Uitspraak 201105967/1/R1

Datum van uitspraak: woensdag 2 mei 2012
Tegen: de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: Ruimtelijke-ordeningskamer - Inpassingsplan
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2012:BW4561

201105967/1/R1.
Datum uitspraak: 2 mei 2012

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Baarn,
2. de vereniging VVE "Boekel Business Building", gevestigd te Alkmaar, en anderen (hierna: de VVE),
3. de stichting Stichting Gasalarm2, gevestigd te Bergen NH, en anderen,
4. [appellante sub 4] voorheen Vereniging Nieuw Bergen, gevestigd te Bergen NH,
5. [appellant sub 5], wonend te Bergen NH,
6. de vereniging Vereniging Natuurmonumenten, gevestigd te
's-Graveland, gemeente Wijdemeren,
7. [appellant sub 7], wonend te Bergen NH,
8. de stichting Stichting Ondergrondse Opslag Bergermeer, gevestigd te Alkmaar, en anderen (hierna in enkelvoud: SOOB),
9. de vereniging Vereniging Milieudefensie, gevestigd te Amsterdam, en anderen,
10. [appellant sub 10], wonend te Haren,
11. [appellant sub 11], wonend te Bergen NH,
12. [appellant sub 12], wonend te Alkmaar,
13. Land- en Tuinbouworganisatie Noord (hierna: LTO Noord), gevestigd te Haarlem,

en

1. de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (hierna: de minister van EL&I),
2. de minister van Infrastructuur en Milieu (hierna: de minister van I&M),
3. het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier,
4. het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college van gedeputeerde staten),
5. het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar,
6. het college van burgemeester en wethouders van Schermer,
7. het college van burgemeester en wethouders van Heiloo,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2011 hebben de ministers van EL&I en I&M (hierna tezamen: de ministers) het inpassingsplan "Gasopslag Bergermeer" vastgesteld.

Door verweerders zijn voor de uitvoering van de in het rijksinpassingsplan voorziene gasopslag en de daarbij behorende werken op grond van artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in totaal 43 uitvoeringsbesluiten genomen, die zijn vermeld in de openbare kennisgeving zoals gepubliceerd in de Staatscourant (2011, 8516).

Tegen één of meer van deze besluiten hebben [appellant sub 1], de VVE, Gasalarm2, [appellante sub 4], [appellant sub 5], Natuurmonumenten, [appellant sub 7], SOOB, Milieudefensie, [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12] en LTO Noord beroep ingesteld.

De ministers en het college van gedeputeerde staten hebben een verweerschrift ingediend.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TAQA Energy B.V. (hierna: TAQA) heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.
[appellant sub 1], de VVE, Gasalarm2, [appellante sub 4], Natuurmonumenten, [appellant sub 7], SOOB, Milieudefensie, [appellant sub 10], [appellant sub 12], LTO Noord, [appellant sub 11], TAQA en de minister van EL&I en de minister van I&M hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Gasalarm2, TAQA, Milieudefensie, SOOB, de VVE, het college van gedeputeerde staten en de ministers hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2012, waar een aantal partijen ter zitting is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de ministers, de andere verweerders en TAQA hebben zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1. Het rijksinpassingsplan voorziet in de realisatie van een gasopslag in Bergermeer. Daartoe zijn voorzien een puttenlocatie op het Bergermeerterrein, een gasbehandelings- en compressieinstallatie (hierna: bewerkingsinstallatie) op bedrijventerrein Boekelermeer-Zuid 2 en leidingen daartussen.

Ontvankelijkheid

Het beroep van SOOB, voor zover dat is ingesteld door de raad van Bergen, het college van burgemeester en wethouders van Bergen en de rechtspersoon gemeente Bergen

2.2. Op de onderhavige zaak is de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing. Ingevolge artikel 1.4 van de Chw kan in afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) een niet tot de centrale overheid behorende rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld of een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan geen beroep instellen tegen een besluit, indien dat besluit niet is gericht tot die rechtspersoon of tot een orgaan van die rechtspersoon, onderscheidenlijk dat bestuursorgaan of tot de rechtspersoon waartoe dat bestuursorgaan behoort.

2.2.1. SOOB betoogt dat het beroep voor zover dat is ingesteld door de raad van Bergen, het college van burgemeester en wethouders van Bergen en de publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente Bergen, ontvankelijk is. Hiertoe voert zij aan dat artikel 1.4 van de Chw in het onderhavige geval buiten toepassing dient te worden gelaten wegens strijd met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), de artikelen 2, 4 en 11 van het Europees Handvest inzake lokale autonomie (hierna: het Handvest) (Trb. 1987, 63), artikel 9 van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van 25 juni 1998 (hierna: het verdrag van Aarhus) en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het EU-Handvest). Hiertoe voert zij aan dat de toegang tot de rechter voor de raad, het college van burgemeester en wethouders en de gemeente Bergen wezenlijk wordt belemmerd.

2.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 7 december 2011 in zaak nr. 201107071/1/H1 is het EVRM niet van toepassing op een geschil tussen overheden. De aard en historische oorsprong van de daarin opgenomen rechten brengen met zich dat deze niet bedoeld zijn ter bescherming van de overheid en derhalve niet zijn in te roepen door bestuursorganen. Dat geldt ook voor decentrale bestuursorganen. Deze visie komt tot uitdrukking in tekst, systeem en strekking van het EVRM en vindt ondersteuning in de afbakening in artikel 34 van het EVRM van de kring van rechtssubjecten ter zake van EVRM-rechten wat betreft hun inroepbaarheid. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) (onder meer de beslissing van 9 november 2010 inzake Demirbaş en anderen tegen Turkije, zaak nr. 1093/08 en verder; www.echr.coe.int) volgt dat decentrale bestuursorganen geen partij zijn als bedoeld in die bepaling.

2.2.3. Ook het beroep van SOOB op de artikelen 2, 4 en 11 van het Europees Handvest inzake lokale autonomie (hierna: Handvest inzake lokale autonomie) (Trb. 1987, 63) slaagt niet. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 29 juli 2011 in zaak nr. 201011757/14/R1, kan aan artikel 11 van het Handvest inzake lokale autonomie ter zake geen aanspraak worden ontleend, reeds omdat in artikel 2 van de goedkeuringswet van 10 oktober 1990 (Stb. 1990, 546) is bepaald dat het Koninkrijk zich niet gebonden zal achten aan het bepaalde in artikel 11 van dat Handvest. De Afdeling heeft voorts in de uitspraak van 29 juli 2011 met betrekking tot artikel 2 van het Handvest inzake lokale autonomie overwogen dat in dit artikel niet zodanig gepreciseerde normen zijn gegeven dat deze naar hun inhoud voor rechtstreekse toepassing vatbaar zijn en een ieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. Ook artikel 4 van het Handvest inzake lokale autonomie biedt, zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 7 december 2011 in zaak nr. 201107071/1/H1 geen zodanig gepreciseerde normen dat deze naar hun inhoud voor rechtstreekse toepassing vatbaar zijn en een ieder kunnen verbinden.

2.2.4. Wat betreft het beroep op artikel 9, vierde lid, van het Verdrag van Aarhus overweegt de Afdeling dat zowel Nederland als de Europese Unie partij zijn bij het verdrag van Aarhus. Bij richtlijn 2003/35/EG is, ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit onder meer artikel 9, tweede en vierde lid, van het Verdrag van Aarhus, richtlijn 85/337/EEG (hierna: de mer-richtlijn) aangepast door toevoeging van artikel 10bis.

Aangezien artikel 9, vierde lid, van het verdrag van Aarhus inhoudelijk overeenstemt met artikel 10bis van richtlijn 85/337/EEG (hierna: mer-richtlijn) volstaat de Afdeling, daargelaten of aan artikel 9, vierde lid, van het Verdrag van Aarhus rechtstreekse werking toekomt, met toetsing aan artikel 10bis van de mer-richtlijn.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in voornoemde uitspraak van 29 juli 2011 leidt artikel 1.4 van de Chw, zo al moet worden aangenomen dat de raad, het college van burgemeester en wethouders en de gemeente Bergen moeten worden aangemerkt als "lid van het betrokken publiek" als bedoeld in artikel 10bis van de mer-richtlijn, niet tot strijd met deze verplichting, omdat voor hen de gang naar de burgerlijke rechter openstaat. Indien moet worden geoordeeld dat de raad, het college van burgemeester en wethouders en de gemeente Bergen op grond van artikel 1.4 van de Chw geen beroep kunnen instellen op grond van artikel 8.2 van de Wro, kan, om een rechterlijk oordeel over de rechtmatigheid van het inpassingsplan te verkrijgen, uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld. Ingevolge artikel 8:71 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, is de burgerlijke rechter aan de in de vorige zin vervatte beslissing van de Afdeling gebonden, zodat effectieve rechtsbescherming is gewaarborgd. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat artikel 1.4 van de Chw wegens strijd met artikel 10bis van de mer-richtlijn buiten beschouwing moet worden gelaten.

Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen in hiervoor genoemde uitspraak van 29 juli 2011 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest van 8 maart 2011, C-240/09, Lesoochranárske zoskupenie VLK (www.curia.europa.eu.), geoordeeld dat artikel 9, derde lid, van het Verdrag van Aarhus naar het recht van de Unie geen rechtstreekse werking heeft. Artikel 9, derde lid, van het Verdrag van Aarhus geeft niet zodanig gepreciseerde normen dat deze naar hun inhoud voor rechtstreekse toepassing vatbaar zijn en een ieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. Zoals de Afdeling in deze uitspraak voorts heeft overwogen, kan bovendien niet worden geconcludeerd dat de doelstellingen van artikel 9, derde lid, van het Verdrag van Aarhus zich verzetten tegen toepassing van artikel 1.4 van de Chw binnen het nationale procesrecht.

2.2.5. Artikel 47 van het EU-Handvest bepaalt dat, voor zover hier van belang, eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op doeltreffende voorziening in rechte.

Artikel 52, eerste lid, van het EU-Handvest bepaalt dat beperkingen op de uitoefening van de in dit handvest erkende rechten en vrijheden bij wet moeten worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden moeten eerbiedigen.

Zoals hiervoor is overwogen is door de voor de raad, het college van burgemeester en wethouders en de publiekrechtelijke rechtspersoon Bergen openstaande rechtsgang bij de burgerlijke rechter, een effectieve rechtsbescherming gewaarborgd. Reeds daaruit volgt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat artikel 1.4 van de Chw wegens strijd met artikel 47 van het EU-Handvest in samenhang bezien met artikel 52 van het EU-Handvest buiten toepassing moet blijven. De vraag of deze bepalingen door de raad, het college van burgemeester en wethouders en de publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente Bergen kunnen worden ingeroepen behoeft derhalve geen beantwoording voor beslechting van het onderhavige geschil. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding om, zoals verzocht door SOOB, prejudiciële vragen te stellen.

2.2.6. SOOB betoogt daarnaast dat het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan rechtstreeks aan de raad is geadresseerd, nu artikel 3.28, vijfde lid, van de Wro bepaalt tot wanneer de raad niet bevoegd is een bestemmingsplan vast te stellen voor de gronden waarop het inpassingsplan betrekking heeft. Daarnaast betoogt zij dat ten aanzien van een aantal gecoördineerd voorbereide besluiten het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag is. Nu de ministers deze bevoegdheid hebben overgenomen, moeten deze besluiten worden geacht rechtstreeks aan het college van burgemeester en wethouders te zijn gericht. Tevens betoogt SOOB dat artikel 1.4 van de Chw niet aan het beroep van de gemeente in de weg kan staan, omdat het inpassingsplan en de gecoördineerd voorbereide besluiten belangrijke gevolgen hebben voor het grondgebied en de inwoners van de gemeente, voor wier belangen zij op dient te komen. Voorts betoogt SOOB dat het beroep voor zover dat is ingesteld door de publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente is ingesteld ontvankelijk is, omdat de minister op 19 december 2011 een beschikking ingevolge de Belemmeringenwet privaatrecht houdende oplegging van de plicht tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van ondergrondse gastransportinfrastructuur aan de gemeente heeft opgelegd.

2.2.7. De Afdeling is van oordeel dat het inpassingsplan niet is gericht tot de raad, het college van burgemeester en wethouders en de gemeente. De omstandigheid dat de raad ten gevolge van het inpassingsplan voor deze gronden voor een bepaalde tijd geen bestemmingsplan mag vast stellen maakt dit niet anders, aangezien deze omstandigheid voortvloeit uit de wet. Voorts volgt uit de hiervoor genoemde uitspraak van 29 juli 2011 dat de omstandigheid dat het rijksinpassingsplan gevolgen heeft voor gronden van de gemeente, er niet toe leidt dat het besluit tot vaststelling van het rijksinpassingsplan en de eventuele gecoördineerde besluiten moeten worden aangemerkt als besluiten die zijn gericht tot de gemeente Bergen. Dat het college van burgemeester en wethouders ten aanzien van een aantal van de gecoördineerd voorbereide besluiten oorspronkelijk het bevoegd gezag was, betekent niet dat dit college dient te worden aangemerkt als geadresseerde van deze besluiten. Ten aanzien van het betoog dat het beroep van SOOB, voor zover dat is ingesteld door de gemeente, ontvankelijk is gelet op de beschikking op grond van de Belemmeringenwet privaatrecht overweegt de Afdeling dat deze beschikking geen deel uitmaakt van de met het inpassingsplan gecoördineerd voorbereide besluiten en dat de omstandigheid dat de gemeente geadresseerde is van deze beschikking niet maakt dat het rijksinpassingsplan moet worden geacht te zijn gericht tot de gemeente.

2.2.8. Gelet op het vorenstaande, het gegeven dat vaststaat dat de gemeente een niet tot de centrale overheid behorende rechtspersoon is die krachtens publiekrecht is ingesteld en het gegeven dat de raad en het college van burgemeester en wethouders niet tot de centrale overheid behorende bestuursorganen zijn, konden zij tegen het inpassingsplan en de met het plan gecoördineerd voorbereide besluiten geen beroep instellen.

Het beroep van SOOB, voor zover dat is ingesteld door de raad, het college van burgemeester en wethouders en de publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente Bergen, is niet-ontvankelijk.

Het beroep van SOOB, voor zover dat is ingesteld door de stichting Stichting Ondergrondse Opslag Bergermeer

2.3. De ministers en TAQA betogen dat het beroep van SOOB, voor zover dat is ingesteld door de Stichting Ondergrondse Opslag Bergermeer, niet-ontvankelijk is. Hiertoe voeren zij aan dat de stichting op initiatief van het gemeentebestuur van Bergen uitsluitend is opgericht om te procederen tegen de gasopslag en om artikel 1.4 van de Chw te omzeilen. Voorts betoogt TAQA dat de stichting wordt bekostigd door de gemeente Bergen.

2.3.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.3.2. Blijkens artikel 2, eerste lid, van de statuten heeft de Stichting Ondergrondse Opslag Bergermeer ten doel het beschermen en bevorderen van de leefkwaliteit, de veiligheid, de (rechts)bescherming van, alsmede de zorg voor bewoners en gebruikers in het gebied Bergermeer, Boekelermeer en omgeving (gelegen in de gemeenten Alkmaar, Bergen, Heiloo en Schermer) in verband met en/of voortvloeiend uit (de voornemens tot) de realisering van ondergrondse gasopslag. Onder de doelstelling valt voorts het beschermen en bevorderen van flora- en fauna alsmede aanwezige natuur- cultuurhistorische- en landschapswaarden in het gebied Bergermeer en omgeving, in verband met of voortvloeiend uit (de voornemens tot) de realisering van ondergrondse gasopslag. Voorts strekt de doelstelling tot het beschermen en bevorderen van de economische belangen verbonden aan het gebied Bergermeer, Boekelermeer en omgeving, in verband met en/of voorvloeiend uit (de voornemens tot) de realisering van de ondergrondse gasopslag. Volgens de statuten tracht zij haar doel onder meer te bereiken door het doen van eigen onderzoek, informeren en adviseren van belanghebbenden.

Teneinde haar statutaire doel te bereiken verricht de stichting naast het voeren van procedures feitelijke werkzaamheden. Zo voert zij overleg met TAQA en het ministerie omtrent de gasopslag, geeft zij voorlichting door middel van een website en geeft zij een nieuwsbrief uit.

Ten aanzien van het betoog van de ministers en TAQA dat de Stichting Ondergrondse Opslag Bergermeer is opgericht op initiatief van het gemeentebestuur van Bergen en dat de stichting wordt bekostigd door de gemeente Bergen, overweegt de Afdeling dat, daargelaten of de door de ministers en TAQA gestelde afhankelijkheid zich voordoet, de wet geen aanknopingspunten biedt het beroep van de stichting om die reden niet-ontvankelijk te verklaren.

Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het beroep van SOOB, voor zover dat is ingesteld door de Stichting Ondergrondse Opslag Bergermeer, ontvankelijk is.

Het beroep van [appellant sub 10]

2.4. De ministers betogen dat het beroep van [appellant sub 10] niet-ontvankelijk is, omdat hij niet kan worden aangemerkt al belanghebbende bij het bestreden besluit. Hiertoe voeren de ministers aan dat [appellant sub 10] woonachtig is in Groningen.

2.4.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen besluiten als de aan de orde zijnde. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ter zitting is komen vast te staan dat [appellant sub 10] mede-eigenaar is van een woning aan de [locatie 1] te Bergen. Gelet op de afstand van deze woning tot het plangebied is het belang van [appellant sub 10] rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken. Het beroep van [appellant sub 10] is derhalve ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 7]

2.5. De ministers betogen voorts dat het beroep van [appellant sub 7] niet-ontvankelijk is, omdat het beroep per e-mail is ingesteld bij het ministerie.

2.5.1. [appellant sub 7] heeft zijn beroep tegen het rijksinpassingsplan per e-mail ingesteld bij het ministerie van EL&I. In het kader van de op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb op de minister rustende doorzendplicht, heeft de minister de e-mail uitgeprint en per post aan de Afdeling toegezonden. Het beroepschrift van [appellant sub 7] is voor het verstrijken van de beroepstermijn per post bij de Afdeling ingekomen. [appellant sub 7] heeft, hiertoe in de gelegenheid gesteld, het gebrek in de ondertekening van het beroepschrift hersteld. Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant sub 7] ontvankelijk.

Procedurele aspecten

2.6. SOOB betoogt dat artikel 1.6, tweede lid, en artikel 1.6a van de Chw buiten toepassing dienen te worden gelaten. Toepassing van deze artikelen is volgens hen strijdig met artikel 6 EVRM, artikel 13 EVRM, artikel 47 van het EU-Handvest en het Verdrag van Aarhus. De mogelijkheden voor belanghebbenden om effectief voor hun belangen op te komen worden volgens SOOB onevenredig beperkt.

2.6.1. Ingevolge artikel 1.6, tweede lid, van de Chw is het beroep, in afwijking van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk indien niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van die wet. In artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep moet bevatten.

Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

2.6.2. Uit de artikelen 93 en 94 van de Grondwet volgt dat een wet in formele zin slechts buiten toepassing blijft, indien deze in strijd is met een ieder verbindende bepaling van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

2.6.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 17 november 2010 in zaak nr. 201004771/1/M2 tasten artikel 1.6, tweede lid en artikel 1.6a van de Chw het recht op toegang tot de rechter niet in de kern aan. Met deze bepalingen wordt bereikt dat in een vroeg stadium vast staat welke beroepsgronden in de beroepsprocedure ter beoordeling staan. Hiermee heeft de wetgever blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepalingen (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 3, blz. 46 en 47 en nr. 8, blz. 10) beoogd vertragingen in de beroepsprocedures zo veel mogelijk te voorkomen en het voor de rechter mogelijk te maken om binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak te doen. Dit is een rechtmatig doel. In hetgeen is aangevoerd, is geen grond gelegen voor het oordeel dat niet aan de uit de jurisprudentie van het EHRM voortvloeiende evenredigheidseis wordt voldaan. Gelet hierop staat geen aanleiding artikel 1.6, tweede lid, en artikel 1.6a, van de Chw buiten toepassing te laten wegens strijd met artikel 6 en artikel 13 van het EVRM.

2.6.4. Ingevolge artikel 47 van het EU-Handvest, voor zover hier van belang, heeft eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Artikel 47 van EU-Handvest heeft wat betreft het onderhavige geding dezelfde inhoud als de artikelen 6 en 13 van het EVRM. Daargelaten of het bestreden besluit onder het toepassingsbereik van artikel 47 van het EU-Handvest valt, is de toepassing van artikel 1.6, tweede lid, en artikel 1.6a van de Chw, nu deze niet in strijd is met de artikelen 6 en 13 van het EVRM, evenmin strijdig met artikel 47 van het EU-Handvest.

2.6.5. Met betrekking tot het betoog dat artikel 1.6, tweede lid, en artikel 1.6a van de Chw buiten toepassing dienen te worden gelaten wegens strijd met het Verdrag van Aarhus, constateert de Afdeling dat SOOB niet nader heeft geconcretiseerd met welke artikelen van dit verdrag volgens haar strijd bestaat. De Afdeling heeft in voornoemde uitspraak van 17 november 2010 reeds overwogen dat niet kan worden geoordeeld dat artikel 1.6, tweede lid, en artikel 1.6a van de Chw buiten toepassing moeten blijven vanwege strijd met artikel 3, derde lid, artikel 6, derde lid, artikel 8, en artikel 9, derde lid van het Verdrag van Aarhus. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding hier thans anders over te oordelen.

2.7. SOOB betoogt dat de ministers ten onrechte de bevoegdheden ten aanzien van een aantal van de gecoördineerd voorbereide besluiten hebben overgenomen van het college van burgemeester en wethouders. Volgens hen is artikel 36, eerste lid, van de Wro op onjuiste wijze toegepast. Er was geen sprake van een niet tijdig of onjuist beslissen, omdat de ministers niet de benodigde informatie hebben verstrekt, aldus SOOB. Daarnaast heeft er ten onrechte geen overleg plaatsgevonden. Volgens SOOB hebben de ministers misbruik gemaakt van hun bevoegdheid.

2.7.1. Ingevolge artikel 3.36, eerste lid, van de Wro kunnen de ingevolge artikel 3.35, derde lid, aangewezen minister en de minister wie het mede aangaat een gezamenlijke beslissing nemen indien een bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is een besluit als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onder b, te nemen, niet of niet tijdig overeenkomstig de aanvraag beslist, dan wel een beslissing neemt die naar het oordeel van deze minister wijziging behoeft. In dat geval treedt dit besluit in de plaats van het besluit van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan. Indien de in de eerste volzin bevoegde ministers voornemens zijn zelf een beslissing te nemen, plegen zij overleg met het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is te beslissen.

Bij brief van 23 september 2010 hebben de ministers de Voorzitter van de Tweede Kamer ervan in kennis gesteld dat zij, met het oog op de weigering van de gemeente Bergen om de voor het project benodigde besluiten aan te leveren, gebruik zullen gaan maken van de mogelijkheid om de bevoegdheid van de gemeente Bergen ten aanzien van deze besluiten over te nemen op grond van artikel 3.36, eerste lid, van de Wro.

De ministers hebben in het verweerschrift uiteengezet dat zij hebben getracht de besluitvorming in goed overleg met de betrokken bestuursorganen te laten plaatsvinden. Volgens de ministers heeft op meerdere momenten in de procedure mondeling dan wel schriftelijk overleg plaatsgevonden. Voorts hebben de ministers bij brief van 9 juli 2010 te kennen gegeven dat bij verdere vertraging van de besluitvorming rekening diende te worden gehouden met toepassing van artikel 3.36 van de Wro. Vaststaat dat het college van burgemeester en wethouders na deze brief niet tot besluitvorming is overgegaan. Met betrekking tot het betoog van SOOB dat de ministers onvoldoende informatie hebben verstrekt om tot besluitvorming te komen hebben de ministers uiteengezet dat alle stukken die ten tijde van de besluitvorming openbaar zijn gemaakt beschikbaar waren. SOOB heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Nu aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 3.36, eerste lid, van de Wro is voldaan, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de ministers er niet toe mochten overgaan de bevoegdheden tot het nemen van de gecoördineerd voorbereide besluiten uit te oefenen.

2.8. Milieudefensie betoogt dat de rijkscoördinatieregeling ten onrechte is toegepast, omdat met de bestreden besluiten volgens haar uitsluitend een commercieel belang wordt gediend.

2.8.1. Ingevolge artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro, voor zover hier van belang, kan bij wet worden bepaald dat de verwezenlijking van een onderdeel van nationaal ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.28 wordt vastgesteld en de voorbereiding en de bekendmaking daarvan wordt gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van nader aan te duiden besluiten.

Ingevolge artikel 144a, eerste lid aanhef en onder b, van de Mijnbouwwet is de procedure bedoeld in artikel 3.35, aanhef en onder c, van de Wro van toepassing op de aanleg of de uitbreiding van een mijnbouwwerk ten behoeve van de opslag van stoffen.

2.8.2. Gelet op het bepaalde in artikel 144a van de Mijnbouwwet ziet de Afdeling in hetgeen Milieudefensie heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de rijkscoördinatieregeling ten onrechte is toegepast.

2.9. SOOB en Milieudefensie betogen dat geen zorgvuldige besluitvorming heeft plaatsgevonden. De ministers waren volgens hen vooringenomen, omdat reeds voor de vaststelling van het inpassingsplan overeenkomsten waren gesloten ten behoeve van de gasopslag. In dit verband verwijst Milieudefensie naar een Memorandum of Understanding en de Gas storage agreement.

2.9.1. De enkele omstandigheid dat de staat partij is bij een realisatieovereenkomst met betrekking tot de gasopslag vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat de ministers in strijd met artikel 2:4 van de Awb het inpassingsplan met vooringenomenheid hebben vastgesteld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het Memorandum of Understanding, dat nooit definitief is geworden, volgens de ministers geen afspraken bevat omtrent de gasopslag. De staat is daarnaast geen partij bij het Gas storage agreement omtrent de levering van het zogenoemde kussengas. Het betoog treft het geen doel.

Nut en noodzaak

2.10. SOOB, Milieudefensie, [appellant sub 12] en [appellant sub 1] betwisten de noodzaak van de gasopslag. Hiertoe voert SOOB aan dat de rapporten omtrent nut en noodzaak niet aantonen dat de gasopslag Bergermeer voorziet in een binnenlandse behoefte. De stelling van de minister dat de opslag van gas noodzakelijk is voor het zekerstellen van de nationale leveringszekerheid wordt in deze rapporten niet onderschreven, aldus SOOB en [appellant sub 12]. Voorts betoogt SOOB dat Nederland beschikt over een grote nog ongebruikte opslagcapaciteit. In dit verband wijst zij op voorziene uitbreidingen van de gasopslag in Norg en Grijpskerk en de opslagcapaciteit die wordt gebruikt ter ondersteuning van de flexibele levering van het Groningergasveld. Milieudefensie betoogt dat uit de omstandigheid dat de investeerders een economische afweging hebben gemaakt niet kan worden afgeleid dat sprake is van een nationaal belang.

De noodzaak van de gasopslag voor het functioneren van Nederland als gasrotonde van Europa is evenmin voldoende aangetoond, aldus SOOB. Ten onrechte is geen rekening gehouden met de voorziene flexibiliteitsuitbreiding in het buitenland. Indien alle voorziene gasopslagcapaciteit in Noordwest-Europa wordt gerealiseerd ontstaat er volgens haar een overschot. Nu de gasopslag Bergermeer onvoldoende zal kunnen concurreren met de internationale markt zal export niet rendabel zijn en zal sprake zijn van overcapaciteit, aldus SOOB. In dit verband verwijst zij naar het rapport van de Brattle Group.

[appellante sub 4] en [appellant sub 12] betogen dat onvoldoende draagvlak bestaat voor het project. In dit verband wijst [appellant sub 12] op de vele zienswijzen die tegen het ontwerpplan naar voren zijn gebracht.

2.10.1. De ministers stellen dat nut en noodzaak van de gasopslag voldoende zijn aangetoond. Gasopslagen zijn belangrijk voor de energievoorzieningszekerheid en voor de goede werking van de gasmarkt, omdat buffervoorraden Nederland beschermen tegen aanvoeronderbrekingen en tegen tekorten als gevolg van een extreem hoge vraag. Bovendien heeft een voldoende reservecapaciteit een positief effect op de gasprijs, aldus de ministers. Volgens de ministers volgt uit het rapport van GTS dat de komende jaren een aanvullende hoeveelheid seizoensflexibiliteit in de vorm van gasopslag benodigd is om te voorzien in de over de seizoenen fluctuerende vraag naar gas. Daarnaast is het volgens de ministers niet te verwachten dat alle in Noordwest-Europa voorgenomen gasopslagen zullen worden gerealiseerd. Met betrekking tot de opslagcapaciteit elders in Nederland hebben de ministers uiteengezet dat de opslagen Norg en Grijpskerk voornamelijk worden gebruikt ten behoeve van de ondersteuning van de flexibele levering van het Groningergasveld. De gasopslag Bergermeer blijft daarnaast nodig om aan de toenemende vraag naar opslagcapaciteit te voldoen, aldus de ministers.

2.10.2. De Afdeling stelt voorop dat de vaststelling van een besluit voor een project als het onderhavige een belangenafweging vergt, waarbij politieke en bestuurlijke inzichten een belangrijke rol spelen. De rechter heeft niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. Hij kan slechts concluderen dat de door het bestuursorgaan te maken belangenafweging in strijd is met een goede ruimtelijk ordening wanneer de betrokken belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen dat het bestuurorgaan niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

2.10.3. Blijkens de toelichting bij het inpassingsplan heeft het project twee doelstellingen. Ten eerste het realiseren van een faciliteit voor ondergrondse gasopslag ten behoeve van de leveringszekerheid van het Nederlandse aardgassysteem op een milieutechnisch en economisch verantwoorde wijze. Ten tweede vormt de gasoplag een belangrijk onderdeel van de Gasrotondestrategie. Ondergrondse opslag is in dit kader zowel belangrijk voor de nationale leveringszekerheid van aardgas, het zo lang mogelijk kunnen winnen van gas uit kleine velden, als het functioneren van Nederland als toekomstige gasrotonde van Europa.

2.10.4. In de monitoringsrapportage voorzieningszekerheid Gas 2010 van Gastransport service (hierna: het rapport van GTS) is onder meer bezien in welke mate het aanbod van gas in Nederland de vraag kan dekken. Daarbij is rekening gehouden met de binnenlandse markt en de exportverplichtingen. In het rapport staat vermeld dat de binnenlandse gasproductie in Nederland tot op heden een belangrijke rol speelt bij het opvangen van seizoensschommelingen in de marktvraag. Met de afname van de gasproductie in Noordwest-Europa neemt de beschikbare flexibiliteit af. Volgens de plantoelichting is in Nederland daarnaast ook sprake van een significante afname van het binnenlandse aanbod. De productie van de kleine gasvelden en het Groningergasveld daalt de komende tien jaren met meer dan één derde, waardoor meer import nodig is. Daarnaast is door de winning van het gas de afgelopen decennia de druk in de gasvelden gedaald waardoor de maximaal op dagbasis te produceren capaciteit daalt, zodat ook pieken in de vraag minder goed kunnen worden opgevangen. Om deze afnemende productieflexibiliteit op te vangen wordt de rol van gasbergingen steeds groter. Volgens het rapport van GTS zal bij doorgang van de voorziene projecten komende jaren voldoende capaciteit beschikbaar zijn om de flexibiliteit uit te breiden. In het rapport van GTS is daarbij uitgegaan van de realisatie van de gasopslag Bergermeer. De gasopslag Bergermeer voorziet in 4 miljard kubieke meter opslagcapaciteit. Inclusief de gasopslag Bergermeer is er volgens het rapport van GTS in 2020 26 miljard kubieke meter beschikbaar. In dat jaar wordt er een hoge capaciteitsvraag van 28 miljard kubieke meter verwacht. Ook met de realisatie van de gasopslag Bergermeer is er op langere termijn derhalve niet voldoende aanbod om aan de verwachte hoge capaciteitsvraag te voldoen, zo volgt uit het rapport van GTS. De ministers hebben zich gelet op het vorenstaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit het rapport van GTS volgt dat de gasopslag Bergermeer noodzakelijk is voor de verbetering van de binnenlandse leveringszekerheid. Dat met de realisatie van de opslag Bergermeer niet kan worden voldaan aan de totale behoefte betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat de nut en noodzaak van de gasopslag niet zijn aangetoond.

