “verkeer-, vervoer- en verblijfsvoorzieningen ten behoeve van het railverkeer”, op een afstand van minimaal 10 meter uit milieugevoelige functies”.

In zoverre slaagt het betoog. In hetgeen [appellant sub 2], [appellant sub 3], en Otco B.V. en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de vaststelling van artikel 8, onder 8.1.1, sub d, e, f, g en m, van de planregels in onderlinge samenhang bezien met het plan, is genomen in strijd met de rechtszekerheid. De beroepen zijn in zoverre gegrond.

Vooringenomenheid

8. [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen wijzen op de met NS Vastgoed gemaakte afspraken over enige ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt. Zij betogen dat deze afspraken aantonen dat de raad heeft gehandeld in strijd met het verbod op vooringenomenheid.

De Afdeling is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de ontwikkelingen die door het plan mogelijk worden gemaakt plaatsvinden in overleg met een private partij die de ontwikkeling zal uitvoeren, niet betekent dat de raad vooringenomen was bij de vaststelling van het plan. Het betoog faalt.

Maatschappelijk draagvlak

9. [appellant sub 3] betoogt dat binnen de gemeente onvoldoende maatschappelijk draagvlak bestaat voor de bouw van een nieuw gemeentehuis. Hij stelt dat uit onderzoek blijkt dat veruit de meeste inwoners van de gemeente Overbetuwe met kennis van de plannen, tegen deze plannen zijn.

De Afdeling overweegt dat de omstandigheid dat mogelijk niet bij een meerderheid van de inwoners van de gemeente Overbetuwe steun is voor de bouw van een nieuw gemeentehuis, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het besluit reeds daarom voor vernietiging in aanmerking komt. Het betoog faalt.

Plangrens

10. [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen betogen dat de woningen die zijn voorzien in de Stedenbouwkundige Visie Elst Centraal, vastgesteld op 3 november 2009, ten onrechte buiten het plan zijn gelaten. Volgens hen zijn deze woningen onlosmakelijk verbonden met het bestemmingsplan. Dit blijkt onder andere uit het feit dat deze woningen samen met de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, waren opgenomen in een ontwerpbestemmingsplan "Elst Centraal" dat in 2005 ter inzage heeft gelegen, aldus [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen. [appellant sub 3] betoogt dat het voor de ontwikkeling van dit gebied van belang is dat een integraal bestemmingsplan wordt vastgesteld. Voorts blijkt de samenhang uit de omstandigheid dat de bedoelde woningen vereist zijn voor de economische uitvoerbaarheid van het plan, aldus [appellante sub 2], [appellant sub 3], en Otco B.V. en anderen.

10.1. Gelet op de systematiek van de Wro komt de raad beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht. In hetgeen [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de omstandigheden dat in de onmiddellijke nabijheid van het plangebied woningen zijn voorzien en dat deze in een eerder stadium van de besluitvorming samen met de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt in een ontwerpbestemmingsplan waren opgenomen niet tot gevolg hebben dat tussen de verschillende ontwikkelingen een onlosmakelijke ruimtelijke verbinding bestaat. Dat de ontwikkelingen in het plan en de ontwikkeling van de vermelde woningen eventueel economisch met elkaar zijn verbonden, zoals gesteld door [appellante sub 2], [appellant sub 3], en Otco B.V. en anderen, brengt evenmin een onlosmakelijke ruimtelijke verbinding tussen deze ontwikkelingen met zich. Het betoog faalt.

Milieueffectrapportage

11. [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen betogen dat de raad ten onrechte niet heeft beoordeeld of een milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) had moeten worden uitgevoerd. Hiertoe voeren zij aan dat het plan samenhangt met ontwikkelingen in verschillende deelgebieden, zodat mogelijk sprake is van een activiteit als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.). Voor zover de drempelwaarde die staat genoemd in het Besluit m.e.r. niet wordt overschreden, wijzen zij op de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III van richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011, betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (hierna: Richtlijn).

11.1. De raad stelt dat hetgeen het plan mogelijk maakt ruimschoots blijft onder de drempelwaarden, zoals deze in het Besluit m.e.r. zijn opgenomen. Volgens de raad hoefde derhalve geen m.e.r. te worden uitgevoerd, mede gelet op de aard van het project en op de ligging van het project op een aanzienlijke afstand van kwetsbare natuur of andere kwetsbare objecten.

11.2. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer in samenhang bezien met het vierde lid en met artikel 2, tweede lid, van het Besluit m.e.r. worden als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of een milieueffectrapport (hierna: MER) moet worden gemaakt, aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is omschreven.

In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. wordt in categorie 11.2, bepaald dat beoordeeld dient te worden of een MER dient te worden gemaakt in het kader van het bestemmingsplan dat voorziet in de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat, dan wel een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer omvat.

Ingevolge artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Besluit m.e.r. geldt, voor zover in de bijlage bij dit besluit, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, dat het bevoegd gezag tevens moet beoordelen of een MER moet worden gemaakt in gevallen waarin op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Hiervan zijn uitgezonderd de categorieën D 49.1, D 49.2 en D 49.3 van de bijlage bij dit besluit.

11.3. Niet in geschil is dat het plan voorziet in de realisering van een gemeentehuis, kantoren, en een parkeergarage met een gezamenlijke bedrijfsvloeroppervlakte van ruim 20.000 m2. Derhalve overschrijdt de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt de in categorie 11.2 van onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. genoemde drempelwaarde voor de bedrijfsvloeroppervlakte niet. Evenmin is in geschil dat de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan de drempelwaarde van 100 hectare. Dat de raad in een Stedenbouwkundige Visie de intentie heeft beschreven om in de toekomst 320 woningen in de omgeving van het plangebied te realiseren, noopt voorts, nu de bedoelde visie geen concrete voornemens bevat en het plan in het geheel geen woningen mogelijk maakt, niet tot het oordeel dat de eventuele realisering van deze woningen ten onrechte buiten beschouwing is gelaten bij de beoordeling of door het plan de drempelwaarde wordt overschreden.

