Uitspraak 201105857/1/A3

Datum van uitspraak: woensdag 5 december 2012
Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Weesp
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Algemene kamer - Hoger Beroep - Wet openbaarheid van bestuur
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2012:BY5117

201105857/1/A3.
Datum uitspraak: 5 december 2012

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Weesp,
2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2011 in zaken nrs. 10/650, 10/1473, 10/1991, 10/3993, 10/4867 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

het college.

Procesverloop

10/650
Bij email van 23 december 2009 heeft [appellant sub 2] het college verzocht om openbaarmaking van een ambtelijke notitie ter voorbereiding van het door het college op 4 maart 2008 uitgesproken voornemen tot het ontslag van [appellant sub 2] per 1 juni 2008 (hierna: de notitie) en een klachtbrief.

Op 24 december 2009 heeft [appellant sub 2] zijn verzoek bij brief herhaald. Deze brief is bij het college binnengekomen op 28 december 2009.

Op 22 januari 2010 heeft [appellant sub 2] het college in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek en aanspraak gemaakt op een dwangsom.

Bij besluit van 23 februari 2010 heeft het college [appellant sub 2] een afschrift toegezonden van het besluitformulier van het college van 4 maart 2008 met daarin opgenomen het ambtelijk voorstel met aangehechte toelichting en het verzoek om openbaarmaking van de klachtbrief afgewezen. Voorts heeft het college de verschuldigde dwangsom vastgesteld op € 310,00.

Bij uitspraak van 13 april 2011, verzonden op 14 april 2011, heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 26 augustus 2011 heeft het college het door de rechtbank als bezwaar tegen het besluit van 23 februari 2010 aangemerkte beroep tegen het niet tijdig beslissen ongegrond verklaard.

10/1473
Bij brief van 10 februari 2010 heeft [appellant sub 2] het college verzocht om openbaarmaking van het reglement van orde voor de vergaderingen van het college en de agenda's en vertrouwelijke besluitenlijsten van de vergaderingen van het college van 4 maart 2008, 15 april 2008 en 28 april 2009.

Bij brief van 3 maart 2010 heeft [appellant sub 2] verzocht om openbaarmaking van nog enige agenda's voor collegevergaderingen en vertrouwelijke besluitenlijsten. Voorts heeft [appellant sub 2] verzocht om openbaarmaking van een kopie van het originele besluitformulier van het college en het onderliggende ambtelijk advies behorend bij het besluit tot ontslag 'onbekwaamheid/ongeschiktheid' zoals bekend gemaakt bij brief van 27 mei 2008 (MI14/2008/5816), een kopie van het originele besluitformulier van het college en het onderliggende ambtelijk advies behorend bij het besluit tot ontslag 'op andere gronden' zoals bekend gemaakt bij brief van 4 mei 2009 (MI14/2009/4845), en de zogeheten metagegevens DOCMAN, inclusief printscreens en digitale gegevens datum eerste aanmaak/registratie en wijziging- en bewerkingsdata met betrekking tot deze documenten.

Bij brief van 10 maart 2010 heeft [appellant sub 2] het college in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek en aanspraak gemaakt op een dwangsom.

Bij besluit van 8 april 2010 heeft het college het verzoek van [appellant sub 2] van 10 februari 2010 gedeeltelijk afgewezen en gedeeltelijk toegewezen.

Bij besluit van 12 mei 2010 heeft het college het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 8 april 2010 ingestelde bezwaar ongegrond en, voor zover het is gericht tegen de afhandeling van zijn verzoek van 3 maart 2010, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 24 mei 2010 heeft het college het verzoek van [appellant sub 2] van 3 maart 2010 gedeeltelijk afgewezen en gedeeltelijk toegewezen.

Bij de hiervoor vermelde uitspraak van 13 april 2011 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard.

10/1991
Bij brief van 1 maart 2010 heeft [appellant sub 2] verzocht om openbaarmaking van de aanmaak- en uitgiftedatum van de registratienummers 2008/../2500 tot en met 2008/../2680, de bij deze registratienummers behorende metagegevens en de printscreens en dergelijke van de registratieschermen per registratienummer 2500 tot en met 2680, inclusief vermelding van het onderwerp van geregistreerde brief, voorstel dan wel besluit.