Voor zover SOOB heeft aangevoerd dat uit het rapport "Risico-evaluatie-Nederland" van GTS van 2 december 2011 volgt dat na de realisatie van de gasopslag Bergermeer een overcapaciteit zal ontstaan, nu de zogenoemde N1-norm op 170% zal komen te liggen, hebben de ministers uiteengezet dat deze N1-norm uitsluitend betrekking heeft op de transportcapaciteit van het leidingensysteem. Anders dan SOOB kennelijk veronderstelt, heeft de N1-norm geen betrekking op de opslagcapaciteit. Dit betoog geeft dan ook geen aanleiding voor vernietiging van de bestreden besluiten.

Uit hetgeen is aangevoerd omtrent het maatschappelijk draagvlak voor het project volgt naar het oordeel van de Afdeling niet dat het inpassingspan niet uitvoerbaar is. De omstandigheid dat een groot aantal zienswijzen naar voren is gebracht maakt dit niet anders.

2.10.5. Ten aanzien van het betoog van SOOB dat geen rekening is gehouden met de uitbreiding van de opslagen Norg en Grijpskerk hebben de ministers uiteengezet dat navraag bij GTS heeft uitgewezen dat zij in haar rapport bij de berekening van het flexibiliteitsaanbod de uitbreiding van de opslagen Norg en Grijpskerk heeft betrokken. Ten aanzien van het betoog van SOOB dat Nederland over ongebruikte opslagcapaciteit beschikt die met het afnemen van het Groningergasveld meer zal kunnen worden benut hebben de ministers uiteengezet dat de opslagen in Norg en Grijpskerk worden gebruikt ter ondersteuning van de flexibele gaslevering door het Groningergasveld. De mate waarin de capaciteit wordt benut wisselt van jaar tot jaar. Volgens de ministers blijft naast de reeds bestaande opslagcapaciteit de onderhavige opslag noodzakelijk. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het standpunt van de ministers onjuist is.

2.10.6. Met betrekking tot de doelstelling dat de gasopslag een bijdrage dient te leveren aan de functie van Nederland als toekomstige gasrotonde van Europa staat in de Kamerbrief gasrotonde 2009 van de minister van economische zaken (thans minister van EL&I) (hierna: de kamerbrief) vermeld dat het de verwachting is dat Nederland in de komende jaren netto-importeur van gas zal worden. Omdat Nederland vanwege onder meer een goed netwerk en de ligging aan zee over concurrentievoordelen ten opzichte van andere landen beschikt, ziet het kabinet mogelijkheden Nederland te laten uitgroeien tot gasrotonde van Europa. De gasrotondestrategie is een belangrijk onderdeel van het streven van de Nederlandse overheid naar energievoorzieningszekerheid en is ook uit economisch, innovatief en regionaal oogpunt van belang gezien de investeringen, de innovaties en handelsactiviteiten die hiermee worden gegenereerd. Het kabinet streeft naar een situatie waarin Nederland als knooppunt in de internationale gasstromen en als distributiecentrum van gas in Noordwest-Europa fungeert. Dit draagt ook bij aan de verdere versterking van de binnenlandse markt. Substantiële investeringen in gasopslagen zijn noodzakelijk om ook op de langere termijn aan de (over de seizoenen) fluctuerende vraag naar gas te kunnen voldoen. Seizoensopslagen worden essentieel voor het flexibel kunnen leveren van gas binnen Noordwest-Europa, zo staat in de kamerbrief vermeld.

In het rapport van de Brattle Group staat vermeld dat het reëel is uit te gaan van een toename van de vraag naar gas in de Nederland omringende landen. In dit rapport wordt geconcludeerd dat de gasopslag één van de zwakkere elementen in de Nederlandse gasrotonde strategie is. Desalniettemin komt het rapport van de Brattle Group tot de slotsom dat er in het kader van deze strategie ruimte is voor additionele gasopslag naast de gasopslag Bergermeer. Ten aanzien van het betoog dat onvoldoende rekening is gehouden met de voorgenomen gasopslag in de rest van Europa stellen de ministers dat de bestaande gasopslagen en de gasopslagen waarvan het voldoende zeker is dat deze zullen worden gerealiseerd bij de beoordeling zijn betrokken. Ten aanzien van de overige voornemens is volgens de ministers nog onvoldoende zeker of deze gasopslagcapaciteit zal worden gerealiseerd. Gelet hierop zijn deze voornemens niet bij de beoordeling betrokken. De Afdeling acht dit niet onredelijk.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de ministers zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de gasopslag Bergermeer een bijdrage zal leveren aan het streven om Nederland te laten fungeren als gasrotonde van Europa.

MER

2.11. Milieudefensie, SOOB, [appellante sub 4] en Gasalarm2 betogen dat de ministers ten onrechte het milieueffectrapport (hierna: MER) van november 2008, opgesteld door DHV, en de aanvullingen hierop van maart en mei 2009 aan het plan en de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten ten grondslag hebben gelegd.

Procedureel

2.11.1. Milieudefensie en SOOB stellen dat leden van de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: Cmer) ten onrechte niet zijn benoemd door de Kroon. Volgens Milieudefensie en SOOB zijn de adviezen van de Cmer derhalve in strijd met de wet verstrekt en ontbeert het bevoegd gezag om die reden de bevoegdheid om rechtsgeldige besluiten te nemen. Milieudefensie betoogt voorts dat de raad van de gemeente Bergen, die ten tijde van het opstellen van het MER bevoegd gezag was, het MER niet heeft aanvaard, zodat de procedure had moeten worden gestaakt.

2.11.2. Ingevolge artikel 2.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm), zoals dit gold ten tijde van belang, werden de voorzitter, een of meer plaatsvervangende voorzitters en de overige leden van de Cmer door de Kroon benoemd en ontslagen.

Ingevolge artikel 2.21, eerste lid, stelt de voorzitter, zodra de Cmer in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen met betrekking tot een MER, uit de leden van de Cmer een werkgroep samen, die aan het bevoegd gezag advies uitbrengt.

2.11.3. In hetgeen Milieudefensie en SOOB aanvoeren heeft de Afdeling geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de leden van de Cmer die onderdeel uitmaakten van de werkgroep die advies heeft uitgebracht over het MER dat aan het plan en de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten ten grondslag is gelegd, niet op juiste wijze door de Kroon zijn benoemd. Het betoog van Milieudefensie en SOOB dat de deskundigen die de werkgroep hebben bijgestaan ten onrechte niet door de Kroon zijn benoemd slaagt evenmin, nu de werkgroep zich ingevolge artikel 2.21, vierde lid, van de Wm kan doen bijstaan door deskundigen die geen lid zijn van de Cmer. Dat een lid van de Cmer die onderdeel uitmaakte van de werkgroep thans in dienst zou zijn van TAQA betekent niet dat de werkgroep toen hij zijn advies uitbracht niet onpartijdig en objectief was. SOOB en Gasalarm2 hebben ook geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat dit lid ten tijde van het tot stand komen van de adviezen vooringenomen was.

De ministers stellen voorts terecht dat zij vanwege toepassing van de rijkscoördinatieregeling bevoegd gezag zijn geworden. Dat de gemeente Bergen het MER niet heeft aanvaard, betekent niet dat de ministers, als bevoegd gezag, bij de besluitvorming hiervan niet hebben kunnen uitgaan.

Wijzigingen

2.12. Ter zitting heeft SOOB medegedeeld dat zij de beroepsgronden dat de diepte van de leidingen en het aantal boortorens waarmee de putten worden geboord na de totstandkoming van het MER zijn gewijzigd, in verband waarmee het MER niet meer aan het plan en de uitvoeringsbesluiten ten grondslag mag worden gelegd, niet handhaaft.

2.12.1. SOOB en Gasalarm2 stellen dat het project in de loop der tijd zodanig is veranderd dat het MER niet meer aan het plan en de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten ten grondslag kan worden gelegd. Zij voeren hiertoe aan dat in het MER ervan is uitgegaan dat de injectie van gas in het gasveld Bergermeer in de zomer zal plaatsvinden en de productie van het gas in de winter, terwijl in het plan staat dat het gas op ieder moment kan worden geproduceerd om in te spelen op de behoefte van de markt.

2.12.2. De ministers stellen dat het voor de milieueffecten van de voorziene ondergrondse gasopslag geen verschil maakt of het gas op ieder moment of uitsluitend gedurende het winterseizoen kan worden geproduceerd. Indien geen gas wordt geproduceerd, zal dit worden geïnjecteerd, zodat de installaties hoe dan ook jaarrond in bedrijf zullen zijn. SOOB en Gasalarm2 hebben dit standpunt niet gemotiveerd betwist. De ministers hebben zich derhalve op het standpunt mogen stellen dat, voor zover al sprake is van een wijziging van het project na de totstandkoming van het MER, dit niet zodanig is veranderd dat het MER niet meer aan het plan en de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten ten grondslag kon worden gelegd.

Alternatieven voor het plan

2.13. Volgens Milieudefensie en Gasalarm 2 is het in 1994 uitgevoerde alternatievenonderzoek ten behoeve van de gasopslag Langelo niet meer actueel en niet volledig. Milieudefensie, SOOB, Gasalarm2 en [appellante sub 4] stellen voorts dat in het MER onvoldoende alternatieven voor het plan zijn onderzocht. Zij voeren hiertoe aan dat wegens de ruime doelstelling van het plan en de betrokkenheid van de overheid alle redelijke alternatieven binnen Nederland hadden moeten worden onderzocht en, indien nodig, de doelstelling had moeten worden aangepast om milieuschade te voorkomen. Zij stellen dat in het MER de mogelijkheden voor ondergrondse gasopslag in andere voormalige gasvelden hadden moeten worden onderzocht, alsmede de mogelijkheden voor bovengrondse opslag van gas. Volgens Gasalarm2 is ten onrechte niet onderzocht of gasopslag in de Noordzee kan worden gerealiseerd. Voorts stellen Milieudefensie en SOOB dat alternatieven binnen West-Europa ook in het MER hadden moeten worden beoordeeld. Het door TNO in 2010 verrichte alternatievenonderzoek gaat volgens Milieudefensie en SOOB uit van een te enge doelstelling en is niet uitgevoerd in het kader van het MER. De omstandigheid dat reeds een vergunning aan TAQA is verleend ten behoeve van opslag van gas in het gasveld Bergermeer betekent volgens Milieudefensie niet dat het alternatievenonderzoek zich alleen tot deze locatie had mogen beperken. Gasalarm2 stelt ten slotte dat door het Massachusetts Institute of Technology (hierna: MIT) is aangegeven dat het verstandig is, vanwege het risico op aardbevingen, de voorziene gasopslag naar een andere locatie te verplaatsen.

2.13.1. In het MER is voor de keuze voor het gasveld Bergermeer verwezen naar het rapport 'Commissie van Drie inzake Gasopslag Langelo' van 30 november 1994 (hierna: het Commissie van Drie-rapport). Dit rapport is opgesteld ter voorbereiding van gasopslag in ondergrondse bergingen om het verwachte capaciteitstekort te voorkomen. In dit rapport zijn drie mogelijkheden geschetst en beoordeeld: opslag in zoutcavernes in Nederland, opslag in lege aardgasvelden in Nederland en opslag in het buitenland. Uit dit alternatievenonderzoek bleek dat in Nederland voor de beoogde bufferfunctie de reservoirs Norgveld te Langelo en het gasveld Bergermeer vanwege de reservoirkarakteristieken, de omvang en de toegankelijkheid het meest geschikt waren. In het rapport 'Alternatieve locaties voor ondergrondse gasopslag te Bergermeer' van 18 mei 2010, opgesteld door TNO (hierna: het TNO-alternatievenrapport) is eveneens opslag in lege gasvelden onderzocht. Dit onderzoek naar mogelijke alternatieven voor het gasveld Bergermeer betrof elf gasvelden en zes combinaties van gasvelden. Het Bergermeer is in het TNO-alternatievenrapport een zeer geschikt veld voor gasopslag bevonden. De velden Botlek, Munnekezijl en Warffum scoren, net als Bergermeer, goed wat betreft de reservoireigenschappen en productiviteit. Deze velden zijn echter kleiner dan Bergermeer. Ook de overige velden kwalificeren minder goed dan Bergermeer. Geen van de combinaties van velden kwalificeert als goed, aldus het TNO-alternatievenrapport.

2.13.2. Dat het Commissie van Drie-rapport in 1994 en niet in het kader van het MER is opgesteld, betekent niet dat dit rapport reeds daarom aan actualiteit heeft ingeboet en in het kader van het MER niet gehanteerd mocht worden. Milieudefensie en SOOB hebben naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de bevindingen uit dit rapport ten tijde van het opstellen van het MER niet meer actueel waren. Hierbij komt dat die bevindingen, daar waar het gaat om opslag in lege aardgasvelden worden bevestigd in het TNO-alternatievenrapport. In hetgeen Milieudefensie en Gasalarm2 naar voren hebben gebracht ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat het Commissie van Drie-rapport, waarnaar in het MER is verwezen, niet meer actueel zou zijn.

2.13.3. Evenmin acht de Afdeling aannemelijk gemaakt dat het onderzoek naar de alternatieven ontoereikend is geweest. In dit verband overweegt de Afdeling dat de ministers, nu de doelstelling van het project deels is gelegen in het beschermen van de leveringszekerheid van het Nederlandse aardgassysteem, zich - anders dan Milieudefensie en SOOB stellen - in redelijkheid het standpunt hebben kunnen innemen dat locaties die buiten Nederland zijn gelegen voor de voorziene gasopslag geen alternatief vormen die in het MER in beschouwing hadden moeten worden genomen. Gasalarm2 heeft het standpunt van de ministers dat gasopslag in velden op zee niet opportuun is wegens de daaraan verbonden hogere investeringen en operationele kosten en de relatief grote afstand tot geschikte gastransportinfrastructuur, niet gemotiveerd betwist. De ministers hebben zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit evenmin als alternatief in het MER in beschouwing had moeten worden genomen. Wat betreft bovengrondse opslag hebben de ministers zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de mogelijkheden daartoe niet geschikt zijn voor een zodanig omvangrijke gasopslag als die met het plan wordt beoogd. Milieudefensie heeft in dit verband niet aannemelijk gemaakt dat het uitgangspunt van de minister dat bovengrondse opslag vanwege de beperkte capaciteit uitsluitend kan dienen voor het opvangen van de piekvraag onjuist is. Ook bovengrondse gasopslag behoefde derhalve niet als alternatief voor de in het plan voorziene grootschalige ondergrondse gasopslag in het MER in beschouwing te worden genomen.

2.13.4. Ten aanzien van de ondergrondse opslag in gasvelden blijkt uit het Commissie van Drie-rapport dat het Norgveld te Langelo en het gasveld Bergermeer hiervoor de beste locaties zijn. De overige gasvelden zijn, om uiteenlopende redenen waaronder omvang en lekrisico, voor ondergrondse gasopslag slecht tot matig geschikt geoordeeld. Het TNO-alternatievenrapport komt tot eenzelfde slotsom. De stelling van Milieudefensie dat het alternatievenonderzoek zich heeft beperkt tot het gasveld Bergermeer omdat TAQA reeds een vergunning was verleend, mist feitelijke grondslag. Ook de stelling van Milieudefensie dat van het TNO-alternatievenrapport niet kan worden uitgegaan omdat hierin een te enge doelomschrijving is gehanteerd, te weten een inhoud van het gasveld van 16,8 miljard m³, slaagt niet. In dit rapport staat dat, nu de oorspronkelijk aanwezige hoeveelheid gas in het Bergermeerveld 16,8 miljard m³ bedroeg, voor het onderzoek velden in aanmerking zijn genomen waarvan de oorspronkelijk aanwezige hoeveelheid gas tussen de 5 en 25 miljard m³ lag.

In aanmerking genomen dat het Norgveld te Langelo reeds in gebruik was als ondergrondse gasopslag, ziet de Afdeling - anders dan Milieudefensie, SOOB, [appellante sub 4] en Gasalarm2 - niet dat de ministers zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat binnen Nederland het gasveld Bergermeer overblijft als de meest geschikte locatie voor ondergrondse gasopslag en dat geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat een ander gasveld hiervoor meer geschikt is. De ministers hebben dan ook geen aanleiding hoeven zien om in het kader van het MER verder onderzoek te laten verrichten naar de mogelijkheden voor ondergrondse gasopslag in andere voormalige gasvelden. Wat betreft de mogelijkheid om de opslagcapaciteit van bestaande gasvelden te vergroten, waarop SOOB en Milieudefensie nog hebben gewezen, hebben de ministers uiteengezet dat hiermee niet kan worden voorzien in voldoende capaciteit en werkvolume en dat hiermee veel hogere kosten zijn gemoeid. Nu SOOB en Milieudefensie dit standpunt niet gemotiveerd hebben betwist, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat bedoelde vergroting als alternatief voor de voorziene ondergrondse gasopslag in beschouwing had moeten worden genomen. Aan het vorenstaande kan naar het oordeel van de Afdeling de opmerking van prof. B.H. Hager van het MIT tijdens de discussiebijeenkomst op 14 januari 2010, dat indien een alternatief gasreservoir met gelijke eigenschappen beschikbaar is het beter zou zijn de gasopslag op die locatie te voorzien, niet afdoen.

Alternatieven voor de uitvoering van het plan

2.14. Milieudefensie en SOOB stellen dat in het MER voor de uitvoering van de voorziene gasopslag in het gasveld Bergermeer ten onrechte onvoldoende alternatieven zijn onderzocht. Zij voeren hiertoe aan dat niet is onderzocht of de voorziene puttenlocatie op de locatie Bergerweg Noord kan worden gevestigd, of een alternatief leidingtracé mogelijk is en of de boorinstallaties kunnen worden afgebouwd kort voor en tijdens het broedseizoen van de weidevogels.

2.14.1. In het MER staat dat het locatiealternatief Bergerweg Noord is onderzocht, maar op de meeste punten slechter scoort dan de overige locaties. Milieudefensie en SOOB hebben dit niet gemotiveerd betwist. Zoals de ministers ter zitting hebben toegelicht, volgen de leidingen tussen de bewerkingsinstallatie en de puttenlocatie een reeds bestaand leidingentracé. Voor een klein gedeelte is van dit bestaande tracé afgeweken in verband met het beperken van het groepsrisico, aldus de ministers. Hetgeen Milieudefensie en SOOB hebben aangevoerd, biedt geen aanleiding voor het oordeel dat voor leidingen een alternatief tracé beschikbaar is dat in het kader van MER redelijkerwijs had moeten worden beoordeeld.

De niet nader gemotiveerde stelling van Milieudefensie dat niet is onderzocht hoeveel het zou kosten om de boorinstallaties af te bouwen kort voor en tijdens het broedseizoen van weidevogels, biedt ten slotte evenmin aanleiding voor het oordeel dat in het MER onvoldoende alternatieven voor de uitvoering van de ondergrondse gasopslag zijn onderzocht. Hierbij wordt aangetekend dat verstoring van weidevogels een van de aspecten is waarnaar is gekeken bij het onderzoek naar alternatieven voor de uitvoering van de voorziene gasopslag, maar dat dit niet het beslissende aspect is op grond waarvan een alternatieve locatie in beschouwing wordt genomen. Hetgeen Milieudefensie en SOOB stellen, biedt geen aanleiding voor het oordeel dat niet alle alternatieven voor de uitvoering van de voorziene gasopslag in het gasveld Bergermeer, die redelijkerwijs in beschouwing dienden te worden genomen, zijn onderzocht.

Onderzoek

2.15. Milieudefensie en SOOB stellen voorts dat in het kader van het MER onvoldoende onderzoek is verricht. Milieudefensie voert aan dat het effect van de ondergrondse opslag in samenhang met de injectie van vervuild water niet is onderzocht en dat de kans op aardbevingen in het kader van het MER niet voldoende is onderzocht. Voorts ontbreken gegevens omtrent elektriciteitsgebruik tijdens de exploitatie van de gasopslag, aldus Milieudefensie. SOOB voert aan dat in het kader van het MER met betrekking tot het aspect archeologie geen afdoende bureauonderzoek is gedaan en veldonderzoek achterwege is gebleven als ook dat de natuurwaarden van het militair mobilisatieterrein (hierna: MOB) in Bergen onvoldoende zijn onderzocht. Voorts zijn volgens SOOB de landschappelijke effecten van de voorziene ondergrondse gasopslag onvoldoende in beeld gebracht.

2.15.1. De ministers stellen dat in het kader van de verleende vergunning voor waterinjectie studies zijn uitgevoerd, waaronder een bodemanalyse in het kader van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (hierna: NRB), naar de mate waarin de bodem wordt bedreigd door de injectie van water.

2.15.1.1. In het rapport 'NRB Analyse puttenlocatie Bergermeer' van 28 september 2008, opgesteld door DHV in opdracht van TAQA (hierna: het NRB-rapport), dat aan het MER ten grondslag ligt, staat dat op de puttenlocatie naast aardgas ook productiewater wordt geïnjecteerd. Injectie van productiewater is in het kader van de toetsing aan de NRB gezien als een gesloten proces, waardoor het vrijkomen van vloeistoffen en dus potentiële verontreiniging van bodem en grondwater zoveel mogelijk wordt voorkomen. Op basis van de bestaande ontwerpuitgangspunten voor waterinjectie zal er een verwaarloosbaar bodemrisico zijn.

In het deskundigenrapport staat ten aanzien van het bodemrisico van de injectie van productiewater op de puttenlocatie dat maatregelen ertoe hebben geleid dat er een gesloten systeem komt, waardoor een verwaarloosbaar bodemrisico optreedt. De kans op het optreden van bodemverontreiniging als gevolg van lekkage wordt verwaarloosbaar geacht en er wordt geen reden gezien voor het optreden van negatieve gevolgen voor het Natura 2000-gebied vanwege de injectie van productiewater, aldus het deskundigenrapport.

2.15.1.2. Anders dan Milieudefensie stelt, bestaat geen grond voor het oordeel dat in het MER het effect van de ondergrondse opslag in samenhang met de injectie van vervuild water niet is onderzocht. Zoals de ministers terecht stellen, is in het kader van het NRB-rapport hiernaar onderzoek gedaan. De conclusie van dit rapport, dat een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd, wordt bevestigd in het deskundigenrapport.

2.15.2. TNO Bouw en Ondergrond heeft in opdracht van TAQA onderzoek gedaan naar de aardbevingsrisico's veroorzaakt door de voorziene ondergrondse gasopslag, waarvan de resultaten zijn vastgelegd in het rapport 'Bergermeer Seismicity Study 2008-U-R1071/B' van 6 november 2008 (hierna: het TNO Bouw en Ondergrond-rapport), dat aan het MER ten grondslag is gelegd. Anders dan Milieudefensie stelt, is in het kader van het MER onderzoek verricht naar het risico op en de effecten van aardbevingen. Voor zover Milieudefensie, onder verwijzing naar het door Gasalarm2 ingediende beroepschrift, de juistheid en volledigheid van dit rapport betwist, wordt verwezen naar hetgeen wordt overwogen vanaf 2.23.

2.15.3. Wat betreft het elektriciteitsgebruik tijdens de exploitatie van de voorziene ondergrondse gasopslag, hebben de ministers ter zitting onweersproken toegelicht dat de benodigde elektriciteit van het landelijk elektriciteitsnet wordt betrokken, zodat dit geen additionele milieueffecten ten gevolg heeft die in het kader van het MER onderzocht hadden moeten worden. Anders dan Milieudefensie stelt, bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat gegevens omtrent elektriciteitsconsumptie tijdens de exploitatie van de gasopslag ten onrechte in het MER ontbreken.

2.15.4. SOOB wijst er terecht op dat de Cmer in het rapport 'Bergermeer Gas Storage; Toetsingsadvies over het MER en de aanvulling daarop' van 11 mei 2009 (hierna het Cmer-advies) heeft geoordeeld dat in het kader van het MER onvoldoende onderzoek is gedaan naar archeologische waarden in het plangebied en dat de natuurwaarden op het MOB niet zijn geïnventariseerd. In bijlage 1 bij het Cmer-advies staat dat de Cmer de ernst van de eventuele tekortkomingen beoordeelt. Daarbij staat de vraag centraal of de benodigde informatie aanwezig is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven bij de besluitvorming. Is dat naar haar mening niet het geval dan signaleert de Cmer dat sprake is van een zogenoemde ‘essentiële tekortkoming’. De Cmer adviseert dan dat die informatie alsnog beschikbaar komt, alvorens het besluit wordt genomen. Overige tekortkomingen in het MER worden in het toetsingsadvies opgenomen, voor zover ze kunnen worden verwerkt tot duidelijke aanbevelingen voor het bevoegde gezag. Deze werkwijze impliceert dat de Cmer zich in het advies tot hoofdzaken beperkt en niet ingaat op onjuistheden of onvolkomenheden van ondergeschikt belang, aldus bijlage 1 bij het Cmer-advies.

De Cmer heeft de door SOOB vermelde voormelde tekortkomingen niet essentieel geacht en niet geadviseerd dat de ontbrekende informatie beschikbaar komt, alvorens de besluiten worden genomen. Bedoelde tekortkomingen in het MER betekenen derhalve, anders dan SOOB stelt, niet dat de ministers het MER ten onrechte aan het plan en de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten ten grondslag hebben gelegd. De ministers hebben overigens naar aanleiding van de door de Cmer geconstateerde leemte in kennis door Oranjewoud nader bureau- en veldonderzoek laten verrichten naar de archeologische waarden in het plangebied. Voor zover SOOB stelt dat dit onderzoek ten onrechte niet aan het MER ten grondslag is gelegd en niet door de Cmer is beoordeeld, stellen de ministers terecht dat hiertoe, gezien het Cmer-advies, waarin de desbetreffende tekortkomingen niet essentieel zijn geacht, geen aanleiding bestond.

2.15.5. HzA Stedebouw en Landschap heeft een studie verricht naar de landschappelijke effecten van de voorziene ondergrondse gasopslag, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport 'Bergermeer Gas Storage Beeldkwaliteit 2008' van oktober 2008, dat aan het MER ten grondslag ligt. In deze studie zijn de door TAQA aangegeven voorkeurslocaties voor de voorziene puttenlocatie en de voorziene bewerkingsinstallatie, alsmede de alternatieve locaties, onderzocht op ruimtelijke aspecten. SOOB heeft niet gemotiveerd waarom dit onderzoek niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dan wel niet alle relevante aspecten zijn onderzocht. SOOB heeft voorts de conclusies van dit rapport niet gemotiveerd bestreden. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat de ministers zich niet ten onrechte, onder verwijzing naar voormeld rapport, op het standpunt hebben gesteld dat voldoende onderzoek is verricht naar de landschappelijke effecten van de gasopslag.

Meest Milieuvriendelijk Alternatief

Vaststellen Meest Milieuvriendelijk Alternatief

2.16. SOOB stelt dat in het MER bij het vaststellen van het Meest Milieuvriendelijk Alternatief (hierna: MMA) ten onrechte planologische, bestuurs-, technische en economische aspecten zijn meegewogen. Bovendien is volgens SOOB niet inzichtelijk of deze aspecten op een juiste wijze zijn beoordeeld. Milieudefensie stelt verder dat de belangen van de grutto niet zijn meegewogen.

2.16.1. De ministers stellen dat in het MER staat welke vergelijkingscriteria bij het vaststellen van het MMA zijn gehanteerd. Volgens de ministers zijn planologische, bestuurs-, technische en economische aspecten niet bepalend, maar moeten alternatieven en maatregelen wel realistisch zijn.

2.16.2. In het MER staat dat het MMA van dit project wordt ontwikkeld uit een combinatie van de volgende alternatieven en mitigerende maatregelen: de meest milieuvriendelijke locatie voor de puttenlocatie, de meest milieuvriendelijke locatie voor de bewerkingsinstallatie, de meest milieuvriendelijke wijze van leidingaanleg door de Loterijlanden en aanvullende mitigerende maatregelen. Bij de beoordeling zijn de onderzochte alternatieven per milieuaspect vergeleken op basis waarvan het MMA is gekozen. In het MER staat voorts dat vergelijkingscriteria worden gebruikt om de vergelijking van het voornemen en de alternatieven mogelijk te maken. De keuze van geschikte vergelijkingscriteria moet zijn gebaseerd op de aard en omvang van de te verwachten milieueffecten van het voornemen en de alternatieven. De vergelijkingscriteria worden gebruikt bij het vaststellen van het MMA en de beoordeling van de door de initiatiefnemer gekozen uiteindelijke projectuitvoering. Voor dit project zijn de volgende vergelijkingscriteria gekozen: natuur, geohydrologie, geomorfologie, bodem en water, geluid, licht en lucht, duurzaamheid, archeologie en cultuurhistorie, ruimtelijke omgeving en landschap, planologie, en bestuurlijke en maatschappelijke haalbaarheid, externe veiligheid, geomechanica, het optreden van bodemtrillingen, bodemdaling en -stijging en technische en economische haalbaarheid.

2.16.3. Zoals de ministers terecht stellen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de bestuurlijke en maatschappelijke haalbaarheid en de technische en economische haalbaarheid geen rol mogen spelen bij het bepalen van het MMA. Vergelijking van het voornemen van TAQA met alternatieven is uitsluitend zinvol indien deze alternatieven realistisch zijn. In het MER is voor alle onderzochte locaties toegelicht hoe deze scoren ten aanzien van de verschillende vergelijkingscriteria. De enkele stelling van SOOB dat niet te achterhalen is of de beoordeling van deze aspecten juist is, leidt niet tot het oordeel dat in het MER het MMA op onjuiste wijze is vastgesteld. Anders dan Milieudefensie stelt is in het MER bij het vaststellen van het MMA eveneens naar de mogelijke verstoring van de grutto gekeken.

MMA voor puttenlocatie

2.17. SOOB stelt dat de ministers niet hebben onderkend dat de Cmer in het Cmer-advies heeft opgemerkt dat de gehanteerde referentiesituatie bij het vaststellen van het MMA niet conform de richtlijnen is.

2.17.1. De ministers stellen dat in het MER twee verschillende referentiesituaties zijn gehanteerd. In verband met de bestaande mijnbouwinstallaties op het Bergermeerterrein, waar nog winningsactiviteiten plaatsvinden, is voor het bepalen van de referentiesituatie waarbij geen gasopslag wordt gerealiseerd zowel gekeken naar de periode van de eerste tien jaar waarin de bestaande mijnbouwinstallaties nog worden gebruikt voor waterinjectie en gasdoorvoer, en de periode daarna, wanneer deze installaties zijn ontmanteld en het Bergermeerterrein weer bij de Loterijlanden is gevoegd. Volgens de ministers heeft de Cmer geconcludeerd dat met de gevolgde werkwijze voldoende inzichtelijk is gemaakt welke situaties kunnen ontstaan bij het niet doorgaan van het initiatief.

