Uitspraak 200907642/1/R1

Datum van uitspraak: woensdag 7 september 2011
Tegen: de raad van de gemeente Bodegraven
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: RO - Zuid-Holland
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2011:BR6910

200907642/1/R1.
Datum uitspraak: 7 september 2011

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], allen wonend te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
2. [appellanten sub 2], allen wonend te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
3. [appellant sub 3], wonend te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk, en anderen,
4. [appellant sub 4], wonend te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
5. [appellant sub 5], wonend te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
6. [appellant sub 6], wonend te Nieuwerbrug, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
7. [appellant sub 7], wonend te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
8. [appellant sub 8], wonend te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
appellanten,

en

de raad van de gemeente Bodegraven, thans gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Reparatieherziening Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2009, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 2009, [appellant sub 3] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2009, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 december 2009, [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 december 2009, [appellant sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 januari 2010, [appellant sub 7] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2010, en [appellant sub 8] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 januari 2010, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 19 november 2009. [appellant sub 7] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 29 januari 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [partij] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten sub 1], [appellant sub 3] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2011, waar [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], bijgestaan door mr. J.M. Smits, werkzaam bij SRK rechtsbijstand, [appellant sub 3] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 4], bijgestaan door [appellant sub 5], [appellant sub 5], [appellant sub 6], vertegenwoordigd door [appellant sub 5], [appellant sub 7], vertegenwoordigd door mr. W. Kattouw, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.A. Wentink-Quelle , advocaat te Amsterdam, P.J. Rouing, B.A. Drost-Westland, beiden werkzaam bij de gemeente, en J.F. Rings, werkzaam bij de Milieudienst Midden-Holland, zijn verschenen. Voorts is [partij], bijgestaan door mr. M.W.A. Scholtes, advocaat te Den Haag, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 5] voor zover dat ziet op het perceel aan [locatie sub 5] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu dat niet zijn grondslag vindt in een ingebrachte zienswijze.

2.1.1. De beroepsgrond van [appellant sub 5] dat het plan ten onrechte niet voorziet in een woonbestemming voor de gronden aan [locatie sub 5] met een eigen bouwvlak, dient te worden opgevat als gericht tegen de begrenzing van het plan, nu de gronden niet tot het plangebied behoren. Het beroep steunt in zoverre echter niet op een bij de raad ingebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, planregels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep Van [appellant sub 5] is niet-ontvankelijk voor zover dit is gericht tegen het buiten de planbegrenzing laten van de gronden aan de [locatie sub 5].

Het plan

2.2. Het plan betreft een partiële herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied". Beoogd is delen van de kaart en delen van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" te herzien. Het plan is geen zelfstandig geheel van verbeelding en planregels. Het maakt na inwerkingtreding onderdeel uit van het bestemmingsplan "Buitengebied". Met dit plan is niet beoogd een algehele heroverweging van de beleidskeuzes van de raad uit 2004 te maken. Er is uitsluitend bedoeld een reparatie door te voeren naar aanleiding van de onthouding van goedkeuring aan enkele onderdelen van het bestemmingsplan "Buitengebied" bij besluit van 5 juli 2005 door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland en de vernietiging van enkele onderdelen van dit besluit door de Afdeling bij uitspraak van 20 september 2006 in zaak nr. 200507173/1 en verder heeft voor ogen gestaan evidente geconstateerde gebreken wat betreft het bestemmingsplan "Buitengebied" te herstellen.

Procedurele aspecten

2.3. [appellanten sub 1] betogen dat het bestemmingsplan "Buitengebied", dat met het plan partieel wordt herzien, ten onrechte niet ter inzage heeft gelegen met het ontwerpplan en met het vastgestelde plan.

2.3.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4. van de Awb van toepassing met dien verstande dat in voormeld artikel enkele aanvullende voorschriften worden gegeven.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.3.2. De raad heeft ter zitting gesteld dat het bestemmingsplan "Buitengebied" met het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen. Met de enkele, niet onderbouwde, stelling van [appellanten sub 1] dat het bestemmingsplan "Buitengebied" niet ter inzage heeft gelegen met het ontwerpplan is niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is geweest. Het betoog faalt.