Uit de stukken blijkt dat de raad heeft beoordeeld of andere factoren als bedoeld in bijlage III van de Richtlijn in dit geval aanwezig zijn, in verband waarmee ook bij het niet overschrijden van de drempelwaarde het bevoegd gezag moet beoordelen of een MER moet worden gemaakt. De raad is tot de conclusie gekomen dat de aard van het project, dat bestaat uit de realisering van kantoren, parkeerruimte, ontsluitingswegen en een zogenoemd keerspoor, niet zodanig is dat deze voldoet aan de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III van de Richtlijn. Voorts heeft de raad geconcludeerd dat de afstand van ongeveer vier kilometer tot kwetsbare natuur en de ligging binnen de stedelijke kern van Elst, niet maakt dat niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, ofschoon de drempelwaarde niet wordt overschreden. In hetgeen [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen is aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze conclusies onjuist zijn. Dat zich in de nabijheid van het plangebied andere bronnen van emissie bevinden en dat zich in het plangebied eventueel ongevallen kunnen voordoen, maakt dit niet anders.

Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het bevoegd gezag tevens had moeten beoordelen of een MER moet worden gemaakt omdat op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

Het betoog faalt.

Verkeersafwikkeling en verkeersbestemmingen

12. [appellante sub 1], [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen betogen dat de Energieweg waaraan hun bedrijven zijn gelegen, ten onrechte wordt verlengd ten behoeve van de ontsluiting van een deel van het plangebied en het centrum van Elst. Hiertoe voeren zij aan dat als gevolg hiervan de verkeersintensiteit op de Energieweg zodanig zal toenemen dat zij onevenredig in hun bedrijfsvoering worden belemmerd en de verkeersveiligheid op de Energieweg onaanvaardbaar zal verslechteren. Volgens hen is de Energieweg, die thans wordt gebruikt als erftoegangsweg ten behoeve van de aan die weg gevestigde bedrijven, ongeschikt om te worden ingericht als doorgaande weg naar de in het plan voorziene kantoorgebouwen en parkeergarage. Een verkeersbesluit om op de Energieweg een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur in te stellen, biedt geen uitkomst, omdat de weg ongeschikt is om daarvoor te worden ingericht, aldus [appellante sub 1], [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen. Zij stellen voorts dat de als gevolg van het plan beoogde maximumsnelheid van 30 kilometer per uur op de Energieweg in strijd is met het Gemeentelijk Mobiliteitsplan van 23 december 2004 (hierna: GMO).

Het onderzoek dat is verricht ten behoeve van het plan en waaruit de raad afleidt dat geen aanzienlijke problemen op de Energieweg zullen optreden, vertoont volgens [appellante sub 1], [appellante sub 2] en

Otco B.V. en anderen zodanige gebreken dat dit niet aan het plan ten grondslag had mogen worden gelegd. Ter onderbouwing van deze stelling hebben [appellante sub 1], [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen verscheidene rapporten laten opstellen door BonoTraffics B.V. De conclusies van deze rapporten zijn neergelegd in de "Overkoepelende notitie toekomstige verkeerssituatie Energieweg te Elst" van 3 augustus 2012. [appellante sub 1] betoogt dat de raad verscheidene ingebrachte rapporten van BonoTraffics ten onrechte niet of onvoldoende heeft betrokken bij het vaststellen van plan.

[appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen stellen verder dat het plan met betrekking tot de voorziene verkeersafwikkeling in strijd is met de provinciale structuurvisie "Bedrijventerrein en werklocaties" van 30 juni 2012 (hierna: Structuurvisie).

12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen onevenredige hinder voor de bedrijven aan de Energieweg zal optreden als gevolg van het plan en dat de verkeersveiligheid voldoende kan worden gewaarborgd. De Energieweg kan volgens de raad worden gebruikt als erfontsluitingsweg voor de door het plan mogelijk gemaakte kantoren en parkeergarage. De raad acht het mogelijk om maatregelen te treffen waardoor het bestemmingsverkeer voor de bedrijven aan de Energieweg voldoende ruimte behoudt voor de benodigde manoeuvres. Hoewel enige verkeershinder kan optreden gedurende het uitvoeren van vrachtwagenmanoeuvres, is de intensiteit van het verkeer niet dusdanig hoog dat daardoor onaanvaardbare verkeershinder optreedt, aldus de raad.

12.2. Ten aanzien van het beroep dat is gedaan op het GMO overweegt de Afdeling dat de Energieweg in dit beleid niet als gebiedsontsluitingsweg is gecategoriseerd, zodat het GMO niet in de weg staat van het instellen van een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. Het betoog faalt in zoverre.

Ten aanzien van de gestelde strijd met de Structuurvisie, constateert de Afdeling dat het plan is vastgesteld op 29 mei 2012 en de Structuurvisie is vastgesteld op 30 juni 2012, na het nemen van het bestreden besluit. De raad hoefde dan ook geen rekening te houden met de Structuurvisie. Het betoog faalt in zoverre.

12.3. Ten aanzien van de gevreesde verkeershinder en verkeersonveiligheid op de Energieweg ter hoogte van de bedrijfsterreinen van [appellante sub 1], [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen stelt de Afdeling voorop dat dit deel van de Energieweg niet binnen het plangebied is gelegen. De bestemming van dit deel van de Energieweg als zodanig ligt in deze bestemmingsplanprocedure dan ook niet ter beoordeling voor. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient evenwel inzichtelijk te zijn dat ten gevolge van het plan een verkeersveilige situatie, zowel in het plangebied als op de aansluitende wegen daarbuiten, niet is uitgesloten.

12.4. Voor het antwoord op de vraag of een verkeersveilige situatie op de Energieweg mogelijk is, heeft de raad zich aangesloten bij het landelijk gehanteerde concept Duurzaam Veilig Verkeer. Als maatstaf voor beoordeling heeft de raad gebruik gemaakt van diverse publicaties van het CROW, waaronder publicatie nummer 192 "Leidraad duurzaam veilige inrichting van bedrijventerreinen" uit 2003. Voorts heeft de raad onderzoek laten verrichten waarvan de uitkomsten zijn neergelegd in diverse verkeersrapporten, waaronder "Verkeersanalyse station Elst" van Goudappel Coffeng van 2 oktober 2009 en "Toekomstige inrichting en gebruik Energieweg te Elst" van Mobycon van 28 juni 2011. In reactie op de rapporten van BonoTraffics B.V. is door Mobycon ten behoeve van de raad een memo opgesteld, gedateerd 15 september 2011. Gelet hierop ziet de Afdeling in het door [appellante sub 1] aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de rapporten van Bono Traffics B.V. niet of onvoldoende bij de vaststelling van het plan heeft betrokken.

Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de in opdracht van de raad opgestelde rapporten zodanige gebreken dan wel leemten in kennis bevatten dat de raad bij het vaststellen van het plan niet in redelijkheid van de resultaten van deze rapporten heeft mogen uitgaan. Dat ten aanzien van de toekomstige verkeersintensiteit enige mate van onzekerheid bestaat en de raad ter zitting heeft verklaard dat een verkeersintensiteit tot ongeveer 3.500 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etmaal) in de toekomst niet is uitgesloten, en dat de rapporten van BonoTraffics B.V. op basis van een andere rekenmethode tot een hogere toekomstige verkeersintensiteit komen, maakt niet dat het onderzoek dat in opdracht van de raad is uitgevoerd gebrekkig is. In dit verband overweegt de Afdeling dat een ander resultaat op grond van een andere onderzoeksmethode op zichzelf niet maakt dat de resultaten van het onderzoek waarop de raad zich heeft gebaseerd niet representatief kunnen worden geacht.

12.5. Ten aanzien van de verkeersveiligheid en de geschiktheid van de Energieweg om de voorziene aard en intensiteit van het verkeer te verwerken en om ingericht te worden als weg waarop maximaal 30 kilometer per uur mag worden gereden, is de raad ervan uitgegaan dat de weg zal fungeren als erftoegangsweg voor de bedrijven die hieraan zijn gelegen en voor de in het plan voorziene ontwikkelingen. Volgens de raad zal de weg dienen als een zogenoemde erftoegangsweg zonder verzamelfunctie, zoals is beschreven in CROW publicatie 192. Gelet op de voorziene aard en intensiteit van het gebruik van de Energieweg ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Dat verkeer van en naar het centrum van Elst ook gebruik zal maken van de Energieweg maakt dit niet anders, nu aannemelijk is dat dit gebruik een beperkt deel van het totale gebruik van de Energieweg zal vormen.

Een erftoegangsweg zonder verzamelfunctie is blijkens CROW publicatie 192 te gebruiken voor zowel verkeer van en naar bestemmingen in de omgeving, als voor andere activiteiten, zoals de manoeuvres die vrachtwagens moeten uitvoeren om de bedrijven aan de Energieweg te bereiken. De raad stelt dat het niet de bedoeling is dat manoeuvres van vrachtwagens, zoals achteruit inparkeren op een bedrijventerrein waarbij soms de gehele weg wordt geblokkeerd, achteruit rijden vanaf de in te richten parkeerstrook voor vrachtwagens aan de noordzijde van de Energieweg naar een bedrijf en het rijden van heftrucks bij het laden en lossen van vrachtwagens, in de toekomst onmogelijk zullen zijn op de Energieweg. De raad geeft toe dat het verkeer van en naar de door het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen gehinderd kan worden door dergelijke manoeuvres, maar acht de verwachte mate van hinder op zichzelf aanvaardbaar. Voorts is in de plantoelichting en in de verkeersrapporten beschreven op welke wijze de Energieweg kan worden ingericht als weg met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur, hetgeen de verkeersveiligheid bevordert.

Ten aanzien van de voorziene verkeersintensiteit is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op basis van de door hem aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde rapporten in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze de capaciteit van de Energieweg van 6.000 mvt/etmaal niet zal overschrijden. Ofschoon bij de voorziene verkeersintensiteit van maximaal 3.500 mvt/etmaal enige overlast zal optreden tijdens bijzondere manoeuvres van vrachtwagens op de Energieweg en op sommige momenten een rij wachtende voertuigen zich kan uitstrekken tot aan het kruispunt met de Industrieweg Oost, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze mate van overlast niet maakt dat niet kan worden voldaan aan de aanbevelingen van de CROW over de inrichting van een erftoegangsweg zonder verzamelfunctie.

Gelet op het vorenstaande, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het voorziene gebruik en inrichting van de Energieweg als gevolg van de in het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen kan voldoen aan de aanbevelingen die staan in CROW publicatie 192 en dat de inrichting en het gebruik van de Energieweg daarmee kan voldoen aan het concept Duurzaam Veilig Verkeer waarbij de raad zich heeft aangesloten. Het betoog van [appellante sub 1], [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen faalt.

13. [appellant sub 3] betoogt dat ten onrechte ervoor is gekozen om een tunnel voor gemotoriseerd verkeer aan te leggen onder het spoor ten zuiden van het voorziene gemeentehuis, naast de voorziene tunnel voor langzaam verkeer tussen de Aamsestraat en de Johann de Wittstraat. Deze oplossing is volgens hem verkeersonveilig. Voorts stelt hij dat deze oplossing duur is en alternatieven hiervoor ten onrechte onvoldoende zijn onderzocht.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat door de keuze voor twee tunnels geen verkeersonveilige situatie zal ontstaan. In verband met de vraag of een alternatieve oplossing met één tunnel te prefereren zou zijn, wijst de raad op het Stedenbouwkundig Plan dat mede ten grondslag heeft gelegen aan de keuze voor twee tunnels.

13.2. In de plantoelichting is beschreven op welke wijze de verkeerstunnel die is voorzien ten zuiden van het gemeentehuis zal worden ingericht om de verkeersveiligheid te bevorderen. Onder meer is hiertoe in het tunnelontwerp een verbreding toegepast ter verbetering van het zicht. In de niet nader onderbouwde stelling van [appellant sub 3] dat deze tunnel verkeersonveilige situaties zal opleveren, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat als gevolg van het plan geen verkeersonveilige situatie zal ontstaan.