2.17.2. In het MER staat dat om de door TAQA voorgenomen uitvoering van de ondergrondse gasopslag en de alternatieven hiervoor te kunnen vergelijken, de kwantitatieve en kwalitatieve effecten op het milieu moeten worden gewaardeerd. Onderzocht wordt hoe de effecten zich verhouden tot de referentiesituatie. De referentiesituatie voor de beschrijving van de milieugevolgen van de activiteiten is de huidige (milieu)situatie en de verwachte autonome ontwikkeling. In het MER staat dat voor het Bergermeerterrein als referentiesituatie wordt aangehouden dat het Bergermeerveld volledig wordt leeggeproduceerd, de installaties worden ontmanteld en de puttenlocatie wordt teruggebracht in zijn oorspronkelijke staat. Hierbij geldt wel de randvoorwaarde dat in verband met de gaswinning uit andere velden van de winningsvergunning Bergen de puttenlocatie op het Bergermeerterrein nog zeker tien jaar zal worden gehandhaafd, ook als het Bergermeerveld niet voor gasopslag wordt gebruikt, aldus het MER. In het Cmer-advies staat dat met de gevolgde werkwijze volgens de Cmer voldoende inzichtelijk is welke situaties kunnen ontstaan bij het niet doorgaan van het initiatief.

2.17.3. Dat in het Cmer-advies staat dat de vergelijking die in het MER is gemaakt van de milieueffecten van de alternatieven met twee aparte referentiesituaties niet conform de richtlijnen is, geeft anders dan SOOB stelt, geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers niet hebben kunnen uitgaan van de vergelijking zoals deze in het MER is verricht. Vaststaat immers dat de gevolgde werkwijze volgens de Cmer voldoende inzicht heeft gegeven.

2.18. SOOB stelt voorts dat de ministers niet hebben onderkend dat de Cmer in het Cmer-advies heeft opgemerkt dat een aantal effectscores ten aanzien van de verschillende vergelijkingscriteria niet logisch is en dat de Cmer concludeert dat over de hele linie de milieueffecten van het voornemen van TAQA voor de uitvoering van de ondergrondse gasopslag ten opzichte van de alternatieven groter zijn dan uit de aanvulling blijkt. De conclusie in de aanvulling op het MER dat voor de puttenlocatie het MOB in Bergen en het bestaande Bergermeerterrein in de aanlegfase ‘ex aequo’ scoren als MMA acht de Cmer dan ook onjuist. Volgens de Cmer bestaat het MMA voor de puttenlocatie, ook tijdens de aanlegfase, uit het MOB in Bergen, aldus SOOB.

2.18.1. In het MER van november 2008 staat dat voor de oorspronkelijke gaswinning uit het Bergermeerveld in de zeventiger jaren van de vorige eeuw het Bergermeerterrein is aangelegd. Het voorkeursalternatief van TAQA is om dit terrein als puttenlocatie te gaan gebruiken voor het project. Hiertoe zal dit terrein worden gerenoveerd en zullen volgens planning veertien tot twintig nieuwe putten worden geboord. In het MER staat voorts dat het MOB in Bergen binnenkort zal worden verlaten door defensie en daarmee vrijkomt voor een andere bestemming. Gezien de ligging en de grootte zou dit terrein gebruikt kunnen worden als gecombineerde locatie voor zowel de gasputten als de bewerkingsinstallatie, wat grote operationele voordelen biedt. Wel zal het MOB nog een intensieve saneringsoperatie moeten ondergaan om het bouwrijp te maken. Het MOB in Bergen ligt rondom in stiltegebied en op circa 1 km afstand van een Natura-2000 gebied. In het MER staat dat de optie om alleen het puttenterrein op MOB Bergen te plaatsen en de bewerkingsinstallatie te plaatsen op het bedrijventerrein Boekelermeer Zuid 2 ten zuiden van Alkmaar niet in beschouwing is genomen omdat bij de plaatsing van alleen de putten op het MOB in Bergen de meeste voordelen wegvallen. Er zullen dan wel twee gasleidingen en een productiewaterleiding in het tracé moeten worden gelegd en er zijn dan geen operationele voordelen. Bovendien neemt plaatsing van alleen de putten op het MOB in Bergen maar een relatief klein deel van het totale MOB-terrein in, maar dit belemmert wel de verdere ontwikkeling van het MOB terrein en is daarmee strijdig met de principes van efficiënt ruimtegebruik.

In de aanvulling op het MER van maart 2009 staat dat de Cmer heeft verzocht ook het alternatief te onderzoeken waarbij uitsluitend de putten op het MOB in Bergen worden geplaatst en de bewerkingsinstallatie op de voorkeurslocatie op het bedrijventerrein Boekelermeer Zuid 2 wordt gerealiseerd. In de aanvulling op het MER staat dat voor de puttenlocatie het Bergermeerterrein als voorkeurslocatie is beoordeeld ten opzichte van het alternatief waarbij de putten op het MOB in Bergen worden geplaatst en de referentiesituatie waarbij het Bergermeerterrein nog tien jaar in bedrijf is. In deze situatie komen zowel de voorkeurslocatie het Bergermeerterrein als het alternatief het MOB in Bergen goed uit de vergelijking voor de eerste tien jaar van het project. Daarom worden beide alternatieven ‘ex aequo’ gekozen als MMA locatie voor de puttenlocatie voor de periode dat het huidige Bergermeerterrein nog aanwezig is. In de aanvulling op het MER staat voorts dat het MOB in Bergen met name op het aspect natuur goed uit de vergelijking komt voor de periode dat het huidige Bergermeerterrein weer is ontwikkeld als dotterbloemhooiland. Op de overige aspecten scoort het MOB in Bergen, wat betreft de periode na de eerste tien jaar van het project, vergelijkbaar met de overige alternatieven en op geen van de thema’s scoort het MOB in Bergen sterk negatief. Daarom wordt het MOB in Bergen gekozen als MMA locatie voor het puttenterrein voor de periode na de eerste tien jaar van het project. In de aanvulling op het MER wordt het alternatief MOB Bergen ook gekozen als MMA locatie voor het puttenterrein voor de gehele periode van de gasopslag Bergermeer, gezien het feit dat deze locatie voor beide perioden als MMA locatie wordt beoordeeld, zij het gedurende de eerste periode ‘ex aequo’ met het Bergermeerterrein.

2.18.2. SOOB stelt terecht dat het Cmer in het Cmer-advies concludeert dat de uitkomst van de aanvulling op het MER dat voor de puttenlocatie het MOB in Bergen en het bestaande Bergermeerterrein in de aanlegfase ‘ex aequo’ scoren als MMA onjuist is en dat het MMA voor de puttenlocatie, ook tijdens de aanlegfase, bestaat uit het MOB in Bergen. SOOB stelt in zoverre dan ook terecht dat de ministers er in het plan ten onrechte van zijn uitgegaan dat gedurende eerste periode van tien jaar van het project het Bergermeerterrein en het MOB in Bergen beide MMA zijn. Nu de ministers voor de puttenlocatie evenwel zijn afgeweken van het MMA en dit hebben voorzien op het Bergermeerterrein, biedt deze omstandigheid op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat in zoverre sprake is van een motiveringsgebrek.

Afwijken MMA voor puttenlocatie

2.19. SOOB, [appellant sub 12] en Natuurmonumenten betogen dat de ministers ten onrechte zijn afgeweken van het vastgestelde MMA voor de voorziene puttenlocatie. Zij stellen dat de ministers ten onrechte niet ervoor hebben gekozen de puttenlocatie te voorzien op het MOB in Bergen, dat als MMA is aangewezen, maar op het Bergermeerterrein, dat in het MER als uitvoeringsalternatief is aangewezen. [appellant sub 12] voert hiertoe aan dat de afwijking van het MMA uitsluitend op praktische en economische overwegingen is gebaseerd. SOOB voert aan dat de ministers aan deze keuze onjuiste en ondeugdelijke argumenten ten grondslag hebben gelegd en niet hebben onderkend dat wat betreft het aspect geluidhinder het Bergermeerterrein de minst gunstige locatie is voor de puttenlocatie. Natuurmonumenten voert ten slotte aan dat de ministers voor het MMA hadden moeten kiezen vanwege de gevolgen die vestiging van de puttenlocatie op het Bergermeerterrein heeft op de kwetsbare natuur.

2.19.1. De ministers stellen dat de keuze om wat betreft de puttenlocatie af te wijken van het MMA en deze te voorzien op het Bergermeerterrein deugdelijk is gemotiveerd. Volgens de ministers volgt uit het rapport 'Technische en Economische vergelijking MOB - Bergermeer Boorlocatie; Justificatie van de financiële paragraaf in het MER' van 21 september 2009, opgesteld door SGS Horizon in opdracht van TAQA (hierna: het Horizon-rapport), dat de technische en economische effecten van het vestigen van de puttenlocatie op het MOB groter zijn dan uit eerder onderzoek bleek. Volgens de ministers zijn de ontwikkelingskosten die zijn gemoeid met vestiging van de puttenlocatie op het MOB minimaal € 160 miljoen euro hoger dan bij vestiging hiervan op het Bergermeerterrein, waardoor het project financieel niet meer haalbaar is.

2.19.2. In het MER is het MOB in Bergen als het MMA gekozen voor de puttenlocatie. Het bestaande Bergermeerterrein is in het MER door TAQA echter gekozen als voorkeursalternatief. TAQA heeft opdracht gegeven de technische en financiële aspecten van het MMA nader uit te werken en te vergelijken met het voorkeursalternatief. Volgens het Horizon-rapport heeft nader onafhankelijk geomechanisch onderzoek door Axis Well Technology aangegeven dat indien het Bergermeer reservoir voor gasopslag wordt ontwikkeld vanaf het MOB meer en complexere putten nodig zijn dan eerder werd aangenomen in het MER. De hoofdoorzaak hiervan is dat de putten het reservoir verticaal moeten aanboren in plaats van onder een hoek. Deze informatie was bij aanvang van het huidige MER nog niet aanwezig. In het Horizon-rapport staat voorts dat het Bergermeerveld vanaf het bestaande Bergermeerterrein met veertien nieuwe putten en zeven bestaande putten kan worden ontwikkeld. De mate van complexiteit en risico is gemiddeld en de boorkosten kunnen naar verwachting met een nauwkeurigheid van twintig procent worden vastgesteld. Zowel boortijd, afvalstoffen als energieverbruik is significant lager dan bij het MOB alternatief. Vanaf het MOB zijn 22 to 29 complexe putten nodig om dezelfde productiviteit te behalen: een totale meerprijs van € 148 tot € 254 miljoen. De totale boortijd, de vrijkomende hoeveelheid afvalstoffen en het energieverbruik zijn significant hoger dan bij het gebruik van het Bergermeerterrein als puttenlocatie. Een belangrijk bijkomend nadeel is nog dat het MOB in Bergen pas een jaar later en waarschijnlijk nog aanzienlijk later beschikbaar komt voor gasinjectie en productie. Dit heeft grote consequenties voor de totale economie van het project, aldus het Horizon-rapport.

2.19.3. SOOB, [appellant sub 12] en Natuurmonumenten hebben niet gemotiveerd betoogd dat het Horizon-rapport niet op deugdelijke en zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dan wel dat dit rapport niet inzichtelijk en concludent is. Het betoog van SOOB, [appellant sub 12] en Natuurmonumenten dat de ministers naar aanleiding van het Horizon-rapport een nieuwe MER, dan wel een aanvulling hierop, hadden moeten laten opstellen, slaagt niet. Zoals de ministers terecht betogen is het MER opgesteld om inzicht te krijgen in de milieueffecten van het project, maar is met het vaststellen van het MER geen einde gekomen aan het besluitvormingsproces.

Gezien het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de ministers zich in redelijkheid, onder verwijzing naar het Horizon-rapport, op het standpunt hebben kunnen stellen dat vestiging van de puttenlocatie op het MOB technisch veel ingewikkelder is dan vestiging hiervan op het Bergermeerterrein en dat de totale boortijd, de vrijkomende hoeveelheid afvalstoffen en het energieverbruik significant hoger zijn dan bij het gebruik van het Bergermeerterrein als puttenlocatie. De ministers hebben zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ontwikkelingskosten die met de keuze voor het MMA zijn gemoeid dusdanig hoog zijn, dat het project financieel niet meer haalbaar is. De ministers hebben, gelet hierop, in redelijkheid ervoor kunnen kiezen af te wijken van het MMA en de puttenlocatie te voorzien op het Bergermeerterrein in plaats van op het MOB. Anders dan SOOB en [appellant sub 12] betogen bestaat geen grond voor het oordeel dat de ministers aan deze keuze onjuiste en ondeugdelijke argumenten ten grondslag hebben gelegd, dan wel deze keuze uitsluitend hebben gebaseerd op financiële en praktische overwegingen. Dat de door de ministers gemaakte keuze om de puttenlocatie te voorzien op het Bergermeerterrein in het MER slecht scoort op de aspecten geluid en natuur hebben de ministers onderkend en hiermee is in de belangenafweging rekening gehouden.

MMA voor bewerkingsinstallatie

2.20. De VVE stelt dat de ministers ten onrechte de bewerkingsinstallatie hebben voorzien op het bedrijventerrein Boekelermeer Zuid 2 en niet hebben gekozen voor de in het MER beschreven uitvoeringsvariant waarbij de puttenlocatie en de bewerkingsinstallatie worden geïntegreerd op het MOB. De VVE voert hiertoe aan dat de omstandigheid dat het MOB is gelegen in een stiltegebied en in de nabijheid van een Natura 2000-gebied en om die reden in het MER negatief scoort geen beletsel is voor deze variant.

2.20.1. De ministers stellen dat geïntegreerde vestiging van de puttenlocatie en de bewerkingsinstallatie op het MOB in het MER is onderzocht, maar niet als MMA is beoordeeld omdat de vestiging van een grote industriële installatie in een groene landelijke omgeving niet passend is gevonden. Voorts is de vestiging van dergelijke installaties op het MOB volgens de ministers strijdig met de provinciale en gemeentelijke structuurvisies. De ministers stellen dat in het MER de vestiging van de bewerkingsinstallatie op het bedrijventerrein Boekelermeer Zuid 2 is beoordeeld als MMA, mede omdat deze locatie oorspronkelijk bedoeld was voor bedrijven in een hogere milieucategorie.

2.20.2. In het MER staat dat ten aanzien van geïntegreerde vestiging van de puttenlocatie en de bewerkingsinstallatie op het MOB geldt dat de planologische en landschappelijke inpassing moeilijk zal zijn: vestiging op deze locatie zal ingrijpende aanpassing van de ruimtelijke plannen vergen, waaronder het provinciale streekplan en de gemeentelijke bestemmingsplannen. Daarbij geldt dat de bestuurlijke, politieke en maatschappelijke haalbaarheid van plaatsing van de bewerkingsinstallatie op het MOB in Bergen laag wordt geacht. Voorts staat in het MER dat het MOB niet is gekozen als MMA voor de bewerkingsinstallatie omdat de vestiging van een grote industriële installatie in een groene landelijke omgeving dicht bij Bergen niet passend wordt gevonden.

2.20.3. De ministers hebben in redelijkheid ervoor kunnen kiezen de bewerkingsinstallatie te voorzien op het bedrijventerrein Boekelermeer Zuid 2. Anders dan de VVE stelt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de ministers deze keuze met verwijzing naar het MER waarin deze locatie als MMA is beoordeeld voor de bewerkingsinstallatie onvoldoende hebben gemotiveerd.

MMA voor leidingaanleg door de Loterijlanden

2.21. SOOB betoogt dat de ministers wat betreft de wijze van aanleg van de leidingen door de Loterijlanden ongemotiveerd zijn afgeweken van het in het MER vastgestelde MMA.

2.21.1. In het MER staat dat leidingaanleg met gestuurde boringen onder de Loterijlanden het beste uit de vergelijking komt met name vanwege de (tijdelijke) effecten op de natuur. De leidingaanleg met gestuurde boringen is daarom gekozen als het MMA voor deze aanleg. Leidingaanleg met gestuurde boringen onder de Loterijlanden scoort op effecten op de natuur beter dan leidingaanleg in open sleuf. In beide opties gaat het om tijdelijke effecten.

2.21.2. De ministers zijn afgeweken van het MMA en hebben gekozen voor het uitvoeringsalternatief waarbij de leidingen worden aangelegd door middel van een open-sleuf methode, omdat sleufloze aanleg een aantal nadelige milieu- en omgevingseffecten kent en het bij een verantwoorde werkwijze met de juiste mitigerende maatregelen goed mogelijk lijkt de leidingen door de Loterijlanden met de open-sleuf methode aan te leggen zonder blijvende gevolgen voor het dotterbloemhooiland. Daarnaast geldt dat sleufloze aanleg circa € 1 miljoen duurder is en een aantal technische risico’s kent, zoals het mislukken van het intrekken van een leiding. Gelet hierop ziet de Afdeling niet dat de ministers de keuze om wat betreft de aanleg van de leidingen af te wijken van het MMA niet hebben gemotiveerd. Hetgeen SOOB heeft aangevoerd, biedt voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers niet in redelijkheid ervoor hebben kunnen kiezen wat betreft de leidingaanleg af te wijken van het MMA. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat bij de aanleg van de leidingen zoveel mogelijk mitigerende maatregelen zullen worden toegepast.

Mitigerende maatregelen

2.22. SOOB betoogt dat de ministers de in het MER als onderdeel van het MMA opgenomen mitigerende maatregel dat slechts buiten het broedseizoen mag worden geboord, ten onrechte niet hebben overgenomen. SOOB voert hiertoe aan dat de realisatie van een nieuw natuurgebied, dat TAQA ter compensatie van de effecten van het jaarrond boren op de weidevogels wil inrichten, niet is gewaarborgd en dat niet vaststaat dat dit natuurgebied geschikt zal zijn om als compensatiegebied te dienen voor de verstoorde weidevogels. Voorts voert SOOB aan dat het jaarrond boren tot gevolg heeft dat omwonenden zullen worden geconfronteerd met aanzienlijke geluidoverlast.

2.22.1. Hetgeen SOOB heeft aangevoerd, biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers niet in redelijkheid ervoor hebben kunnen kiezen om de mitigerende maatregel dat slechts buiten het broedseizoen mag worden geboord, niet over te nemen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het jaarrond boren tot gevolg heeft de totale boorperiode korter is dan in het geval uitsluitend buiten het broedseizoen zal worden geboord, zodat het jaarrond boren geen extra geluidoverlast voor omwonenden met zich brengt. Wat betreft het betoog van SOOB dat de realisatie van het natuurgebied niet is gewaarborgd en dit gebied mogelijk ongeschikt is om te dienen als compensatiegebied, wordt verwezen naar 2.58.4.

Aardbevingen

2.23. Gasalarm2, [appellant sub 1], [appellante sub 4], Milieudefensie, [appellant sub 12], SOOB en [appellant sub 11] betogen dat de minister van EL&I bij besluit van 27 april 2011 ten onrechte instemming, als bedoeld in artikel 34, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 39, eerste lid, aanhef en onder b, van de Mijnbouwwet heeft verleend aan het gewijzigde opslagplan van TAQA (hierna: het instemmingsbesluit opslagplan). Zij voeren hiertoe aan dat de voorziene ondergrondse gasopslag zal leiden tot een onaanvaardbaar risico op aardbevingen, dat onduidelijk is welke effecten deze aardbevingen zullen hebben en dat de voorschriften en beperkingen die in het instemmingsbesluit opslagplan aan het gewijzigde opslagplan zijn verbonden onvoldoende zijn om het risico op aardbevingen te beperken.

Risico op aardbevingen

2.24. SOOB voert aan dat de ministers zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de zwaarst mogelijke aardbeving die zich als gevolg van de gasopslag kan voordoen een magnitude van 3.9 heeft. Volgens Gasalarm2 en SOOB is niet duidelijk of in de rapporten er rekening mee is gehouden dat de kans op een aardbeving bij gasopslag, als gevolg van de snelheid van drukverandering, vele mate groter is dan bij de gaswinning, zoals deze voorheen in het gasveld Bergermeer plaatsvond. Gasalarm2 en SOOB stellen dat de rapporten op basis waarvan de ministers het risico op aardbevingen als gevolg van de voorziene ondergrondse gasopslag aanvaardbaar is op belangrijke punten van elkaar afwijken. Volgens Gasalarm2 en SOOB wordt de conclusie in het TNO Bouw en Ondergrond-rapport, dat het gasveld Bergermeer bij opslag van gas zal stabiliseren niet ondersteund door het MIT-rapport. De conclusie in het TNO Bouw en Ondergrond-rapport dat de grootste breukberekening tijdens de injectie van gas overeenkomt met een magnitude van 2.4 tot 2.7 wordt evenmin ondersteund door het MIT-rapport, aldus Gasalarm2, SOOB en [appellante sub 4]. Verder volgt volgens Gasalarm2 uit het MIT-rapport niet dat zich in het gasveld Bergermeer nog aardbevingen zullen voordoen indien geen ondergrondse gasopslag zal worden gerealiseerd en alle activiteiten worden gestaakt. Ten slotte is geen risicoanalyse gegeven met betrekking tot zandproductie, aldus Gasalarm2.

2.24.1. De ministers hebben het risico op aardbevingen aanvaardbaar geoordeeld. Zij hebben zich gebaseerd op het TNO Bouw en Ondergrond-rapport en het in opdracht van de minister van EL&I door het MIT (MIT) opgestelde rapport 'Technical Review of Bergermeer Seismicity Study TNO Report 2008-U-R1071/B' van 8 oktober 2009 (hierna: het MIT-rapport). In het TNO Bouw en Ondergrond-rapport wordt gesteld dat een aardbeving als gevolg van gasopslag een maximale magnitude van 3.9 heeft. Onder verwijzing naar voormelde rapporten stellen de ministers dat een reële schatting van de kans dat een beving met een bepaalde magnitude optreedt als gevolg van de gasinjectie en -productie onmogelijk is te geven maar dat de kans op een aardbeving met een magnitude van 3.9 extreem klein is en de kans op een aardbeving met een kleinere magnitude in ieder geval niet groter dan tijdens de periode van gaswinning.

2.24.2. Tussen partijen zijn de navolgende feiten niet in geschil. De voorgenomen gasopslag is voorzien in een reservoir van poreus Rotliegendes zandsteen op een diepte van 2000 meter onder het maaiveld. Uit dit reservoir is vanaf 1972 aardgas gewonnen. Het rechthoekig reservoir heeft een dikte van 200 tot 220 meter, een lengte van 6,5 kilometer en een gemiddelde breedte van 1,5 kilometer. In het reservoir bevindt zich in de lengterichting een centrale breuk met een helling van 60 tot 80 graden. Daarnaast zijn er kleinere breuken. De centrale breuk verdeelt het reservoir in twee blokken die aan de noordzijde (als een schaar) met elkaar zijn verbonden. Dit punt kent de hoogste spanningen. Door de winning van aardgas, de aardgasproductie, is de druk in het reservoir gedaald. De twee aardbevingen die zich in 1994 hebben voorgedaan en de twee aardbevingen die in 2004 hebben plaatsgevonden ter plaatse zijn, zo wordt aangenomen, veroorzaakt door bodemdaling als gevolg van het ineendrukken, compactie, van het reservoirgesteente. Het ging hier niet om door autonome werking van de aardkorst veroorzaakte tectonische aardbevingen die worden gekenmerkt, maar om geïnduceerde aardbevingen. In 1994 hadden de bevingen een magnitude van 3,0 en 3,2 op de schaal van Richter. In 2004 een magnitude van 3,2 en 3,5. De gasopslag vindt plaats door middel van injectie van gas in het poreuze Rotliegendes zandsteen. Door de injectie van gas wordt de druk in het reservoir hoger.

2.24.3. De stelling van SOOB dat de maximale magnitude van 3.9 niet overtuigend is aangetoond omdat deze slechts berust op statistiek, slaagt niet. Zoals de ministers ter zitting hebben toegelicht, is de maximale magnitude van 3.9 niet alleen gebaseerd op statistiek maar ook op een berekening van de schuifspanning en de breuklengte in het gasveld en op basis van berekeningen aan de hand van de seismische ervaringen ter plaatse. Zoals ook in het deskundigenbericht is weergegeven, leiden deze benaderingen tot een vergelijkbaar resultaat.

2.24.4. Onder verwijzing naar het door haar overgelegde rapport 'Review of TNO report 2008-U-R1071/B Bergermeer Seismicity Study' van 5 januari 2012, opgesteld door NORSAR en NGI (hierna: het NORSAR/NGI-rapport) en de ter zitting getoonde videoboodschappen vanwege NORSAR en NGI stelt SOOB voorts dat het mogelijk is dat geïnduceerde aardbevingen die bij de gasinjectie en -productie kunnen ontstaan, tektonische aardbevingen veroorzaken buiten het reservoir met een grotere magnitude dan 3.9. Volgens het NORSAR/NGI-rapport is het ontstaan van zulke 'getriggerde' tektonische aardbevingen in het TNO Bouw en Ondergrond-rapport onvoldoende onderzocht. Ook hierin volgt de Afdeling SOOB niet. De ministers hebben bij brief van 12 januari 2012 een gezamenlijke reactie van het KNMI, TNO en Staatstoezicht op de Mijnen (hierna: SodM) op het NORSAR/NGI-rapport overgelegd waarin staat dat tot nu toe in Noord-Nederland nog nooit een 'getriggerde' tektonische beving is opgetreden en dat er geen natuurlijke seismiciteit bekend is in het gebied. Er is geen rekening gehouden met 'triggering' buiten het reservoir omdat in meer dan twintig jaar monitoren van de gasvelden in Nederland geen significante activiteit buiten de velden is geconstateerd, aldus de ministers. SOOB heeft de juistheid van deze reactie niet gemotiveerd bestreden, zodat ook in zoverre niet kan worden geoordeeld dat de ministers zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de maximale magnitude van aardbevingen die kunnen ontstaan vanwege de voorziene gasopslag 3.9 op de schaal van Richter is.

2.24.5. In het MIT-rapport wordt benadrukt dat de kans op een aardbeving met een magnitude van 3.9 extreem klein is. Gasalarm2 en SOOB hebben deze conclusie in het MIT-rapport niet gemotiveerd bestreden, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de ministers zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat slechts een zeer kleine kans bestaat op een aardbeving met een magnitude van 3.9 vanwege de voorziene ondergrondse gasopslag.

2.24.6. Wat betreft het door Gasalarm2 en SOOB bestreden uitgangspunt dat ervan moet worden uitgegaan dat de kans op een aardbeving bij gasinjectie en -productie, wegens de snelheid van de drukverandering die hiermee gepaard gaat, groter is dan bij de geleidelijke winning van gas, staat in de toelichting bij het plan dat de verwachting is dat de snelheid van het in- en uitpompen van het gas voornamelijk een tweede orde effect oplevert. Dat wil zeggen dat door de dynamiek van het vullen en produceren het aantal trillingregistraties op microseismisch niveau zou kunnen toenemen. In de toelichting bij het plan is vermeld dat onderzoek dient plaats te vinden om meer duidelijkheid te krijgen over de precieze kans op bodemtrillingen als functie van de snelheid van de drukveranderingen. Op basis van het onderzoek kan worden bepaald of het nodig is om het productie- of injectietempo te limiteren, aldus de plantoelichting.

TAQA heeft dit nader onderzoek laten verrichten. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Dynamic Geomechanical Modelling of the Bergermeer Underground Gas Storage Netherlands" van 28 september 2011 (hierna: het GeoMechanics-rapport). In dit rapport staat dat de voorziene snelheid van injectie en productie van gas geen significant effect heeft op de stabiliteit van het reservoir en de breuk. Alleen bij injectie- en productiesnelheden die ver boven de technische mogelijkheden van de installaties liggen, zal de druk een klein destabiliserend effect hebben, aldus het GeoMechanics-rapport. In het deskundigenbericht staat dat de hoge snelheid van productie en injectie een verdeling met zekere drukgradiënten in het reservoir veroorzaakt. Bij de voorziene gasopslag, waarbij wordt gewerkt met een bandbreedte van 77 tot 133 bar, bedragen de drukveranderingen ongeveer 14 tot 18 bar per maand. Deze drukverschillen worden volgens het deskundigenbericht ook in andere opslaglocaties, zoals Norg, Grijpskerk en Alkmaar, toegepast, daar zijn toen geen bevingen opgetreden. Van belang is dat de spanningsopbouw of -afname binnen het stabiele gebied blijft van de centrale breuk. Dit is onafhankelijk van de snelheid. Het gesteente heeft een zeer hoge permeabiliteit, waardoor de druk zich snel binnen het reservoir verspreidt. Er is dus geen sprake van hoge drukgradiënten.

In hetgeen Gasalarm2 en SOOB naar voren hebben gebracht, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Geo-Mechanics-rapport onvolledig of onjuist is. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen dat de snelheid van gasinjectie en -productie niet bijdraagt aan het risico op aardbevingen.

2.24.7. De stelling van Gasalarm2, [appellante sub 4] en SOOB dat, gelet op het MIT-rapport, de in het TNO Bouw en Ondergrond-rapport berekende grootste breukbewegingen met een magnitude van 2.4 tot 2.7 bij gasinjectie onjuist zijn, onder meer vanwege het door TN) gehanteerde model, onjuist zijn, kan buiten inhoudelijke bespreking blijven. De ministers zijn bij hun besluitvorming immers niet uitgegaan van deze berekende waarden, maar van het meest ongunstige scenario waarbij van stabilisatie van het reservoir vanwege de injectie van gas geen sprake is en het risico op aardbevingen en de maximale magnitude hiervan voor de injectie- en productiefase gelijk zijn.

2.24.8. Anders dan Gasalarm2 stelt, hebben de ministers zich voorts, onder verwijzing naar het TNO Bouw en Ondergrond-rapport en het MIT-rapport, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat zelfs indien alle activiteiten in het gasveld worden gestaakt, nog steeds een kans op aardbevingen bestaat. In het MIT-rapport staat dat zelfs indien geen gasinjectie en -productie zou plaatsvinden in het Bergermeergasveld opnieuw aardbevingen kunnen plaatsvinden met een magnitude van 3.0 tot 3.5. In het deskundigenbericht staat hieromtrent dat de resterende spanning in het reservoir in theorie nog tot een beving kan leiden ook, en wellicht juist, in het geval het reservoir na winning met rust zou worden gelaten. Gelet op evenmelde ondubbelzinnige conclusie in het MIT-rapport, slaagt de stelling van Gaslarm2 dat uit het MIT-rapport valt af te leiden dat aardbevingen niet meer kunnen voorkomen indien de activiteiten worden gestaakt, omdat het ontstaan van aardbevingen afhankelijk is van de snelheid van drukveranderingen, niet.

2.24.9. De Afdeling volgt Gasalarm2 ten slotte evenmin in zijn stelling dat de ministers ten onrechte geen risicoanalyse hebben gemaakt met betrekking tot zandproductie. In het deskundigenbericht staat dat zandproductie kan ontstaan bij het produceren van gas. Door de relatief hoge snelheden waarmee gas wordt geïnjecteerd en gewonnen komt zand los uit het gesteente. Dit effect is lokaal aanwezig rond de putten en heeft geen effect op de stabiliteit van het gesteente in de omgeving van de breuk, aldus het deskundigenbericht. TAQA heeft bovendien aangegeven dat de nieuw te boren putten worden uitgerust met zandschermen om zandproductie tegen te gaan. Gelet hierop hebben de ministers zich naar het oordeel van de Afdeling niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat zandproductie geen invloed heeft op de stabiliteit van het gasveld Bergermeer.

Effecten van aardbevingen

2.25. Gasalarm2, SOOB, [appellante sub 4] en [appellant sub 1] stellen dat de ministers de schade die ontstaat bij aardbevingen veroorzaakt door de voorziene ondergrondse gasopslag hebben onderschat.