Bij brief van 3 maart 2010 heeft [appellant sub 2] verzocht om openbaarmaking van het volledige printscreen en digitaal overzicht van de eerste aanmaakdatum van de stukken met registratienummer 2008/MI14/2517 en 2008/MI14/2667, aangevuld met de printscreens en digitale overzichten van alle data waarop beide stukken zijn bewerkt of gewijzigd, evenals de laatste datum waarop beide stukken zijn opgeslagen en definitief in het digitaal archief zijn opgeslagen.

Bij brief van 10 april 2010 heeft [appellant sub 2] het college in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn verzoeken en aanspraak gemaakt op een dwangsom.

Bij besluit van 6 mei 2010 heeft het college de verzoeken van [appellant sub 2] van 1 en 3 maart 2010 afgewezen.

Bij de hiervoor vermelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op de verzoeken van [appellant sub 2] van 1 en 3 maart 2010 gegrond verklaard en vastgesteld dat het college als gevolg van het niet tijdig beslissen op de aanvraag een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft verbeurd van in totaal € 200,00.

10/3993
Bij brief en e-mailbericht van 6 juli 2010 heeft [appellant sub 2] verzocht om openbaarmaking van een kopie van het op 27 april 2009 ontvangen en door middel van het inboeken in DOCMAN van een zichtbaar en uniek registratienummer voorzien voorblad van het op 27 april 2009 ontvangen advies van de Ambtenarenkamer inzake het bezwaar van [appellant sub 2] tegen het ontslagbesluit van 27 mei 2008 (hierna: de kopie van het voorblad), ter controle daarvan een kopie van een willekeurige andere brief die op die datum is ontvangen en op die dag is ingeboekt in DOCMAN (hierna: de kopie van een willekeurige brief), de metagegevens behorende bij de documenten MI14/2009/4940 (besluitformulier "beslissing op bezwaarschrift JT") en MI14/2009/4845, met daarbij in ieder geval de datum van eerste aanmaak en laatste wijziging document met registratienummers 2009/4940 en 2009/4845, en een afschrift van het originele advies van Capra naar aanleiding van het advies van de Ambtenarenkamer (hierna: het advies van Capra).

Bij brief van 3 augustus 2010 heeft [appellant sub 2] het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing en aanspraak gemaakt op een dwangsom.

Bij besluit van 2 december 2010, verzonden op 3 december 2010, heeft het college het verzoek van [appellant sub 2] van 6 juli 2010 afgewezen.

Bij de hiervoor vermelde uitspraak van 13 april 2011 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 26 augustus 2011 heeft het college het door de rechtbank als bezwaar tegen het besluit van 2 december 2010 aangemerkte beroep ongegrond verklaard.

10/4867
Op 12 april 2010 heeft [appellant sub 2] verzocht om openbaarmaking van een ambtelijk voorstel en bijbehorend besluitformulier college met betrekking tot ontzegging toegang en voorgenomen schorsing (brief 16 april 2008 - 2008/4418), de metagegevens vanuit DOCMAN behorend bij deze stukken en bij die brief, de metagegevens vanuit DOCMAN behorend bij de brief van 16 april 2008, een kopie van het van alle benodigde parafen voorzien besluitformulier "beslissing op bezwaarschrift" dat bij wijze van circulatie aan de individuele collegeleden is voorgelegd ter parafering, de metagegevens behorend bij dat document, en een afschrift van de handtekeningen- en parafenlijst van de vigerende leden van het college.

Bij besluit van 12 mei 2010 heeft het college het verzoek van [appellant sub 2] van 12 april 2010 deels toegewezen en afgewezen voor zover het ziet op openbaarmaking van metagegevens.

Bij besluit van 14 september 2010 heeft het college de door [appellant sub 2] tegen de besluiten van 6, 12 en 24 mei 2010 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de hiervoor vermelde uitspraak van 13 april 2011 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 25 mei 2011 heeft het college de bezwaren gericht tegen de besluiten van 6, 12 en 24 mei 2010 alsnog gegrond verklaard, besloten tot openbaarmaking van een deel van de metagegevens en deze verstrekt, en bepaald dat aan [appellant sub 2] een dwangsom van € 200,00 dient te worden betaald en € 300,00 aan griffierechten vergoed.