2.3.3. De beroepsgrond van [appellanten sub 1] voor zover deze ziet op de bekendmaking van het vastgestelde plan heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Het betoog faalt.

2.4. [appellanten sub 1] betogen dat ten onrechte geen vooroverleg is gevoerd met de gemeente Nieuwkoop.

2.4.1. Ingevolge artikel 3.1.1, eerste lid, eerste volzin, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg van de ruimtelijke ordening of zijn belast met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

2.4.2. In de nota van beantwoording zienswijzen is vermeld dat het voorontwerp Reparatieherziening in het kader van het bestuurlijke vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Bro is toegezonden aan de gemeente Nieuwkoop. De gemeente Nieuwkoop heeft volgens deze nota geen reactie gegeven. [appellanten sub 1] hebben het hiervoor gestelde niet bestreden. Anders dan [appellanten sub 1] betogen, volgt uit artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro niet dat het toezenden van het voorontwerp niet voldoende is om als overleg te worden aangemerkt. Blijkens de artikelsgewijze toelichting uit de nota van toelichting wordt aan de praktijk overgelaten hoe het overleg wordt gevoerd. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro.

Het beroep van [appellanten sub 1]

Het beroep

2.5. [appellanten sub 1] richten zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de subbestemming "Bedrijfsverzamelgebouw (Bvg)" wat betreft de gronden aan [locatie sub 1a] alsmede tegen het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" met de aanduiding 'zw' wat betreft de gronden aan [locatie sub 1b], waarvan [appellant], een van de medeondertekenaars van het beroepschrift, eigenaar is.

De planregeling

2.6. [appellanten sub 1] betogen dat de planregeling in zoverre rechtsonzeker is.

2.6.1. Aan het perceel [locatie sub 1b] is in het bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Woondoeleinden" toegekend.

Aan het perceel [locatie sub 1a] was in het bestemmingsplan "Buitengebied" deels de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de subbestemming "Bedrijfsverzamelgebouw, caravanstalling en loonspuitbedrijf", deels de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de nadere aanduiding 'zonder gebouwen' en deels de bestemming "Agrarische doeleinden" met de subbestemming "Grondgebonden veehouderij" toegekend.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder aa, van de planvoorschriften waren de gronden ter plaatse van de subbestemming "Bedrijfsverzamelgebouw, caravanstalling en loonspuitbedrijf" bestemd voor een bedrijfsverzamelgebouw ten behoeve van diverse bedrijfsactiviteiten behorende tot categorie 2, een caravanstalling behorende tot categorie 2 en een loonspuitbedrijf tegen ongedierte behorende tot categorie 3.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef onder e, van de planvoorschriften waren de gronden ter plaatse van de subbestemming "Grondgebonden veehouderij" bestemd voor grondgebonden veehouderij.

Bij besluit van 5 juli 2005 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland goedkeuring verleend aan deze planregeling.

Bij uitspraak van 20 september 2006 in zaak nr. 200507173/1 heeft de Afdeling de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de subbestemming "Bedrijfsverzamelgebouw, caravanstalling en loonspuitbedrijf" vernietigd. Hiertoe heeft de Afdeling het volgende overwogen:

"2.6.15. Toekenning van een bedrijfsbestemming ter plaatse heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling, in overeenstemming met het op zich niet onredelijke provinciale beleid kunnen achten. Het betreft hier vrijgekomen agrarische bebouwing waarvoor een bedrijfsbestemming in beginsel mogelijk moet worden geacht. Strijd met landelijk beleid is niet gebleken.