Gasalarm2 en [appellante sub 4] voeren hiertoe aan dat de conclusie in het rapport 'Maximale schade door geïnduceerde aardbevingen: inventarisatie van studies met toepassingen op de Bergermeer', van 3 mei 2011, opgesteld door TNO en het KNMI in opdracht van de minister van EL&I (hierna: het TNO/KNMI-rapport) afwijkt van het MER wat betreft de schade die als gevolg van een aardbeving met een magnitude van 3.9 kan ontstaan. In het TNO/KNMI-rapport is voorts geen rekening gehouden met de bodemcondities rond het gasveld Bergermeer, dit rapport bevat geen financiële vertaling van de te verwachten schade bij een aardbeving en gaat niet in op de te verwachten bevingsintensiteit volgens de Europese Macro-seismische schaal (hierna: EMS), aldus Gasalarm2 en SOOB. Verder ontbreekt in het TNO/KNMI-rapport een analyse van de aardbevingen in 1994 en 2001 en de hierbij ontstane schade, aldus Gasalarm2 en SOOB. Het TNO/KNMI-rapport vermeldt evenmin de relatie tussen de intensiteit van een aardbeving en de verwachte mate van schade aan verschillende typen gebouwen. Gasalarm2 en SOOB voeren aan dat in het TNO/KNMI-rapport is uitgegaan van een onjuist mechanisme van aardbevingen waardoor de grondsnelheden die kunnen ontstaan zijn onderschat. Ten slotte is volgens Gasalarm2 en SOOB tijdens de aardbeving in Roermond in 1992 gebleken dat, anders dan in het TNO/KNMI-rapport staat, ook bij bevingen met grondsnelheden kleiner dan 100 mm/sec aanzienlijke tot zware schade kan ontstaan.

2.25.1. De ministers stellen dat de rapporten die aan het plan en de uitvoeringsbesluiten ten grondslag zijn gelegd in overeenstemming zijn over de kans op schade in relatie tot de grondsnelheid. Volgens de ministers is de EMS ontworpen voor natuurlijke, tektonische bevingen en niet voor geïnduceerde, ondiepe bevingen en leent deze schaal zich minder goed voor exacte discussies dan de schaal van Richter. De effecten van een geïnduceerde aardbeving hebben betrekking op een beperkt areaal, zodat het hierbij behorende schadebeeld verschilt van een natuurlijke aardbeving, aldus de ministers. Voorts wordt de intensiteit van een aardbeving volgens de EMS vastgesteld door te kijken naar hoe mensen deze hebben ervaren en niet door een analyse van de daadwerkelijke schade, zodat deze schaal volgens de ministers niet van doorslaggevende betekenis is. De ministers stellen voorts dat door het KNMI onderzoek is gedaan naar de schade die is veroorzaakt door de beving in 2001 en dat de resultaten hiervan zijn meegenomen in het TNO/KNMI-rapport.

2.25.2. In het TNO/KNMI-rapport staat dat uit onderzoek van het KNMI en TNO naar de schade die op kan treden bij een ondiepe, geïnduceerde aardbeving, blijkt dat schade alleen op hoofdlijnen is te kwantificeren. De kans op het ontstaan van (lichte) schade kan gekwantificeerd worden, er wordt echter in geen van de (in het verleden uitgevoerde) onderzoeken een uitspraak gedaan over de ernst van de schade bij grotere magnitudes. Ondanks dat de modellen niet gekalibreerd kunnen worden aan historische data en een betere gekwantificeerde voorspelling van het aantal woningen met schade op dit moment niet mogelijk is, is het wel mogelijk om een globale schatting te geven van de te verwachten ernst van de schade. In het TNO/KNMI-rapport staat verder dat trillingen als gevolg van geïnduceerde aardbevingen een specifiek karakter hebben, dat verschilt van natuurlijke aardbevingen. Het verschil zit vooral in de korte duur van de trilling in combinatie met een hoge maximale versnelling of snelheid van de grondbeweging. De oorzaak hiervan is dat geïnduceerde aardbevingen veel dichter bij het aardoppervlak plaats vinden dan tektonische aardbevingen. Bestaande rekenmodellen laten zien hoe groot de kans is op lichte schade. De opgetreden schade bij een beving met magnitude van 3.5 laat zien dat ook matige schade kan ontstaan. Bij een aardbeving met een magnitude van 3.9, de maximaal te verwachten beving, wordt verwacht dat het aantal schadegevallen met matige schade zal toenemen, maar niet dat er schade in een hogere categorie (aanzienlijke tot zware schade) zal ontstaan.

2.25.3. Gasalarm2 en [appellante sub 4] stellen terecht dat in het MER staat dat een aardbeving met een magnitude van 3 tot 3.9 vrijwel nooit schade veroorzaakt en dat dit niet in overeenstemming is met de conclusies in het TNO/KNMI-rapport. De ministers zijn er in de besluitvorming evenwel niet van uitgegaan dat bij een aardbeving met een magnitude van 3.9 geen schade ontstaat, maar zij hebben, zoals staat in de plantoelichting, onderkend dat hierbij schade aan gebouwen kan ontstaan. Hetgeen Gasalarm2 en [appellante sub 4] aanvoeren, biedt derhalve geen grond voor vernietiging van het instemmingsbesluit gasopslagplan.

2.25.4. Dat, zoals Gasalarm2 en SOOB stellen, het TNO/KNMI-rapport niet ingaat op de bevingsintensiteit volgens de EMS, betekent niet dat de in dit rapport gegeven inschatting van de schade, die is vastgesteld op basis van de berekende maximale grondsnelheden, onjuist is. In het deskundigenbericht staat dat de indeling in intensiteit volgens de EMS, met 12 intensiteitgraden, in beginsel is opgesteld voor de beoordeling van natuurlijke bevingen en niet specifiek voor geïnduceerde bevingen. Ondanks hun relatief lage magnitude, tot maximaal 3.9 op de schaal van Richter, zijn geïnduceerde aardbevingen snel voelbaar. Dit komt door hun ondiepe hypocentra. De trillingen duren volgens het deskundigenbericht zelden langer dan enkele seconden, in tegenstelling tot natuurlijke bevingen, die langer duren. De intensiteiten worden per definitie achteraf bepaald omdat de schade en ervaringen van omwonenden via enquêtes hierbij worden betrokken. De intensiteit is dus geen parameter om voorspellingen mee te doen, aldus het deskundigenbericht. Hetgeen Gasalarm2 en SOOB hebben aangevoerd, biedt naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het niet toepassen van de indeling in intensiteit volgens de EMS zonder meer leidt tot een onderschatting van de schade die kan ontstaan bij aardbevingen.

Anders dan Gasalarm2 en [appellant sub 1] stellen, is in het rapport 'Seismische hazard van geïnduceerde aardbevingen' van TNO en de KNMI van 20 december 2004, dat aan de in het TNO/KNMI-rapport berekende maximale grondsnelheden ten grondslag ligt, rekening gehouden met de plaatselijke bodemcondities. Voorts volgt uit het TNO/KNMI-rapport dat de schade die is ontstaan bij de aardbevingen in 2001 bij de totstandkoming van het rapport is betrokken. Ook is, anders dan Gasalarm2 stelt, de indeling van gebouwtype van de EMS, met klasse A tot F, in het TNO/KNMI-rapport toegepast. In het TNO/KNMI-rapport staat dat de meeste huizen in Nederland zijn opgetrokken uit metselwerk en kunnen worden geclassificeerd als klasse B en dat dit ook voor de meeste woningen in Bergen zal gelden. Dat het TNO/KNMI-rapport geen financiële vertaling van de schade bevat, betekent ten slotte niet dat de ministers de schade die ontstaat bij aardbevingen veroorzaakt door de voorziene ondergrondse gasopslag hebben onderschat.

2.25.5. Wat betreft de stelling van Gasalarm2 en SOOB dat de ministers zich ten onrechte, onder verwijzing naar het TNO/KNMI-rapport, op het standpunt hebben gesteld dat bij een aardbeving met een magnitude van 3.9 matige schade, maar geen schade in een hogere categorie zal ontstaan, wordt als volgt overwogen. Prof. B.H. Hager van het MIT heeft tijdens de discussiebijeenkomst op 14 januari 2010 aangegeven dat de intensiteit van een aardbeving met een magnitude van 3.9 tussen de VI en VII, maar dichter bij de VII, ligt op de EMS, hetgeen betekent dat veel gebouwen van klasse B en enkele van klasse C matige schade lijden en dat enkele gebouwen van klasse B aanzienlijke tot zware schade lijden. In het door Gasalarm2 overgelegde rapport 'Maximale horizontale grondsnelheid bij bevingen in de Bergermeer' van 10 januari 2012, opgesteld door Cator en Van Zwet (hierna: het Cator en Van Zwet-rapport), staat dat het mogelijk is dat de in het TNO/KNMI-rapport voorspelde grondsnelheden van aardbevingen in de Bergermeer te laag zijn en dat de werkelijke schade van een aardbeving in de Bergermeer hoger kan uitvallen. In het NORSAR/NGI-rapport wordt op basis van extrapolatie van de gegevens die betrekking hebben op de aardbevingen in 2001 geconcludeerd dat een aardbeving met een magnitude van 3.9 een maximale intensiteit van VII+ op de EMS heeft.

2.25.5.1. In de door de ministers overgelegde gezamenlijke reactie van het KNMI, TNO en Staatstoezicht op de Mijnen op het NORSAR/NGI-rapport van 12 januari 2012 staat dat de intensiteit-magnitude relatie een grote onzekerheid heeft die is gebaseerd op een uiterst beperkte hoeveelheid waarnemingen, waarbij effecten van de aardbevingen in 2001, die kort na elkaar plaatsvonden niet van elkaar konden worden gescheiden. Voorts is in het NORSAR/NGI-rapport geen verschil gemaakt tussen natuurlijke en geïnduceerde bevingen, aldus de gezamenlijke reactie. Anders dan Gasalarm2 en SOOB stellen, volgt uit het Cator en Van Zwet-rapport en het NORSAR/NGI-rapport niet zonder meer dat de conclusie in het TNO/KNMI-rapport dat bij een aardbeving met een magnitude van 3.9 geen aanzienlijke tot zware schade zal ontstaan onjuist is. Hierbij komt dat het Cator en Van Zwet-rapport is opgesteld door statistisch adviseurs zonder deskundigheid op het gebied van aardbevingen. Nu in het TNO/KNMI-rapport staat dat hierin een globale schatting is gegeven van de te verwachten ernst van de schade en dat deze alleen op hoofdlijnen is te kwantificeren, kan gelet op voormelde onbestreden opmerking van prof. B.H. Hager van het MIT niet worden uitgesloten dat bij een aardbeving met een magnitude van 3.9 aan sommige gebouwen zwaardere schade zal ontstaan. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat de ministers de effecten van aardbevingen hebben onderschat.

voorschriften aan opslagplan TAQA

2.26. Gasalarm2 stelt dat de minister van EL&I niet heeft onderkend dat niet duidelijk is waar de centrale breukstructuur van het gasveld Bergermeer is gelegen, zodat het voorschrift dat voor de injectie van gas alleen die putten mogen worden gebruikt waarvan het doorsnijdingspunt in de reservoirlaag op een afstand van 200 meter hiervan is gelegen, zoals opgenomen in artikel 11 van het instemmingsbesluit opslagplan, ontoereikend is. De extensie van de centrale breukstructuur is volgens Gasalarm2 evenmin duidelijk.

2.26.1. De minister van EL&I stelt dat de positie en extensie van de centrale breuk bekend zijn. TAQA heeft in haar schriftelijke uiteenzetting toegelicht dat put 6 de centrale breuk doorboort, waardoor de positie nauwkeurig bekend is. De richting van de breuk is door analyse van seismiek berekend, aldus TAQA.

2.26.2. In het TNO Bouw en Ondergrond-rapport staat dat de temperatuurverlaging rond de putten de stabiliteit van de breuken niet beïnvloedt zolang een minimumafstand van 200 meter van de breuken wordt aangehouden.

In het deskundigenbericht staat dat de afgelopen anderhalf jaar een gedetailleerde re-processing met herinterpretatie van de seismiek heeft plaatsgevonden. Hierdoor is een nauwkeuriger beeld ontstaan van de structuur van het reservoir en de breuken. De conclusie is dat de positie van de centrale breuk niet is gewijzigd ten opzichte van eerdere aannames. Overigens is put 6 dwars door de centrale breuk heen geboord. Op dit punt is de exacte situering van de breuk ook los van de seismiek bekend.

Gasalarm2 heeft het deskundigenbericht op dit punt niet gemotiveerd betwist. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat artikel 11 van het instemmingsbesluit opslagplan niet adequaat is.

2.27. Gasalarm2 stelt voorts dat in het instemmingsbesluit opslagplan ten onrechte geen lage injectiesnelheid is voorgeschreven bij putten die relatief dicht bij breuken zijn gelegen. De verplichting voor TAQA om de micro-seimische activiteit in het gasveld Bergermeer te monitoren en een studie te overleggen naar de invloed van de snelheid van spanningsveranderingen op de seimische respons van het reservoir, zoals opgenomen in de artikelen 6 en 7 van het instemmingsbesluit opslagplan, is volgens Gasalarm2 en [appellant sub 12] onvoldoende om te voorkomen dat onaanvaardbare seismische risico's ontstaan.

2.27.1. In het TNO Bouw en Ondergrond-rapport zijn geen specifieke waarden gegeven omtrent de aan te houden injectiesnelheid bij putten die dicht bij de breuken zijn gelegen, daarvan heeft de minister van EL&I in het instemmingsbesluit opslagplan opgenomen dat hier een nadere studie naar moet worden verricht door TAQA. Voorts dient TAQA volgens de minister het gasveld Bergermeer te monitoren en kunnen op basis van de inzichten die hieruit voortkomen de activiteiten in het gasveld worden bijgesteld of worden stopgezet.

2.27.2. Gasalarm2 stelt terecht dat in het instemmingsbesluit opslagplan niet is voorgeschreven dat bij putten die relatief dicht bij breuken zijn gelegen een lage injectiesnelheid dient te worden aangehouden, zoals is aanbevolen in het TNO Bouw en Ondergrond-rapport. TAQA heeft ter voldoening aan de verplichting nader onderzoek te verrichten naar de invloed van snelheid van spanningsveranderingen op de seismische respons van het reservoir het GeoMechanics-rapport laten opstellen. In dit rapport staat, zoals is overwogen in 2.24.6, dat de voorziene snelheid van injectie en productie van gas geen significant effect heeft op de stabiliteit van het reservoir en de breuk. Alleen bij injectie- en productiesnelheden die ver boven de technische mogelijkheden van de installaties liggen, zal de druk een klein destabiliserend effect hebben, aldus het Geo-Mechanics-rapport. De minister van EL&I heeft, gelet hierop, in redelijkheid kunnen besluiten in het instemmingsbesluit opslagplan geen voorschriften op te nemen omtrent de injectiesnelheid van gas.

2.28. Gasalarm2 stelt dat in het instemmingsbesluit opslagplan ten onrechte niet is vastgelegd wat de maximale dynamische drukgradiënten zijn die in het reservoir bij injectie en productie toelaatbaar zijn, noch dat het toelaatbare drukverschil tussen de twee compartimenten van het reservoir maximaal 5 bar mag zijn. Voorts stelt Gasalarm2 dat in het instemmingsbesluit opslagplan ten onrechte voorschriften ontbreken omtrent de perioden gedurende welke gas mag worden geïnjecteerd en geproduceerd, alsmede voorschriften omtrent een minimaal aan te houden reservoirdruk.

2.28.1. De minister stelt dat op voorhand niet kan worden vastgesteld hoe groot het drukverschil tussen de twee compartimenten van het reservoir mag zijn, zodat hierover in het instemmingsbesluit opslagplan geen voorschriften zijn opgenomen. Wel dient TAQA micro-seismische monitoringstechnieken toe te passen om het effect van gasinjectie en gasproductie op de breuk tussen de verschillende compartimenten te monitoren en deze zo nodig bij te stellen zodat geen verhoogde seismiciteit optreedt.

2.28.2. In het deskundigenbericht staat dat voor het ontstaan van aardbevingen de ondergrens van de reservoirdruk van belang is. Samen met de maximale druk wordt dan het werkbereik begrensd waarbinnen elk jaar wordt geïnjecteerd, dan wel gewonnen. In het instemmingsbesluit opslagplan zijn geen grenzen gesteld voor de minimaal aan te houden gemiddelde druk in het reservoir. Voorts staat in het deskundigenbericht dat het gesteente in het reservoir een zeer hoge permeabiliteit heeft, waardoor de druk zich snel binnen het reservoir verspreidt en er geen sprake is van hoge drukgradiënten. In het deskundigenbericht staat verder dat door TNO Bouw en Ondergrond onderzoek is gedaan naar drukverschillen tussen de twee reservoirdelen, waarvan de resultaten zijn vastgelegd in het rapport 'Effects of differential pressures across the central Bergermeer fault' van 16 januari 2009. In dit rapport zijn geen maximaal veilige drukverschillen tussen de twee reservoirdelen gedefinieerd. Daarbij is in overweging genomen dat zelfs bij een gelijke druk tussen de twee reservoirdelen er verschuiving in het breukvlak mogelijk is. TAQA is voornemens de opslag zo te beheren dat het verschil in druk tussen de twee reservoirdelen zo klein mogelijk blijft, aldus het deskundigenbericht.

2.28.3. Volgens het deskundigenbericht is in het reservoir geen sprake van hoge drukgradiënten. Gasalarm2 heeft het deskundigenbericht op dit punt niet gemotiveerd betwist. Anders dan Gasalarm2 stelt, heeft de minister van EL&I zich derhalve niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het niet noodzakelijk was in het instemmingsbesluit opslagplan hieromtrent voorschriften op te nemen.

2.28.4. Dat een drukverschil tussen de twee delen van het reservoir, alsmede een lage druk in het reservoir, kan leiden tot een toename van seismische activiteit betekent, anders dan Gasalarm2 stelt, niet zonder meer dat de minister van EL&I in het instemmingsbesluit opslagplan hieromtrent voorschriften had moeten opnemen. Nu niet duidelijk was bij welke druk en bij welk drukverschil een toename van seismische activiteit was te verwachten en een (micro)seismisch monitoringssysteem om de seismische respons van het reservoir te bepalen, is voorgeschreven, ziet de Afdeling niet dat de minister niet in redelijkheid kon volstaan met monitoring die inzicht verschaft in de seismische respons van het gasveld. Op basis hiervan kunnen de activiteiten immers worden bijgesteld door bijvoorbeeld het injectietempo aan te passen, de verdeling van de injectievolumes over de verschillende putten aan te passen of kunnen de activiteiten worden stopgezet. Indien uit de monitoring blijkt dat een ontoelaatbare toename van seismische activiteit wordt gemeten kan dit bovendien aanleiding zijn voor het alsnog opnemen van voorschriften in het instemmingsbesluit opslagplan.

2.28.5. Het doel van de voorziene ondergrondse opslag is onder meer gelegen in het beschermen van de leveringszekerheid van het Nederlandse aardgassysteem en het beschermen tegen plotselinge aanvoeronderbrekingen en tekorten aan gas. Gelet hierop hebben de ministers zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet opportuun is om in het instemmingsbesluit opslagplan voor te schrijven dat gas uitsluitend in bepaalde periodes mag worden geïnjecteerd en geproduceerd.

2.29. Gasalarm2 stelt voorts dat het door TAQA opgestelde plan van maatregelen om bodembewegingen te voorkomen of te beperken, zoals voorgeschreven in artikel 10 van het instemmingsbesluit opslagplan, onvoldoende concrete maatregelen bevat.

2.29.1. Ingevolge artikel 10 van het instemmingsbesluit opslagplan beschikt TAQA over een plan, dat is opgesteld ten genoegen van de Inspecteur-generaal der Mijnen en is overgelegd aan de minister van EL&I, waarin is vastgelegd welke maatregelen TAQA neemt om bodembeweging te voorkomen of te beperken op basis van de metingen die met het (micro)seismische monitoringssysteem zijn verkregen.

2.29.2. TAQA heeft op 31 maart 2011 het in artikel 10 van het instemmingsbesluit opslagplan voorgeschreven plan van maatregelen ter voorkoming of beperking van bodembewegingen overgelegd. Bij brief van 13 mei 2011 heeft de Inspecteur-generaal der Mijnen zijn instemming hiermee verleend. In het plan van maatregelen is een veiligheidmanagementsysteem met bijhorende beheersacties opgenomen. Hetgeen Gasalarm2 aanvoert, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het in artikel 10 van het instemmingsbesluit opslagplan opgenomen voorschrift niet toereikend is. Reeds hierom kan hetgeen Gasalarm2 stelt niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Voor zover Gasalarm2 bezwaren heeft tegen de inhoud van het plan van maatregelen, overweegt de Afdeling dat in deze procedure slechts artikel 10 van het instemmingsbesluit opslagplan aan de orde is en niet de inhoud van het plan van maatregelen.

2.30. Gasalarm2 en Milieudefensie stellen voorts dat het instemmingsbesluit opslagplan ten onrechte niet voorziet in een voorschrift omtrent voortijdige beëindiging van de gasopslag in geval van aardbevingen met een uitzonderlijk hoge magnitude of frequentie.

2.30.1. De minister van EL&I heeft zich op het standpunt gesteld dat het opnemen van een voorschrift over voortijdige beëindiging van de gasopslag in geval van aardbevingen met een uitzonderlijk hoge magnitude of frequentie in het instemmingsbesluit opslagplan geen toegevoegde waarde heeft, nu de Mijnbouwwet voldoende mogelijkheden biedt om in te grijpen en maatregelen te nemen indien dat nodig is.

2.30.2. De minister van EL&I heeft op grond van de Mijnbouwwet bevoegdheden om in geval van aardbevingen met een uitzonderlijk hoge magnitude of frequentie in te grijpen. Ingevolge artikel 36, derde lid, van de Mijnbouwwet, gelezen in samenhang met het eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 39, eerste lid, aanhef en onder b, kan de minister van EL&I zijn instemming met het opslagplan intrekken of de beperkingen en voorschriften wijzigen in verband met het risico ten gevolge van beweging van de aardbodem. Ingevolge artikel 50 van de Mijnbouwwet, gelezen in samenhang met artikel 49, kan de minister van EL&I in gevallen waarin ernstige aantasting van de veiligheid ontstaat of dreigt te ontstaan, dan wel vanwege het beperken van schade ten gevolge van bewegingen van de aardbodem, maatregelen voorschrijven ten aanzien van de gasopslag. De minister van EL&I heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in het licht hiervan geen aanleiding bestond om in het instemmingsbesluit opslagplan de door Gasalarm2 en Milieudefensie gewenste voorschriften omtrent voortijdige beëindiging van de gasopslag op te nemen.

2.31. Gasalarm2 stelt voorts dat in het instemmingsbesluit opslagplan ten onrechte niet is voorgeschreven dat de reservoirdruk in de toekomst niet verder mag worden verhoogd dan de op grond van artikel 2 van het instemmingsbesluit opslagplan toegestane maximale druk van 133 bar. Ten slotte stelt Gasalarm2 dat in het instemmingsbesluit opslagplan ten onrechte niet is opgenomen wat er met het gasveld zal gebeuren indien de gasopslag wordt beëindigd.

2.31.1. De minister van EL&I stelt dat nog onvoldoende onderzoek is verricht om een besluit te kunnen nemen over eventuele verdere verhoging van de toegestane maximale druk in het reservoir, dan wel om te beslissen dat de thans toegestane maximale druk in het reservoir nimmer zal worden verhoogd. Nu de verwachting is dat de voorziene ondergrondse gasopslag 50 jaar in bedrijf zal zijn, is het volgens de minister niet opportuun om thans beslissingen te nemen over de beëindiging hiervan.

2.31.2. In de aan het besluit ten grondslag liggende onderzoeken is uitgegaan van een maximale reservoirdruk van 133 bar. Mocht TAQA de reservoirdruk willen verhogen dan dient zij hiertoe een aanvraag om wijziging van het opslagplan in te dienen. Belanghebbenden kunnen tegen een besluit op deze aanvraag rechtsmiddelen aanwenden.

Voorts heeft de minister van EL&I zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestond om in het instemmingsbesluit opslagplan voorschriften op te nemen omtrent beëindiging van de gasopslag. Ingevolge artikel 39 van het Mijnbouwbesluit dient TAQA immers voor het beëindigen van de gasopslag een sluitingsplan op te stellen waarmee de minister van EL&I dient in te stemmen en waartegen door belanghebbenden rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

Aanvaardbaarheid

2.32. Het vorenoverwogene overziende, komt de Afdeling tot de slotsom dat de ministers zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het risico op aardbevingen dat met het plan gepaard gaat aanvaardbaar is.

2.32.1. De ministers hebben zich, zoals is overwogen in 2.24.3 tot 2.24.9, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de maximale magnitude van aardbevingen die kunnen ontstaan vanwege de voorziene ondergrondse gasopslag in het gasveld Bergermeer 3.9 op de schaal van Richter is en dat de kans op een aardbeving met een dergelijke magnitude zeer klein is. Hoewel aan de ondergrondse opslag van gas in het gasveld Bergermeer een aantal onduidelijkheden en onzekerheden zit, zoals onder meer de kans op en frequentie van aardbevingen met een magnitude tot 3.9 en de invloed van drukverschillen tussen de twee reservoirdelen, betekent dit niet dat de Minister van EL&I zijn instemming aan het opslagplan had moeten weigeren. Daarbij is van belang dat TAQA op grond van het instemmingsbesluit opslagplan het reservoir dient te monitoren en hierover verantwoording dient af te leggen en dat de minister van EL&I op grond van de Mijnbouwwet de bevoegdheid heeft om het instemmingsbesluit opslagplan te wijzigen of in te trekken, indien het risico op aardbevingen groter blijkt dan is voorgesteld. Dat zich als gevolg van mogelijke aardbevingen schade kan voordoen, waarbij niet kan worden uitgesloten dat bij een aardbeving met een magnitude van 3.9 aan sommige gebouwen aanzienlijke tot zware schade zal ontstaan, betekent naar het oordeel van de Afdeling evenmin dat de minister van EL&I zijn instemming aan het opslagplan had moeten weigeren. De ministers hebben aan de zeer kleine kans dat zich een dergelijke aardbeving zal voordoen, in redelijkheid geen doorslaggevend belang hoeven toe te kennen. Anders dan [appellant sub 11] betoogt hebben de ministers zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan de angst voor aardbevingen bij omwonenden evenmin een doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend.

Geluid

geluidbronnen

2.33. SOOB heeft de beroepsgrond dat de geluidbelasting ten behoeve van de aanleg, het gebruik en het onderhoud van de gasleidingen onvoldoende is onderzocht ter zitting ingetrokken.

2.34. SOOB betoogt dat de geluidbronnen van het project bij de vaststelling van het plan onvoldoende in kaart zijn gebracht. Ten onrechte zijn de geluideffecten ten gevolge van de bewerkingsinstallatie niet bij de beoordeling betrokken. Voorts is geen beoordeling gemaakt van de geluideffecten van de verwijdering van de puttenlocatie.

2.34.1. De ministers stellen dat de besluiten niet zien op de verwijdering van de puttenlocatie en de verwijdering van de gasleidingen. Gelet hierop behoefde hiermee bij de vaststelling van de besluiten volgens hen geen rekening te worden gehouden. Voorts is volgens de ministers in verschillende documenten ingegaan op de geluideffecten van de bewerkingsinstallatie.

2.34.2. Ten behoeve van het project is onderzoek verricht naar de te verwachten geluidbelasting van de bewerkingsinstallatie. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het door DHV opgestelde rapport "Geluidprognose, gasbehandeling en compressie Boekelermeer Zuid 2" van oktober 2008. In dit rapport zijn de effecten van twee te onderscheiden productieprocessen van de installatie, te weten de productie- en de injectiefase onderzocht. De stelling van SOOB dat de geluideffecten van de bewerkingsinstallatie in het geheel niet zijn bezien mist feitelijke grondslag.

Ten aanzien van het betoog dat de geluidbelasting ten gevolge van het verwijderen van de puttenlocatie Bergermeer en de gasleidingen niet is onderzocht, overweegt de Afdeling dat de voorliggende besluiten uitsluitend betrekking hebben op de aanleg en het gebruik van de leidingen en de puttenlocatie. Gelet op het vorenstaande bestond geen aanleiding de verwijdering van de puttenlocatie en de gasleidingen bij de beoordeling te betrekken.

Geluidvoorschriften zoals opgenomen in de milieuvergunning voor de gasopslag- en waterinjectie-installatie ter plaatse van de puttenlocatie

2.35. SOOB betoogt dat de ministers niet hebben onderbouwd waarom wordt afgeweken van de richtwaarden uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de handreiking) bij het vaststellen van de geluidgrenswaarden in de milieuvergunning voor de puttenlocatie. Voorts betoogt SOOB dat geen sprake is van een bestaande inrichting, zodat van andere geluidnormen uit de handreiking diende te worden uitgegaan.

Indien wordt uitgegaan van een bestaande inrichting is de toegestane geluidbelasting voor een aantal woningen volgens de SOOB en [appellant sub 12] in strijd met de handreiking. Voor deze afwijking is ten onrechte rechtvaardiging gezocht in het Besluit algemene regels milieu mijnbouw (hierna: het Barmm). Het Barmm is niet van toepassing op de gasopslag- en waterinjectieinstallatie. Daarnaast staat het Barmm volgens SOOB hogere geluidgrenswaarden slechts toe in korte perioden van twee tot drie maanden, terwijl de boringen in het onderhavige geval twee tot drie jaar zullen duren. Voorts bestrijdt SOOB dat de gestelde geluidgrenswaarden zijn gebaseerd op toepassing van de best beschikbare technieken (hierna: BBT). In dit verband verwijst zij naar het in opdracht van haar door Peutz opgestelde rapport "Geluid in de omgeving ten gevolge van de gasopslag- en waterinjectieinstallatie te Bergermeer" van 30 juni 2011 (hierna: het rapport van Peutz ten aanzien van Bergermeer). Naast het BTT-pakket 1 waar de ministers van zijn uitgegaan bestaat er volgens hen een BTT-pakket 2, waarmee verdergaande geluidreductie kan worden bereikt. Voorts betoogt SOOB dat ten onrechte niet is uitgegaan van een stille boorinstallatie. Met de uiteindelijke keuze voor de boorinstallatie Deutag T46, met volgens SOOB een bronsterkte van 117 dB(A), is in akoestisch opzicht een slechter alternatief gekozen dan de boorinstallatie Synergy waar in het MER en bij de vaststelling van de geluidgrenswaarden aanvankelijk van is uitgegaan.

2.35.1. De ministers stellen dat zij in het kader van de hen toekomende beoordelingsvrijheid bij het stellen van de geluidgrenswaarden, bij het ontbreken van een gemeentelijke nota industrielawaai, zijn aangesloten bij de richtwaarden uit de handreiking. De ministers hebben er evenwel voor gekozen de handreiking niet onverkort toe te passen. In de gevallen waarin de richtwaarden uit de handreiking niet haalbaar bleken, is van de handreiking afgeweken en is aansluiting gezocht bij de normen uit het Barmm. Dat het Barmm niet rechtstreeks van toepassing is, betekent volgens de ministers niet dat hierbij in het kader van de beoordelingsvrijheid geen aansluiting kan worden gezocht. Volgens de ministers is het Barmm gebaseerd op de BBT binnen de mijnbouwsector. Door de geluidgrenswaarden uit dit besluit te hanteren wordt de BBT toegepast. Gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval, de duur van de boringen en de aard van de omgeving zijn in dit geval verdergaande geluidreducerende maatregelen getroffen. Voorts kan de boormachine waarmee de boringen zullen worden uitgevoerd volgens de ministers in akoestisch opzicht tot de BBT worden gerekend.