Bij besluit van 8 augustus 2011 heeft het college het besluit van 25 mei 2011 in stand gelaten met betrekking tot de vaststelling van de dwangsom en het griffierecht en voor het overige ingetrokken, de bezwaren gericht tegen de weigering van de specifieke metagegevens, de brief van 16 april 2008, het verslag van de collegevergadering van 4 maart 2008 en het besluitformulier van 28 april 2009 alsnog gegrond verklaard, deze documenten openbaar gemaakt en verstrekt. Voorts heeft het college de bezwaren gericht tegen de weigering algemene metagegevens te verstrekken ongegrond verklaard.

De hoger beroepen
Tegen de hiervoor vermelde uitspraak van de rechtbank van 13 april 2011 hebben het college en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft bij brief van 23 juli 2011 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen na de uitspraak van de rechtbank.

[appellant sub 2] heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

[appellant sub 2] en het college hebben nadere schriftelijke reacties ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2012, waar [appellant sub 2] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.P.F. van Duren, advocaat te 's- Hertogenbosch, zijn verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:68 van de Awb het onderzoek heropend en bij het college het advies van Capra opgevraagd.

[appellant sub 2] heeft ten aanzien van het advies van Capra toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

[appellant sub 2] en het college hebben nadere schriftelijke reacties ingediend.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) wordt onder intern beraad verstaan het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan, dan wel binnen een kring van bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een bestuurlijke aangelegenheid.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, voor zover thans van belang, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, beslist het bestuursorgaan op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de verzoeker.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang gelegen in het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

Het hoger beroep van [appellant sub 2]

10/650

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van [appellant sub 2] tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is wegens ontbreken van belang, aangezien het college op 23 februari 2010 alsnog een besluit op het verzoek van [appellant sub 2] heeft genomen. [appellant sub 2] heeft niet gesteld dat hij als gevolg van het niet tijdig beslissen schade heeft geleden, aldus de rechtbank. Voor zover het beroep van [appellant sub 2] moet worden geacht te zijn gericht tegen het alsnog genomen besluit van 23 februari 2010, heeft de rechtbank het met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb verwezen naar het college ter behandeling als bezwaar. Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ten aanzien van de hoogte van de vastgestelde dwangsommen dient volgens de rechtbank bij de behandeling van het bezwaar te worden betrokken.

3. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens [appellant sub 2] heeft de rechtbank niet onderkend dat hij schade heeft geleden, die is gelegen in de te lage vaststelling van de dwangsom. Bovendien heeft de rechtbank ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 4:19, tweede lid, van de Awb, aldus [appellant sub 2]. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte het beroep tegen het niet tijdig beslissen voor zover gericht tegen het besluit van 23 februari 2010 doorgestuurd naar het college ter behandeling als bezwaar, aangezien [appellant sub 2] heeft verzocht om een inhoudelijke behandeling daarvan door de rechtbank. Daar komt volgens [appellant sub 2] bij dat de rechtbank de beslissing tot doorzenden naar het college ten onrechte niet heeft opgenomen in het dictum.

4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 december 2008 in zaak nr. 200801696/1; www.raadvanstate.nl), kan een bestuursorgaan voor zover het dat wenselijk acht de elektronische weg openen voor een of meer categorieën van berichten, opdat het zijn organisatie en werkprocessen vooraf afdoende gereed kan maken voor het afhandelen van elektronisch ingediende berichten van de desbetreffende categorie. Daarbij is differentiatie mogelijk. Hieruit volgt dat een bericht slechts langs elektronische weg bij een bestuursorgaan kan worden ingediend indien voldoende duidelijk is dat deze weg voor de desbetreffende berichtencategorie is opengesteld (Kamerstukken II 2001/02, 28 483, nr. 3, blz. 12 en 13).

[appellant sub 2] heeft op 23 december 2009 per e-mailbericht een verzoek om openbaarmaking van de desbetreffende documenten verzonden. Voorts heeft hij zijn verzoek per post verzonden. Aangezien het college onweersproken heeft gesteld dat het de elektronische weg voor verzending van verzoeken op grond van de Wob indertijd niet had opengesteld, kon het e-mailbericht van [appellant sub 2] niet voor behandeling in aanmerking komen.

Niet in geschil is dat het college het per post verzonden verzoek van [appellant sub 2] op 28 december 2009 heeft ontvangen, zodat het college diende te beslissen op het verzoek uiterlijk op 25 januari 2010. Zoals het college in verweer terecht heeft gesteld, is de ingebrekestelling van [appellant sub 2] van 22 januari 2010 prematuur. De brief van 22 januari 2010 kan derhalve niet worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17 van de Awb. Gelet op artikel 6:12, tweede lid, van de Awb heeft de rechtbank het beroep terecht, zij het op onjuiste gronden, niet-ontvankelijk verklaard. Het college is geen dwangsom verschuldigd.