13.3. In de plantoelichting staat beschreven dat de raad het doorgaande verkeer rond de kern en niet langer door de kern wenst te geleiden. De voorziene afsluiting voor gemotoriseerd verkeer van de doorgaande verbinding tussen de Aamsestraat en de Johann de Wittstraat draagt bij aan deze wens, zo volgt uit de plantoelichting. Nu de raad voor gemotoriseerd verkeer de mogelijkheid wenst te behouden om het spoor te kruisen, is hiervoor een tunnel op een andere locatie dan tussen de Aamsestraat en de Johann de Wittstraat voorzien. In het door [appellant sub 3] aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad aldus niet in redelijkheid een keuze heeft kunnen maken voor een tweede tunnel onder het spoor voor gemotoriseerd verkeer ten zuiden van het voorziene gemeentehuis, ook al zijn de kosten van de realisering hiervan mogelijk hoger dan die van het aanleggen van een enkele tunnel.

Het betoog van [appellant sub 3] over de aanleg van de tunnel voor gemotoriseerd verkeer faalt.

14. [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen stellen dat het plan niet voorziet in voldoende parkeergelegenheid.

14.1. Volgens de plantoelichting ontstaat ten behoeve van de ontwikkelingen die door het plan mogelijk worden gemaakt een parkeerbehoefte van maximaal 443 parkeerplaatsen. Door het plan worden in totaal 700 parkeerplaatsen mogelijk gemaakt, zo staat in de plantoelichting. Daarmee zullen 257 parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor gebruikers van het station. Dit acht de raad een voldoende aantal. De Afdeling ziet in de niet nader onderbouwde stelling dat het plan onvoldoende parkeergelegenheid biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid dit aantal voorziene parkeerplaatsen voldoende heeft kunnen achten. Het betoog faalt.

15. [appellant sub 3] stelt dat door de bouw van een gemeentehuis en kantoren in de onmiddellijke nabijheid van het spoor, een mogelijk toekomstige verbreding van het spoor wordt geblokkeerd.

15.1. De met het betoog van [appellant sub 3] ingeroepen norm dat uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening een toekomstige verbreding van het spoor niet zou mogen worden geblokkeerd, strekt kennelijk niet tot bescherming van zijn eigen belang van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning en behoud van zijn woonomgeving, maar tot bescherming van belangen van anderen. Nu op grond van artikel 1.9 van de Chw, zoals dit luidde ten tijde van belang, de administratieve rechter een besluit niet vernietigt op de grond, dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept, kan dit betoog niet leiden tot vernietiging van het besluit.

16. [appellante sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], en Otco B.V. en anderen betogen dat in het plan ten onrechte de mogelijkheid is opgenomen om evenementen te organiseren binnen de plandelen met de bestemmingen "Verkeer" en "Verkeer - Verblijf". Hiertoe voeren zij aan dat zij van evenementen onevenredige overlast zullen ondervinden, mede omdat het plan vrijwel geen beperkingen stelt aan de hoeveelheid en omvang hiervan. [appellante sub 1] betoogt dat het plan binnen voornoemde bestemmingen eveneens ten onrechte de mogelijkheid biedt voor standplaatsen.

16.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het aanvaardbaar is om de organisatie van evenementen als medegebruik mogelijk te maken. Volgens de raad gebeurt dit standaard in bestemmingsplannen binnen de gemeente Overbetuwe. Eventuele overlast door een evenement kan worden afgewogen bij de beoordeling van een verzoek om een vergunning voor het organiseren van een evenement, aldus de raad.

16.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.28, van de planregels zijn standplaatsen het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de open lucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, onder 6.1.1, zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor:

[…]

e. evenementen;

f. standplaatsen, op een afstand van minimaal 10 m uit milieugevoelige functies;

[…]

Ingevolge lid 6.1, onder 6.1.2, sub c, gelden voor evenementen de volgende bepalingen

a. Evenementen zijn uitsluitend in de vorm van medegebruik toegestaan.

b. Er dient sprake te zijn van een evenement in de vorm van een voor publiek bestemde uitvoering/ verrichting van vermaak, op het gebied van sport, muziek of op sociaal-cultureel vlak.

c. Het evenement duurt maximaal 7 (aaneengesloten) dagen, met dien verstande dat ter afwijking hiervan een omgevingsvergunning kan worden verleend als opgenomen in 6.3.1 van deze regels.

Ingevolge lid 6.3, onder 6.3.1 kan het bevoegd gezag ten behoeve van een afwijking van het bepaalde in 6.1.2 onder c een omgevingsvergunning verlenen, teneinde evenementen toe te staan met een duur van maximaal 30 aaneengesloten dagen (exclusief op- en afbouw). Hierbij dient aan het volgende te worden voldaan:

a. er dienen voldoende parkeerplaatsen al dan niet op eigen terrein beschikbaar te zijn;

b. de aan te brengen voorzieningen dienen tijdelijk te zijn; dit betekent dat het houden van een evenement niet mag leiden tot onomkeerbare voorzieningen en/of ingrepen;

c. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de binnen het gebied aanwezige waarden;

d. de geluidsbelasting vanwege het evenement op geluidsgevoelige gebouwen is niet hoger dan in de 'Nota Evenementen en Geluid' opgenomen maximale waarden geluid bij evenementen.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, onder 8.1.1, zijn de voor "Verkeer - Verblijf" aangewezen gronden bestemd voor:

[…]

f. evenementen;

g. standplaatsen, op een afstand van minimaal 10 m uit milieugevoelige functies;

[…]

Ingevolge lid 8.1, onder 8.1.2, sub c, gelden voor evenementen de volgende bepalingen.

a. Evenementen zijn uitsluitend in de vorm van medegebruik toegestaan.

b. Er dient sprake te zijn van een evenement in de vorm van een voor publiek bestemde uitvoering/ verrichting van vermaak, op het gebied van sport, muziek of op sociaal-cultureel vlak.

c. Het evenement duurt maximaal 7 (aaneengesloten) dagen, met dien verstande dat ter afwijking hiervan een omgevingsvergunning kan worden verleend als opgenomen in 8.3.1 van deze regels.