2.35.2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een revisievergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer, bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt de ministers een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.35.3. Ingevolge artikel 5, tweede lid, onder a, van het Barmm is dit besluit niet van toepassing op werkzaamheden met behulp van een mobiele installatie die plaatsvinden op een locatie die gelegen is in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b (tot 3 zeemijl uit de kust) of d van punt 1 van onderdeel A van de bijlage, behorende bij het Besluit milieueffectrapportage. Ingevolge onder b van punt 1 van onderdeel A van de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage wordt onder een gevoelig gebied onder meer verstaan een kerngebied, begrensd natuurontwikkelingsgebied of begrensde verbindingszone, dat deel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur, zoals die structuur is vastgelegd in een geldend bestemmingsplan of, bij het ontbreken daarvan, in een geldende structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Wro, of, bij het ontbreken daarvan, zoals die structuur voorkomt op de kaart Ecologische Hoofdstructuur, behorend bij deel 4 van het Structuurschema Groene Ruimte (LNV-kenmerk GRR-95194). De puttenlocatie is gelegen in de EHS zodat het Barmm niet op de activiteiten van toepassing is, maar een vergunningplicht op grond van Wet milieubeheer geldt.

2.35.4. Bij het vaststellen van de geluidgrenswaarden hebben de ministers aansluiting gezocht bij de richtwaarden uit de handreiking en bij het Barmm.

In de handreiking staan richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. De ministers hebben zich op het standpunt gesteld dat het gebied rond de installatie zich kenmerkt als 'landelijke omgeving'. Voor een 'landelijke omgeving' gelden als richtwaarden 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond-, en nachtperiode.

In voorschrift IV1 van de milieuvergunning voor de gasopslag- en waterinjectie-installatie is bepaald dat tijdens het boren en het plegen van de workovers de geluidvoorschriften IV2 t/m IV5 van toepassing zijn. Ingevolge voorschrift IV3 geldt voor de woning met de hoogste geluidbelasting aan de Bergerweg 92 dat het equivalente geluidniveau gedurende de nachtperiode niet meer bedraagt dan 47 dB(A) indien het om een boorlocatie op het oostelijk deel van de locatie gaat, 44 dB(A) bij een boorlocatie op het westelijk deel van de locatie en niet meer dan 45 dB(A) bij een noordelijke situering van de boorlocatie. Gedurende de avondperiode bedraagt het door de inrichting veroorzaakte geluidniveau de genoemde waarde vermeerderd met 1 dB(A). Gedurende de dagperiode bedraagt het door de inrichting veroorzaakte geluidniveau de genoemde waarde vermeerderd met 2 dB(A), met dien verstande dat de beoordelingshoogte dan 1,5 meter boven het maaiveld bedraagt. Voor de overige plaatsen, variëren de geluidwaarden, afhankelijk van de locatie van de boorinstallatie, van 29 dB(A) tot 45 dB(A) in de nachtperiode.

Gelet op het vorenstaande staat vast dat voor een aantal plaatsen de richtwaarden uit de handreiking worden overschreden.

2.35.5. Ter invulling van de aan hen toekomende beoordelingsvrijheid hebben de ministers in de gevallen waarin de richtwaarden uit de handreiking niet kunnen worden gehaald bij de vaststelling van de geluidgrenswaarden aansluiting gezocht bij de geluidwaarden uit het Barmm.

Ingevolge artikel 19 van het Barmm geldt voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau veroorzaakt door de mobiele installatie en in verband met de mobiele installatie verrichte werkzaamheden en activiteiten dat de geluidgrenswaarden op een afstand van 300 meter vanaf de mobiele installaties een maximale geluidbelasting van 60 dB(A) gedurende de dagperiode, 55 dB(A) in de avondperiode en 50 dB(A) in de nachtperiode.

De ministers achten afwijking van de richtwaarden uit de handreiking tot de maximale geluidgrenswaarden uit het Barmm aanvaardbaar, omdat de ligging in de EHS de reden is dat het Barmm niet van toepassing is. Bepalend voor de normstelling in de vergunning zijn volgens de Nota van antwoord bij het inpassingsplan echter niet de effecten die het door de inrichting veroorzaakte geluid kan hebben op de waarden van de EHS. De normstelling wordt volgens de Nota van antwoord bepaald door de afstand tot de installatie. De ligging van de locatie in de EHS behoeft volgens de ministers niet tot lagere geluidnormen ten aanzien van woningen te leiden. Daarnaast zijn de normen uit het Barmm specifiek van toepassing op de onderhavige categorie activiteiten. De Afdeling ziet gelet op het vorenstaande geen grond voor het oordeel dat de ministers, gelet op de hen bij de toepassing van artikel 8.11 van de Wet milieubeheer toekomende beoordelingsvrijheid, bij het stellen van geluidvoorschriften voor de gasopslag- en waterinjectie-installatie tijdens boringen en workovers geen aansluiting heeft mogen zoeken bij de voorschriften uit het Barmm.

Met betrekking tot het betoog van SOOB dat de ministers niet mochten aansluiten bij de normen uit het Barmm, omdat in de Nota van toelichting bij het Barmm staat vermeld dat boorwerkzaamheden doorgaans twee tot drie maanden in beslag nemen, terwijl de onderhavige booractiviteiten minimaal twee jaar zullen duren, overweegt de Afdeling dat in het Barmm voor de toepassing daarvan de duur van de activiteiten niet als zodanig als criterium is opgenomen. Daarnaast wijzen de ministers erop dat de periode waarin omliggende woningen aan een zekere geluidbelasting worden blootgesteld korter zal zijn dan de totale duur van de booractiviteiten, nu de exacte locatie waar de boringen plaatsvinden varieert. Voorts is rekening gehouden met de relatief lange duur van de activiteiten door niet de maximale geluidnormen uit het Barmm in de geluidgrenswaarden op te nemen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de ministers gelet op de duur van de activiteiten in redelijkheid niet hebben kunnen aansluiten bij het Barmm.

Voor zover SOOB betoogt dat de ministers er ten onrechte van zijn uitgegaan dat de gasopslag- en waterinjectieinstallatie een bestaande inrichting betreft, hetgeen volgens hen betekent dat aan lagere geluidgrenswaarden uit de handreiking diende te worden getoetst, overweegt de Afdeling dat de handreiking uitsluitend bij afwijking van de richtwaarden onderscheid maakt tussen nieuwe en bestaande inrichtingen. Nu de ministers de handreiking in zoverre niet aan de besluitvorming ten grondslag hebben gelegd is in dit kader niet relevant of de inrichting al dan niet als bestaande inrichting dient te worden aangemerkt.

2.35.6. Ten aanzien van het betoog dat niet is voldaan aan de BBT stelt de Afdeling vast dat in bijlage 1 bij de Regeling aanwijzing BBT-documenten geen documenten zijn opgenomen die van toepassing zijn op de geluidemissie van booractiviteiten in het kader van mijnbouwprojecten. In het geval van het ontbreken van een toepasselijk BREF moet ter bepaling van de BBT worden aangesloten bij de actuele stand van de techniek. In de Nota van toelichting bij het Barmm staat vermeld dat met toepassing van de BBT de grenswaarden uit dit besluit bij een activiteit als de onderhavige niet worden overschreden. Het Barmm is op 3 april 2008 in werking getreden. Volgens het deskundigenbericht kan derhalve worden aangenomen dat de normen uit het Barmm zijn gebaseerd op BBT. De Afdeling ziet geen aanleiding dit standpunt onjuist te achten. De ministers hebben voorts uiteengezet dat gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, de aard van de omgeving en de duur van de boringen in de geluidvoorschriften een verdergaande geluidreductie is verdisconteerd, te weten het zogenoemde BBT-1 pakket. Dit maatregelenpakket omvat de aanleg van een 10kV kabel voor het genereren van elektriciteit in plaats van een dieselgenerator. Daarnaast zal een geluidscherm van 10 meter hoog rond de afzonderlijke twee vlakken van de inrichting worden geplaatst en wordt uitsluitend met één boormachine geboord, zonder dat de totale duur van de boorperiode zal worden verlengd. Dat verdergaande geluidreducerende maatregelen mogelijk zijn, waartoe in voorschrift IV4, het zogenoemde BBT2-pakket, een onderzoeksverplichting is opgenomen, betekent niet dat geen toepassing is gegeven aan de BBT.

Ten aanzien van het verschil tussen de boorinstallatie Synergy en Deutag T 46 hebben de ministers uiteengezet dat in het rapport van Peutz ten aanzien van Bergermeer ten onrechte alle bronnen bij elkaar worden opgeteld. Zonder voor richtingafhankelijkheid, de afscherming van het binnenterrein en de tijd dat de bronnen in werking zijn te corrigeren, wordt voor de T46 tot een bronvermogen van 117 dB(A) vastgesteld en voor de Synergy een bronvermogen van 110 dB(A). Wanneer met deze aspecten rekening wordt gehouden, bedraagt het totale bronvermogen van de Deutag T46 113-114 dB(A) en voor de Synergy 111 dB(A), aldus de ministers. Ten aanzien van de te hanteren boorinstallatie staat in het deskundigenbericht vermeld dat het type boorinstallatie dat nodig is voor de boringen voor het onderhavige project bestaat uit een aantal vaste elementen die akoestisch relevant zijn. Gelet hierop zal de geluidprestatie van de verschillende boormachines niet veel verschillen. SOOB heeft op zichzelf terecht naar voren gebracht dat er boorinstallaties bestaan met een lagere geluidbelasting, maar deze boormachines bieden volgens het deskundigenbericht niet het benodigde vermogen om de boringen in het onderhavige geval te kunnen uitvoeren. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat dit onjuist is. Daarnaast wijst de Afdeling erop dat in het door DHV opgestelde rapport "Geluidprognose Bergermeer ten behoeve van Bergermeer gas storage" van oktober 2008 een vergelijking is gemaakt tussen de twee boorinstallaties. Geconcludeerd wordt dat de geluidbelasting van de Synergy en de Deutag op een afstand van 300 meter in het geval van een met diesel aangedreven motor gelijk is, te weten 48 dB(A). Zonder met diesel aangedreven motor is de geluidbelasting van de Synergy 47 dB(A) en van de Deutag T46 46 dB(A).

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat bij het vaststellen van de geluidgrenswaarden voor de boringen en workovers niet is uitgegaan van de BBT. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat door de boringen uit te voeren met de Deutag 46 een relevant hogere geluidbelasting zal ontstaan dan bij gebruik van de Synergy, waarvan in het MER is uitgegaan.

2.36. SOOB en [appellant sub 12] betogen dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de binnenwaarden van een aantal woningen. Op grond van de handreiking bestaat volgens SOOB de verplichting onderzoek te verrichten naar het binnenniveau indien de geluidbelasting op de gevel van de woning 50 dB(A) of meer bedraagt. Dat TAQA een deel van de bewoners heeft voorgesteld onderzoek te doen naar de binnenwaarden in de woningen is onvoldoende, aldus SOOB. In dit verband wijst [appellant sub 12] erop dat de bestaande woningen in de omgeving van de puttenlocatie niet voldoen aan het Bouwbesluit.

2.36.1. De ministers stellen dat in de vergunningvoorschriften voor het geluidniveau in de woningen geen grenswaarden kunnen worden gesteld. Nu de belasting op de gevels in de nachtperiode niet hoger is dan 50 dB(A) behoefde er volgens de ministers geen nader onderzoek te worden verricht naar de binnenwaarden in de woningen.

2.36.2. In artikel 19, onder a, van het Barmm wordt een binnenwaarde van maximaal 30 dB(A) voorgeschreven en in de handreiking industrielawaai, wordt eveneens een binnenwaarde van 30 dB(A) vermeld. De ministers zijn ervan uitgegaan dat de gevels van de woningen in de omgeving van de locatie een minimale geluidisolatie hebben van 20 dB(A). In het deskundigenbericht staat ten aanzien van de door de ministers gehanteerde geluidwerende werking van 20 dB(A) vermeld dat dit een gangbare waarde is. Volgens het deskundigenbericht is niet gebleken dat bepaalde woningen in de omgeving in een zodanige staat verkeren dat een gevelisolatie van 20 dB(A) niet haalbaar is. De enkele stelling van [appellant sub 12] dat de woningen dateren van voor 2003 geeft geen aanleiding hieraan te twijfelen.

Nu de maximale geluidbelasting op de gevels van de woningen in de nachtperiode de 50 dB(A) niet zal overschrijden hebben de ministers er naar het oordeel van de Afdeling van kunnen uitgaan dat de binnenwaarde in de woningen in de nachtperiode niet hoger zal zijn dan 30 dB(A). Overigens hebben de ministers erop gewezen dat TAQA heeft toegezegd aan de eigenaren van de woningen in de omgeving met een geluidbelasting op de gevel in de nachtperiode van 40 dB(A) of hoger een aanbod te doen een onderzoek te verrichten naar de binnenwaarde van geluidgevoelige ruimten. Op verzoek van deze eigenaren kunnen op kosten van TAQA isolerende maatregelen worden getroffen. Uitgangspunt daarbij is dat in de geluidgevoelige ruimten een binnenwaarde van 25 dB(A) wordt verzekerd.

2.37. Onder verwijzing naar het rapport van Peutz ten aanzien van de locatie Bergermeer betoogt SOOB dat de voorschriften IV4 en IV5 ten onrechte voorzien in een inspanningsverplichting in plaats van een resultaatsverplichting. Er zijn geen criteria gegeven op grond waarvan zal worden beoordeeld of de voorschriften haalbaar zijn. Daarnaast is de termijn van twee maanden zoals opgenomen in voorschrift IV4 niet haalbaar volgens SOOB. De termijn van zes maanden in voorschrift IV5 is volgens haar te ruim, waardoor het risico bestaat dat omwonenden aan een te hoge geluidbelasting worden blootgesteld. Daarnaast dient de monitoring niet te worden beperkt tot de woning aan de Bergerweg 92, maar dienen alle potentiële overschrijdingslocaties te worden gemonitord, aldus SOOB.

2.37.1. De ministers stellen dat de voorschriften IV4 en IV5 de verplichting bevatten verdergaand onderzoek te doen naar geluidreducerende maatregelen. Indien de maatregelen technisch haalbaar en uitvoerbaar zijn, dienen deze te worden uitgevoerd. De achtergrond hiervan is dat verdere geluidreductie pas kan worden behaald op grond van concrete feiten en omstandigheden. Daarnaast achten de ministers de in de voorschriften opgenomen termijnen haalbaar. Voorts stellen de ministers zich op het standpunt dat door monitoring van de woning met de hoogste geluidbelasting een goed beeld kan worden verkregen van de geluidbelasting ten gevolge van de activiteiten van de inrichting.

2.37.2. Ingevolge voorschrift IV4 wordt voorafgaand aan de installatie ter plaatse van de Bergermeerlocatie onderzocht welke verdergaande akoestische maatregelen mogelijk zijn om de in voorschrift IV3 genoemde geluidsniveaus verder te reduceren; door middel van een akoestisch onderzoek wordt aangetoond welke reductie hiermee bereikt kan worden; dit akoestisch onderzoek wordt uiterlijk twee maanden voor de plaatsing van de boorinstallatie door tussenkomst en met advies van de Inspecteur-generaal der Mijnen ter goedkeuring ingediend bij het bevoegd gezag; haalbare maatregelen, dit ter beoordeling van het bevoegd gezag, worden voor aanvang van de eerste boring geïmplementeerd.

Ingevolge voorschrift IV5 wordt onmiddellijk na de plaatsing en ingebruikname van de boorinstallaties onderzocht welke verdergaande akoestische maatregelen mogelijk zijn om de in voorschrift IV3 genoemde geluidsniveaus nog verder dan in voorschrift IV4 bedoeld te reduceren; door middel van akoestisch onderzoek wordt aangetoond welke reductie hiermee bereikt kan worden; dit akoestisch onderzoek wordt uiterlijk vier maanden na aanvang van de eerste boring door tussenkomst en met advies van de Inspecteur-generaal der Mijnen ter goedkeuring ingediend bij het bevoegd gezag; haalbare maatregelen, dit ter beoordeling van het bevoegd gezag, worden binnen zes maanden na aanvang van de eerste boring geïmplementeerd.

De voorschriften IV4 en IV5 verplichten tot verrichten van nader onderzoek naar verdergaande geluidreducerende maatregelen. Nu bij het verlenen van de milieuvergunning nog niet duidelijk was wat voor maatregelen het zou betreffen, zijn geen nadere criteria opgenomen. Na het onderzoek is het aan de ministers om te beoordelen welke van de mogelijke maatregelen haalbaar zijn. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de ministers gehouden waren in de voorschriften nadere criteria op te nemen.

Ten aanzien van de in voorschrift IV4 opgenomen termijn van twee maanden hebben de ministers uiteengezet dat deze termijn weliswaar kort is, maar haalbaar moet worden geacht, omdat er nog voldoende tijd is de te treffen maatregelen door te voeren. In het deskundigenbericht staat dat de termijn van twee maanden niet onredelijk is. In de enkele stelling van SOOB dat deze termijn niet haalbaar is, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de termijn onredelijk is.

Ten aanzien van het betoog dat de in voorschrift IV5 opgenomen termijn van zes maanden te lang is, hebben de ministers uiteengezet dat deze termijn nodig is voor het verrichten van het nader onderzoek. In het deskundigenbericht staat vermeld dat deze termijn niet onredelijk is. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de termijn van zes maanden te lang moet worden geacht.

2.37.3. Ingevolge voorschrift IV3, onder c, dient het actuele geluidniveau continu te worden gemonitord en geregistreerd; de monitoring geschiedt zodanig dat een goede indicatie wordt verkregen van het equivalent geluidniveau op de gevel van de meest met geluid belaste woning. Dit betreft de woning aan de Bergerweg 92. In het deskundigenbericht staat dat, nu de locatie van de boringen varieert, het wellicht beter is de geluidbelasting ten aanzien van een aantal woningen in de nabijheid van de puttenlocatie te monitoren. In reactie hierop hebben de ministers naar voren gebracht dat de woning aan de Bergerweg 92 bij alle boorlocaties de hoogste geluidbelasting ondervindt. SOOB heeft dit niet bestreden. Voorts hebben de ministers naar voren gebracht dat met verscheidene microfoons in meerdere richtingen zal worden gemeten. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat voorschrift IV3, onder c, ontoereikend is.

2.38. Voorts betoogt SOOB dat niet kan worden voldaan aan de maximaal toegelaten piekbelasting in de nachtperiode van 60 dB(A) zoals opgenomen in voorschrift IV3, onder b, zodat dit voorschrift niet uitvoerbaar is. Er zullen piekgeluiden optreden die vele malen hoger liggen dan de voorgeschreven 60 dB(A), zodat onaanvaardbare geluidhinder ontstaat voor omwonenden. Daarnaast kan volgens haar niet worden voldaan aan de in voorschrift E.1 opgenomen maximale geluidgrenswaarde tijdens het productieproces van 30 dB(A).

2.38.1. Volgens de ministers is het aantal overschrijdingen van de piekbelasting in de nachtperiode op een afstand van 300 meter van de locatie te verwaarlozen. Daarnaast wijzen de ministers erop dat onder meer de geluidbelasting ten gevolge van pipehandling zijn uitgezonderd van de maximale piekbelasting. Gelet hierop kan aan het voorschrift IV3, onder b, worden voldaan. Volgens de ministers kan eveneens aan de geluidgrenswaarde opgenomen in voorschrift E.1 worden voldaan. In dit verband wijzen de ministers erop dat is afgezien van de injectie met verwarming.

2.38.2. In voorschrift IV3, onder b, van de milieuvergunning voor de gasopslag- en waterinjectie-installatie is opgenomen dat de etmaalwaarde van de door de inrichting veroorzaakte piekniveaus (Lamax) gemeten in de meterstand "fast" ter plaatse van de dichtst bij de inrichting gelegen woning niet meer bedraagt dan 70 dB(A); de genoemde piekniveaus zijn niet van toepassing op het laden en lossen, transportbewegingen en pipehandling; deze activiteiten vinden plaats tussen 7:00 en 19:00 uur, tenzij dit redelijkerwijs onmogelijk is. Met dit voorschrift is aansluiting gezocht bij het bepaalde in artikel 19 van het Barmm.

In de aanvulling op het MER is een overzicht gegeven van de handelingen ten gevolge waarvan piekbelasting kan optreden. Om een beeld te krijgen van de impact van de piekgeluiden zijn de piekgeluiden gekarakteriseerd aan de hand van de afstand waarop het piekniveau 60 dB(A) zal zijn. Hieruit volgt dat op een afstand van 250 meter van de boorinstallatie piekgeluiden voorkomen van 60 dB(A) en hoger. Volgens het deskundigenbericht zijn deze piekniveaus voornamelijk het gevolg van pipehandlingactiviteiten. In voorschrift IV3, onder b, zijn deze activiteiten uitgezonderd van de maximale geluidbelasting, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat voorschrift IV3, onder b, niet uitvoerbaar is.

Ter zitting is namens de ministers verklaard dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om alle pipehandlingactiviteiten tussen 7:00 uur en 19:00 uur te laten plaatsvinden. SOOB heeft dit op zichzelf niet bestreden. Voorts is ter zitting namens de ministers verklaard dat de piekgeluiden hoger dan 60 dB(A) ten gevolge van pipehandling uitsluitend in uitzonderingsgevallen voorkomen. Bij een normale bedrijfsvoering komen de piekgeluiden ten gevolge van pipehandling niet boven de 60 dB(A). Er zullen evenwel incidenteel hogere piekgeluiden door pipehandlingactiviteiten plaatsvinden. Er worden maatregelen getroffen om deze incidenten zo veel mogelijk te voorkomen, zo is namens de ministers ter zitting verklaard. Er wordt een draaiboek opgesteld op grond waarvan de medewerkers zo stil mogelijk dienen te werken en er worden rapporten opgesteld over de oorzaken van de piekgeluiden ten gevolge van pipehandling, wanneer deze zich onverhoopt mochten voordoen, waarna maatregelen zullen worden getroffen om de kans op deze piekgeluiden te verkleinen. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de ministers de incidenteel optredende piekbelasting hoger dan 60 dB(A) ten gevolge van de pipehandling onaanvaardbaar had moeten achten. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de piekbelasting hoger dan 60 dB(A) slechts in uitzonderingsgevallen voorkomt en dat de piekbelasting ten gevolge van de boringen van tijdelijke aard is.

2.38.3. Ingevolge voorschrift E.1 bedraagt het door de werking van de inrichting veroorzaakte geluidniveau gedurende de nachtperiode ter plaatse van de dichtst bij de inrichting gesitueerde woningen, op een hoogte van 5 meter boven het maaiveld, niet meer dan 30 dB(A). Gedurende de dagperiode bedraagt het door de inrichting veroorzaakte geluidniveau niet meer dan deze waarde vermeerderd met 2 dB(A), met dien verstande dat de beoordelingshoogte dan 1,5 meter boven het maaiveld bedraagt. In het door DHV opgestelde rapport "Geluidprognose Bergermeer, ten behoeve van Bergermeer gas storage" van oktober 2008 staat vermeld dat de geluidgrenswaarde opgenomen in het voorschrift E.1 voor de gebruiksperiode overeenkomt met de maximale geluidgrenswaarden zoals opgenomen in de vigerende vergunning. De 35 dB(A) etmaalwaardecontour zoals deze destijds bij de aanvraag voor de vigerende milieuvergunning is berekend ligt op 250 meter van de inrichting. Nu de activiteiten in de gebruiksfase van het project overeenkomen met de activiteiten onder de vigerende vergunning, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de geluidgrenswaarde uit dit voorschrift zal worden overschreden.

Laagfrequent geluid

2.39. [appellante sub 4] voert aan dat het inbrengen van het gas gepaard zal gaan met laagfrequent geluid. Bij de drukverhogingen in het aardgasveld door het inbrengen van het zogenoemde kussengas heeft een omwonende volgens haar reeds overlast ondervonden door lage bromtonen. Gelet hierop had een onderzoeksplicht opgenomen moeten worden.

2.39.1. De ministers hebben uiteengezet dat het niet waarschijnlijk is dat als gevolg van het inbrengen van het kussengas laagfrequent geluid zal optreden. In dit verband verwijzen de ministers naar het rapport "Geluidonderzoek laagfrequent geluid in de gemeente Zuidhorn" van juni 2011 van het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (hierna: NLR) met betrekking tot mogelijk laagfrequent geluid ten gevolge van de gasinstallatie Grijpskerk.

2.39.2. In het onderzoek van het NLR waar de ministers naar verwijzen is bezien in hoeverre laagfrequent geluid in de gemeente Zuidhorn het gevolg zou kunnen zijn van de ter plaatse aanwezige gasopslag. In dit rapport wordt geconcludeerd dat geen rechtstreeks verband kan worden gelegd tussen de gasinstallatie in Grijpskerk en laagfrequent geluid in de omgeving. Gelet hierop behoefden de ministers naar het oordeel van de Afdeling in de niet nader onderbouwde stelling dat een omwonende overlast zou hebben ondervonden van het inbrengen van het kussengas geen aanleiding te zien tot het stellen van een onderzoeksplicht ten aanzien van laagfrequent geluid. Daarbij hebben de ministers in aanmerking kunnen nemen dat een dergelijke onderzoeksverplichting zeer kostbaar is.

Geluidvoorschriften zoals opgenomen in de milieuvergunning voor de bewerkingsinstallatie

2.40. SOOB betoogt, onder verwijzing naar het in haar opdracht door Peutz opgestelde rapport "Geluid in de omgeving ten gevolge van de gasbehandelings- en compressieinstallatie op industrieterrein Boekelermeer Zuid 2 te Alkmaar" van 30 juni 2011, voorts dat de geluidzone rond het industrieterrein Boekelermeer Zuid 2 ten onrechte niet in het inpassingsplan is opgenomen. Evenmin blijkt volgens hen uit het rapport "Geluidprognose gasbehandeling en compressie Boekelermeer Zuid 2. Geluidinformatie tbv MER en Wm-aanvraag" van oktober 2008, opgesteld door DHV (hierna: het rapport van DHV ten aanzien van de locatie Boekelermeer) hoe de installatie in de geluidzone is ingepast. Daarnaast wijst SOOB erop dat er woningen zijn gelegen binnen de geluidzone. Het is volgens haar onduidelijk of voor deze woningen hogere grenswaarden zijn vastgesteld.

2.40.1. De ministers hebben uiteengezet dat de grenswaarden voor het industrieterrein zijn vastgelegd in het bestemmingsplan "Boekelermeer Zuid". De installatie is ingepast in de geluidzone en de nog beschikbare geluidruimte. Ten aanzien van de woningen waar SOOB op wijst, hebben de ministers uiteengezet dat deze woningen zich bevinden op het industrieterrein, zodat de woningen niet binnen de geluidzone vallen.

2.40.2. Ingevolge artikel 3.28 van de Wro gaat het rijksinpassingsplan onderdeel uitmaken van het op dat moment vigerende bestemmingsplan. Het onderhavige plan zal derhalve onderdeel uitmaken van het bestemmingsplan "Boekelermeer Zuid 2". In dit bestemmingsplan is de geluidzone rond het industrieterrein vastgesteld.

In het rapport van DHV ten aanzien van de locatie Boekelermeer wordt geconcludeerd dat de gasbehandelings- en compressieinstallatie kan worden ingepast in de nog beschikbare geluidruimte op het industrieterrein. Uit het deskundigenbericht volgt voorts dat de geluidbelasting ten gevolge van de inrichting volgens de zonebeheerder, de gemeente Alkmaar, kan voldoen aan de zonegrens. In hetgeen SOOB heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is.

Gelet op het vorenstaande hebben de ministers zich met recht op het standpunt gesteld dat geen geluidzone in het rijksinpassingsplan behoefde te worden opgenomen.

Ten aanzien van het betoog dat binnen de zone rond het industrieterrein woningen zijn gelegen waarvoor een hogere grenswaarde dient te worden vastgesteld, overweegt de Afdeling dat de geluidzone reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan Boekelermeer Zuid is vastgesteld. De vaststelling van de geluidzone en de eventuele hogere grenswaarden die ten behoeve van de geluidzone al dan niet zijn vastgesteld, kunnen in deze procedure niet meer aan de orde komen.

Externe veiligheid

Externe veiligheid aardgastransportleidingen

2.41. SOOB heeft ter zitting de beroepsgronden die zien op de verantwoording van de externe veiligheid van de aardgastransportleidingen ingetrokken.

Externe veiligheid puttenlocatie

2.42. SOOB betoogt dat bij de verantwoording van de externe veiligheid van de voorziene puttenlocatie op het Bergermeerterrein een onjuist wettelijk kader is toegepast. SOOB voert hiertoe aan dat ten onrechte de interim handleiding risicoberekeningen externe veiligheid van 24 juni 2010 (hierna: de Interim Handleiding) niet is toegepast.

2.42.1. De ministers hebben zich op het standpunt gesteld dat de methodiek die is gehanteerd in de Kwantitatieve Risico Analyse (hierna: QRA) voor de voorziene puttenlocatie afwijkt van de Interim Handleiding, maar dat de verwachting is dat het hanteren hiervan niet leidt tot een andere uitkomst.

2.42.2. In het rapport "QRA puttenlocatie Bergermeer Gas Storage" van 30 oktober 2008, opgesteld door DHV in opdracht van TAQA, staat dat binnen de 10-6 contour van het plaatsgebonden risico (hierna: de PR-contour) zich geen (beperkt) kwetsbare objecten bevinden en dat wordt voldaan aan de vereisten van het besluit algemene regels mijnbouw. In het rapport staat voorts dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden.

In het door TAQA bij brief van 8 december 2011 overgelegde rapport "QRA puttenlocatie Bergermeer Gas Storage Operationele situatie en boringen" van 7 november 2011, opgesteld door DHV in opdracht van TAQA, staat met betrekking tot het plaatsgebonden risico dat binnen de PR-contour zich geen (beperkt) kwetsbare objecten of geprojecteerd (beperkt) kwetsbare objecten bevinden. Voorts staat in dit rapport dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde blijft.

2.42.3. In het deskundigenbericht staat dat wat betreft de puttenlocatie geldt dat de rekenmethode van de Interim Handleiding is gewijzigd ten opzichte van de conceptversie. Zo worden voor de putten andere faalfrequenties voorgesteld. In beginsel zal hierdoor de omvang van het berekende risico toenemen, aldus het deskundigenbericht. TAQA heeft verklaard dat inmiddels sprake is van gewijzigde inzichten in de technische uitvoering van de installatie. Door diverse verbeteringen bestaat er een kleinere kans op falen. Deze invloed wordt belangrijker geacht dan die als gevolg van verschillen in rekenmethodiek, aldus het deskundigenbericht. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat het risico wat betreft de puttenlocatie weliswaar toeneemt bij toepassing van de rekenmethode van de Interim Handleiding, maar dat dit met name het gevolg is van gewijzigde inzichten en uitgangspunten ten aanzien van de technische uitvoering van de installatie. Volgens het deskundigenbericht blijkt uit de berekeningen dat er geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen de PR-contour liggen. Hierbij is sprake van een betrekkelijk grote marge omdat (beperkt) kwetsbare objecten op ruime afstand van de PR- contour liggen. Uit de meest recente QRA blijkt dat het plaatsgebonden risico geen knelpunt vormt, aldus het deskundigenbericht.

2.42.4. SOOB betoogt terecht dat de Interim Handleiding bij de totstandkoming van de QRA voor de puttenlocatie van 30 oktober 2008 niet is toegepast. Zoals volgt uit het deskundigenbericht leidt toepassing van de Interim Handleiding ertoe dat het risico toeneemt, maar deze toename is niet zodanig dat niet meer aan de normen ten aanzien van externe veiligheid wordt voldaan. Deze conclusie wordt bevestigd in de QRA voor de puttenlocatie van 7 november 2011, waarin staat dat deze is opgesteld met inachtneming van de Interim Handleiding. Hetgeen SOOB betoogt, biedt geen grond voor het oordeel dat de ministers ten onrechte zijn uitgegaan van de QRA voor de puttenlocatie van 30 oktober 2008.