In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd is geen grond gelegen waarop de rechtbank in dit geval geen toepassing mocht geven aan artikel 6:20, vierde lid, van de Awb. Voorts heeft de rechtbank haar beslissing tot verwijzen terecht niet opgenomen in het dictum van de uitspraak. Artikel 8:70 van de Awb geeft een limitatieve opsomming van de vier hoofddicta die de rechtbank ter beschikking staan bij het doen van een uitspraak. Daarnaast bieden de artikelen 8:71 tot en met 8:75a de grondslag voor verschillende nevendicta. De beslissing tot verwijzen betreft niet het ingestelde beroep dat ingevolge artikel 8:70 van de Awb niet-ontvankelijk is verklaard. De beslissing tot verwijzen vormt evenmin een van de in de artikelen 8:71 tot en met 8:75a van de Awb mogelijke nevendicta. Het betoog faalt.

10/1473

5. De rechtbank heeft geoordeeld dat de ingebrekestelling en het beroep tegen het niet tijdig beslissen prematuur zijn ingediend en daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

5.1. Volgens [appellant sub 2] is de ingebrekestelling niet prematuur. [appellant sub 2] betoogt dat rechtbank niet heeft onderkend dat de locoburgemeester niet bevoegd was tot het nemen van de beslissing van 9 maart 2010 strekkende tot verdaging van het besluit op het verzoek. Volgens [appellant sub 2] is deze brief daarom niet namens het college verzonden. Bovendien is de brief van 15 maart 2010, strekkende tot bevestiging door het college van de verdaging, na de beslistermijn verzonden, aldus [appellant sub 2]. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte in het midden gelaten of het verzoek van 3 maart 2010 moet worden beschouwd als aanvullend op het verzoek van 10 februari 2010.

5.2. Bij brief van 10 februari 2010 heeft [appellant sub 2] verzocht om openbaarmaking van documenten. De Afdeling houdt het ervoor dat deze brief op die dag door [appellant sub 2] is verzonden en op 11 februari 2010 door het college is ontvangen. De termijn waarbinnen het college diende te beslissen op het verzoek eindigde derhalve op 12 maart 2010. [appellant sub 2] heeft het college bij brief van 10 maart 2010 in gebreke gesteld. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat deze ingebrekestelling prematuur is. Deze kan derhalve niet worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17 van de Awb. Of het college het verzoek van [appellant sub 2] van 3 maart 2010 onterecht als zelfstandig verzoek heeft aangemerkt heeft de rechtbank terecht in het midden gelaten. Gelet op artikel 6:12, tweede lid, van de Awb heeft de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het college is geen dwangsom verschuldigd. Het betoog faalt. De overige gronden behoeven geen bespreking.

10/3993

6. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit van het college van 2 december 2010 een besluit is op het verzoek van [appellant sub 2] van 6 juli 2010 om openbaarmaking van de kopie van het voorblad, de kopie van een willekeurige brief en het advies van Capra. Omdat het college alsnog heeft besloten op dat verzoek van [appellant sub 2] en hij niet heeft gesteld dat hij schade heeft geleden, heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover het beroep tegen het niet tijdig beslissen betrekking heeft op het besluit van 2 december 2010 heeft de rechtbank het doorgezonden naar het college ter behandeling als bezwaar.

7. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens gebrek aan belang. Zeker omdat het college pas op 10 december 2010 heeft besloten op zijn verzoek van 6 juli 2010, heeft het college volgens [appellant sub 2] de wettelijk verschuldigde dwangsommen maximaal verbeurd. Volgens [appellant sub 2] is zijn belang bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen gelegen in de vaststelling van de hoogte van de dwangsommen. Voorts heeft de rechtbank ook in deze zaak het doorzenden van het beroep ter behandeling als bezwaar ten onrechte niet in zijn beslissing opgenomen.