Ingevolge lid 8.3, onder 8.3.1, kan het bevoegd gezag ten behoeve van een afwijking van het bepaalde in 8.1.2 onder a een omgevingsvergunning verlenen, teneinde evenementen toe te staan met een duur van maximaal 30 aaneengesloten dagen (exclusief op- en afbouw). Hierbij dient aan het volgende te worden voldaan:

a. er dienen voldoende parkeerplaatsen al dan niet op eigen terrein beschikbaar te zijn;

b. de aan te brengen voorzieningen dienen tijdelijk te zijn; dit betekent dat het houden van een evenement niet mag leiden tot onomkeerbare voorzieningen en/of ingrepen;

c. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de binnen het gebied aanwezige waarden;

d. de geluidsbelasting vanwege het evenement op geluidsgevoelige gebouwen is niet hoger dan in de 'Nota Evenementen en Geluid' opgenomen maximale waarden geluid bij evenementen.

16.3. Ter zitting heeft de raad desgevraagd toegelicht dat in het geval een evenement samengaat met andere functies van de gronden met de bestemmingen "Verkeer" en "Verkeer - Verblijf", doch ook in het geval een evenement met uitsluiting van die andere functies plaatsvindt, het gebruik valt onder het begrip "medegebruik" dat is opgenomen in de artikelen 6, lid 6.1, onder 6.1.2, sub c, en 8, lid 8.1, onder 8.1.2, sub c. De Afdeling leidt hieruit af dat in het begrip medegebruik geen ondergeschiktheid ten opzichte van de overige gebruiksdoeleinden ligt besloten.

16.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 juni 2012 in zaak nr. 201109470/1/R4) ligt het op de weg van de planwetgever om een beoordeling en afweging te maken of een bestemming die evenementen op een bepaalde locatie toestaat vanuit ruimtelijk oogpunt is aangewezen. Ook dient deze omtrent onder meer het toegestane aantal evenementen per jaar en de maximale bezoekersaantallen, voorschriften te stellen voor zover dat uit een oogpunt van ruimtelijke aanvaardbaarheid op een locatie van belang is. Deze beoordeling en afweging is een andere dan die op grond waarvan in een concreet geval voor een evenement al dan niet vergunning wordt verleend. Ook ten aanzien van de mogelijkheid voor standplaatsen zal de planwetgever een beoordeling en afweging moeten maken inzake het aantal standplaatsen en de periode waarin deze standplaatsen mogen worden ingenomen, voor zover dit uit een oogpunt van ruimtelijke aanvaardbaarheid van belang is.

De Afdeling overweegt dat de keuze van de raad om met de regeling in dit plan aan te sluiten bij de binnen de gemeente Overbetuwe gebruikelijke regeling in bestemmingsplannen, niet als ruimtelijke onderbouwing kan worden beschouwd. Daarnaast is het aantal en de omvang van evenementen en het aantal en de duur van inname van standplaatsen niet beperkt in de planregels. Dat evenementen uitsluitend in de vorm van medegebruik zijn toegestaan, maakt dit niet anders, nu de raad ter zitting heeft verklaard dat dit medegebruik als zodanig niet een beperking met zich brengt. Gelet hierop bestaat aanleiding voor het oordeel dat een beoordeling en afweging waarom het gebruik van de gronden met de bestemmingen "Verkeer" en "Verkeer - Verblijf" voor evenementen en standplaatsen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening ten onrechte achterwege is gelaten.

Het betoog slaagt. In hetgeen [appellante sub 2], [appellant sub 3], en Otco B.V. en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de vaststelling van artikel 6, onder 6.1.1, sub e en f, en van artikel 8, onder 8.1.1, sub f en g, van de planregels is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen zijn in zoverre gegrond.

Kantoren en gemeentehuis

17. [appellante sub 1], [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen stellen dat in het plan onvoldoende rekening is gehouden met de milieugevolgen vanwege hun bedrijven. Volgens hen wordt het verblijfsklimaat in de voorziene kantoren onvoldoende beschermd tegen geluidhinder, geurhinder en trillinghinder. Zij stellen als gevolg hiervan gehinderd te zullen worden in hun bedrijfsvoering en in de mogelijkheid om hun bedrijvigheid uit te breiden. Zij voeren in dit verband aan dat de raad de planologische uitbreidingsruimte die hun bedrijven hebben niet in acht heeft genomen. Volgens Otco B.V. en anderen is het onderzoek dat is uitgevoerd in verband met de geur- en stofemissies van het straal- en spuitbedrijf van Otco B.V. verouderd en niet in overeenstemming met de feitelijke situatie.

[appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen stellen daarnaast dat in het akoestisch onderzoek voor het plan de cumulatieve gevolgen van hetgeen het plan mogelijk maakt en de bedrijven aan de Energieweg ten onrechte niet zijn beschouwd.

Verder is volgens [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen bij de beoordeling van de milieugevolgen ten onrechte geen rekening gehouden met alle voorziene ontwikkelingen die de gemeente beoogt te realiseren. Zo is ten aanzien van de luchtkwaliteit ten onrechte geen rekening gehouden met de voorziene woningen in de nabijheid van het plangebied, aldus [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen.

17.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bij de beoordeling van de milieugevolgen in voldoende mate rekening is gehouden met de bedrijven aan de Energieweg. Zulks is volgens de raad ook het geval met betrekking tot het onderzoek dat is uitgevoerd met betrekking tot de emissies van geur en stof. De raad stelt, onder verwijzing naar de plantoelichting, dat het verblijfsklimaat in de kantoren als gebouwen waar gedurende een groot deel van de dag mensen verblijven, is betrokken bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan. Hierbij is rekening gehouden met de richtafstanden in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 2009 van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) en is onderzoek verricht naar de actuele milieubelasting van de bedrijven die aan de Energieweg zijn gevestigd, aldus de raad.

17.2. De Afdeling stelt vast dat het plan niet de bouw van woningen mogelijk maakt. Voor zover de beroepsgronden zich richten tegen milieugevolgen die ter plaatse van woningen kunnen worden ondervonden, missen de beroepsgronden dan ook feitelijke grondslag.