2.43. [appellante sub 4] stelt dat in de QRA voor de puttenlocatie niet is onderkend dat het plan zal leiden tot een verhoogd risico op een blow-out bij onvoorziene gebeurtenissen of menselijke fouten.

2.43.1. In het deskundigenbericht staat dat in de QRA voor de puttenlocatie rekening is gehouden met diverse blow-out-scenario's. Bij de meest nabijgelegen kwetsbare objecten ten oosten en zuidwesten van de inrichting zijn de blow-outs overigens nauwelijks bepalend voor het risico. Voorts staat in het deskundigenbericht dat in de toepasselijke rekenmethodiek menselijke fouten niet zijn meegenomen. Dit geldt in het algemeen bij het uitvoeren van risicoanalyses. Er wordt vanuit gegaan dat de in de branche gebruikelijke en afdoende preventieve maatregelen worden getroffen om menselijke fouten zoveel mogelijk te voorkomen. De te gebruiken faalfrequenties en dergelijke worden dan als voldoende representatief beschouwd. Er zijn geen gegevens bekend waarom dit in dit geval niet zo is, aldus het deskundigenbericht.

2.43.2. Anders dan [appellante sub 4] stelt is in de QRA voor de puttenlocatie rekening gehouden met het risico op een blow-out. Zoals voorts volgt uit het deskundigenbericht kan ervan worden uitgegaan dat de gebruikelijke en afdoende preventieve maatregelen worden getroffen om menselijk falen te voorkomen. De enkele stelling van [appellante sub 4] dat gedurende de levensduur van het project menselijke fouten kunnen optreden, biedt derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers de externe veiligheid van de puttenlocatie onvoldoende hebben verantwoord. Voor zover [appellante sub 4] en Milieudefensie stellen dat niet blijkt dat rekening is gehouden met de omstandigheid dat het falen van een gasleiding kan leiden tot het falen van naastgelegen leidingen, heeft TAQA onweersproken toegelicht dat met een mogelijk domino-effect bij calamiteiten met leidingen in de QRA voor de puttenlocatie rekening is gehouden.

2.44. SOOB betoogt dat de ministers omwille van de rechtszekerheid in het plan voor de puttenlocatie op het Bergermeerterrein een risicocontour hadden moeten opnemen.

2.44.1. De ministers hebben toegelicht dat het bestemmingsplan waarbinnen de puttenlocatie op het Bergermeerterrein is gelegen het realiseren van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen de PR-contour voor het plaatsgebonden risico niet toelaat en dergelijke objecten binnen deze contour niet aanwezig zijn, zodat een planologische regeling ter zake niet noodzakelijk is. SOOB heeft dit standpunt van de ministers niet gemotiveerd betwist. Het betoog van SOOB kan derhalve niet slagen.

2.45. Milieudefensie en SOOB stellen ten slotte dat ten onrechte geen afweging heeft plaatsgevonden in het kader van artikel 12, lid 1, van de richtlijn 2003/105 van het Europees Parlement en de raad van 16 december 2003 tot wijziging van Richtlijn 96/82/EG van de Raad betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (hierna: richtlijn 2003/105/EG).

2.45.1. Ingevolge artikel 1, lid 7, onder a, van de richtlijn 2003/105/EG wordt artikel 12 lid 1, tweede alinea, van de richtlijn 96/82/EG vervangen door: "De lidstaten dragen er zorg voor dat er in hun beleid inzake de bestemming of het gebruik van de grond en/of andere toepasselijke takken van beleid alsmede de procedures voor de uitvoering van die takken van beleid rekening wordt gehouden met de noodzaak om op een langetermijnbasis voldoende afstand te laten bestaan tussen de onder deze richtlijn vallende inrichtingen enerzijds en woongebieden, door het publiek bezochte gebouwen en gebieden, hoofdvervoersroutes voor zover mogelijk, recreatiegebieden, en waardevolle of bijzonder kwetsbare natuurgebieden anderzijds, en, voor bestaande inrichtingen, aanvullende technische maatregelen te treffen overeenkomstig artikel 5, teneinde de gevaren voor personen niet te vergroten".

2.45.2. De richtlijn 2003/105/EG is bij besluit van 21 augustus 2006 geïmplementeerd in het Besluit risico’s zware ongevallen 1999. Ingevolge artikel 2, onder b, van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 is dit besluit niet van toepassing op inrichtingen ten behoeve van ondergrondse gasopslag, zoals die in het plan zijn voorzien. Daargelaten of de richtlijn 2003/105/EG op onjuiste of onvolledige wijze is geïmplementeerd, zoals Milieudefensie en SOOB stellen, en daargelaten of artikel 12, lid 1, tweede alinea, van de richtlijn 96/82/EG, zoals deze ingevolge artikel 1, lid 7, onder a, van de richtlijn 2003/105/EG is komen te luiden, een norm bevat die voor rechtstreekse toepassing vatbaar is, slaagt het betoog van Milieudefensie en SOOB dat is gehandeld in strijd met dit artikel niet. De ministers hebben immers, onder verwijzing naar de opgestelde QRA's, het plaatsgebonden risico en groepsrisico verantwoord, waarbij rekening is gehouden met de afstand die vanuit de puttenlocatie dient te worden aangehouden tot door het publiek bezochte gebouwen en gebieden, om de gevaren voor personen niet te vergroten. Voor zover Milieudefensie stelt dat de afstand van het ondergrondse gasreservoir tot het Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat nul meter betreft, hetgeen volgens Milieudefensie in strijd is met voormelde bepaling, geldt dat het gasreservoir niet als inrichting in de zin van richtlijn 96/82/EG kan worden aangemerkt, zodat het betoog reeds hierom niet kan slagen.

Externe veiligheid bewerkingsinstallatie

2.46. SOOB en de VVE betogen dat bij de verantwoording van de externe veiligheid van de voorziene bewerkingsinstallatie op het bedrijventerrein Boekelermeer Zuid 2 een onjuist wettelijk kader is toegepast. SOOB voert hiertoe aan dat ten onrechte de Interim Handleiding niet is toegepast. Voorts is volgens SOOB en de VVE ten onrechte geen rekening gehouden met de in voorbereiding zijnde uniforme rekenmethodiek voor mijnbouwinstallaties. Volgens de VVE kan toepassing van deze rekenmethode ertoe leiden dat de risicocontour van de bewerkingsinstallatie wordt verruimd en het bedrijfsverzamelgebouw van de VVE hierbinnen komt te liggen.

2.46.1. De ministers hebben de QRA voor de voorziene bewerkingsinstallatie beoordeeld op basis van de Handleiding Risicoberekening Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) van juli 2009 en het eerste concept van de Interim-methodiek risicoberekening mijnbouwinrichtingen van SodM van maart 2010. Volgens de ministers wijkt het toetsingskader opgenomen in de Interim Handleiding hiervan niet af. Bovendien heeft SodM volgens de ministers verklaard dat de QRA geheel voldoet aan de Interim Handleiding. Het is volgens de ministers mogelijk dat bij toepassing van de in voorbereiding zijnde uniforme rekenmethodiek de berekende plaatsgebonden risicocontour van de bewerkingsinstallatie kleiner of groter wordt, maar deze onduidelijkheid was volgens de ministers geen aanleiding om de contour groter vast te stellen.

2.46.2. In het rapport "QRA Gasbehandeling en -compressie Bergermeer Gas Storage" van 16 augustus 2010, opgesteld door DHV in opdracht van TAQA, staat dat de QRA is uitgevoerd op basis conceptversie 1 van het Interim addendum mijnbouw, Handleiding Risicoberekeningen Bevi, Module C Modellering van de specifieke Bevi categorieën van maart 2010. In het rapport wordt geconcludeerd dat de contour bepalend voor het plaatsgebonden risico, de 10-6 contour, op circa 200 meter ligt van de inrichtingsgrens. Binnen deze contour liggen geen kwetsbare objecten, zoals ziekenhuizen, scholen of woonwijken. Wel ligt een beperkt kwetsbaar object binnen de risicocontour, namelijk [bedrijf] aan de [locatie 2] ten westen van de inrichting. Ook liggen binnen deze contour twee boerderijen die worden wegbestemd. Voorts wordt in het rapport geconcludeerd dat het groepsrisico geen overschrijding heeft van de oriëntatiewaarde.

2.46.3. In het deskundigenbericht staat dat wat betreft de bewerkingsinstallatie de omstandigheid dat in de QRA is aangesloten bij de conceptversie en niet bij de Interim Handleiding geen significante gevolgen heeft voor de berekening van het risico. Voorts staat in het deskundigenbericht dat het mogelijk is dat de in voorbereiding zijnde uniforme rekenmethodiek voor mijnbouwinstallaties zal afwijken van de in de QRA gehanteerde rekenmethode, maar dat het nog niet mogelijk is om hiermee in detail rekening te houden omdat deze nog niet in detail bekend is. Uit de brief van het Centrum van Externe Veiligheid van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu van 28 april 2010 kan worden afgeleid dat ten zuiden, zuidoosten en zuidwesten van de bewerkingsinstallatie de PR-contour nog met 50 meter zou kunnen opschuiven, maar uit deze brief volgt niet zonder meer dat het bedrijfsverzamelgebouw van de VVE binnen de 10-6 contour zal komen te liggen, aldus het deskundigenbericht. Het 'voor alle zekerheid' vergroten van de PR-contour heeft volgens het deskundigenbericht belangrijke gevolgen voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein omdat vestiging van nieuwe bedrijven slechts in zeer beperkte mate mogelijk zal zijn.

2.46.4. SOOB betoogt terecht dat de Interim Handleiding bij de totstandkoming van de QRA voor de bewerkingsinstallatie van 16 augustus 2010 niet is toegepast. Zoals volgt uit het deskundigenbericht heeft dit evenwel geen significante gevolgen voor de berekening van het risico. SOOB heeft het deskundigenbericht op dit punt niet gemotiveerd betwist. Hetgeen SOOB betoogt, biedt derhalve in zoverre geen grond voor het oordeel dat de ministers ten onrechte zijn uitgegaan van de QRA voor de bewerkingsinstallatie van 16 augustus 2010.

Ten tijde van de vaststelling van het inpassingsplan was de uniforme rekenmethodiek voor mijnbouwinstallaties nog niet vastgesteld. Zoals volgt uit het deskundigenbericht bestond evenmin duidelijkheid omtrent de inhoud hiervan. Anders dan SOOB en de VVE betogen, hebben de ministers zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat zij bij de vaststelling van het inpassingsplan met de in voorbereiding zijnde uniforme rekenmethodiek voor mijnbouwinstallaties geen rekening konden houden en hiertoe niet waren gehouden. Zoals de ministers bovendien terecht betogen, betekent het ruimer vaststellen van de risicocontour dat in een groter gebied slechts beperkt nieuwe ontwikkelingen mogelijk zijn, hetgeen een grotere planologische inbreuk oplevert dan op basis van de van kracht zijnde rekenmethoden noodzakelijk was. De brief van het Centrum Externe Veiligheid van 28 april 2010, waarnaar door de VVE wordt verwezen, biedt geen aanleiding voor een ander oordeel. In deze brief staat dat de mate waarin de contouren vanwege de uniforme rekenmethodiek groter of kleiner worden moeilijk is te voorspellen, dat het mogelijk is dat de risicocontour ten zuiden, zuidoosten en zuidwesten van de bewerkingsinstallatie tot ongeveer 50 meter verder komt te liggen en dat de verwachting is dat een mogelijke verruiming van de risicocontour minder wordt in noordelijke richting. Hieruit volgt niet zonder meer dat de PR-contour bij toepassing van de uniforme rekenmethodiek ruimer zal worden. Bovendien geldt dat het bedrijfsverzamelgebouw van de VVE ten westen van de bewerkingsinstallatie is gelegen, zodat zelfs indien de risicocontour wordt verruimd het niet zeker is dat dit gebouw hierbinnen komt te liggen. Voor zover de VVE eerst ter zitting heeft betoogd dat de risicocontour ten onrechte is vastgesteld op basis van de verleende milieuvergunning en hierbij geen rekening is gehouden met de maximale planologische mogelijkheden kan dit niet slagen. De bewerkingsinstallatie dient te worden opgericht in overeenstemming met de verleende vergunning. Voor het op een andere wijze oprichten van de bewerkingsinstallatie dient een wijziging van de vergunning te worden aangevraagd, waarbij opnieuw een risicocontour wordt vastgesteld en waarbij dient te worden voldaan aan de normen met betrekking tot externe veiligheid.

2.47. SOOB betoogt dat bij de verantwoording van de externe veiligheid van de voorziene bewerkingsinstallatie op het bedrijventerrein Boekelermeer Zuid 2 ten onrechte de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico (hierna: de Handreiking groepsrisico) niet is toegepast, waardoor is uitgegaan van een te lage inschatting van de personendichtheid.

2.47.1. De ministers stellen dat de Handreiking groepsrisico moet worden gezien als een hulpmiddel voor de verantwoording van het groepsrisico en dat hiervan kan worden afgeweken. Wat betreft de personendichtheid is uitgegaan van een realistische inschatting volgens de vigerende bestemmingsplannen.

2.47.2. In het deskundigenbericht staat dat voor de berekening van het groepsrisico de relevante bevolkingsgroepen in een gebied rond de inrichting nauwkeurig in kaart worden gebracht. Het bestemmingsplan is daarbij maatgevend en niet de feitelijke situatie die immers in de toekomst kan veranderen. De Handreiking groepsrisico kan worden gebruikt om invulling te geven aan de verantwoordingsplicht van het groepsrisico voor Bevi-inrichtingen. Volgens het deskundigenbericht is in de QRA voor de bewerkingsinstallatie van 16 augustus 2010 op hoofdlijnen aansluiting gezocht bij de methode beschreven in de Handreiking groepsrisico. In dit geval is uitvoerig onderzocht en gemotiveerd welke personendichtheid of bevolkingsdichtheid van toepassing is. Hierbij is gebruik gemaakt van het vigerende bestemmingsplan. In een aantal gevallen heeft afstemming plaatsgevonden met de gemeente Alkmaar. Volgens het deskundigenbericht bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat geen sprake is van een voldoende realistische inschatting van de personendichtheden op basis van het vigerende bestemmingsplan.

2.47.3. In de Handreiking groepsrisico staan voor verschillende functies en verschillende type gebieden die binnen een bestemmingsplan kunnen voorkomen verschillende kengetallen voor personen- en bevolkingsdichtheden voorgeschreven. Zoals de ministers terecht stellen, is de Handreiking groepsrisico een hulpmiddel bij het verantwoorden van het groepsrisico bij een locatie en kan van de hierin voorgeschreven kengetallen gemotiveerd worden afgeweken.

In bijlage 2 bij de QRA voor de bewerkingsinstallatie van 16 augustus 2010 staat dat voor het bepalen van personendichtheden ten behoeve van de berekening van het groepsrisico gebruik is gemaakt van de Handreiking groepsrisico, de vigerende bestemmingsplannen binnen het invloedsgebied van de bewerkingsinstallatie en dat afstemming heeft plaatsgevonden met de gemeente Alkmaar. In de bijlage staat dat het invloedsgebied van de bewerkingsinstallatie is ingedeeld in verschillende vlakken en dat voor ieder vlak een inschatting is gemaakt van de personendichtheden. Hierbij is in overleg met de gemeente Alkmaar gekeken naar de in de Handreiking groepsrisico opgenomen kengetallen, alsmede naar de functies die thans binnen de vlakken aanwezig zijn, hetgeen op grond van het vigerende bestemmingsplan is toegestaan en de ontwikkelingen die worden verwacht. Op deze wijze is volgens de ministers gekomen tot een situatie die representatief kan worden geacht voor de maximale invulling van het plan. Dit is bevestigd in het deskundigenbericht.

Hetgeen SOOB heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat, voor zover in de QRA voor de bewerkingsinstallatie is afgeweken van de Handreiking groepsrisico, dit heeft geresulteerd in een te lage inschatting van de personendichtheid. De door SOOB genoemde mogelijkheden tot het oprichten van maatschappelijke en dienstverlenende voorzieningen en kantoren op de gronden met de bestemming "Ecologische Zone", en van niet-zelfstandige kantoren en lichte bedrijven op gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" zijn bij het vaststellen van de personendichtheden onderkend en hierbij betrokken. SOOB heeft haar stelling dat de gehanteerde personendichtheden van 80 onderscheidenlijk 40 personen per hectare voor deze gronden niet reëel zijn, niet onderbouwd. De stelling van SOOB dat voor deze gronden had moeten worden uitgegaan van de in de Handreiking groepsrisico voor kantoren voorgeschreven personendichtheid van 200 personen per hectare, is de Afdeling van oordeel dat er in de QRA terecht rekening mee is gehouden dat deze gronden niet uitsluitend voor kantoren zijn bestemd, maar ook voor functies waarvoor de Handreiking groepsrisico een lagere personendichtheid voorschrijft. Voor zover SOOB stelt dat had moeten worden uitgaan van de maximale planologische mogelijkheden, waarbij alle mogelijkheden tot het oprichten van kantoren worden benut, slaagt evenmin. De ministers hebben zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet realistisch is, omdat dit ten koste zou gaan van de mogelijkheden om op het bedrijventerrein bedrijven in hogere milieucategorieën te realiseren, waardoor niet ten volle invulling kan worden gegeven aan het vigerende bestemmingsplan. Anders dan SOOB ten slotte stelt, is voor het gehele bedrijventerrein, indien de verhouding van de oppervlakte van de verschillende vlakken in ogenschouw wordt genomen, uitgegaan van een personendichtheid van ongeveer 40 personen per hectare, hetgeen overeenkomt met het in het vigerende bestemmingsplan opgenomen uitgangspunt van 5840 arbeidsplaatsen. Daarbij geldt bovendien dat genoemd uitgangspunt geen rekening houdt met de invloed van de voorziene bewerkingsinstallatie met risicocontour waardoor op een deel van het bedrijventerrein slechts beperkt ontwikkelingen mogelijk zijn en het totaal aantal arbeidsplaatsen lager zal komen te liggen dan oorspronkelijk was voorzien.

2.48. SOOB stelt dat in artikel 8, lid 8.3, van de planregels ten onrechte is opgenomen dat het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning kan afwijken van de ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - Bevi' geldende bouwregels, omdat op voorhand vast staat dat van deze bevoegdheid geen gebruik kan worden gemaakt. Voorts betoogt SOOB dat de ministers niet hebben onderkend dat twee objecten aan de Boekelermeerweg 16 en 17 vanwege de risicocontour feitelijk worden wegbestemd en dat niet is vast komen te staan dat het [bedrijf], dat eveneens binnen de risicocontour is gelegen, daadwerkelijk kan worden gesaneerd.

2.48.1. De ministers hebben zich op het standpunt gesteld dat nieuwbouw binnen de risicocontour niet per definitie is uitgesloten. Voorts zijn de twee objecten aan de Boekelermeerweg 16 en 17 reeds voor de vaststelling van het plan gesloopt, zodat niet langer relevant is of deze zijn wegbestemd. Verder zal volgens de ministers op korte termijn een afspraak worden gemaakt over de sanering van het [bedrijf].

2.48.2. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de planregels gelden ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - Bevi' ten behoeve van het tegengaan van een te hoog veiligheidsrisico van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, naast de regels behorende bij de andere daar voorkomende bestemmingen de volgende aanvullende regels.

Ingevolge lid 8.2 mogen op of in de in lid 8.1 bedoelde gronden geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden gebouwd, met dien verstande dat deze regel niet geldt voor inrichtingen waarvoor op basis van het Bevi of het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer een veiligheidsafstand geldt en kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten die een functionele binding hebben met een gebouw of een bouwwerk als bedoeld in artikel 3 dan wel een inrichting als bedoeld in lid 8.2, sub 1, van dit inpassingsplan.

Ingevolge lid 8.3 kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van afwijking van het bepaalde in lid 8.2 en toestaan dat beperkt kwetsbare objecten worden gebouwd, mits het afwijken van de toepasselijke richtwaarden om gewichtige redenen wordt afgewogen en het groepsrisico wordt verantwoord.

2.48.3. De Afdeling kan de verder niet toegelichte stelling van SOOB dat het niet mogelijk is om met toepassing van artikel 8, lid 8.3, van de planregels bij omgevingsvergunning toe te staan dat beperkt kwetsbare objecten worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - Bevi' niet delen. SOOB betoogt wel terecht dat het standpunt van de ministers, dat de twee objecten aan de Boekelermeerweg 16 en 17 alleen de op grond van het vigerende bestemmingsplan hieraan toegekende bestemming "Bedrijfsdoeleinden" kunnen verwezenlijken indien wordt voldaan aan de planregels bij het inpassingsplan, er feitelijk op neerkomt dat deze zijn wegbestemd. In hetgeen SOOB heeft aangevoerd, ziet de Afdeling echter geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers hiertoe niet in redelijkheid hebben kunnen overgaan. Nu in het deskundigenbericht staat dat partijen hebben medegedeeld dat reeds mondeling overeenstemming is bereikt over de aankoop van het [bedrijf], slaagt het betoog van SOOB dat niet vast staat dat dit bedrijf zal kunnen worden gesaneerd niet.

2.49. SOOB stelt ten slotte dat de ministers bij de totstandkoming van het plan niet hebben betrokken dat binnen de aanduiding 'veiligheidszone - Bevi' niet of nauwelijks nog bedrijvigheid kan plaatsvinden, hetgeen zal betekenen dat 800 arbeidsplaatsen verloren gaan.

2.50. De ministers stellen in de nota van antwoord dat het inpassingsplan tot gevolg heeft dat binnen de PR-contour van de bewerkingsinstallatie geen andere bedrijven kunnen worden gerealiseerd dan zogenaamde Bevi-bedrijven of aan de bewerkingsinstallatie gelieerde bedrijven. De ministers stellen voorts dat dit niet betekent dat binnen deze contour geen enkele arbeidsplaats zal kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de ministers de gevolgen van de risicocontour voor de werkgelegenheid op het bedrijventerrein Boekelermeer Zuid 2 bij de totstandkoming van het plan niet hebben betrokken.

Natuur

Natura 2000

2.51. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) wijst de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, thans: de staatssecretaris van EL&I), gebieden aan ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.

Ingevolge artikel 1, onder n, sub 3, van de Nbw 1998 wordt onder een Natura 2000-gebied onder meer verstaan een gebied dat voorkomt op de lijst van gebieden van communautair belang, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn 92/43/EEG (hierna: Habitatrichtlijn).

2.52. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover thans van belang, is het verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van het college van gedeputeerde staten of, ten aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het vierde lid, van de minister, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Ingevolge artikel 19f, eerste lid, van die wet maakt de initiatiefnemer, voor projecten waarover het college van gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, neemt, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

Ingevolge artikel 19g, eerste lid, van die wet kan, indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien het college van gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van het college van gedeputeerde staten, in een beschermd natuurmonument handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument of voor dieren of planten in het beschermd natuurmonument of die het beschermd natuurmonument ontsieren, dan wel in strijd met de bij een vergunning gestelde voorschriften of beperkingen handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen.

2.52.1. Bij beschikking van 7 december 2004 heeft de Europese Commissie het gebied Noord-Hollands Duinreservaat geplaatst op de lijst met gebieden van communautair belang. Voor het gebied heeft een ontwerpbesluit tot aanwijzing als Habitatrichtlijngebied ter inzage gelegen.

2.52.2. Bij besluit van 29 april 2011 heeft het college van gedeputeerde staten op grond van artikel 19d, eerste lid, en artikel 16 van de Nbw 1998 een vergunning verleend voor de realisatie van het project Bergermeer Gasopslag.

2.53. SOOB en Milieudefensie betogen dat uit de passende beoordeling niet de vereiste zekerheid wordt verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Noord-Hollands Duinreservaat niet zullen worden aangetast. In dit verband betogen zij dat de uitgangspunten die zijn gehanteerd bij de berekeningen van de stikstofdepositie ten gevolge van de puttenlocatie niet inzichtelijk zijn gemaakt. Daarnaast zijn volgens hen de gegevens op basis waarvan de achtergronddepositie ter plaatse van het gebied is berekend achterhaald. Voorts is de beoordeling van de kritische depositiewaarde en de achtergronddepositie onvolledig en wordt de ligging en de omvang van de habitattypen uit de passende beoordeling onvoldoende duidelijk. SOOB betoogt tevens dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de cumulatieve effecten. Daarnaast zijn de instandhoudingsdoelstellingen onvoldoende bij de beoordeling betrokken en zijn de effecten van de toename van de stikstofdepositie ten onrechte niet gekwalificeerd per habitattype, aldus SOOB en Milieudefensie. In dit kader wijst SOOB erop dat het habitattype grijze duinen (H2130) landelijk in een zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert. Milieudefensie wijst erop dat de kritische depositiewaarden voor het habitattype duingrasland type zure en heischrale subtypen (2130C) recentelijk zijn aangescherpt. Voorts betoogt Milieudefensie dat de stikstofdepositie ten gevolge van de exploitatiefase van het project ten onrechte niet is beoordeeld. In deze fase zal er elektriciteit worden betrokken uit de afvalverbrandingscentrale in Alkmaar. Gasalarm2 betoogt tot slot dat de noordse woelmuis en de veenmosrietlanden, waarvoor het gebied als Habitatrichtlijngebied zal worden aangewezen, zullen worden aangetast door de toename van stikstofdepositie in het gebied.

2.53.1. Het college van gedeputeerde staten stelt dat in de passende beoordeling berekeningen zijn gemaakt ten aanzien van de stikstofdepositie ten gevolge van het project. Daarbij heeft een uitsplitsing naar habitattype binnen het Natura 2000-gebied plaatsgevonden. Uit de berekeningen volgt dat de toename ten gevolge van het project dermate gering is dat geen significant negatieve effecten zullen optreden, aldus het college van gedeputeerde staten Er zijn geen andere plannen of projecten bekend die in het kader van de cumulatie bij de beoordeling van het onderhavige project betrokken dienden te worden, aldus het college van gedeputeerde staten.

2.53.2. Ten behoeve van het project is een passende beoordeling opgesteld. De passende beoordeling is neergelegd in het door DHV opgestelde rapport "Passende beoordeling Natuurbeschermingswet Gasopslag Bergermeer" van mei 2009 (hierna: passende beoordeling). De puttenlocatie ligt op een afstand van ongeveer 1 km van de grens van het Natura 2000-gebied Noord-Hollands Duinreservaat. De emissie van stikstof zal mogelijk invloed hebben op het Natura 2000-gebied Noord-Hollands Duinreservaat. De emissie naar lucht wordt voornamelijk gegenereerd door de bouwactiviteiten en de boringen. Voor diverse werkzaamheden tijdens de aanleg zullen machines worden gebruikt, waaronder kranen, generatoren, grondverzetmachines en vrachtwagens. Volgens de passende beoordeling komt in het Natura 2000-gebied een aantal voor stikstof gevoelige habitattypen voor, te weten witte duinen (H2120), grijze duinen (H2130), duinheide met kraaiheide (H2140), Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (H2150), duindoornstruwelen (H2160), kruipwilgstruwelen (H2170), duinbossen (H2180), vochtige duinvalleien (H2190), blauwgraslanden (H6410) en galigaanmoerassen (H7210).

2.53.3. Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van het nieuw nationaal model (versie 3.7.1. PluimPlus van TNO). In de passende beoordeling staat beschreven dat tijdens de aanlegfase de stikstofdepositie optreedt ten gevolge van kranen, grondverzetmachines en vrachtwagens. De boorinstallaties en behandelings- en compressieinstallaties maken vrijwel uitsluitend gebruik van elektriciteit. De gehanteerde invoergegevens zijn als bijlage bij het deskundigenbericht gevoegd. Hieruit volgt dat is uitgegaan van zes emissiebronnen. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat de invoergegevens geen aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van de berekeningen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.53.4. In tabel 2 van de passende beoordeling staat ten aanzien van alle habitattypen in het Natura 2000-gebied Noord-Hollands Duinreservaat beschreven wat de kritische depositiewaarden voor deze habitattypen zijn en wat de achtergronddepositie ter plaatse van deze habitattypen is. Voorts is de absolute toename ten gevolge van het project en de toename van de stikstofdepositie per habitattype in percentages ten opzichte van de achtergrondconcentratie en de kritische depositiewaarden weergegeven. Bij de berekening van de depositie op de verschillende habitattypen is de ligging en de afstand van deze habitattypen tot de puttenlocatie verdisconteerd. In de niet nader gemotiveerde stelling van SOOB dat de beoordeling van de kritische depositiewaarden en de achtergronddepositie zoals weergegeven in de tabel onvolledig zijn, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de gegevens uit tabel 2 onjuist zijn.

2.53.5. Op grond van de berekende stikstofdepositie en de voor de habitattypen geldende kritische depositiewaarden is de bijdrage van het project aan de stikstofdepositie op de verschillende habitattypen bezien. Uit de berekeningen volgt dat het project leidt tot een maximale toename van de stikstofdepositie van (maximaal) 1,2 mol N/ha/jaar ter plaatse van het habitattype duinbossen (H2180). De stikstofdepositie op dit habitattype blijft volgens de passende beoordeling onder de kritische depositiewaarde, zodat ten gevolge van de geringe toename geen significant negatieve effecten zullen optreden. In de passende beoordeling staat vermeld dat de kritische depositiewaarde van de meeste habitattypen in het Noord-Hollands Duinreservaat niet zal worden overschreden ten gevolge van het project. Volgens de passende beoordeling kan worden geconcludeerd dat de instandhoudingsdoelstelling voor deze habitattypen ten gevolge van het project niet in gevaar worden gebracht. SOOB en Milieudefensie hebben dit niet bestreden.

Vaststaat dat ten aanzien van zes van de voor stikstof gevoelige habitattypen de achtergronddepositie de kritische depositiewaarde overschrijdt. Het betreft de habitattypen grijze duinen (heischraal) (H2130C), duinheide met kraaihei (droog) (H2140B), duinheide met struikhei (H2150), vochtige duinvalleien (openwater) (H2190A) blauwgraslanden (H6140) en galigaanmoerassen (H7210). Voor het habitattype duinheide met struikhei (H2150) geldt een behouddoelstelling. Voor de overige voor stikstof gevoelige habitattypen, waarvan de kritische depositiewaarde wordt overschreden, geldt een doelstelling tot uitbreiding van oppervlak of verbetering van kwaliteit, dan wel is een doelstelling tot uitbreiding van oppervlak en verbetering van kwaliteit opgenomen. De maximale toename van de stikstofdepositie ten gevolge van het project op habitattypen waarvan de kritische depositiewaarde wordt overschreden, bedraagt 0,5 mol N/ha/jaar. In de passende beoordeling wordt geconcludeerd dat deze bijdrage ten opzichte van de achtergronddepositie en de kritische depositiewaarde dermate gering is dat hierdoor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar wordt gebracht en het project derhalve de natuurlijke kenmerken van het gebied wat betreft bedoelde habitattypen niet aantast. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat de effecten van de stikstofdepositie ten gevolge van het project van zeer geringe omvang zijn. Volgens het deskundigenbericht is het daarbij van groot belang dat de stikstofdepositie in de aanlegfase, die ongeveer twee jaar zal duren, optreedt. De effecten zijn derhalve gering en tijdelijk van aard, zo staat in het deskundigenbericht vermeld.