7.1. Het betoog faalt. [appellant sub 2] heeft zijn verzoek op 6 juli 2010 per e-mailbericht en per post verzonden. Aangezien het college de elektronische weg ook te dien tijde niet had opengesteld, is het moment van ontvangst van de per post gezonden brief bepalend voor de aanvang van de termijn waarbinnen het college diende te beslissen. De Afdeling houdt het ervoor dat het college de brief een dag na verzending door [appellant sub 2] en dus op 7 juli 2010 per post heeft ontvangen. Daaruit volgt dat het college uiterlijk voor 5 augustus 2010 diende te beslissen op het verzoek van [appellant sub 2]. [appellant sub 2] heeft het college op 3 augustus 2010 en derhalve prematuur in gebreke gesteld. De rechtbank heeft terecht, zij het op onjuiste gronden, het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard.

In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd is geen grond gelegen waarop de rechtbank in dit geval geen toepassing mocht geven aan artikel 6:20, vierde lid, van de Awb. Voorts wordt, onder verwijzing naar overweging 4., laatste alinea, overwogen dat de rechtbank haar beslissing tot verwijzen terecht niet heeft opgenomen in het dictum van de uitspraak. De overige gronden behoeven geen bespreking.

8. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Het hoger beroep van het college

10/4867

9. Het college heeft bij besluit van 14 september 2010 zijn besluiten van 6, 12 en 24 mei 2010 gehandhaafd. Daaraan heeft het ten grondslag gelegd dat metagegevens geen bestuurlijke aangelegenheid vormen, omdat deze geen inhoudelijke informatie over beleid bevatten, noch betrekking hebben op informatie over voorbereiding of uitvoering ervan. Dat is anders bij een postregistratie, nu die bijvoorbeeld wel relevantie kan hebben voor het bepalen van de bezwaartermijn in een bepaalde zaak, aldus het college.

10. De rechtbank heeft overwogen dat metagegevens gegevens zijn die betrekking hebben op de registratie van besluiten en andere stukken in een door het college gebruikt computersysteem. Niet in geschil is dat de door [appellant sub 2] verzochte metagegevens betrekking hebben op documenten die een bestuurlijke aangelegenheid betreffen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben metagegevens daarom ook betrekking op een bestuurlijke aangelegenheid. Het college mocht openbaarmaking van de metagegevens niet om die reden weigeren, aldus de rechtbank.

10.1. Het college bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat metagegevens moeten worden aangemerkt als betrekking hebbend op een bestuurlijke aangelegenheid, voor zover dat oordeel ziet op ongespecificeerde metagegevens. Volgens het college hebben verzoeken waarbij uitsluitend wordt verwezen naar, al dan niet veronderstelde, registratienummers van documenten zonder dat duidelijk is waarop het document betrekking heeft, geen betrekking op een bestuurlijke aangelegenheid. Volgens het college bevatten metagegevens slechts informatie over gegevens over documenten, en een document is volgens het college geen bestuurlijke aangelegenheid.

10.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting bij de Afdeling is gebleken dat [appellant sub 2] heeft verzocht om toezending van metagegevens die betrekking hebben op documenten die zijn opgemaakt gedurende een bepaalde, duidelijk afgebakende periode, te weten de periode van voorbereiding van de besluitvorming omtrent zijn ontslag. Een verzoek om informatie over de registratie van documenten in een bepaalde periode van voorbereiding van de besluitvorming omtrent ontslag van een ambtenaar moet, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, worden aangemerkt als een verzoek om informatie die betrekking heeft op een bestuurlijke aangelegenheid in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wob. Het betoog faalt.

11. Het hoger beroep van het college is ongegrond.

12. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Beroep van rechtswege tegen de besluiten van 25 mei 2011 en 8 augustus 2011

13. Bij besluiten van 25 mei en 8 augustus 2011 heeft het college opnieuw beslist op de bezwaren van [appellant sub 2]. Ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, worden deze besluiten mede geacht voorwerp te zijn van dit geding. Dat wil in dit geval zeggen dat van rechtswege een beroep van [appellant sub 2] tegen deze besluiten is ontstaan.

14. [appellant sub 2] heeft geen gronden tegen het besluit van 25 mei 2011 aangevoerd, voor zover dit in stand is gelaten. Voor zover het besluit van 25 mei 2011 is ingetrokken, is het besluit van 8 augustus 2011 daarvoor in de plaats is gekomen. Niet gebleken is dat [appellant sub 2] nog belang heeft bij een beoordeling van het besluit van 25 mei 2011 in zoverre.

