Uitspraak 201109085/1/A3

Datum van uitspraak: woensdag 3 oktober 2012
Tegen: de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Algemene kamer - Hoger Beroep - Wet openbaarheid van bestuur
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2012:BX8990

201109085/1/A3.
Datum uitspraak: 3 oktober 2012

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 juli 2011 in zaken nrs. 10/2221 en 10/2054 in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RTL Nederland, gevestigd te Hilversum (hierna: RTL),
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Het Financieele Dagblad B.V., gevestigd te Amsterdam
(hierna: het FD),

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2009 heeft de minister een verzoek van het FD om openbaarmaking van documenten afgewezen.

Bij besluit van 14 oktober 2009 heeft de minister een verzoek van RTL om openbaarmaking van documenten eveneens afgewezen.

Bij separate besluiten van 3 juni 2010 heeft de minister de door het FD en RTL tegen de besluiten van 29 september 2009 en 14 oktober 2009 gemaakte bezwaren gegrond verklaard en heeft hij enkele van de gevraagde documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt.
Bij uitspraak van 6 juli 2011 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de door het FD en RTL ingestelde beroepen tegen de besluiten van 3 juni 2010 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de door het FD en RTL gemaakte bezwaren dient te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de minister en [appellante sub 2] hoger beroep ingesteld.

Het FD heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft de minister op 15 augustus 2011 bij afzonderlijke besluiten opnieuw op de bezwaren van het FD en RTL beslist.

Het FD heeft een nader stuk ingediend.

RTL heeft te kennen gegeven zich terug te trekken uit de procedure.

Novartis Vaccines and Diagnostics SRL (hierna: Novartis) is door de Afdeling in de gelegenheid gesteld om op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) als partij aan het geding deel te nemen.

Het FD, [appellante sub 2] en Novartis hebben aan de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 juli 2012, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. E.J. Daalder, advocaat te Den Haag, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. P.W. Tubbergen, advocaat te Rotterdam, en mr. M.P. van Emst, en het FD, vertegenwoordigd door mr. T. Ponte, advocaat te Den Haag, en H. Engelenburg, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen:

a. (…);

b. de economische of financiële belangen van de Staat;

c. (…);

d. (…);

e. (…);

f. (…);

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden.

2. Op 16 september 2009 heeft het FD de minister verzocht om openbaarmaking van alle documenten die betrekking hebben op de aanbestedingsprocedure voor het selecteren van aanbieders van een pandemisch influenzavaccin tegen het H1N1-virus, de veroorzaker van de zogenoemde Mexicaanse griep. Tevens heeft het FD verzocht om afschriften van (digitale) rapporten over de aanschaf van dit influenzavaccin en correspondentie hierover met adviserende organisaties, het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en ter zake deskundige virologen.

RTL heeft op 8 oktober 2009 de minister verzocht om openbaarmaking van documenten inzake de aanschaf van 34 miljoen vaccins tegen de Mexicaanse griep.

3. Het geding spitst zich toe op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister ten onrechte enkele documenten waarop de verzoeken van het FD en RTL zagen slechts gedeeltelijk openbaar heeft gemaakt. Het betreft een memo van 29 april 2009 van het Nederlands Vaccin Instituut (hierna: het memo), een motivatie inhoudelijke selectiecriteria Mexicaanse griepvaccin (hierna: de motivatie), een brief van 1 juli 2009 van de minister aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (hierna: de brief), een nota van 16 juli 2009 aan de minister inzake aanschaf pandemische griepvaccins (hierna: de nota), een Supply Agreement of Pandemic Influenza Vaccines gesloten tussen [appellante sub 2] en de Staat van 19 juni 2009 (hierna: het supply agreement van [appellante sub 2]) en een Supply Agreement for Influenza A (H1N1) Vaccine gesloten tussen Novartis en de Staat van 19 juni 2009 (hierna: het supply agreement van Novartis).