Bij zijn afweging of de toegekende subbestemming ter plaatse mogelijk kan worden geacht, dient verweerder de te verwachten gevolgen daarvan voor de omgeving te bezien. In dat verband wordt vastgesteld dat het plan geen nadere voorschriften geeft waar welke categorie bedrijvigheid binnen het bestemmingsvlak is toegelaten, zodat de loonspuiterij, welke als een categorie 3-inrichting als bedoeld in de brochure van de VNG dient te worden aangemerkt, kan worden gehuisvest in opstallen grenzend aan het perceel van appellant. Daarbij is van betekenis dat opstallen van [appellant] met daarop aansluitend zijn woning zich op korte afstand, namelijk acht meter, van de bedrijfsbebouwing van Loonspuitbedrijf [partij] bevinden. Dat verweerder heeft bezien in hoeverre de met de subbestemming mogelijk gemaakte bedrijvigheid, mede gelet op het gebiedstype, in afwijking van de in de brochure van de VNG opgenomen afstanden in dit geval aanvaardbaar is en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het perceel van appellant is gewaarborgd, kan niet afdoende uit de stukken worden opgemaakt. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat niet is gebleken dat de bedrijfsactiviteiten, zoals mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan, reeds ten tijde van het bestreden besluit onherroepelijk met vrijstelling waren vergund. Verweerder kan derhalve niet worden gevolgd in zijn standpunt dat het ervoor moet worden gehouden dat de milieugevolgen van de inrichting reeds in dat kader zijn bezien. De stelling van gemeentewege dat de milieugevolgen in het kader van de aan te vragen milieuvergunning dienen te worden beoordeeld, is op zich juist, maar ontslaat de gemeenteraad niet van de verplichting bij de vaststelling van het bestemmingsplan te bezien of de bestemming in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, met inbegrip van milieuaspecten. Ook bij de goedkeuring van het bestemmingsplan dienen de gevolgen voor het milieu te worden meegewogen, hetgeen in dit geval niet, althans onvoldoende is gebeurd."

2.6.2. Aan het grootste deel van het perceel aan [locatie sub 1a] is bij de herziening de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de subbestemming "Bedrijfsverzamelgebouw (Bvg)" toegekend. Voor het overige is aan de gronden de bestemmingen "Bedrijfsdoeleinden" met de aanduiding 'z', "Bedrijfsdoeleinden" met de aanduiding 'onbb' en "Tuin" toegekend. In de herziening is aan een deel van het perceel aan [locatie sub 1b] dat grenst aan [locatie sub 1a] de bestemming "Woondoeleinden" met de aanduiding 'zw' toegekend.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, onder e, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" zoals dit luidt na herziening mogen op de gronden met de nadere aanduiding 'zw' geen woningen worden gebouwd.

Artikel 4, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" komt na de reparatieherziening als volgt te luiden: De gronden op de kaart aangewezen voor "Bedrijfsdoeleinden" zijn - onder verwijzing naar de Staat van Bedrijfsactiviteiten - bestemd voor:

[…]

y. ter plaatse van de subbestemming Bvg: een bedrijfsverzamelgebouw ten behoeve van diverse bedrijfsactiviteiten behorende tot categorie 2;

aa. ter plaatse van de subbestemming Bvg: een bedrijfsverzamelgebouw ten behoeve van in totaal 54 bedrijfsmatige en/of hobbymatige activiteiten behorende tot categorie 2.

Ingevolge artikel 4, vierde lid, onder c, zoals dit luidt na herziening, mag op de gronden met de nadere aanwijzing 'onbb' niet worden gebouwd.

Ingevolge onder d, zoals dit onderdeel luidt na herziening mag ter plaatse van het perceel [locatie sub 1a], aan de zijde van het perceel [locatie sub 1b] een strook van 1 m breed niet worden bebouwd.

Ingevolge onder e, zoals dit onderdeel luidt na herziening mag de bedrijfswoning inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen ter plaatse van het perceel [locatie sub 1a] maximaal 1710 m³ bedragen.

Ingevolge het zevende lid, onder 1, zoals dit luidt na herziening, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid voor vestiging van niet in de "Staat van Bedrijfsactiviteiten" opgenomen bedrijfsactiviteiten voor de beoogde plaats van vestiging, mits is aangetoond dat deze bedrijfsactiviteit(en) voldoet/voldoen aan de selectiecriteria die voor de voorgenomen plaats van vestiging bij de samenstelling van de "Staat van Bedrijfsactiviteiten" zijn gehanteerd.

In het zevende lid, onder 2, zoals dit luidt na herziening, is bepaald dat om te bepalen of een bedrijfsactiviteit aan de in de hiervoor genoemde selectiecriteria kan voldoen, verzoeker om vrijstelling een milieurapport dient te overleggen.