15. Het college heeft in zijn besluit van 8 augustus 2011 de verzoeken van [appellant sub 2] met de letters a. tot en met h. aangeduid.

De verzoeken met de letters a. tot en met d. heeft het college aangemerkt als verzoeken om openbaarmaking van algemene metagegevens. Deze verzoeken heeft het college niet ingewilligd, omdat [appellant sub 2] met een verwijzing naar een reeks documentennummers niet heeft aangeduid op welke specifieke bestuurlijke aangelegenheid de stukken, waarvan hij de metagegevens heeft verzocht, betrekking hebben.

Ten aanzien van de verzoeken met de letters e. tot en met g. heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het deze documenten reeds openbaar heeft gemaakt en verstrekt.

Ten aanzien van het verzoek met de letter h. heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het een verzoek om openbaarmaking van metagegevens betreft die betrekking hebben op documenten vermeld onder letters f. en g. Deze metagegevens heeft het college openbaargemaakt, zij het dat het college de in die metagegevens vermelde verwijzingen naar medewerkers die de betreffende documenten hebben bewerkt op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob heeft verwijderd. Volgens het college heeft [appellant sub 2] geen belang bij bekendmaking van de namen van de betrokken personen.

15.1. [appellant sub 2] voert aan dat het college ten onrechte openbaarmaking van de algemene metagegevens betreffende letters a. tot en met d. heeft geweigerd. Volgens [appellant sub 2] heeft hij wel aangeduid op welke bestuurlijke aangelegenheid de metagegevens betrekking hebben. Voorts heeft het college met betrekking tot zijn verzoek met de letter h. ten onrechte niet besloten tot openbaarmaking van de bijbehorende printscreens en digitale overzichten en deze ten onrechte niet verstrekt. Voorts heeft het college ten onrechte verwijzingen naar namen in de metagegevens verwijderd, aldus [appellant sub 2].

15.2. Voor zover het gaat om het verzoek om openbaarmaking van metagegevens als vermeld in de letters a. tot en met d. heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte op het standpunt gesteld dat het verzoek niet ziet op een bestuurlijke aangelegenheid. In aansluiting op hetgeen is overwogen onder 10.2. is de Afdeling van oordeel dat het college niet heeft onderkend dat [appellant sub 2] heeft verzocht om openbaarmaking van informatie die betrekking heeft op de registratie van documenten in de periode van voorbereiding van de besluitvorming omtrent het ontslag van [appellant sub 2]. Derhalve is zijn verzoek gericht op openbaarmaking van informatie betreffende een bestuurlijke aangelegenheid.

Voorts blijkt uit het besluit van 8 augustus 2011 dat het college het verzoek met de letter h. om openbaarmaking van die metagegevens heeft ingewilligd, zij het dat namen zijn verwijderd. Ter uitvoering van de beslissing tot openbaarmaking heeft het college zich in het besluit op het standpunt gesteld dat afschriften van printscreens worden verstrekt, waarop alle in documentvorm beschikbare metagegevens en digitale gegevens worden vermeld. Gelet hierop heeft het college, anders dan [appellant sub 2] stelt, openbaarmaking van de bijbehorende printscreens en digitale overzichten niet geweigerd. Aangenomen dat het college deze gegevens, naar [appellant sub 2] stelt, niet heeft verstrekt, betreft dat niet verstrekken een feitelijke handeling, die niet in dit geding aan de orde kan worden gesteld.

De Afdeling is verder van oordeel dat het college openbaarmaking van namen van personen die staan vermeld in de metagegevens op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob heeft mogen weigeren in het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van de medewerkers van de gemeente die bij de totstandkoming van de door [appellant sub 2] opgevraagde documenten zijn betrokken.

15.3. Het beroep is gegrond. Het besluit van het college van 8 augustus 2011 dient te worden vernietigd, voor zover het college openbaarmaking heeft geweigerd van de metagegevens genoemd in de letters a. tot en met d.