4. Onder verwijzing naar de adviezen van de bezwaarschriftencommissie van 7 januari 2010 heeft de minister in de bij de rechtbank bestreden besluiten van 3 juni 2010 besloten enkele van de gevraagde documenten (gedeeltelijk) openbaar te maken. Ten aanzien van de niet openbaar gemaakte informatie neergelegd in de documenten genoemd in overweging 3, heeft hij zich op het standpunt gesteld dat deze gegevens bevatten over de technische bedrijfsvoering en het productieproces van de betrokken producenten. Voorts bevatten de documenten gegevens over financiële afspraken tussen leveranciers en de Staat. Die gegevens zijn uitdrukkelijk vertrouwelijk door de leveranciers aan de Staat meegedeeld. Het is van belang dat de Staat zich vrij kan opstellen in onderhandelingen over dit soort aankopen, ook in de toekomst, aldus de minister. Volledige openbaarmaking van de stukken zou die vrijheid ernstig beknotten en de Staat benadelen. Wanneer de documenten openbaar gemaakt zouden worden, kan daaruit worden afgeleid hoe de Staat zich opstelt tijdens onderhandelingen en onder welke voorwaarden wordt gecontracteerd bij een pandemie. Volledige openbaarmaking heeft volgens de minister tevens tot gevolg dat bij een nieuwe aanbesteding partijen de biedingen kunnen afstemmen op de openbaar gemaakte gegevens, zoals prijzen, leveringstermijnen, contractsvoorwaarden en de opstelling van de Staat in onderhandelingen over dit soort vaccins. Daarnaast worden [appellante sub 2] en Novartis door volledige openbaarmaking onevenredig benadeeld. Wanneer alle documenten volledig openbaar zouden worden gemaakt, kan daaruit worden afgeleid hoe [appellante sub 2] en Novartis zich opstellen tijdens onderhandelingen en onder welke voorwaarden zij contracteren bij een pandemie. Volledige openbaarmaking heeft tevens tot gevolg dat bij een nieuwe gunning concurrenten de biedingen kunnen afstemmen op de openbaar gemaakte gegevens, zoals prijzen, leveringstermijnen en contractsvoorwaarden.

5. De rechtbank heeft de besluiten van 3 juni 2010 geheel vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Ten aanzien van de documenten genoemd in overwegingen 5.3 tot en met 5.5.3 van haar uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister deze terecht met een beroep op artikel 11, eerste lid, van de Wob heeft geweigerd openbaar te maken.

Ten aanzien van de documenten genoemd in overweging 3 heeft de rechtbank geoordeeld dat deze geen bedrijfs- en fabricagegegevens bevatten, zodat de minister openbaarmaking van de weggelakte informatie ten onrechte op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob heeft geweigerd. Daarnaast heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd dat het financiële of economische belang van de Staat in het geding is bij openbaarmaking van de weggelakte informatie in de documenten noch dat daardoor sprake is van onevenredige benadeling van de Staat, [appellante sub 2] of Novartis. Met de volledige openbaarmaking van de documenten worden slechts de definitieve afspraken openbaar gemaakt, zodat de rechtbank niet inziet dat daarmee inzicht wordt gegeven in de wijze waarop de Staat, [appellante sub 2] of Novartis zich tijdens de onderhandelingen hebben opgesteld waardoor zij onevenredig zouden worden benadeeld. Openbaarmaking van de door de minister aan [appellante sub 2] of Novartis betaalde prijs betekent voorts niet zonder meer dat hij in een nieuw/ander geval een zelfde of een hogere prijs zal moeten betalen. Ook ziet de rechtbank geen grond voor de vrees dat openbaarmaking van de weggelakte informatie uit de documenten de opstelling van concurrenten van [appellante sub 2] of Novartis bij toekomstige onderhandelingen in het geval van een pandemie zal beïnvloeden. De in geding zijnde vaccinverkoop is geheel afgerond, was een eenmalige gebeurtenis en het is niet aannemelijk dat een vergelijkbare vaccinverkoop zich binnen afzienbare tijd zal herhalen, aldus de rechtbank. Zij neemt hierbij in aanmerking, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2011 (zaak nr. 201008458/1/T1/H3), dat het de minister niet is toegestaan om gelijke gevallen ongelijk te behandelen.