2.53.6. Voor zover Milieudefensie ter zitting heeft betoogd dat ten onrechte onduidelijk is wat de effecten zijn van het project voor het habitattype H2130C grijze duinen (heischraal) wijst de Afdeling erop dat in het verweerschrift staat vermeld dat voor dit habitattype een beoordeling is gemaakt van de effecten van stikstofdepositie, maar dat deze beoordeling abusievelijk niet in de passende beoordeling is opgenomen. Voor dit habitattype geldt een kritische depositiewaarde van 700 mol N/ha/jaar. Dit habitattype ligt op een afstand van ongeveer 5,6 km van de puttenlocatie. Het project geeft op dit habitattype een tijdelijke toename van stikstofdepositie van minder dan 0,4 mol N/ha/jaar, zo staat in het verweerschrift vermeld. Milieudefensie heeft dit op zichzelf niet bestreden. Gelet hierop ziet de Afdeling in zoverre geen grond voor vernietiging van de vergunning verleend op grond van de Nbw 1998.

2.53.7. Ten aanzien van de mogelijke cumulatieve effecten stelt het college van gedeputeerde staten dat in de omgeving van het project geen plannen of projecten bekend zijn die mogelijk gevolgen zullen hebben voor het Natura 2000-gebied Noord-Hollands Duinreservaat. De depositie van bestaande bronnen is in de achtergrondconcentratie verdisconteerd. SOOB heeft geen concrete plannen en projecten genoemd welke volgens haar ten onrechte niet bij de passende beoordeling zijn betrokken. In het aangevoerde ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van cumulatieve effecten.

2.53.8. De waarden met betrekking tot de achtergronddepositie die in de passende beoordeling zijn gehanteerd dateren uit 2007. De achtergronddepositie in 2007 lag tussen de 750 en 1670 mol per hectare. Uit het deskundigenbericht volgt dat de landelijke achtergronddepositie in 2010 licht is gedaald ten opzichte van de achtergronddepositie in 2007. In 2010 lag de achtergronddepositie tussen de 638 en 1550 mol per hectare. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat dit geen gevolgen heeft voor de beoordeling van de vergunningaanvraag. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat, nu in de passende beoordeling is uitgegaan van de achtergrondconcentratie zoals deze bestond in 2007, de beoordeling van de effecten van het project in zoverre niet meer representatief zouden zijn. Voor zover SOOB betoogt dat de autonome ontwikkeling ten onrechte niet in de passende beoordeling is beschreven, overweegt de Afdeling dat de effecten van het onderhavige project op het Natura 2000-gebied zijn beoordeeld. In de passende beoordeling staat vermeld dat sprake is van een autonome afname. Voor de beoordeling van de effecten van het onderhavige project is het niet zonder meer noodzakelijk dat de autonome ontwikkeling uitgebreid wordt beschreven. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, zoals hier overwogen, in het kader van de beoordeling van de cumulatieve effecten is bezien in hoeverre er andere plannen en projecten zijn die mogelijke effecten ten gevolge van stikstofdepositie hebben op het Natura-2000-gebied. Reeds bestaande bronnen zijn in de achtergronddepositie verdisconteerd.

2.53.9. Voor zover SOOB betoogt dat het college van gedeputeerde staten ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat het habitattype H2130C landelijk in een zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert overweegt de Afdeling als volgt. In het ontwerpbesluit tot aanwijzing van het gebied Noord-Hollands Duinreservaat als Habitatrichtlijngebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgenomen voor de habitattypen waarvoor het gebied zal worden aangewezen. Deze instandhoudingsdoelstellingen zijn gebaseerd op de landelijke staat van instandhouding van het desbetreffende habitattype. Bij het verlenen van een vergunning op grond van artikel 19d van de Nbw 1998 toetst het bevoegd gezag of het project de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied zal aantasten, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. Niet de landelijke staat van instandhouding, maar de instandhoudingsdoelstelling op gebiedsniveau staat hierbij centraal. Dit betoog slaagt derhalve niet.

2.53.10. Het betoog van Milieudefensie dat de kritische depositiewaarde voor het habitattype (H2130C) recentelijk is aangescherpt, ziet volgens het college van gedeputeerde staten op de waarden zoals opgesteld door de United Nations Economic Commission of Europe (hierna: UNECE). Bij de passende beoordeling is evenwel uitgegaan van de kritische depositiewaarden zoals bepaald door het Milieu- en Natuur planbureau. Deze waarden zijn afgeleid van de algemene waarden van de UNECE, maar toegespitst op de habitattypen zoals deze in Nederland voorkomen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten in redelijkheid niet heeft kunnen uitgaan van de kritische depositiewaarden van het Milieu- en Natuur planbureau.

2.53.11. Het betoog dat de effecten van stikstofdepositie van de afvalverbrandingcentrale te Alkmaar ten gevolge van elektriciteitsconsumptie ten behoeve van de gasopslag ten onrechte niet bij de passende beoordeling zijn betrokken, slaagt niet nu dit miskent dat, zoals onder 2.15.3 is overwogen dat de benodigde elektriciteit van het landelijk elektriciteitsnet zal worden betrokken. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de mogelijke effecten van stikstofdepositie ten gevolge van de afvalverbrandingcentrale ten onrechte niet bij de passende beoordeling zijn betrokken.

2.53.12. Ten aanzien van het betoog dat de noordse woelmuis en het habitattype veenmosrietland zullen worden aangetast door de toename van stikstofdepositie ten gevolge van het project, overweegt de Afdeling dat uit het ontwerpbesluit tot aanwijzing van het gebied Noord-Hollands Duinreservaat tot Habitatrichtlijngebied volgt dat het gebied niet voor dit habitattype en deze soort zal worden aangewezen. Gelet hierop bestond geen aanleiding de noordse woelmuis en het veenmosrietland bij de beoordeling op grond van artikel 19d van de Nbw 1998 te betrekken.

2.53.13. Gelet op het vorenstaande heeft het college van gedeputeerde staten zich terecht op het standpunt gesteld dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast door de stikstofdepositie ten gevolge van het project. Daarbij acht de Afdeling van belang dat, zoals hiervoor reeds overwogen, de maximale toename op de voor stikstof gevoelige habitattypen waarvan de kritische depositiewaarde wordt overschreden 0,5 mol N/ha/jaar bedraagt en de effecten ten gevolge van de stikstofdepositie van tijdelijke aard zijn.

2.54. SOOB betoogt dat de overige aspecten die een negatieve invloed kunnen hebben op het Natura 2000-gebied Noord-Hollands Duinreservaat zeer summier zijn beschreven in de passende beoordeling. Volgens haar is niet uitgesloten dat verstoring door licht of geluid zal optreden. Ten onrechte ontbreekt een voorschrift om verstoring van vogels door licht te voorkomen. Voorts betogen Milieudefensie en SOOB dat niet duidelijk is wat de effecten van grondwateronttrekking in het Natura 2000-gebied zullen zijn. De verrichte hydrologische berekeningen zijn volgens hen onvoldoende om te concluderen dat de grondwateronttrekking geen daling in het Natura 2000-gebied tot gevolg zal hebben. Voorts zijn volgens Milieudefensie de mogelijke gevolgen van de injectie van vervuild productiewater niet bezien. In dit verband verwijst Milieudefensie naar het door Alterra opgestelde rapport "Enige aspecten met betrekking tot ontheffing Gasopslag Bergermeer", ongedateerd.

2.54.1. Het college van gedeputeerde staten stelt dat geen verstoring door licht en geluid is te verwachten. Volgens het college van gedeputeerde staten zijn evenmin gevolgen te verwachten van de grondwateronttrekking. De bemaling die nodig is voor de werkzaamheden op de puttenlocatie en de aanleg van de leiding naar de gasbehandelings- en compressieinstallatie heeft slechts tot enkele honderden meters van de locatie effect, aldus het college van gedeputeerde staten.

2.54.2. In de passende beoordeling staat ten aanzien van het aspect geluid vermeld dat dit voornamelijk wordt gegenereerd door de bouwactiviteiten en de boringen. In voorschrift 2 bij de Nbw-vergunning is opgenomen dat teneinde geluidverstoring te voorkomen voorafgaande aan de boorwerkzaamheden op de puttenlocatie Bergermeer een geluidscherm met een hoogte van 10 meter wordt aangelegd. De bijdrage van het project aan het geluidniveau in het Natura 2000-gebied is daarom zeer gering, zo staat in de passende beoordeling vermeld. In hetgeen SOOB heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is.

2.54.3. De passende beoordeling vermeldt dat het licht voornamelijk wordt gegenereerd door de bouwactiviteiten en de boringen en dat het geluidscherm de mogelijke verstoring door licht zal beperken. Daarnaast is in voorschrift II2 van de milieuvergunning opgenomen dat de verlichting zodanig dient te worden opgesteld en de lampen zodanig dienen te worden afgeschermd dat hinderlijke lichtstraling voor de omgeving wordt voorkomen. In hetgeen SOOB heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat desondanks onaanvaardbare verstoring door licht zal optreden.

2.54.4. Ten aanzien van de mogelijke effecten door grondwateronttrekking staat in de passende beoordeling dat ten behoeve van de aanleg van verdiept aangelegde installatiedelen en leidingen de bouwputten tijdelijk worden bemalen. Berekeningen hebben aangetoond dat eventuele effecten op het grondwater als gevolg van de bronnering zich beperken tot de directe omgeving. In het rapport "Geohydrologisch rapport, voor de aanleg van de puttenlocatie Bergermeer in het Bergermeer gas storage project" van

23 november 2009 staat dat doordat de damwanden praktisch waterondoorlatend worden uitgevoerd, er geen invloed op de omgeving als gevolg van de onttrekking optreedt. Uit het door DHV opgestelde rapport "Stuweffecten damwanden Bergermeer op geohydrologie en kwel" van mei 2009 volgt dat uitsluitend op het terrein zelf geringe peilverschillen zullen ontstaan. In de omgeving van de locatie treden volgens dit rapport geen merkbare veranderingen in het grondwaterniveau op. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat er gelet op de relatief grote afstand tot het Natura 2000-gebied en de tijdelijkheid van de bemaling als gevolg van de grondwateronttrekking geen negatieve effecten te verwachten zijn op het Natura 2000-gebied Noord-Hollands Duinreservaat. SOOB en Milieudefensie hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

2.54.5. Met betrekking tot de mogelijke effecten door injectie van productiewater stelt het college van gedeputeerde staten dat bij het oppompen van gas uit de puttenlocatie productiewater mee naar boven komt uit het aardgasreservoir. Dit wordt in de bewerkingsinstallatie van het gas gescheiden. Vervolgens gaat het door een leiding terug naar de puttenlocatie en wordt het teruggepompt in het aardgasreservoir. Het gehele proces van oppompen, transporteren en terugpompen vindt plaats in een gesloten systeem. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat nu sprake is van een gesloten systeem voor het Natura 2000-gebied geen negatieve gevolgen zijn te verwachten ten gevolge van de injectie van productiewater. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat dit onjuist is.

2.55. Gasalarm2 en Milieudefensie betogen tot slot dat in het kader van de Nbw 1998 ten onrechte geen toestemming is gevraagd voor het project aan de Europese Commissie. Volgens Gasalarm 2 diende in het kader van de Nbw 1998-vergunning voorts de alternatieven te worden bezien.

2.55.1. De Afdeling stelt voorop dat de toets aan de zogenoemde ADC-criteria, als bedoeld in artikel 19g van de Nbw 1998, eerst aan de orde komt indien het college van gedeputeerde staten zich er op grond van de passende beoordeling niet van kon verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken gebieden niet worden aangetast. Eerst dan dienen mogelijke alternatieven te worden bezien en dient in sommige gevallen toestemming te worden gevraagd aan de Europese Commissie. Nu het college van gedeputeerde staten zich gelet op hetgeen is overwogen onder 2.51 t/m 2.54.2 terecht op het standpunt heeft gesteld dat is verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast, bestond in het onderhavige geval geen aanleiding voor toetsing aan de ADC-criteria.

Flora en fauna

2.56. SOOB, Milieudefensie, Gasalarm2 en [appellant sub 12] betogen dat de ministers zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat geen ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffwet) nodig is voor de grutto. De gerede verwachting bestaat volgens hen dat ten gevolge van het project de weidevogelpopulatie volledig uit de Loterijlanden en Noord-Holland zal verdwijnen. Milieudefensie betoogt in dit verband dat nu de bestreden besluiten voorzien in twee jaar onafgebroken boringen, de grutto ter plaatse met uitsterven wordt bedreigd. Volgens Milieudefensie moeten de broedplaatsen van de grutto's worden aangemerkt als vaste rust- of verblijfplaatsen. In dit verband verwijst de Milieufederatie naar het Alterra-rapport "Effecten op natuurwaarden van het project Bergermeer Gas Storage, update onderdeel weidevogels" (hierna: het rapport van Alterra). Uit dit rapport volgt volgens Milieudefensie dat de grutto lokaal zal uitsterven.

2.56.1. De ministers stellen dat in de Loterijlanden alleen nesten aanwezig zijn tijdens het broedseizoen. De weidevogels keren niet terug naar de nesten om deze opnieuw in gebruik te nemen. Deze nesten vallen buiten het broedseizoen dan ook niet binnen de reikwijdte van artikel 11 van de Ffwet. Indien de werkzaamheden jaarrond voortduren zullen de weidevogels niet naar dit gedeelte van de Loterijlanden terugkeren om te broeden. De werkzaamheden hebben om die reden geen verstorende werking op nesten of vaste verblijfplaatsen, aldus de ministers. Voorts is volgens de ministers de omstandigheid dat de grutto ter plaatse regelmatig foerageert onvoldoende om aan te nemen dat de Loterijlanden een vaste rust- of verblijfplaats zijn.

2.56.2. Ingevolge de artikelen 9, 10 en 11 is het onder meer verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen, of opzettelijk te verontrusten, en nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van die dieren te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

2.56.3. Bij besluit van 29 april 2011 heeft de staatssecretaris van EL&I een ontheffing verleend van de verbodbepalingen genoemd in de artikelen 9, 11 en 12 van de Ffwet voor zover dit betreft het doden, verwonden, het beschadigen, vernielen of verstoren van holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen; het beschadigen en vernielen van eieren van de bittervoorn, kleine modderkruiper en de rivierdonderpad, alsmede van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 11 van de Ffwet voor zover dit betreft het beschadigen, vernielen of verstoren van holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de rugstreeppad.

2.56.4. De Afdeling stelt voorop dat uitsluitend hetgeen in de ontheffing is opgenomen bij de beoordeling van die ontheffing aan de orde kan komen. De aanvraag en de verleende ontheffing hebben geen betrekking op de grutto, zodat deze soort in het kader van deze ontheffing niet ter beoordeling staat. Het betoog dat de Ffwet in zoverre aan de uitvoering van het inpassingsplan in de weg staat kan in het kader van de beoordeling van het inpassingsplan thans wel aan de orde komen. De vraag of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffwet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komt in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffwet ten aanzien van de desbetreffende soort. Dat doet er evenwel niet aan af dat de ministers het plan niet hebben kunnen vaststellen, indien en voor zover zij op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat de Ffwet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.56.5. Niet in geschil is dat de grutto in het gebied Loterijlanden voorkomt. De Afdeling heeft bij uitspraak van 25 februari 2009 (zaaknr. 200803873/1 reeds overwogen dat de broedplek van de grutto buiten het broedseizoen niet onder de reikwijdte van het begrip nest valt als bedoeld in artikel 11 van de Ffwet. Zoals tussen partijen niet in geschil is, keert de grutto niet ieder jaar terug naar hetzelfde specifieke nest, maar vindt deze soort elk jaar een nieuw nest om zijn eieren uit te broeden.

Volgens het "Guidance document of strict protection of animal species of Community interest under de Habiats Directive (93/43 EEC)" wordt een foerageergebied niet gerekend tot een vaste rust- of verblijfplaats tenzij het foerageergebied als zodanig samenvalt met een broed- of vaste rust- of verblijfplaats. Dit is volgens de ministers niet het geval, nu de nesten van de grutto buiten het broedseizoen niet als broedplaats zijn aan te merken. Voor zover Milieudefensie betoogt dat, nu er jaarrond kan worden geboord, er tijdens het broedseizoen wel een ontheffing nodig is, stellen de ministers dat buiten het broedseizoen zal worden gestart met de boringen, de grutto's zullen dan niet naar het specifieke gebied terugkeren om te broeden. In dit verband is ter zitting namens de ministers voorts verklaard dat de grutto weliswaar terugkeert naar hetzelfde broedgebied, maar dat de broedmigratie over een gebied van enkele kilometers kan plaatsvinden. Als de boringen reeds zijn gestart zullen de grutto's een broedgebied in de nabije omgeving opzoeken, zodat ook in het geval er jaarrond zal worden geboord geen verstoring van een vaste rust- of verblijfplaats plaatsvindt. De Afdeling acht op voorhand niet aannemelijk dat dit standpunt onjuist is. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de ministers zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de Ffwet in zoverre niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.56.6. SOOB betoogt dat in het kader van de verleende ontheffing op grond van Ffwet is uitgegaan van verouderde gegevens. Voorts betoogt zij dat niet is aangetoond dat aan andere aanlegtechnieken voor de pijpleidingen, die wellicht minder negatieve effecten hebben op de soorten waarvoor ontheffing is verleend, negatieve milieueffecten zijn verbonden.

2.56.7. De ministers stellen dat verspreidingsgevens van beschermde flora en fauna bij de beoordeling van de ontheffing over het algemeen niet ouder mogen zijn dan drie tot vijf jaar, afhankelijk van de soorten waarop de gegevens betrekking hebben. Voorts hebben de ministers erop gewezen dat ten behoeve van het MER verschillende onderzoeken naar de natuurwaarden in en rond het gebied hebben plaatsgevonden. De aanvraag voor een ontheffing is gebaseerd op rapporten uit 2008 en 2009. SOOB heeft niet nader geconcretiseerd op welke onderdelen deze rapporten volgens haar achterhaald zijn. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rapporten niet aan de ontheffing ten grondslag mochten worden gelegd.

In het MER staat vermeld dat leidingaanleg met gestuurde boringen onder de Loterijlanden het beste uit de vergelijking komt met name vanwege de (tijdelijke) effecten op de natuur. Leidingaanleg met gestuurde boringen onder de Loterijlanden scoort op effecten op de natuur beter dan leidingaanleg in open sleuf, aldus het MER. In de plantoelichting staat dat de ministers hebben gekozen voor het uitvoeringsalternatief waarbij de leidingen worden aangelegd door middel van een open-sleuf methode. De ministers hebben uiteengezet dat tegenover de natuurvoordelen van sleufloze aanleg een aantal nadelige milieu- en omgevingseffecten staat. Zo is het niet mogelijk de leidingen te isoleren, hetgeen resulteert in een diepere aanleg van het begin- en eindpunt van de boringen. Gestuurde boringen brengen tevens nachtelijke werkzaamheden en grotere overlast op de omgeving met zich. Gelet hierop ziet de Afdeling, anders dan SOOB, geen grond voor het oordeel dat de ministers het standpunt dat aan andere aanlegtechnieken negatieve effecten zijn verbonden niet toereikend hebben gemotiveerd.

EHS en weidevogelgebied

2.57. SOOB , Milieudefensie en Gasalarm2 betogen dat de in het kader van de EHS voorgeschreven "nee, tenzij"-afweging ten onrechte niet is gemaakt. Volgens hen heeft onvoldoende onderzoek naar de alternatieven plaatsgevonden. Voorts zal volgens Milieudefensie, Natuurmonumenten en SOOB de functie van het gebied als weidevogelgebied worden aangetast, onder meer ten gevolge van verstoring door geluid. In dit verband wijzen zij er voorts op dat het dotterbloem-grasland, vegetatie die het gebied volgens hen bij uitstek geschikt maakt voor weidevogels, door de leidingaanleg zal worden aangetast. SOOB, Natuurmonumenten en Milieudefensie betogen voorts dat de compensatie van de aantasting van de natuurwaarden van de EHS en het weidevogelgebied met de door TAQA en de provincie gesloten realisatieovereenkomst onvoldoende is gewaarborgd. Ten onrechte is de compensatie niet opgenomen in het inpassingsplan. Voorts waarborgt de overeenkomst volgens Natuurmonumenten onvoldoende dat de compensatie op langere termijn in stand zal worden gehouden.

2.58. De ministers stellen dat het project van groot openbaar belang is. Voorts bestaan er volgens de ministers geen reële alternatieven voor het project die de EHS niet zullen aantasten.

2.58.1. Het rijksbeleid ten aanzien van EHS-gebieden is vervat in de Nota Ruimte. In paragraaf 3.3.5.1 van de Nota Ruimte is vermeld dat het beleid in de EHS is gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden in de EHS-gebieden. In de EHS geldt het zogenoemde "nee, tenzij-regime". Dit regime houdt in dat nieuwe plannen, projecten of handelingen in de EHS niet zijn toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Voor ingrepen die aantoonbaar aan de criteria voldoen, geldt het vereiste dat de schade zoveel mogelijk moet worden beperkt door mitigerende maatregelen. Resterende schade dient te worden gecompenseerd.

2.58.2. De Afdeling stelt voorop dat er geen rechtsregel is die eist dat de ruimtelijke ingreep waarvoor het inpassingsplan is vastgesteld, pas mag plaatsvinden wanneer ervoor wordt gezorgd dat de hoeveelheid weidevogelgebied die verdwijnt op een andere locatie in dezelfde omvang zal worden gerealiseerd. Zoals is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2010 (in zaak nr. 201004771/1/M2) kan een afweging van de betrokken belangen er wel toe leiden dat het verlies aan weidevogelgebied slechts aanvaardbaar is wanneer dat verlies op een bepaalde wijze wordt gecompenseerd. Bij het ontbreken van een specifiek wettelijk kader ter zake is het aan de ministers om deze afweging te maken. Aan de rechter komt slechts de bevoegdheid toe te beoordelen of de betrokken belangen zodanig evenwichtig zijn afgewogen dat de ministers in redelijkheid tot dat besluit hebben kunnen komen.

2.58.3. Niet in geschil is dat het project kan worden beschouwd als een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS-gebieden en weidevogelgebieden. Op grond van het EHS-beleid is deze aantasting alleen toegestaan wanneer er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Zoals onder 2.13 en volgende is vermeld, hebben de ministers alternatieve locaties voor de gasopslag onderzocht, maar bleek geen van deze alternatieven geschikt. Mede gelet op het verhandelde ter zitting ziet de Afdeling in hetgeen SOOB heeft aangevoerd in dit verband geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Tegen de achtergrond van hetgeen onder 2.10 en volgende is overwogen over nut en noodzaak van de realisatie van het project is de Afdeling van oordeel dat de ministers redenen van groot openbaar belang aanwezig hebben kunnen achten voor de realisatie van de gasopslag. Hierbij komt dat in paragraaf 4.8.3.2. van de Nota Ruimte staat dat onder meer opslag van gas geschiedt om dwingende redenen van groot openbaar belang. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de aantasting van het EHS-gebieden zich in zoverre niet verdraagt met het beleid, zoals neergelegd in de Nota Ruimte.

2.58.4. In het door DHV opgestelde rapport " Compensatieplan Natuur en recreatie" van september 2010 (hierna: het compensatieplan) zijn de effecten van het project op de EHS- en weidevogelgebieden en de benodigde compensatiemaatregelen beschreven. De ministers hebben de compensatieverplichting vastgesteld aan de hand van compensatiebeleid van de provincie Noord-Holland, zoals neergelegd in de beleidsregel compensatie natuur en recreatie van de provincie Noord-Holland.

Volgens het compensatieplan vinden er geen directe werkzaamheden plaats in de weidevogelgebieden en worden deze gebieden niet fysiek verkleind. Wel vindt vermindering van de geschiktheid van het gebied als broedgebied plaats. Deze vermindering van de geschiktheid vindt voornamelijk plaats ten gevolge van verstoring door geluid en hoogopgaande elementen aldus het compensatieplan. In het plan is een inventarisatie gemaakt van de te verwachten omvang van het beïnvloede EHS- en weidevogelgebied ten gevolge van de boringen, het aanleggen van de leidingen en de omlegging van een fietspad ten behoeve van het project. Geconcludeerd wordt dat inclusief de voorgeschreven kwaliteitstoeslag 9,7 ha EHS-gebied, tevens weidevogelgebied, dient te worden gecompenseerd. Daarnaast dient 8,5 ha weidevogelgebied te worden gecompenseerd, zo staat in het compensatieplan vermeld. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de in het compensatieplan opgenomen compensatiemaatregelen onvoldoende moeten worden geacht. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat bij de vaststelling van de compensatieverplichting is uitgegaan van jaarrond boren. Uit het compensatieplan volgt voorts dat bij de compensatieopgave eveneens de aanleg van de leidingen in EHS-gebied en weidevogelgebied is meegenomen.

Bij het zoeken naar compensatie is uitgegaan van tijdelijke en permanente compensatie. Het doel van de tijdelijke compensatie is het creëren van een goed weidevogelleefgebied tijdens de boringen. De tijdelijke compensatie bestaat uit het wijzigen van huidig gebruik van weidepercelen. In totaal zal gedurende 5 jaar 18,2 ha optimaal worden beheerd als broedgebied voor onder meer de grutto. Met de betrokken eigenaren van deze gronden zijn overeenkomsten gesloten en deze tijdelijke compensatie is reeds gerealiseerd.

Daarnaast zal in het kader van de permanente compensatie een plan worden ontwikkeld voor de realisatie van 30 ha permanente natuur tussen de puttenlocatie en het voormalige vliegveld Bergermeer. De realisatietermijn van deze compensatiemaatregel hangt onder meer af van de verwerfbaarheid. Ten einde de uitvoer van de compensatiemaatregelen zeker te stellen heeft de provincie op 23 februari 2011 een compensatieovereenkomst gesloten met TAQA. In artikel 3 van de overeenkomst is opgenomen dat TAQA zich inspant de permanente compensatie binnen de in bijlage 2A opgenomen planning te verwezenlijken. Indien TAQA dit nalaat kan ingevolge artikel 6 van de overeenkomst de provincie TAQA aansporen binnen een gestelde termijn alsnog aan de verplichting te voldoen. Indien TAQA dit nalaat kan de provincie de compensatieopgave op kosten van TAQA, met een vermeerdering, overnemen. Gelet op voornoemde artikelen uit de realisatieovereenkomst ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de compensatiemaatregelen onvoldoende zijn gewaarborgd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de ministers in het kader van de compensatie aansluiting hebben gezocht bij het compensatiebeleid van de provincie Noord-Holland, zoals opgenomen in beleidsregel compensatie natuur en recreatie van de provincie Noord-Holland. Op grond van dit beleid dient ter borging van de compensatie een realisatieovereenkomst te worden gesloten. Anders dan Natuurmonumenten en SOOB veronderstellen is op grond van dit beleid niet vereist dat de compensatiemaatregelen planologisch worden vastgelegd. Voorts is er geen rechtsgrond die vereist dat de compensatiemaatregelen bij vaststelling van het inpassingsplan volledig zijn uitgewerkt.

2.58.5. Voor zover Natuurmonumenten, Milieudefensie en SOOB hebben betoogd dat het tijdelijke compensatiegebied onvoldoende geschikt is, overweegt de Afdeling dat het compensatieplan vermeldt dat de desbetreffende percelen aansluiten op de Loterijlanden, maar ver genoeg van de puttenlocatie liggen om niet door de boringswerkzaamheden te worden verstoord. Hoewel de desbetreffende percelen al redelijke kwaliteiten hebben voor weidevogels (open, vochtig, extensief beheerd) en ter plaatse reeds grutto's aanwezig zijn, zullen er gerichte maatregelen worden getroffen om het gebied meer geschikt te maken als broedlocatie voor meer grutto's. Omdat het gebied al vanaf februari 2009 is gerealiseerd kunnen de weidevogels al enkele seizoenen wennen aan het nieuwe broedgebied en hiernaar toe uitwijken bij de start van de boringen, zo staat in het compensatieplan vermeld. Ter zitting heeft dr. G. van Wirdum, werkzaam bij Deltares, namens de ministers verklaard dat ter plaatse van de gebieden reeds meer grutto's aanwezig zijn. Uit het rapport "Second opinion effecten piekgeluiden op weidevogels" van Bureau Waardenburg volgt voorts dat de kans op negatieve effecten op populatieniveau minimaal is, omdat het plangebied is gelegen in een groot weidevogelleefgebied en de grutto voldoende mogelijkheid heeft uit te wijken naar de omliggende gebieden. Voorts staat in dit rapport vermeld dat het verstoorde gebied na afloop van de boringswerkzaamheden weer geschikt zal zijn als broedgebied voor de grutto. Het compensatiegebied ligt voorts buiten de verstoringszone van de puttenlocatie. Nu Natuurmonumenten, Milieudefensie en SOOB een en ander niet gemotiveerd hebben betwist, ziet de Afdeling gelet op het vorenstaande geen grond voor het oordeel dat de ministers ten onrechte het tijdelijke compensatiegebied als onvoldoende geschikt voor de grutto hebben aangemerkt.

2.58.6. Milieudefensie heeft in dit kader tot slot een beroep gedaan op de algemene zorgplicht neergelegd in artikel 3, eerste lid, van de Vogelrichtlijn waaraan ook buiten speciale beschermingszones dient te worden voldaan. Deze zorgplicht houdt in dat de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om een voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen. Daargelaten of aan dat artikel directe werking toekomt en Milieudefensie hierop een beroep kan doen, ziet de Afdeling gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen ten aanzien van de compensatie van weidevogelleefgebied, geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zich niet verdraagt met die zorgplicht.

Water

2.59. SOOB betoogt dat de effecten van de dalende grondwaterstand ten gevolge van het project onvoldoende zijn onderzocht. Voorts is onvoldoende duidelijk of het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier met de waterparagraaf van het plan heeft ingestemd. Daarnaast betoogt SOOB dat onvoldoende duidelijk is waarom 10% compensatie plaatsvindt voor de gerealiseerde verhardingen. Volgens haar zijn ook de gevolgen voor het oppervlaktewater onvoldoende duidelijk.

2.59.1. De ministers stellen dat voldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de waterpeildaling. Voorts zijn de compensatiemaatregelen voor de verhardingen vastgelegd in de keurontheffing van het Hoogheemraadschap. Het Hoogheemraadschap is volgens de ministers betrokken geweest bij de besluitvorming.

2.59.2. De effecten van de bemaling op de grondwaterstand is in verschillende onderzoeken aan de orde gekomen, waaronder het MER, de passende beoordeling en de hiervoor genoemde ecologische rapporten. SOOB heeft niet aangegeven op welke punten deze onderzoeken volgens haar ontoereikend zijn, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat de effecten van de verlaagde grondwaterstand onvoldoende zijn onderzocht.

Het inpassingsplan is voorts aan het Hoogheemraadschap voorgelegd. In zijn reactie heeft het Hoogheemraadschap een aantal aandachtspunten naar voren gebracht. In de plantoelichting staat vermeld dat aan deze voorwaarden is voldaan. SOOB heeft niet nader geconcretiseerd op welke punten niet aan de voorwaarden van het Hoogheemraadschap is voldaan. Er bestaat geen wettelijk vereiste op grond waarvan het Hoogheemraadschap met de waterparagraaf uit het inpassingsplan dient in te stemmen.

In de waterparagraaf van de plantoelichting staat dat met de realisatie van het project een toename van het verhard oppervlak plaatsvindt ter plaatse van de locatie Bergermeer. Op deze locatie zal het plan een toename van 6000 m² aan verhard oppervlak tot gevolg hebben. Voor deze toename vindt compensatie van 10% van het verhard oppervlak plaats. Volgens de ministers vindt deze compensatieopgave zijn weerslag in het beleid van het Hoogheemraadschap. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat deze compensatieopgave, die is opgenomen in de keurontheffing van het Hoogheemraadschap, onvoldoende moet worden geacht, dan wel onvoldoende is gewaarborgd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het inpassingsplan niet aan de compensatieopgave in de weg staat.