De Afdeling ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en zal daartoe de besluiten van 6, 12 en 24 mei 2010 herroepen, voor zover het college heeft geweigerd metagegevens genoemd in de letters a. tot en met d. openbaar te maken. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de besluiten van 6, 12 en 24 mei 2010, voor zover deze zijn herroepen. De Afdeling zal het college opdragen de metagegevens die zijn genoemd in letters a. tot en met d. in het besluit van 8 augustus 2011 alsnog openbaar te maken. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen na de uitspraak van de rechtbank in zaak nrs. 10/650, 10/1473 en 10/3993

15.4. Bij brief van 6 juli 2011 heeft [appellant sub 2] het college in gebreke gesteld en verzocht om vaststelling van de hoogte van de verbeurde dwangsom. Op 23 juli 2011 heeft [appellant sub 2] beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet wordt het beroep van 23 juli 2011 van [appellant sub 2] door de Afdeling beoordeeld.

10/1473

16. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.2. was het college in deze zaak niet gehouden tot nadere besluitvorming. Dat betekent dat het door [appellant sub 2] ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen in zoverre niet-ontvankelijk is.

10/650 en 10/3993

17. Het college heeft bij besluit van 26 augustus 2011 besloten op de bezwaren van [appellant sub 2]. Omdat [appellant sub 2] het college in gebreke heeft gesteld en heeft verzocht om vaststelling van de hoogte van de verbeurde dwangsom, heeft [appellant sub 2] niettemin een belang bij een beoordeling van zijn beroep tegen het uitblijven van dat besluit.

18. Uit het systeem van de Awb volgt dat in dit geval aan de hand van artikel 7:10 van de Awb moet worden beoordeeld binnen welke termijn het college een besluit dient te nemen. In artikel 7:10, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen twaalf weken beslist, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

19. Voor de berekening van de beslistermijn dient in dit geval te worden uitgegaan van de dag van verzending van de uitspraak van de rechtbank. Gebleken is dat het college een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb heeft ingesteld, zodat het - nu voorts niet is gebleken dat toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 7:10, tweede, derde of vierde lid van de Awb - op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb gehouden was binnen twaalf weken na 14 april 2011 te beslissen, te weten voor 8 juli 2011.

[appellant sub 2] heeft het college op 6 juli 2011, en derhalve prematuur, in gebreke gesteld. De brief van 6 juli 2011 kan derhalve niet worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17 van de Awb. Nu geen ingebrekestelling heeft plaatsgevonden, zijn de beroepen gelet op artikel 6:12, tweede lid, van de Awb ook in zoverre niet-ontvankelijk. Omdat geen ingebrekestelling heeft plaatsgevonden, is het college geen dwangsom verschuldigd.

Het beroep van rechtswege tegen het besluit van 26 augustus 2011.

20. Het college heeft zich in zijn besluit van 26 augustus 2011 op het standpunt gesteld dat het niet beschikt over een klachtbrief, dat [appellant sub 2] reeds beschikt over het voorblad van het uitgebrachte advies van de ambtenarenkamer en dat een voorblad met een datumstempel niet bestaat. Voor zover [appellant sub 2] heeft verzocht om toezending van metagegevens stelt het college zich op het standpunt dat deze niet behoeven te worden verstrekt, omdat deze niet zien op een bestuurlijke aangelegenheid. De weigering het advies van Capra te verstrekken baseert het college op het standpunt dat het stuk dient voor intern beraad. Volgens het college hebben bestuursorganen en publiekrechtelijke rechtspersonen het recht op vertrouwelijke advisering door een advocaat of een ander juridisch adviseur.

21. [appellant sub 2] betoogt dat het college ten onrechte openbaarmaking van de metagegevens heeft geweigerd. Voorts heeft het college ten onrechte openbaarmaking van het advies van Capra geweigerd. Volgens [appellant sub 2] gaat het niet om informatie in de zin van artikel 11, eerste lid, van de Wob.

22. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen van het advies van Capra.

22.1. Het advies van Capra bestaat uit een e-mailbericht en twee conceptbesluiten, opgesteld door een advocaat en gericht aan het college. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 17 juli 2002 in zaak nr. 200105029/1 en van 26 november 2008 in zaak nr. 200803551/1; www.raadvanstate.nl) kunnen ook documenten die afkomstig zijn van derden die niet tot de kring van de overheid behoren, worden beschouwd als documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad. De Afdeling is na kennisneming van de documenten van oordeel dat het college deze terecht heeft beschouwd als te zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad. Het geheel moet worden aangemerkt als een uitwisseling van informatie tussen een advocaat en een bestuursorgaan teneinde dat bestuurorgaan in staat te stellen een standpunt in te nemen betreffende een bestuurlijke aangelegenheid. Daarom staat de omstandigheid dat het college in het besluit op bezwaar tegen het ontslagbesluit kennelijk heeft verwezen naar het advies van Capra en zich op het standpunt heeft gesteld dat de overwegingen die aan het ontslagbesluit ten grondslag liggen stoken met het advies van Capra er niet aan in de weg dat het advies van Capra niet openbaar wordt gemaakt met een beroep op artikel 11, eerste lid, van de Wob.