6. Zowel de minister als [appellante sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte de besluiten van 3 juni 2010 geheel heeft vernietigd, nu zij ten aanzien van de documenten genoemd in overwegingen 5.3 tot en met 5.5.3 van haar uitspraak heeft geoordeeld dat de minister deze terecht met een beroep op artikel 11, eerste lid, van de Wob heeft geweigerd openbaar te maken.

6.1. Deze betogen slagen. Nu de rechtbank in haar uitspraak in overwegingen 5.3 tot en met 5.5.3 heeft overwogen dat de minister de daarin genoemde documenten terecht niet openbaar heeft gemaakt omdat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wob zich voordoet, heeft zij ten onrechte de besluiten van 3 juni 2010 geheel vernietigd.

Hoger beroep van [appellante sub 2]

7. [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de weggelakte informatie in de motivatie, de nota en het supply agreement van [appellante sub 2] geen bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die [appellante sub 2] vertrouwelijk aan de overheid heeft meegedeeld. Voorts heeft de rechtbank miskend dat met openbaarmaking van de weggelakte informatie in deze documenten [appellante sub 2] onevenredig wordt benadeeld en dat dit zwaarder dient te wegen dan het algemene belang van openbaarheid van de informatie. Hiertoe voert zij aan dat de weggelakte informatie onder meer informatie bevat over de prijs en de prijsopbouw van de vaccins, leveringsschema's, productietijden, wijze van produceren, levertijden, houdbaarheid van de vaccins en leveringsvoorwaarden. Openbaarmaking hiervan leidt tot inzage van concurrenten en (potentiële) klanten in de technische bedrijfsvoering en het productieproces van [appellante sub 2]. Uit deze informatie kunnen concurrenten en (potentiële) klanten informatie afleiden hoeveel vaccins [appellante sub 2] binnen welke periode tegen welke prijs kan produceren, hoe [appellante sub 2] haar voorraden bewaart, hoe, hoelang en tegen welke prijs [appellante sub 2] de vaccins houdbaar kan maken en op welke wijze de vaccins worden geproduceerd. Indien die informatie openbaar wordt leidt dit tot een beperking van haar onderhandelingspositie, aldus [appellante sub 2]. Concurrenten kunnen die informatie gebruiken bij toekomstige aanbestedingsprocedures en een scherper bod doen dan [appellante sub 2]. Ook kunnen (potentiële) klanten onder verwijzing naar die informatie voorwaarden bedingen die [appellante sub 2] in dit specifieke contract is overeengekomen. Ook hierdoor wordt zij onevenredig benadeeld, aldus [appellante sub 2]. De rechtbank heeft verder ten onrechte overwogen dat de in geding zijnde vaccinaankoop door de Staat een eenmalige gebeurtenis was en dat niet aannemelijk is dat een vergelijkbare aankoop zich binnen afzienbare tijd zal herhalen. Bij haar bieding heeft [appellante sub 2] de contracten voor de jaarlijks te leveren griepvaccins als uitgangspunt genomen en [appellante sub 2] en haar concurrenten zijn op dit moment in onderhandeling voor de levering van vaccins voor een andere mogelijke pandemie, aldus [appellante sub 2].

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 16 maart 2011 in zaak nr. 201007168/1/H3), zijn bedrijfs- en fabricagegegevens in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, slechts die gegevens, waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Ook gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen, kunnen onder omstandigheden zodanige bedrijfsgegevens zijn. Verder dient artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 juli 2002 in zaak nr. 200103014/1) naar zijn aard restrictief te worden uitgelegd.