In de plantoelichting staat dat nu bij de leidingaanleg diverse kanalen, vaarten en sloten dienen te worden gekruist, tijdelijke effecten kunnen optreden. Zo kan de kwaliteit van het oppervlaktewater worden beïnvloed door geloosd bronneringswater. Om deze effecten te beperken zal in overleg met de waterbeheerder een geschikte boezem worden gekozen met een voldoende verversingsgraad. Voorts is een vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleend, waarin eisen worden gesteld aan de hoeveelheid en de kwaliteit van het geloosde water. Het grondwater dat van zodanige kwaliteit is dat het niet geloosd kan worden op het oppervlaktewater zal via retourbemaling op grote diepte worden geloosd. Hiervoor zijn twee ontheffingen op grond van het Lozingbesluit bodembescherming verleend. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het door SOOB aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de ministers de gevolgen voor het oppervlaktewater onvoldoende hebben onderzocht.

Lichthinder

2.60. [appellant sub 12] en [appellante sub 4] hebben aangevoerd dat tijdens de boorfase lichthinder zal ontstaan. In dit verband betoogt [appellant sub 12] dat nader onderzoek had moeten worden verricht naar dit aspect.

2.60.1. De ministers stellen dat geen sprake zal zijn van onevenredige lichthinder.

2.60.2. Met betrekking tot de mogelijke lichthinder hebben de ministers uiteengezet dat deze voornamelijk wordt gegenereerd tijdens de bouwactiviteiten en de boringen. Het voorziene geluidscherm met een hoogte van 10 meter zal de mogelijke verstoring door licht beperken. Daarnaast is in voorschrift II2 van de milieuvergunning opgenomen dat de verlichting zodanig dient te worden opgesteld en dat de lampen zodanig dienen te worden afgeschermd dat hinderlijke lichtstraling voor de omgeving wordt voorkomen. In de enkele stelling van [appellant sub 12] en [appellante sub 4] dat lichthinder zal optreden ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de ministers zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat geen sprake zal zijn van onevenredige lichthinder. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat nader onderzoek diende te worden verricht naar dit aspect.

Economische uitvoerbaarheid

2.61. SOOB en [appellant sub 1] betogen dat de ministers de economische uitvoerbaarheid van het plan niet hebben aangetoond. SOOB en [appellant sub 1] voeren hiertoe aan dat de inhoud van het investeringsbesluit van 19 oktober 2009 van TAQA en Energie Beheer Nederland B.V. (hierna: EBN), waarmee de economische uitvoerbaarheid volgens de ministers is verzekerd, onbekend en niet openbaar is. Uit een brief van EBN aan de minister van Economische Zaken van 8 oktober 2009 blijkt bovendien dat na de realisatie van het project een andere partij een belang in het project zal nemen, zodat volgens SOOB het voormelde investeringsbesluit alleen betrekking kan hebben op de realisatie van het project en niet is verzekerd dat daarna nog sprake zal zijn van een uitvoerbaar project. SOOB voert voorts aan dat niet is gebleken dat een anterieure exploitatieovereenkomst is gesloten en dat geen inzicht is gegeven in de inhoud hiervan.

2.61.1. De ministers stellen dat het project economisch uitvoerbaar is. Volgens de ministers zal TAQA niet investeren in een gasopslag om die vervolgens niet te gebruiken. Volgens de ministers is een anterieure overeenkomst gesloten tussen de staat en de Bergermeer Partnergroep, waarin staat welke kosten door TAQA aan de staat worden vergoed in verband met de door de staat voor dit project gemaakte kosten. Hiervan is volgens de ministers een zakelijke beschrijving bij het plan gevoegd.

2.61.2. In de plantoelichting staat dat de initiatiefnemer van het project gasopslag Bergermeer de Bergermeer Partnergroep is bestaande uit TAQA en EBN. Dit consortium verwacht dat met het project een investering van ongeveer € 800 miljoen is gemoeid. De partners in het project zullen dit bedrag financieren. De definitieve investeringsbeslissing voor het project is genomen op 19 oktober 2009. De genoemde investering omvat alle kosten voor de geplande werkzaamheden en omvat tevens de gangbare toeslagen voor het financieel kunnen opvangen van tegenvallers in de uitvoering. Met het definitieve investeringsbesluit, is de economische uitvoerbaarheid van het plan verzekerd.

2.61.3. De ministers stellen terecht dat het bij een project als het onderhavige, waarbij alle kosten door de initiatiefnemer worden gedragen, in eerste instantie aan de initiatiefnemer is om te beoordelen of hij het project economisch kan uitvoeren en of dit voor hem rendabel is. De ministers dienen zich ervan te vergewissen dat de door de initiatiefnemer gemaakte beoordeling niet onjuist is, waarbij zij niet in detail in de door de initiatiefnemer gemaakte bedrijfseconomische afwegingen hoeven te treden. Anders dan SOOB en [appellant sub 1] stellen, hebben de ministers zich in redelijkheid, onder verwijzing naar de investeringsbeslissing van 19 oktober 2009, op het standpunt kunnen stellen dat de economische uitvoerbaarheid van het project is verzekerd. Hoewel de investeringsbeslissing van 19 oktober 2009 niet actief openbaar is gemaakt, bevat de plantoelichting een beschrijving hiervan. Hierin staat dat TAQA en EBN het project financieren en dat met het project een investeringsbedrag van ongeveer € 800 miljoen is gemoeid. SOOB en [appellant sub 1] hebben niet betwist dat met dit investeringsbedrag het project kan worden gerealiseerd. TAQA heeft voorts ter zitting onweersproken toegelicht dat met het investeringsbedrag de realisatie van de gasopslag is verzekerd en dat ook hierna sprake zal zijn van een rendabel project, aangezien reeds 90 procent van de opslagcapaciteit die in eerste instantie beschikbaar komt is verhuurd. Anders dan SOOB stelt, bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de gasopslag voor de leegstand wordt gerealiseerd.

2.61.4. De ministers hebben voorts toegelicht dat op 26 april 2011 door TAQA en de staat een anterieure exploitatieovereenkomst is gesloten. Door middel van deze overeenkomst wordt volgens de ministers voorzien in verhaal van eventuele planschade of kosten bij procedures ten behoeve van de verwerving van gronden. Het kostenverhaal ten behoeve van het plan is daarmee anderszins verzekerd, aldus de ministers. De Afdeling acht aannemelijk dat een anterieure exploitatieovereenkomst is gesloten. Voor zover SOOB betoogt dat deze ingevolge artikel 3:11 van de Awb met het ontwerp van het plan ter inzage had moeten worden gelegd, geldt dat, zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 30 maart 2011 in zaak nr. 201007248/1/R1, artikel 3:11 van de Awb hiertoe niet verplicht, nu de anterieure exploitatieovereenkomst niet kan worden aangemerkt als een op het ontwerpplan betrekking hebbend stuk als bedoeld in dit artikel. Overigens is de anterieure exploitatieovereenkomst naar aanleiding van een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur openbaar gemaakt. Dat hierin geen tijdvak of fasering is bepaald en geen locatie-eisen zijn opgenomen, betekent, anders dan SOOB stelt, niet dat deze aspecten niet in de beoordeling zijn betrokken, maar dat de ministers het stellen van vereisten hieromtrent niet noodzakelijk hebben geacht. SOOB heeft niet aannemelijk gemaakt dat de ministers zich ten onrechte op dit standpunt hebben gesteld. Voorts staat in artikel 1 van deze overeenkomst dat de Bergermeer Partnergroep de door de staat in het kader van de planologische maatregelen gemaakte kosten en te maken kosten zal voldoen. Anders dan SOOB stelt, bestaat in het licht hiervan geen grond voor het oordeel dat de exploitatiekosten niet anderszins zijn verzekerd.

2.62. SOOB stelt voorts dat het plan wordt mogelijk gemaakt met staatssteun en dat het plan niet uitvoerbaar is indien dit wordt teruggevorderd. SOOB voert hiertoe aan dat de staat, handelend in de vorm van EBN, een belang van 40 procent heeft in het project, hetgeen overeenkomt met een bedrag van € 320 miljoen. Indien dit bedrag dient te worden teruggevorderd zal het project volgens SOOB geen doorgang vinden. [appellant sub 1] stelt voorts dat het project ten onrechte niet Europees is aanbesteed.

2.62.1. De ministers stellen dat van staatssteun geen sprake is. De deelname van EBN in het project is volgens de ministers geregeld in de Mijnbouwwet, waarin tevens is geregeld dat deze deelname op marktconforme wijze en onder in het normale handelsverkeer gebruikelijke voorwaarden en verhoudingen wordt verricht.

2.62.2. Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Mijnbouwwet, wijst Onze Minister in het belang van een doelmatige opsporing en winning, een planmatig beheer en een optimale afzet van koolwaterstoffen, een naamloze of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid aan, waarvan alle aandelen middellijk of onmiddellijk aan de staat behoren, die onder meer tot taak heeft het deelnemen in opsporingswerkzaamheden en mijnbouwwerkzaamheden.

Ingevolge het tweede lid kan, onverminderd het eerste lid, de vennootschap bij besluit van Onze Minister andere taken dan de taken, bedoeld in het eerste lid, worden opgedragen in het algemeen belang van het energiebeleid.

Ingevolge het derde lid, verricht de vennootschap middellijk of onmiddellijk geen andere activiteiten dan activiteiten ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste en tweede lid, tenzij Onze Minister daarmee heeft ingestemd.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, is de vennootschap verplicht, indien zij activiteiten als bedoeld in artikel 82, derde lid, verricht, al dan niet op geconsolideerde basis, een afzonderlijke boekhouding te voeren voor die activiteiten enerzijds en de activiteiten ter uitvoering van haar taken, bedoeld in artikel 82, eerste en tweede lid, anderzijds.

Ingevolge het derde lid, worden de baten die de vennootschap behaalt met de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 82, eerste of tweede lid, niet gebruikt voor financiering van de activiteiten, bedoeld in artikel 82, derde lid.

Ingevolge het vierde lid, verricht de vennootschap activiteiten als bedoeld in artikel 82, derde lid, tegen marktconforme tarieven en voorwaarden en op basis van een integrale doorberekening van alle kosten.

2.62.3. Zoals de ministers ter zitting hebben toegelicht, verricht EBN haar activiteiten in het kader van het project krachtens artikel 82, derde lid, van de Mijnbouwwet. Zoals de ministers terecht stellen, is EBN ingevolge artikel 83, vierde lid, van de Mijnbouwwet verplicht deze activiteiten te verrichten tegen marktconforme tarieven en voorwaarden en op basis van een integrale doorberekening van alle kosten. Voorts is het ingevolge artikel 83, derde lid, van de Mijnbouwwet niet toegestaan dat EBN dergelijke commerciële nevenactiviteiten financiert met baten die zij heeft behaald met de uitoefening van haar publieke taken. Anders dan SOOB stelt, biedt de enkele omstandigheid dat EBN deelneemt in het project derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat dit project door middel van staatssteun wordt mogelijk gemaakt. De stelling dat het project niet uitvoerbaar is wanneer het belang van EBN van € 320 miljoen als verboden staatssteun zou worden teruggevorderd, slaagt reeds hierom niet. Voor zover SOOB betoogt dat de ministers diplomatieke bijstand hebben verleend bij het sluiten van de overeenkomst over de aankoop van kussengas, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat deze steun van zodanige omvang is dat sprake kan zijn van terugvordering.

2.62.4. De ministers stellen voorts dat de overheid geen opdracht heeft gegeven voor het project, zodat van een aanbestedingsplicht geen sprake is. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is.

Uitvoeringsbesluiten

2.63. SOOB stelt dat aan een groot deel van de verleende vergunningen en ontheffingen voorschriften zijn verbonden omtrent de tijden waarbinnen werkzaamheden mogen worden verricht die te ruim zijn geformuleerd en teveel ruimte laten voor overschrijding. Voorts had een toets op basis van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet bibob) uitgevoerd moeten worden, aldus SOOB.

2.63.1. De ministers stellen dat van te ruime werktijden en afwijkingsmogelijkheden geen sprake is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat ernstig gevaar bestaat dat de houder van de vergunningen deze mede zal gebruiken om strafbare feiten te plegen, dan wel uit gepleegde strafbare feiten verkregen of nog te verkrijgen op geld waardeerbare voordelen zal benutten, aldus de ministers.

2.63.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven, dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

2.63.3. De enkele stelling van SOOB dat aan de verleende vergunningen en ontheffingen te ruime voorschriften en afwijkingsmogelijkheden wat betreft de werktijden zijn verbonden slaagt niet. SOOB heeft niet gemotiveerd waarom de werktijden te ruim zijn.

Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de ministers zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat aanleiding bestaat voor een onderzoek op basis van de Wet bibob. Anders dan SOOB stelt, is daarvoor onvoldoende reden gelegen in de enkele omstandigheid dat met het project grote financiële belangen zijn gemoeid.

2.64. SOOB stelt voorts dat aan de verleende vergunning voor het oprichten van een tijdelijke booruitrusting en faciliteiten ten onrechte een maximale termijn van vijf jaar is verbonden, terwijl met een aanzienlijk kortere termijn kan worden volstaan. Voorts is de tijdelijke booruitrusting die op grond van deze vergunning mag worden opgericht niet planologisch aanvaardbaar, aldus SOOB.

2.64.1. SOOB heeft ter zitting de beroepsgrond dat aan de vergunning voor het gedeeltelijk veranderen van een gaswinlocatie op het perceel Bergerweg en aan de vergunning voor het oprichten van een tijdelijke booruitrusting en faciliteiten ten onrechte geen voorschrift is verbonden dat niet mag worden begonnen met de bouwwerkzaamheden voordat de bodemsanering is uitgevoerd, ingetrokken

2.64.2. De ministers stellen dat TAQA de boorwerkzaamheden onder normale omstandigheden binnen drie jaar zal afronden, maar dat de vergunning is verleend voor vijf jaar omdat niet valt uit te sluiten dat door onvoorziene omstandigheden enige uitloop plaatsvindt. Voorts hebben de ministers zich op het standpunt gesteld dat de tijdelijke booruitrusting planologisch aanvaardbaar wordt geacht.

2.64.3. SOOB heeft niet aannemelijk gemaakt dat de ministers de vergunning voor het oprichten van een tijdelijke booruitrusting en faciliteiten voor een periode van vijf jaar niet in redelijkheid hebben kunnen verlenen. De ministers hebben er naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid rekening mee kunnen houden dat onvoorziene omstandigheden kunnen plaatsvinden waardoor TAQA de boorwerkzaamheden niet binnen de voorziene drie jaar zal kunnen afronden.

Voorts hebben de ministers ter zitting toegelicht dat een booruitrusting van 60 meter hoog noodzakelijk is voor de uitvoering van het plan. Vanwege de belangen die zijn gemoeid met het plan en omdat de ruimtelijke invloed hiervan tijdelijk is, hebben de ministers deze booruitrusting planologisch aanvaardbaar geacht. In hetgeen SOOB heeft aangevoerd acht de Afdeling geen grond gelegen voor het oordeel dat de ministers zich niet in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen.

2.65. SOOB betoogt voorts dat de besluiten waarbij een tijdelijke ontheffing van vigerende bestemmingsplannen van de gemeente Bergen ten behoeve van diverse werken en werkzaamheden alsmede het plaatsen van tijdelijke mobiele werk-, schaft- en materiaalketen en een tijdelijke portiersunit is verleend (hierna: het ontheffingsbesluit) niet zijn voorzien van een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing. SOOB stelt dat in het ontheffingsbesluit is uitgegaan van verouderde verkeersgegevens en het besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. Voorts hebben de ministers volgens SOOB ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de gevolgen van de extra verkeersbewegingen naar het Bergermeerterrein op de luchtkwaliteit, alsmede naar de geluidoverlast die deze verkeersbewegingen veroorzaken. SOOB stelt ten slotte dat aan het ontheffingsbesluit, de besluiten waarbij vergunningen zijn verleend voor de bouw van een tijdelijke portiersunit en tijdelijke verblijfsketen en het besluit waarbij de door TAQA aangevraagde vergunningen en ontheffingen op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) zijn verleend, ten onrechte een maximale termijn van vijf jaar is verbonden.

2.65.1. De ministers stellen dat de door SOOB genoemde besluiten zijn voorzien van een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing, waarbij is ingegaan op de aspecten met betrekking tot natuur, flora en fauna en verkeer. Voor de overige milieueffecten is verwezen naar het MER. Voorts zijn volgens de ministers de verkeersgegevens die aan het ontheffingsbesluit ten grondslag liggen gebaseerd op het in opdracht van TAQA door ingenieursbedrijf Oranjewoud opgestelde memo "Capacito berekeningen in- en uitrit op de Hoeverweg (N512)", alsmede de uurintensiteiten van 2008. Verder is de gekozen oplossing voor de verkeersafwikkeling volgens de ministers voldoende gemotiveerd.

2.65.2. De Afdeling stelt vast dat het ontheffingsbesluit een ruimtelijke onderbouwing bevat, waarbij is ingegaan op de milieuaspecten, flora en fauna en de verkeersaspecten. De enkele stelling van SOOB dat deze ruimtelijke onderbouwing niet deugdelijk is, slaagt niet. SOOB heeft niet gemotiveerd aangegeven in welk opzicht de ruimtelijke onderbouwing ontoereikend is.

2.65.3. In het ontheffingsbesluit staat dat ten aanzien van de verkeerskundige onderzoeksgegevens de ruimtelijke onderbouwing is gebaseerd op het rapport 'Bergermeer Gas Storage Project, beschrijving oplossingsvarianten ontsluiting tijdens de bouwfase', van 31 oktober 2008 (hierna: het Oranjewoud-rapport), het memo 'Inpassing aspecten rotonde Bergermeer N510' van 30 oktober 2009 (hierna: het memo van 30 oktober 2009), het memo 'Voorzet aanvraag inrit/uitritvergunning Hoeverweg' van 19 november 2009, het memo 'Capacito berekeningen in- & uitrit op de Hoeverweg N512' van 17 november 2009, alle opgesteld door Oranjewoud in opdracht van TAQA, en het memo 'Reactie memo Oranjewoud rotonde Bergermeer' van 19 november 2009, opgesteld in opdracht van de provincie Noord-Holland (hierna: het memo van 19 november 2009).

In het Oranjewoud-rapport staat dat de bouw van de puttenlocatie zal zorgen voor een toename van vrachtverkeer op de Bergerweg, hetgeen kan leiden tot verkeersonveilige situaties. In het rapport is een aantal alternatieven beschreven die ervoor zorgen dat de verkeersveiligheid en -afwikkeling, tijdens de bouw van de installaties, zo min mogelijk hinder ondervinden van het zware vrachtverkeer. In het rapport is geconcludeerd dat het alternatief waarbij op de Bergerweg ter hoogte van het Bergermeerterrein een linksafvak voor verkeer uit de richting Alkmaar wordt gerealiseerd de voorkeur geniet.

In het memo van 30 oktober 2009 is een vergelijking gemaakt tussen het alternatief waarbij een linksafvak op de Bergerweg wordt gerealiseerd en het alternatief waarbij op deze weg een rotonde wordt gerealiseerd. In dit memo staat dat het eerstgenoemde alternatief de meest efficiënte oplossing is, waarbij niet wordt ingeleverd op de veiligheid.

2.65.3.1. De ministers hebben in het ontheffingsbesluit opgenomen dat een linksafvak zal worden gerealiseerd op de Bergerweg tijdens de aanlegwerkzaamheden op het Bergermeerterrein. Hiervoor is door het college van gedeputeerde staten een ontheffing van de Wegenverordening Noord-Holland verleend. De ministers hebben ter motivering van deze keuze verwezen naar het Oranjewoud-rapport en het memo van 30 oktober 2009. SOOB heeft de juistheid hiervan niet betwist. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het besluit in zoverre onvoldoende is gemotiveerd. Dat volgens het memo van 19 november 2009 de door Oranjewoud berekende verkeersintensiteiten niet juist zijn betekent voorts, anders dan SOOB stelt, niet dat de ministers het rapport en de memo's van Oranjewoud aan het ontheffingsbesluit ten onrechte ten grondslag hebben gelegd. In het memo van 19 november 2009 staat dat de verkeersintensiteiten waarvan in het rapport en de memo's van Oranjewoud is uitgegaan hoger zijn dan de intensiteiten die zijn geteld in 2008. Volgens dit memo zal de verkeersafwikkeling in de ochtendspits gunstiger zijn dan door Oranjewoud berekend en in de avondspits gelijk zijn aan de berekening van Oranjewoud. SOOB heeft de stelling dat de verkeersintensiteiten in het memo van 19 november 2009 niet meer actueel zijn, niet gemotiveerd. Hetgeen SOOB heeft aangevoerd biedt derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers in het ontheffingsbesluit van te lage verkeersintensiteiten zijn uitgegaan.

2.65.4. In het rapport 'Luchtemissies boringen en operaties Bergermeer' van 30 oktober 2008, opgesteld door DHV in opdracht van TAQA, dat aan het MER ten grondslag ligt, staat dat toetsing van de emissies aan de Wet luchtkwaliteit heeft aangetoond dat de grenswaarden niet worden overschreden. Bij deze toetsing is de emissie die wordt veroorzaakt door vervoersbewegingen voor aanvoer van constructiematerialen voor de inrichtingen op het Bergermeerterrein betrokken.

In het rapport 'Geluidprognose Bergermeer ten behoeve van Bergermeer Gas Storage' van 28 oktober 2008, opgesteld door DHV in opdracht van TAQA, dat aan het MER ten grondslag ligt, staat dat het opbouwen van een boorinstallatie een aantal dagen duurt en gepaard zal gaan met veel vrachtwagenbewegingen en kraanactiviteiten. De verwachting is dat het geluid tijdens het opbouwen van de boorinstallaties zeker niet groter zal zijn dan het geluid tijdens de eigenlijke booractiviteiten.

De Afdeling volgt SOOB dan ook niet in de stelling dat de milieuaspecten van de extra verkeersbewegingen naar het Bergermeerterrein in het kader van het MER niet zijn onderzocht.

2.65.5. Nu SOOB evenmin heeft gemotiveerd waarom de ministers voor de overige milieuaspecten van het ontheffingsbesluit in redelijkheid niet hebben kunnen verwijzen naar het MER, ziet de Afdeling in hetgeen SOOB heeft aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers de door TAQA aangevraagde ontheffing van vigerende bestemmingsplannen van de gemeente Bergen ten behoeve van diverse werken en werkzaamheden alsmede het plaatsen van tijdelijke mobiele werk-, schaft- en materiaalketen en een tijdelijke portiersunit in redelijkheid niet hebben kunnen verlenen.

2.65.6. Ten slotte bestaat in hetgeen SOOB naar voren heeft gebracht geen grond voor het oordeel dat de ministers de vergunningen voor de bouw van een tijdelijke portiersunit en tijdelijke verblijfsketen, het ontheffingsbesluit en de ontheffing van de APV ten onrechte voor een periode van vijf jaar hebben verleend. Zoals is overwogen in 2.64.3, hebben de ministers er in redelijkheid rekening mee kunnen houden dat onvoorziene omstandigheden kunnen plaatsvinden waardoor TAQA de boorwerkzaamheden niet binnen de voorziene drie jaar zal kunnen afronden.

2.66. Gasalarm2 betoogt ten slotte dat het college van gedeputeerde staten ten onrechte bij besluit van 29 april 2011 de aanvraag van TAQA om verlening van een revisievergunning voor de inrichting Gasopslag en Waterinjectie-installatie Bergermeer heeft ingewilligd. Gasalarm2 voert hiertoe aan dat TAQA voornemens is om water af te voeren afkomstig uit gewonnen gas uit het gasveld Alkmaar, dat niet uit zandsteen, maar uit kalksteen bestaat.

2.66.1. Het college van gedeputeerde staten stelt dat het besluit van 29 april 2011, waarbij de revisievergunning is verleend, geen verandering brengt in de eerder vergunde situatie. De herkomst en maximale hoeveelheid van het te injecteren water blijft ongewijzigd, evenals de putten waardoor het water wordt geïnjecteerd, aldus het college van gedeputeerde staten.

2.66.2. Reeds bij besluit van 4 oktober 2006 is een vergunning voor onbepaalde tijd verleend voor het injecteren van productie- en hemelwater, onder meer afkomstig van het gasveld Alkmaar, in de diepe ondergrond. Bij besluit van 31 juli 2008, waarbij het college van gedeputeerde staten heeft ingestemd met de melding van TAQA van 5 mei 2008, is het mogelijk gemaakt dat naast put 4 ook put 3 hiervoor wordt gebruikt. Gasalarm2 ziet eraan voorbij dat het besluit van 29 april 2011 geen wijzigingen aanbrengt in deze vergunde situatie. De enkele stelling van Gasalarm2 dat TAQA voornemens is om water af te voeren afkomstig uit gewonnen gas uit het gasveld Alkmaar, kan derhalve niet leiden tot het oordeel dat het college van gedeputeerde staten ten onrechte de aangevraagde revisievergunning heeft verleend.

Schade

2.67. SOOB, [appellant sub 1], de VVE, LTO Noord en [appellant sub 7] stellen dat het plan en de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten onzorgvuldig zijn voorbereid, nu de ministers zich niet op voorhand rekenschap hebben gegeven van de schadelijke effecten hiervan. SOOB voert hiertoe aan dat de ministers aan het plan een aantal concrete handelingen of richtlijnen voor het vergoeden van schade hadden moeten verbinden. [appellant sub 1] en de VVE voeren aan dat een adequate schaderegeling in de vorm van een passende nadeelcompensatieregeling ontbreekt. Voorts is volgens de VVE in de belangenafweging geen rekening gehouden met de geleden planschade. LTO Noord voert aan dat in het plan een schaderegeling voor agrarische bedrijven moet worden opgenomen, nu de voorziene ondergrondse opslag schadelijk kan zijn voor de landbouw. Voorts voeren [appellant sub 1] en LTO Noord aan dat een adequate nulmeting dient te worden verricht.

2.67.1. De ministers stellen dat in de besluitvorming alle relevante belangen zijn meegewogen en dat daarbij ook acht is geslagen op mogelijke schadelijke effecten van het project. Deze effecten zijn volgens de ministers evenwel niet van zodanig gewicht dat het plan en de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten niet hadden mogen worden vastgesteld. Volgens de ministers bestaat geen aanleiding voor het opnemen van een schade- dan wel een nadeelcompensatieregeling, aan het plan, nu in de Wro, de onteigeningswet, het Burgerlijk Wetboek en de Mijnbouwwet reeds schaderegelingen zijn opgenomen. Daarbij komt volgens de ministers dat TAQA met de gemeenten in de regio, behalve de gemeente Bergen, convenanten heeft gesloten voor een voortvarende afhandeling van schadeclaims veroorzaakt door bodembewegingen en bouwschade en overlast. Voor claims van burgers uit de gemeente Bergen worden deze convenanten analoog toegepast. Voor het opnemen van een schaderegeling voor agrarische bedrijven bestond volgens de ministers evenmin aanleiding, nu TAQA bij de leidingaanleg met agrarische eigenaren van de gronden tot overeenstemming zal proberen te komen en als dit niet mogelijk is een gedoogplicht op grond van de Belemmeringenwet privaatrecht kan worden opgelegd. Ten slotte is volgens de ministers voorzien in een adequate nulmeting.

2.67.2. Afdeling 6.1 van de Wro voorziet in een regeling voor de vergoeding van planschade. Voorts voorziet de onteigeningswet in schadeloosstelling als ter uitvoering van het project gronden moeten worden onteigend en voorziet de Belemmeringenwet privaatrecht in schadeloosstelling als ten behoeve van het project een gedoogplicht moet worden opgelegd. De Mijnbouwwet en artikel 6:177 van het Burgerlijk Wetboek voorzien in een wettelijke regeling voor de afhandeling van schade door mijnbouwactiviteiten. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers niet in redelijkheid konden volstaan met deze verwijzing. Hierbij komt dat door TAQA met de gemeenten Alkmaar en Schermer een convenant voor schade door bodembeweging en een convenant voor bouwschade en overlast is gesloten. Voor zover Gasalarm2 stelt dat TAQA bij het vaststellen van eventuele schade bij een aardbeving niet hoort te worden betrokken, overweegt de Afdeling dat TAQA niet het recht kan worden ontzegd zich te verweren bij een eventuele schadeclaim. Overigens kunnen omwonenden ingevolge artikel 114 van de Mijnbouwwet bij de technische commissie bodembeweging onafhankelijk, deskundig advies inwinnen omtrent het verband tussen de gasopslagactiviteiten en de schade, alsmede over de hoogte van het schadebedrag.

2.67.3. Ingevolge artikel 8 van het instemmingsbesluit opslagplan is TAQA verplicht een representatieve nulmeting van kwetsbare objecten in de omgeving van de voorziene gasopslag te verrichten. Hiermee wordt de bewijspositie van omwonenden bij eventuele schade bij een aardbeving vereenvoudigd. In het door Bureau Van Miert BV in opdracht van TAQA opgestelde plan van aanpak staat dat een representatieve dwarsdoorsnede van de bebouwing binnen het relevante gebied in Bergen en Alkmaar zal worden gemaakt. In het plan van aanpak is de bebouwing in de wijkgroepen getypeerd, zijn de kwetsbare objecten in beeld gebracht en zijn de referentieobjecten geselecteerd. Voorts staat in het plan van aanpak dat de bouwkundige staat, met eventueel reeds aanwezige schade, van de geselecteerde referentieobjecten op locatie zal worden vastgelegd door gecertificeerde bouwkundig schade experts, conform de richtlijnen van het Nederlands Instituut Van Register Experts. De objecten worden aan de binnen- en buitenzijde grondig opgenomen, beschreven en gefotografeerd. Na opname vindt controle plaats door TAQA en vervolgens worden de rapporten beschikbaar gesteld aan de desbetreffende eigenaar/bewoner. Ter voorkoming van discussie over de opname in een later stadium worden afschriften van alle opnamerapporten gedeponeerd bij een notaris. Hetgeen [appellant sub 1] en LTO Noord stellen, biedt geen aanleiding voor de verwachting dat de door TAQA conform het opgestelde plan van aanpak te verrichten nulmeting niet adequaat zal zijn.

Anders dan SOOB, [appellant sub 1], de VVE, LTO Noord en [appellant sub 7] stellen, bestaat, gelet op het voorgaande, geen grond voor het oordeel dat de ministers het plan en de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten wat betreft het aspect schade in redelijkheid niet hebben kunnen vaststellen zoals zij hebben gedaan.

Overig

Zienswijzen herhaald en ingelast

2.68. [appellant sub 5], [appellant sub 10] en LTO Noord hebben zich in het beroepschrift - voor het overige - beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van hun zienswijzen. In de overwegingen van de bestreden besluiten is ingegaan op deze zienswijzen. [appellant sub 5], [appellant sub 10] en LTO Noord hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist is. Anders dan [appellant sub 5], [appellant sub 10] en LTO Noord stellen, zijn de door hen aangevoerde bezwaren en argumenten door de ministers bij de beoordeling betrokken. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, geeft op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat de besluiten niet voldoende zijn gemotiveerd.

Conclusie

2.69. In hetgeen [appellant sub 1], de VVE, Gasalarm2, [appellante sub 4], [appellant sub 5], Natuurmonumenten, [appellant sub 7], SOOB, Milieudefensie, [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12] en LTO Noord hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het plan en de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.70. De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.71. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van SOOB niet-ontvankelijk, voor zover dat is ingesteld door de raad van Bergen, het college van burgemeester en wethouders van Bergen en de publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente Bergen;

II. verklaart het beroep van SOOB voor het overige ongegrond;

III. verklaart de overige beroepen geheel ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Brand, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Brand
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2012

523-575.