In haar uitspraak van 1 september 2010 (in zaak nr. 200910061/1/H3 ; www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling overwogen, dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11, eerste lid, van de Wob blijkt, dat de daarin neergelegde bescherming van persoonlijke beleidsopvattingen tot doel heeft, de bescherming van de vrije meningsvorming, het belang om in vertrouwelijke sfeer te kunnen ‘brainstormen’ zonder vrees voor gezichtsverlies en het kunnen waarborgen dat bij de primaire vormgeving van het beleid de betrokkenen in alle vrijheid hun gedachten en opvattingen kunnen uiten (Kamerstukken II 19 859, nr. 3, p. 14 en 38). Onder persoonlijke beleidsopvatting wordt verstaan een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van één of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten. De Afdeling is in aansluiting hierop in deze zaak van oordeel dat het e-mailbericht en de conceptbesluiten, voor zover deze afwijken van de definitieve besluiten, persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. Het college mocht openbaarmaking van het e-mailbericht en de conceptbesluiten, daar waar deze afwijken van de definitieve besluiten, op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob weigeren.

Voor zover echter de conceptbesluiten overeenkomen met de definitieve besluiten, bevatten deze naar het oordeel van de Afdeling geen persoonlijke beleidsopvattingen, zodat het college in zoverre openbaarmaking van de conceptbesluiten niet heeft mogen weigeren op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob. Het betoog slaagt in zoverre.

23. Het beroep is gegrond. Het besluit van 26 augustus 2011 dient te worden vernietigd, voor zover het college openbaarmaking heeft geweigerd van de conceptbesluiten, voor zover deze overeenkomen met de definitieve besluiten. De Afdeling ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en zal daartoe het besluit van 2 december 2010 herroepen, voor zover het college daarbij openbaarmaking heeft geweigerd van de conceptbesluiten, voor zover deze overeenkomen met de definitieve besluiten. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 2 december 2010, voor zover dat is herroepen. De Afdeling zal het college opdragen de in het besluit van 26 augustus 2011 genoemde conceptbesluiten, voor zover deze overeenstemmen met de definitieve besluiten, alsnog openbaar te maken. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

24. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Weesp van 8 augustus 2011, kenmerk Z.8162/D.21360, gegrond;

III. vernietigt het onder II vermelde besluit, voor zover het college van burgemeester en wethouders van Weesp in dat besluit openbaarmaking heeft geweigerd van de metagegevens genoemd in de letters a. tot en met d.;

IV. herroept in zoverre de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Weesp van 6 mei 2010, kenmerk /UIT/D.10-7556, 12 mei 2010, kenmerk /UIT/D.10-7570, en 24 mei 2010, kenmerk /UIT/D.10-7569;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Weesp op om binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak de metagegevens die zijn genoemd in letters a. tot en met d. in het onder II vermelde besluit alsnog openbaar te maken;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de onder IV genoemde besluiten, voor zover deze zijn herroepen;

VII. verklaart het beroep van [appellant sub 2] tegen het niet tijdig beslissen na de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2011 in zaak nummers 10/650, 10/1473 en 10/3993 niet-ontvankelijk;

VIII. verklaart het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Weesp van 26 augustus 2011, kenmerk Z.14849/D.21612, gegrond;

IX. vernietigt het onder VIII vermelde besluit, voor zover het college van burgemeester en wethouders van Weesp in dat besluit openbaarmaking heeft geweigerd van de conceptbesluiten, voor zover deze overeenkomen met de definitieve besluiten;

X. herroept in zoverre het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Weesp van 2 december 2010, kenmerk Z.8560/D.16709;

XI. draagt het college van burgemeester en wethouders van Weesp op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak de in het onder VIII vermelde besluit genoemde conceptbesluiten, voor zover deze overeenstemmen met de definitieve besluiten, alsnog openbaar te maken;

XII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het onder X vermelde besluit, voor zover dat is herroepen;

XIII. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Weesp een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Langeveld-Mak
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2012

317-671.