17.3. Blijkens de verbeelding liggen de gronden waarop het bedrijf van Otco B.V. en anderen zich bevindt op een afstand van ongeveer 30 meter van de voorziene kantoren en ongeveer 90 meter van het voorziene gemeentehuis. Op die gronden is bedrijvigheid toegestaan tot en met categorie 3.2 van de VNG-brochure. Hierin wordt een richtafstand tussen dergelijke bedrijven en woningen van 100 meter aanbevolen.

De gronden van [appellante sub 1] en van [appellante sub 2] zijn gelegen op een afstand van ongeveer 90 meter van de voorziene kantoren en ongeveer 120 meter van het voorziene gemeentehuis. Op die gronden is bedrijvigheid toegestaan tot en met categorie 4.2 van de VNG-brochure. Hierin wordt een richtafstand tussen dergelijke bedrijven en woningen van 300 meter aanbevolen.

17.4. De raad heeft de kantoorgebouwen aangemerkt als bedrijfsruimten waar gedurende een langere periode van de dag personen verblijven die een zekere bescherming tegen hinder en overlast behoeven. De raad kon hierbij in redelijkheid ervan uitgaan dat een kantoor niet dezelfde bescherming behoeft als een woning. Bij de afweging over de aanvaardbaarheid van het verblijfsklimaat in de kantoorgebouwen heeft de raad zich enerzijds aangesloten bij de VNG-brochure, anderzijds heeft de raad onderzoek laten uitvoeren met betrekking tot verschillende aspecten van hinder als gevolg van de bedrijvigheid aan de Energieweg.

17.4.1. Voor zover de raad zich heeft aangesloten bij de VNG-brochure is niet gemotiveerd waarom binnen een kantoorgebouw op een afstand van 30 meter, onderscheidenlijk 90 meter van gronden waarop een categorie 3.2 bedrijf is toegestaan en waarvoor een richtafstand van 100 meter tot woningen geldt, dan wel op een afstand van 90 meter, onderscheidenlijk 120 meter van gronden waarop een categorie 4.2 bedrijf is toegestaan en waarvoor een richtafstand van 300 meter tot woningen geldt, voor de gebruikers van dit gebouw geen onevenredige hinder en overlast zal ontstaan.

17.4.2. Voor zover de raad in dit verband onderzoek heeft laten uitvoeren met betrekking tot de verschillende aspecten van milieuhinder wordt als volgt overwogen. Uit dit onderzoek blijkt niet dat bij de huidige bedrijfsvoering aan de Energieweg het verblijfsklimaat binnen de voorziene kantoren en het gemeentehuis onaanvaardbaar is. De bedrijven die aan de Energieweg zijn gevestigd hoeven derhalve niet te vrezen dat zij in hun huidige bedrijvigheid zullen worden aangetast door de in het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen. Het onderzoek is evenwel niet gericht op de maximale planologische mogelijkheden die gelden voor de desbetreffende gronden, zodat daaruit niet blijkt dat bij een uitbreiding van de bedrijven tot die maximale mogelijkheden geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het verblijfsklimaat binnen de voorziene kantoren en het gemeentehuis. Ter zitting is gebleken dat de raad niet heeft onderzocht of bij de desbetreffende bedrijven concrete plannen bestaan voor uitbreiding of wijzigingen van bedrijvigheid binnen de voor hen bestaande planologische mogelijkheden. De raad heeft desgevraagd toegelicht slechts te hebben geïnventariseerd of bij de gemeente een aanvraag voor een zodanige uitbreiding was ingediend.

17.5. Gelet op het vorenstaande slaagt het betoog. In hetgeen [appellante sub 1], [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de plandelen met de bestemmingen "Kantoor" en "Maatschappelijk" is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen zijn in zoverre gegrond.

18. [appellant sub 3] betoogt dat de bouw van de beoogde kantoren ten zuiden van het voorziene gemeentehuis in strijd is met het beleid van de Stadsregio. Hiertoe wijst hij op de weigering om de bouw van kantoorgebouwen op een andere locatie in Elst mogelijk te maken wegens strijd met dit beleid. [appellant sub 3], [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen stellen dat geen behoefte bestaat aan de kantoren die het plan mogelijk maakt. In verband hiermee wijzen zij op bestaande leegstand in de gemeente Overbetuwe en aangrenzende gemeenten.

18.1. Het beleid van de Stadsregio waarvan de gemeente Overbetuwe deel uitmaakt, is neergelegd in het Regionaal Plan 2005-2020 van 26 oktober 2006. Hierin staat dat kantoren voor bedrijven met een regionale en bovenregionale functie onder andere worden ontwikkeld rond centrale stations. Over kantoren voor bedrijven met andere functies vermeldt het Regionaal Plan niets. Nu de kantoren die door het plan mogelijk worden gemaakt zich in de onmiddellijke nabijheid van het station te Elst bevinden, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met het beleid van de Stadsregio. Dat de ontwikkeling van een perceel ten behoeve van kantoren op een andere locatie van Elst in strijd is geacht met het beleid van de Stadsregio doet hier niet aan af, reeds omdat die locatie niet in de onmiddellijke nabijheid van het station te Elst is gelegen. Voor zover het betoog is gericht op de gestelde strijd met het beleid van de Stadsregio faalt dit.

18.2. [appellante sub 2] en Otco B.V. hebben eerst na afloop van de termijn voor het instellen van beroep aangevoerd dat er geen behoefte bestaat aan de voorziene kantoren. Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. De Afdeling laat daarom deze beroepsgrond, voor zover aangevoerd door [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen, buiten beschouwing.

18.3. Ter onderbouwing van de behoefte aan kantoren heeft de raad gewezen op gemeentelijke en regionale beleidsdoelen en op de wens om het stationsgebied van Elst te ontwikkelen. Verder heeft de raad gesteld dat weliswaar sprake is van leegstand, maar dat dit incourante gebouwen betreft en dat met een lage prijsstelling van de voorziene kantoren voldoende behoefte hieraan zal bestaan.