2.6.3. Wat betreft het betoog van [appellanten sub 1] dat het plan ten onrechte geen afzonderlijk geheel van regels bevat, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar 2.2 dat het plan geen zelfstandig geheel van verbeelding en planregels betreft. Het maakt na inwerkingtreding onderdeel uit van het bestemmingsplan "Buitengebied". Gelet hierop behoefde de raad geen afzonderlijk geheel van regels vast te stellen.

Voor zover [appellanten sub 1] hebben aangevoerd dat de herziening van onderdeel aa van artikel 4 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" ertoe leidt dat in artikel 4 twee omschrijvingen van de subbestemming "Bedrijfsdoeleinden, bedrijfsverzamelgebouw" voorkomen, overweegt de Afdeling als volgt.

De aanpassing van onderdeel aa van artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften bij de herziening, leidt er toe dat zowel in onderdeel aa als in het bij de herziening niet aangepaste onderdeel y een omschrijving wordt gegeven van de subbestemming "Bedrijfsverzamelgebouw (Bvg)". Nu beide omschrijvingen van elkaar verschillen is de Afdeling van oordeel dat de herziening van onderdeel aa van artikel 4 leidt tot rechtsonzekerheid. Het betoog van [appellanten sub 1] slaagt in zoverre.

Illegale bebouwing

2.7. [appellanten sub 1] betogen dat een aantal illegale bedrijfsactiviteiten en bouwwerken op het perceel [locatie sub 1a] door het plan ten onrechte als zodanig wordt bestemd. Zij verwijzen in het bijzonder naar de veestal welke volgens hen in strijd met het voorgaande plan wordt gebruikt voor bedrijfsdoeleinden. Voorts verwijzen [appellanten sub 1] op een recent illegaal gebouwde serre. In dit verband voeren zij aan dat het toegestane bebouwingsoppervlak van de woning met inbegrip van de serre de toegestane hoeveelheid bebouwing uit de provinciale Nota regels voor ruimte in ruime mate overschrijdt. [appellanten sub 1] voeren aan dat, gelet op het voorgaande, uitsluitend het belang van [partij] voorop heeft gestaan en de raad vooringenomen heeft gehandeld.

2.7.1. In de plantoelichting staat dat de thans aanwezige activiteiten ter plaatse zijn gevestigd met medewerking van de gemeente in het kader van de bedrijfssanering, teneinde een voorheen aanwezige intensieve pluimveehouderij te verplaatsen. Daarbij is met [partij] privaatrechtelijk overeengekomen dat de gronden ten behoeve van dit bedrijf zullen worden gebruikt en aan het agrarische gebruik zullen worden onttrokken. Het is om deze redenen dat de raad in het bestemmingsplan "Buitengebied" heeft gekozen om planologisch mogelijk te maken hetgeen feitelijk aanwezig is. In het voorliggende plan is dit uitgangspunt gehandhaafd.

2.7.2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan komt de raad een ruime mate van vrijheid toe om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft gelet op 2.7.1. bij de vaststelling van het plan beoogd de op het perceel bestaande situatie, ongeacht de vraag of dit op dat moment illegaal was, in het plan mogelijk te maken. De Afdeling acht dit uitgangspunt in strijd met het recht noch onredelijk, mits de planregeling niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening dan wel anderszins in strijd met het recht. De enkele stelling van [appellanten sub 1] dat het plan selectief en partijdig tot stand is gekomen vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat de raad het plan met vooringenomenheid heeft vastgesteld. Nu dit betoog niet met andere feiten of omstandigheden nader is onderbouwd, treft het geen doel.

2.7.3. De woonbebouwing op het perceel [locatie sub 1a] bevindt zich in de directe nabijheid van de omliggende percelen en bevat reeds een aanzienlijk grotere inhoud dan de 650 m³, die als maximale inhoud op grond van de Nota Regels voor Ruimte is toegestaan. Recent is over het terras tussen de woning en het achterliggende bijgebouw een overkapping gebouwd, waardoor een serre is ontstaan. Tussen partijen is niet in geschil dat de serre vergunningsplichtig is en dat een dergelijke vergunning niet is verleend. Nu met verwezenlijking van de serre een nog meer gesloten bebouwingsfront van aanzienlijke omvang nabij de gronden van [appellanten sub 1] is ontstaan alsmede nu aannemelijk is gemaakt dat deze omwonenden van het gebruik hiervan overlast ervaren, is de Afdeling van oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het als zodanig bestemmen van de serre in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Natura-2000

2.8. [appellanten sub 1] betogen dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de gevolgen van het plan op dit punt voor het nabij gelegen Natura 2000-gebied "Nieuwkoopse Plassen".