Ter zitting van de Afdeling heeft [appellante sub 2] onweersproken gesteld dat zij de weggelakte informatie in de motivatie, de nota en het supply agreement vertrouwelijk aan de minister heeft medegedeeld.

De weggelakte informatie in de motivatie betreft concrete informatie over de productiecapaciteit. De in de nota weggelakte informatie betreft de hoeveelheid bestelde vaccins, concrete leveringstermijnen, gehanteerde prijzen en contractsvoorwaarden. Ook in het supply agreement is concrete informatie weggelakt over de productiecapaciteit, leveringstijden, prijsonderdelen, contracts- en betalingsvoorwaarden.

Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat uit deze informatie wetenswaardigheden kunnen worden afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering en het productieproces. De informatie geeft inzicht in hoe [appellante sub 2] haar bedrijfsvoering heeft ingericht en welke vraag naar vaccins zij in een bepaalde periode aan kan. Voorts kunnen uit de weggelakte informatie gegevens worden afgeleid over de mogelijkheid die [appellante sub 2] heeft tot opslag van de geproduceerde vaccins en verschaft de informatie inzicht in het logistieke proces van [appellante sub 2]. Verder betreffen gegevens als hier aan de orde met betrekking tot contracts- en betalingsvoorwaarden de financiële bedrijfsvoering. Het betoog van [appellante sub 2] dat de weggelakte informatie in bovengenoemde documenten bedrijfs- en fabricagegegevens betreft als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, slaagt derhalve. Gelet op de imperatieve formulering van dit artikel heeft de minister de motivatie, de nota en het supply agreement terecht niet geheel openbaar gemaakt.

Hoger beroep van de minister

8. Gelet op hetgeen is overwogen in overweging 7.1 staat in het kader van het hoger beroep van de minister nog slechts ter beoordeling of de rechtbank ten aanzien van het supply agreement van Novartis, het memo en de brief met juistheid heeft geoordeeld dat de minister deze ten onrechte niet geheel openbaar heeft gemaakt.

8.1. Ten aanzien van deze documenten betoogt de minister dat de rechtbank bij haar oordeel dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het financiële of economische belang van de Staat en het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van [appellante sub 2] en Novartis, bij volledige openbaarmaking van die documenten, in geding is, ten onrechte, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2011, in aanmerking heeft genomen dat het de minister niet is toegestaan om gelijke gevallen ongelijk te behandelen. De situatie in deze zaak is volgens de minister niet vergelijkbaar met de situatie in genoemde zaak. Bij een uitbraak van een pandemie ontstaat een wereldwijde en grote vraag naar vaccins tegen deze pandemie. Dit heeft tot gevolg dat de werking van de markt van die vaccins ernstig verstoord is en dat de onderhandelingspositie van de Staat bij aankoop van die vaccins onder druk staat. De producenten van de vaccins kunnen de minister, wanneer hij eerder onder bepaalde voorwaarden een overeenkomst heeft gesloten, niet met een beroep op het gelijkheidsbeginsel dwingen om onder dezelfde voorwaarden te contracteren, aldus de minister. Dit geldt volgens de minister te meer nu het gelijkheidsbeginsel, in de zin dat inschrijvers van te voren weten wat in het verleden is overeengekomen en betaald, in een openbare aanbesteding geen werking heeft. Volledige openbaarmaking van de documenten maakt volgens de minister dat zijn beperkte onderhandelingsruimte bij een eventuele volgende pandemie nog verder onder druk komt te staan.

Voorts betoogt de minister dat de rechtbank heeft miskend dat [appellante sub 2] en Novartis door volledige openbaarmaking van de documenten worden benadeeld. Indien informatie openbaar wordt gemaakt over te houden voorraden, grootte van verpakkingen, productievolume, productietijden, houdbaarheidsdata en leveringsvoorwaarden, alsook over de wijze waarop dit in de prijs wordt verdisconteerd, wordt hun concurrentiepositie aangetast.