Van de zijde van [appellant sub 3] zijn ter zitting gegevens aangedragen, onder verwijzing naar het rapport "Elst centraal, Nut en noodzaak en uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan nader onderzocht" van 21 september 2012 en de notitie "Reactie op de onderbouwing van de behoefte aan kantoorruimte in Elst Centraal door de gemeente Overbetuwe" van 22 maart 2013, beide opgesteld door Olden Advies. Door [appellant sub 3] is gewezen op het in 2012 aanwezige aanbod aan kantoorruimte van ongeveer 4.100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte, in relatie tot de jaarlijkse gemiddelde opname van 1.070 m2 bedrijfsvloeroppervlakte. Voorts wijst hij op de reeds bestaande plancapaciteit in de wijk Westeraam van 8.035 m2 bedrijfsvloeroppervlakte, alsmede de vrijkomende kantoren door de verhuizing van de gemeentelijke diensten naar het gemeentehuis dat door het plan mogelijk wordt gemaakt. Verder sluit volgens de aangedragen gegevens een grootschalig kantoorgebouw niet aan op de kantorenmarkt in Elst, omdat de vraag in Elst vooral is gericht op kleinschalige kantoorpanden. Ten slotte is gewezen op de perifere ligging van Elst ten opzichte van de kantorenmarkt in de regio Arnhem-Nijmegen en op de landelijke krimp in de vraag naar kantoren. Op grond van deze gegevens bestaat naar het oordeel van de Afdeling gerede twijfel over de onderbouwing door de raad van de behoefte aan kantoren tot een oppervlakte van ongeveer 7.700 m2 in Elst.

Nu de raad omtrent de behoefte aan het voorziene kantoorgebouw geen concrete gegevens heeft overgelegd, bijvoorbeeld een onderzoek naar de feitelijke behoefte aan kantoren of concrete gegadigden voor kantoorruimte op deze locatie, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat deze behoefte niet afdoende is gemotiveerd.

Het betoog slaagt in zoverre. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dit ziet op het plandeel met de bestemming "Kantoor" niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen zijn in zoverre gegrond.

Uitvoerbaarheid

19. [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen stellen dat niet inzichtelijk is gemaakt dat voldoende financiële middelen voor de uitvoering beschikbaar zijn en hoe zal worden voorzien in te verwachten tekorten voor de realisering van het gemeentehuis.

[appellante sub 1], [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen stellen voorts dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet is verzekerd. Zij voeren in dit verband aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met vergoedingen in verband met de te verwachten uitkering van planschade. Dit klemt volgens hen te meer, nu de raad in de begroting de maximale investering voor de ontwikkeling van het plangebied heeft teruggebracht. Voorts is volgens [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen de benodigde provinciale bijdrage niet gegarandeerd.

Volgens [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen is in de exploitatieopzet van het plan rekening gehouden met de voorziene woningbouw rond het station Elst. Nu deze woningbouw niet is opgenomen in het plan, is volgens hen de uitvoerbaarheid van het plan ook om deze reden niet verzekerd. Ook stellen zij dat onduidelijk is dat de voor de uitvoering van het plan benodigde medewerking van Heinz B.V. is verkregen.

Ten slotte betogen [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen dat door afspraken die met ontwikkelaars zijn gemaakt over de overdracht van gronden ten behoeve van het plan en door overheidsbijdragen in de vorm van onder meer subsidies, mogelijk sprake is van ten onrechte verleende staatssteun.

19.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan financieel uitvoerbaar is en dat de resultaten van het onderzoek naar de financiële uitvoerbaarheid afdoende zijn weergegeven in de plantoelichting. Voorts stelt de raad dat eventuele planschade is betrokken bij de risicoanalyse voor de grondexploitatie. Uit deze risicoanalyse volgt volgens de raad dat het planschaderisico beperkt is. De verlaging van de maximale investering die de gemeenteraad wenst van vier miljoen euro heeft daarbij geen invloed op de geraamde grondopbrengst in de grondexploitatie, aldus de raad.

19.2. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

Het betoog van [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen dat mogelijk sprake is van ongeoorloofde staatssteun, kan in de onderhavige procedure slechts indirect aan de orde komen, en wel in het kader van de vraag of staatssteun mogelijk een beletsel is voor de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan. Staatssteun houdt immers geen verband met de ruimtelijke effecten van het plan. Een dergelijk betoog kan derhalve slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode. Hieraan is niet reeds voldaan, indien [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen aannemelijk maken dat eventuele staatssteun die plaats heeft of heeft gehad kan worden teruggevorderd. Daarnaast dienen zij aannemelijk te maken dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat als gevolg daarvan het plan niet binnen de planperiode kan worden uitgevoerd op een wijze zonder dat ongeoorloofde staatssteun wordt verleend.

19.3. Ten aanzien van de inzichtelijkheid van de financiële uitvoerbaarheid van het plan overweegt de Afdeling als volgt. In de plantoelichting staat dat de middelen om de voorgenomen ontwikkelingen te financieren afkomstig zijn uit verschillende bronnen die de gemeentelijke grondexploitatie, bijdragen van enige andere overheidslichamen dan de gemeente, particuliere investeringen en middelen uit de gemeentelijke begroting omvatten. Voorts staat in de plantoelichting dat de voorgenomen bouw van kantoren en een parkeergarage voor eigen rekening en risico van de private ontwikkelende partijen komt. Naar het oordeel van de Afdeling biedt de plantoelichting hiermee voldoende inzicht in de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Het betoog faalt.

19.4. Ten aanzien van de beschikbare financiële middelen voor de uitvoering van het plan overweegt de Afdeling als volgt. Ofschoon de raad heeft besloten om in de begroting vier miljoen euro minder te reserveren voor de ontwikkeling van het plangebied dan voorheen, is gebleken dat dit onder meer een gevolg is van gebleken verminderde kosten. Voorts hebben [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen niet aannemelijk gemaakt dat toezeggingen omtrent financiële bijdragen niet zullen worden nagekomen.

Verder heeft de raad, blijkens de grondexploitatiebegroting, een planschaderisicoanalyse uitgevoerd en in de begroting een voorziening opgenomen om eventuele uitkeringen voor planschade te dekken. Er is derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad geen rekening heeft gehouden met eventuele kosten uit planschade. Ofschoon de grondexploitatiebegroting niet alleen de exploitatie van de door het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen bevat, maar ook een opzet bevat voor de realisering van woningen, is de hoogte van de begrootte opbrengsten van de ontwikkeling van woningen niet zodanig dat zonder deze opbrengsten de financiële uitvoerbaarheid van het plan in gevaar komt. Hierbij betrekt de Afdeling de omstandigheid dat zonder de realisering van woningen ook niet alle begrootte kosten hoeven te worden gemaakt.