2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat op voorhand met de voorliggende bedrijfsbestemming, gelet op het bedrijfstype en de soort bedrijvigheid, alsmede de afstand tot het gebied dat is begrepen in het aanwijzingsbesluit, geen significante gevolgen te verwachten zijn voor het aan te wijzen gebied.

2.8.2. Het gebied Nieuwkoopse Plassen is bij besluit van 14 februari 1997 aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb L 103; hierna: de Vogelrichtlijn).

Het gebied Nieuwkoopse Plassen en de Haeck is verder aangemeld als speciale beschermingszone als bedoeld in Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; hierna: de Habitatrichtlijn). Bij beschikking van 7 december 2004 is dit gebied geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio.

In de periode van 11 september 2008 tot en met 22 oktober 2008 is een ontwerpaanwijzingsbesluit ter visie gelegd waarbij het gebied 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' is aangewezen als Natura 2000-gebied in de zin van artikel 10a, eerste lid, van de Nbw 1998. De procedure is nog niet voltooid.

2.8.3. Ingevolge artikel 1, onder n, van de Natuurbeschermingswet 1998 zoals dit luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit (hierna: Nbw 1998) wordt onder een Natura 2000-gebied verstaan:

1°. gebied dat is aangewezen op grond van artikel 10a, eerste lid;

(…)

3°. gebied dat voorkomt op de lijst van gebieden van communautair belang, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn 92/43/EEG.

Ingevolge artikel 19j, van de Nbw 1998 - voor zover hier van belang - houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.

Ingevolge artikel V, eerste lid, van de Wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Nbw in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen gelden de besluiten van Onze minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit houdende de aanwijzing van gebieden ter uitvoering van de Vogelrichtlijn als besluiten als bedoeld in artikel 10a van de Nbw.

2.8.4. Gelet op de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, acht de Afdeling op niet voorhand uitgesloten dat het plan in zoverre de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het gebied 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' kan verslechteren. De raad heeft evenwel niet inzichtelijk gemaakt welke gevolgen het plan op dit punt voor de betrokken natuurwaarden zou kunnen hebben. Van enig onderzoek naar deze gevolgen is niet gebleken. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan in zoverre significante effecten zal hebben op de instandhoudingsdoelen van het gebied, zodat geen passende beoordeling verricht behoefde te worden. De enkele verwijzing van de raad in het bestreden besluit naar het toegestane bedrijfstype en de soort bedrijvigheid, alsmede de afstand tot het gebied 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' is naar het oordeel van de Afdeling hiervoor onvoldoende. Hierbij betrekt de Afdeling dat weliswaar tussen partijen verschil van mening bestaat over de exacte afstand van het plandeel tot het gebied 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck', maar dat niet in geschil is dat deze minder dan 50 meter bedraagt.

Ook op de pagina's 37 en 38 van de plantoelichting bij het plan, waar de raad ter zitting op heeft gewezen, wordt onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen van het plan op dit punt zijn voor het desbetreffende gebied. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet op het in geding zijnde plandeel is ingegaan, maar slechts in zijn algemeenheid is gesteld dat de reparatieherziening in totaal een zeer beperkte grondoppervlakte beslaat en het doorgaans ten opzichte van het plan "Buitengebied" ecologisch positieve veranderingen betreft. Wat betreft de verwijzing van de raad in de pleitnota ter zitting naar de paragrafen 9.1 en 12 alsmede de bijlage 2, 3 en 4 uit de toelichting bij het bestemmingsplan "Buitengebied", overweegt de Afdeling dat, nog daargelaten dat de voorziene ontwikkeling in dat plan voor de desbetreffende gronden afwijkt van het voorliggende plan, hierin niet wordt ingegaan op de gevolgen van dat plan voor de in 2.8.2. genoemde gebieden.