8.2. In het supply agreement van Novartis is, evenals in het supply agreement van [appellante sub 2], concrete informatie weggelakt over de productiecapaciteit, leveringstijden, prijsonderdelen, contracts- en betalingsvoorwaarden met betrekking tot de levering van vaccins aan de Staat. In het memo is het aantal vaccins waarover vaccinproducent Solvay wereldwijd beschikte ten tijde van de uitbraak van de Mexicaanse griep weggelakt.

Ten aanzien van het supply agreement van Novartis is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij gehele openbaarmaking ervan de economische of financiële belangen van de Staat in geding komen. Uit deze documenten kan worden afgeleid hoe de Staat zich opstelt tijdens onderhandelingen die onder grote tijdsdruk moeten worden gevoerd. Uit de weggelakte informatie blijkt onder meer onder welke voorwaarden de Staat bereid is in die situatie contracten te sluiten. De minister heeft aannemelijk gemaakt dat indien de gehele overeenkomst openbaar zou worden gemaakt, de door de Staat en [appellante sub 2] en Novartis overeengekomen voorwaarden een nieuwe standaard zouden kunnen vormen voor toekomstige nieuwe onderhandelingen. Het bereiken van een voor de Staat gunstiger resultaat wordt hierdoor bemoeilijkt. Met juistheid betoogt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2011, nu die zaak niet vergelijkbaar is met onderhavige zaak. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het algemene belang van openbaarheid niet opweegt tegen de belangen waarop de minister zich heeft beroepen.

Ten aanzien van het memo is de Afdeling van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij gehele openbaarmaking ervan Solvay onevenredig wordt benadeeld. Te dien aanzien heeft de minister aannemelijk gemaakt dat de wetenschap van de beschikbare hoeveelheid vaccins van een bepaalde producent een relevant en concurrentiegevoelig gegeven is, nu andere producenten in onderhandelingen hun biedings-en leveringsstrategie hierop kunnen afstemmen. Niet valt in te zien dat de minister het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van Solvay niet in redelijkheid heeft kunnen laten prevaleren boven het algemene belang van openbaarheid.

8.3. Ter zitting van de Afdeling is vast komen te staan dat de brief een openbaar stuk is, nu deze als brief gericht aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal door de Tweede Kamer als kamerstuk is bekendgemaakt (Kamerstukken II, 2008/09, 22 894, nr. 229). De rechtbank heeft dan ook ten aanzien van die brief ten onrechte geoordeeld dat de minister deze ten onrechte niet openbaar heeft gemaakt.

9. De hoger beroepen van de minister en [appellante sub 2] zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd met uitzondering van de niet-ontvankelijk verklaring van de beroepen van het FD en RTL tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten van 3 juni 2010 alsnog ongegrond verklaren.

9.1. Het besluit van 15 augustus 2011 is een besluit, als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling zal dit besluit op de voet van artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, in de beoordeling betrekken. Dit besluit is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. Door de vernietiging van die uitspraak voor zover daarbij de beroepen tegen de besluiten van 3 juni 2010 gegrond zijn verklaard en deze besluiten zijn vernietigd, is de grondslag aan dit besluit komen te ontvallen. Het beroep tegen dit besluit is gegrond. Het zal worden vernietigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

11. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [appellante sub 2] wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 juli 2011 in zaken nrs. 10/2221 en 10/2054, met uitzondering van de niet-ontvankelijk verklaring van de beroepen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Het Financieele Dagblad B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RTL Nederland B.V. tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op bezwaar;

III. verklaart de door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Het Financieele Dagblad B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RTL Nederland B.V. bij de rechtbank ingestelde beroepen tegen de besluiten van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 juni 2010, kenmerken DWJZ-2009000653 en DWJZ-2009000673 ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 augustus 2011, kenmerk DWJZ-2009000653, gegrond;

V. vernietigt dit besluit;

VI. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [appellante sub 2] het door haar voor de behandeling van het door haar ingestelde hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Klein
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2012

176-591.