De Afdeling kan [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen voorts niet volgen in de enkele stelling dat de raad vanwege het eventueel terugvorderen van mogelijk verleende staatssteun op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat als gevolg daarvan het plan niet binnen de planperiode kan worden uitgevoerd op een wijze zonder dat ongeoorloofde staatssteun wordt verleend. Ten aanzien van de omstandigheid dat afspraken bestaan omtrent de huur en de koop van parkeerplaatsen door de gemeente, wordt overwogen dat dergelijke afspraken niet zien op de verwezenlijking van het plan, maar op het voor ogen staande gebruik van de voorzieningen na planrealisatie.

Gelet op het voorgaande, ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 1], [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen betogen geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat er onvoldoende financiële middelen zijn om het plan binnen de planperiode uit te voeren. Voorts is naar het oordeel van de Afdeling niet gebleken dat de medewerking van Heinz B.V. niet is verzekerd ten behoeve van de uitvoering van de voorgenomen ontwikkelingen.

Het betoog faalt.

Zienswijzen

20. [appellante sub 1], [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 1], [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist is.

Conclusie en proceskostenveroordeling

21. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 7.2 dient artikel 8, onder 8.1.1, sub d, e, f, g en m, van de planregels wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel te worden vernietigd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 16.4 dient artikel 8, onder 8.1.1, sub f en g wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Gelet op hetgeen onder 16.4 voorts is overwogen dient artikel 6, lid 6.1, onder 6.1.1, sub e en f, wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Gelet op hetgeen is overwogen onder 17.4 dienen de plandelen met de bestemmingen "Kantoor" en "Maatschappelijk" wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Gelet op hetgeen is overwogen onder 18.3 dient het plandeel met de bestemming "Kantoor" wegens strijd met artikel 3:46 Awb te worden vernietigd.

22. Voor het overige zijn de beroepen van [appellante sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], voor zover ontvankelijk, en Otco B.V. en anderen, ongegrond.

23. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

24. [appellante sub 2] en Otco B.V. en anderen verzoeken om de raad te veroordelen tot vergoeding van de schade die is ontstaan door het verloop van de procedure. Door het splitsen en weer samenvoegen van de ontwerpbestemmingsplannen hebben zij driemaal zienswijzen moeten indienen, hetgeen onnodig was geweest wanneer één ontwerpbestemmingsplan in procedure was gebracht.

24.1. De Afdeling overweegt dat de kosten die een inbrenger van zienswijzen maakt ter zake van een bestemmingsplan niet voor vergoeding ingevolge artikel 8:75 van de Awb in aanmerking komen. Deze kosten blijven in de regel voor zijn of haar rekening. Slechts in bijzondere gevallen komen deze voor vergoeding krachtens artikel 8:73 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 46, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, zoals dit luidde ten tijde van belang, in aanmerking. De omstandigheid dat de raad ter voorbereiding van het plan meer dan één ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegd, is niet een zodanige omstandigheid. Het verzoek om schadevergoeding komt dan ook niet voor inwilliging in aanmerking.

25. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellante sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], en Otco B.V. en anderen te worden veroordeeld. Voor zover

[appellante sub 2] heeft verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten voor de opgestelde deskundigenrapporten van Olden Advies, overweegt de Afdeling dat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 18.2, zij er niet redelijkerwijs van mochten uitgaan dat deze rapporten in hun geheel een bijdrage zouden kunnen leveren aan een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Deze rapporten komen derhalve niet in hun geheel voor vergoeding in aanmerking. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van CVBO bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 3] en de vereniging Comité Verantwoord Beleid Overbetuwe, voor zover ingesteld door de vereniging Comité Verantwoord Beleid Overbetuwe geheel, en voor zover ingesteld door [appellant sub 3], wat betreft de plandelen met de bestemming "Verkeer - Railverkeer", niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellante sub 1], [appellante sub 2A], en [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C], [appellant sub 3] en de vereniging Comité Verantwoord Beleid Overbetuwe, voor zover ingesteld door [appellant sub 3], en Otco Straal- en Spuitbedrijf B.V. en anderen, gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van 29 mei 2012, met kenmerk 12RB000039, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Elst Centraal, Infra, P+R en Huis der Gemeente" voor zover dit betreft:

a. artikel 8, onder 8.1.1, sub d, e, f, g en m, van de planregels,

b. artikel 6, lid 6.1, onder 6.1.1, sub e en f van de planregels,

c. de plandelen met de bestemmingen "Kantoor" en "Maatschappelijk";

IV. verklaart de beroepen, voor zover ontvankelijk, voor het overige ongegrond;

V. wijst de verzoeken om schadevergoeding van [appellante sub 2A], en [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C], en Otco Straal- en Spuitbedrijf B.V en anderen af;

VI. draagt de raad van de gemeente Overbetuwe op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III, wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Overbetuwe tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten:

a. tot een bedrag van € 7.167,78 (zegge: zevenduizend honderdzevenenzestig euro en achtenzeventig cent) voor [appellante sub 1], waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. tot een bedrag van € 5.958,68 (zegge: vijfduizend negenhonderdachtenvijftig euro en achtenzestig cent) voor [appellante sub 2A], en [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C], waarvan € 708,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

c. tot een bedrag van € 986,28 (zegge: negenhonderdzesentachtig euro en achtentwintig cent) voor [appellant sub 3], waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. tot een bedrag van € 750,28 (zegge: zevenhonderdvijftig euro en achtentwintig cent) voor Otco Straal- en Spuitbedrijf B.V en anderen, waarvan € 708,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Overbetuwe aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

a. ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor [appellante sub 1];

b. ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor [appellante sub 2A], en [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

c. ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor [appellant sub 3];

d. ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor Otco Straal- en Spuitbedrijf B.V en anderen vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Soest-Ahlers
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2013

343-723.