2.8.5. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 19j, eerste en tweede lid, van de Nbw 1998.

Bedrijfscategorisering

2.9. [appellanten sub 1] betogen dat de raad er ten onrechte van uitgaat dat met de planregeling eveneens milieucategorie 1-activiteiten zijn toegestaan. Verder betogen zij dat de raad niet van de conclusies uit het onderzoek van de Milieudienst Midden-Holland wat betreft de bedrijfscategorisering heeft mogen uitgaan, nu de Milieudienst Midden-Holland in deze onvoldoende objectief is. In dit verband wijzen zij er op dat het Loonspuitbedrijf [partij] als categorie 3.1. en Vitaal Vet als categorie 4.1 bedrijf dient te worden aangemerkt. Verder achten [appellanten sub 1] het bezwaarlijk dat in de herziening een vrijstellingsbevoegdheid is opgenomen ten einde bedrijven die niet tot milieucategorie 2 behoren, mogelijk te maken. Zij vragen zich af of hiervoor niet een algehele planwijziging vereist is en of de regeling voldoende objectief is bepaald.

2.9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit hetgeen [appellanten sub 1] naar voren hebben gebracht niet blijkt dat het onderzoek van de Milieudienst Midden-Holland onjuist is of op onregelmatige wijze tot stand is gekomen. Derhalve kon bij de vaststelling van het plan dan ook redelijkerwijs gebruik worden gemaakt van de bevindingen van de Milieudienst Midden-Holland, aldus de raad. Volgens de raad is om niet te verstarrend te bestemmen ter plaatse niet gekozen voor een maatbestemming, maar voor een algemene bedrijfsbestemming voor milieucategorie 2. Indien de activiteiten ter plaatse (meer dan) één milieucategorie hoger dan milieucategorie 2 uitvallen, maar wel kunnen voldoen aan de milieucriteria voor een categorie 2-bedrijf, kan de activiteit door toepassing van de vrijstellingsmogelijkheid in artikel 4, zevende lid, van de planvoorschriften, zoals deze luiden na herziening alsnog worden toegestaan.

2.9.2. In opdracht van de raad is door de Milieudienst Midden Holland een inventarisatie gemaakt van de aanwezige bedrijvigheid op de gronden aan [locatie sub 1a] en een advies uitgebracht over de categorisering van de bedrijvigheid. De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Milieukundig advies reparatie bestemmingsplan Bodegraven buitengebied, [locatie sub 1a]" (hierna: het milieukundig advies) gedateerd maart 2008. De Milieudienst Midden-Holland heeft op woensdag 12 december 2007 het perceel [locatie sub 1a] bezocht. Volgens het milieukundig advies is geconstateerd dat in twee gevallen sprake is van een professionele bedrijfssituatie anders dan enkel opslag, namelijk bij [partij] en Vitaal Vet.

Weliswaar is in de uitspraak van de Afdeling van 20 september 2006 bepaald dat de loonspuiterij als een categorie 3-inrichting als bedoeld in de brochure van de VNG dient te worden aangemerkt, maar volgens het milieukundig advies kunnen de feitelijke activiteiten in het onderhavige geval worden aangemerkt als bedrijfscategorie 2. De productieactiviteiten van Vitaal Vet worden in de VNG-brochure vermeld onder vervaardiging voer voor huisdieren, waarvoor een bedrijfscategorie 4.1 van toepassing is. Gelet op de beperkte grootte van het bedrijf en op de zeer beperkte geur- en geluidsverspreiding, kan het productiedeel van dit bedrijf echter worden gezien als overeenkomstig categorie 2, aldus het milieukundig advies.

Verder is in twee gevallen volgens het milieukundig advies opslag gerelateerd aan inrichtingen geconstateerd, waarvan de vestigingsplaats van de bedrijven zelf niet aan [locatie sub 1a] is. Deze opslag is te beoordelen als een categorie 1 activiteit. Tot slot zijn in de overige ruimten van het bedrijfsverzamelgebouw enkel hobbymatige activiteiten of (privé)opslag aangetroffen. Deze activiteiten zijn in te delen in categorie 2.

