Uitspraak 201207242/1/A1

Datum van uitspraak: woensdag 27 maart 2013
Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7435

201207242/1/A1.
Datum uitspraak: 27 maart 2013

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Nieuwerkerk aan den IJssel, gemeente Zuidplas,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 juni 2012 in zaak nrs. 12/3738 en 12/3283 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas.

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2010 heeft het college het verzoek van [verzoeker] om handhavend op te treden tegen het in strijd met de bouwvergunning van 22 februari 2010 opgerichte bijgebouw op het perceel 's-Gravenweg 96 te Nieuwerkerk aan den IJssel (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluiten verzonden op 16 februari 2012 heeft het college opnieuw op het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar besloten, dat bezwaar gegrond verklaard en [appellant] op straffe van een dwangsom gelast om de zijwand van het bijgebouw 45 cm verder van de slootkant te plaatsen.

Bij uitspraak van 12 juni 2012 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[verzoeker] heeft daartoe in de gelegenheid gesteld een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.M. Roepel en mr. M.J.E. Boudesteijn, advocaten te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door H. van Raaijen, A. Boere en C.C. Rodenburg, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [verzoeker] ter zitting gehoord.

Overwegingen

1. Bij besluit van 22 februari 2010 heeft het college aan [appellant] een reguliere bouwvergunning verleend voor het veranderen van het bijgebouw op het perceel, ter gedeeltelijke legalisering van het reeds eerder, in 2006, gebouwde bijgebouw. Dit bijgebouw is aangepast naar aanleiding van de verleende bouwvergunning. De rechterzijwand, waarop deze procedure betrekking heeft, is na de plaatsing in 2006 niet meer aangepast. Een van de voorwaarden bij de in 2006 verleende bouwvergunning is dat de afstand tussen het dakoverstek van het bijgebouw en de slootrand 200 cm bedraagt. Het dakoverstek dient 20 cm te bedragen, zodat de afstand tussen de zijwand van het bijgebouw en de slootkant 220 cm dient te bedragen.

2. Bij controle op 6 april 2010 is geconstateerd dat de afstand tussen de zijwand van het bijgebouw en de rand van de sloot 175 cm bedroeg. De afwijking tussen het gerealiseerde en het vergunde bouwwerk bedroeg derhalve 45 cm. Op 12 april 2010 is tijdens een tweede controle geconstateerd dat de afstand tussen de zijwand en het bijgebouw, na plaatsing van een nieuwe oeverbeschoeiing door [appellant], 210 cm bedroeg.

3. De rechtbank heeft het college, na eerdere instandlating van de weigering handhavend op te treden, bij uitspraak van 20 juli 2011 in zaak nr. 11/1791 opgedragen om opnieuw een besluit te nemen op het bezwaarschrift van [verzoeker], omdat het college ten onrechte en op onjuiste gronden heeft afgezien van handhavend optreden. Tegen die uitspraak heeft [appellant] geen hoger beroep ingesteld, zodat die uitspraak in rechte onaantastbaar is.

4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het deel van het bijgebouw dat te dicht op de waterkant staat als vergunningvrij kan worden aangemerkt, zodat het college niet bevoegd was handhavend op te treden.

4.1. Het bijgebouw is een geheel en bestaat functioneel en bouwkundig niet uit delen. Dit betekent dat het bijgebouw niet kan worden gesplitst in een vergunningvrij en vergunningplichtig deel, zodat het standpunt van [appellant], dat het deel van het bijgebouw dat tegen de slootkant is gesitueerd als vergunningvrij kan worden aangemerkt, faalt. De verwijzing door [appellant] naar de nota van toelichting bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), pagina 125, waar wordt vermeld dat "Toepassing van artikel 3 in een concreet geval kan betekenen dat slechts voor een gedeelte van een bouwwerk een omgevingsvergunning nodig is" leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 maart 2013 in zaak nr. 201203259/1), kan de bedoelde situatie niet op een lijn worden gesteld met het bouwplan. De betrokken passage heeft betrekking op de situatie, dat bij toepassing van artikel 3 van Bijlage II bij het Bor voor slechts het gedeelte van een bouwwerk dat in strijd is met het bestemmingsplan, een omgevingsvergunning is vereist. In dit geval gaat het om de vraag, of het bouwwerk voldoet aan artikel 2, aanhef en derde lid, onder b, van Bijlage II bij het Bor. Bij beantwoording van die vraag dient het bouwplan in zijn geheel te worden bezien.

Nu het bijgebouw, zoals door partijen ter zitting is erkend, in het geheel te groot en te hoog is om als vergunningvrij bijbehorend bouwwerk te worden aangemerkt en derhalve niet wordt voldaan aan de eisen van artikel 2, aanhef en derde lid, onder b, van Bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat voor het oprichten van het bijgebouw een bouwvergunning nodig is.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte is uitgegaan van het oordeel van de rechtbank van 20 juli 2011. In die uitspraak is volgens hem alleen een oordeel gegeven over de geconstateerde overtreding op 6 april 2010. Daarmee is niet komen vast te staan dat ook ten tijde van het besluit op bezwaar van 16 februari 2012 werd gehandeld in strijd met de voorwaarden bij de bouwvergunning van 22 februari 2010. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat het college bevoegd was handhavend op te treden.

5.1. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat het college terzake bevoegd was handhavend op te treden. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 21 juli 2011 geoordeeld, dat op 6 april 2010 de rechterzijwand van het bijgebouw niet was aangepast. Daarmee werd niet voldaan aan de voorwaarden bij de bouwvergunning van 22 februari 2010. De voorzieningenrechter heeft in de aangevallen uitspraak daarom terecht geoordeeld dat dat oordeel in rechte vaststaat, nu [appellant] tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld. De voorzieningenrechter heeft hierbij terecht in aanmerking genomen dat de vaststelling van de afwijking door het college op 6 april 2010 nog steeds gold. Ten tijde van het besluit op bezwaar van 16 februari 2012 is gebleken dat de rechterzijwand van het bijgebouw niet is aangepast aan de voorwaarden bij de bouwvergunning van 22 februari 2010. [appellant] heeft, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft vastgesteld, de beschoeiing aan de waterkant hersteld/aangepast, maar de zijwand van het bijgebouw niet, zodat de afwijking ten opzichte van de vergunde situatie nog steeds 45 cm bedraagt. Dit betekent dat de voorzieningenrechter terecht heeft geoordeeld dat [appellant] in strijd met de voorwaarden behorende bij de bouwvergunning van 22 februari 2010 het bijgebouw heeft opgericht. Derhalve was het college bevoegd handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

6.  Voor zover [appellant] betoogt dat concreet zicht op legalisering bestaat en sprake is van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan het college van handhaving had moeten afzien wordt overwogen dat de rechtbank in de uitspraak van 20 juli 2011 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van de afwijking met 45 cm geen concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts heeft de rechtbank in die uitspraak geoordeeld dat handhavend optreden niet onevenredig is in verhouding tot het daarmee te dienen doel. Nu tegen die uitspraak geen hoger beroep is ingesteld en geen nieuw gebleken feiten en omstandigheden zijn gesteld die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen, dient, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2003 in zaak nr. 200206222/1), van de juistheid van dat oordeel te worden uit gegaan.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Pieters
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2013

473-776.