2.9.3. De vraag of de gemaakte onderverdeling in bedrijfscategorieën van de feitelijk aanwezige bedrijven door de Milieudienst Midden Holland juist is en of het milieukundig advies objectief tot stand is gekomen, kan wat betreft de beoordeling van het bestreden besluit op dit punt in het midden blijven. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat thans uitsluitend het plan ter toets voorligt.

Ter zitting heeft de raad toegelicht met de planregeling zowel bedrijven in categorie 1 als bedrijven in categorie 2 te hebben willen toestaan. De Afdeling stelt vast dat het plan ter plaatse uitsluitend bedrijven in categorie 2 toestaat. Het plan komt op dit punt dan ook niet overeen met hetgeen de raad heeft beoogd. In zoverre is het plan derhalve onzorgvuldig vastgesteld.

Wat betreft de ter plaatse aanwezige bedrijven [partij] en Vitaal Vet heeft de raad zich desgevraagd ter zitting op het standpunt gesteld dat deze in het plan niet als zodanig zijn bestemd, maar dat deze bedrijfsactiviteiten door toepassing van de in artikel 4, zevende lid, van de planvoorschriften opgenomen bevoegdheid alsnog mogelijk gemaakt kunnen worden.

Gelet op de omstandigheid dat de bedrijfsactiviteiten onder het voorgaande plan niet als zodanig waren bestemd, acht de Afdeling het niet onredelijk dat de raad de bedrijfsactiviteiten niet als zodanig in het plan heeft bestemd. In het navolgende zal worden bezien of [appellanten sub 1] terecht hebben betoogd dat de bij de herziening opgenomen regeling in artikel 4, zevende lid, van de planvoorschriften, in strijd is met het recht.

2.9.4. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels, ontheffing kan verlenen van bij het plan aan te geven regels.

Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een ontheffingsregeling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro berustende ontheffingsregeling dient dus door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

Met deze bepaling kan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid worden gegeven op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. Een ontheffingsregeling kan slechts betrekking hebben op planregels. Geen ontheffing kan worden verleend van de in de verbeelding opgenomen bestemmingen. Toepassing van een ontheffingsregeling mag evenmin het effect hebben dat feitelijk de bestemming van gronden wordt gewijzigd.

2.9.5. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 4, zevende lid, van de planvoorschriften, zoals dit luidt na herziening, niet de mogelijkheid biedt om het perceel een bestemming te geven, die ingevolge de doeleindenomschrijving van dat artikel niet is toegestaan. Nu na het verlenen van vrijstelling voor vestiging van niet in de "Staat van Bedrijfsactiviteiten" opgenomen bedrijfsactiviteiten de gronden bestemd blijven voor bedrijfsdoeleinden, kan het verlenen van vrijstelling niet leiden tot een wijziging van de bestemming.

Bij de staat van bedrijfsactiviteiten die behoren bij de planvoorschriften zoals dit luidt na herziening noch anderszins in de planvoorschriften zijn selectiecriteria opgenomen, zodat onduidelijk is waar het woord 'selectiecriteria' in artikel 4, zevende lid, onder 1, van de planvoorschriften zoals dit luidt na herziening naar verwijst.

Gelet hierop en nu geen verdere criteria zijn opgenomen, is in artikel 4, zevende lid, onder 1, van de planvoorschriften zoals dit luidt na herziening onvoldoende duidelijk bepaald onder welke voorwaarden het college van burgemeester en wethouders bevoegd is toepassing te geven aan deze vrijstellingsbepaling.

VNG-brochure

2.10. [appellanten sub 1] betogen dat de raad onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de in het plan aangehouden afstand tussen de bedrijfsbebouwing en de woning aan [locatie sub 1b] in dit geval voldoende is en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het perceel [locatie sub 1b] is gewaarborgd. Zij voeren in dit verband aan dat de omgeving van het perceel [locatie sub 1a] ten onrechte is aangemerkt als gemengd gebied zoals omschreven in de VNG-brochure. Voorts betogen [appellanten sub 1] dat ten onrechte is gekozen voor een uitwaartse zonering. In dit verband stellen zij dat het onredelijk is dat de volgens de raad aan te houden afstand in de herziening wordt gewaarborgd door op het perceel [locatie sub 1b] een bebouwingsvrije strook op te nemen.

2.10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in de plantoelichting gemotiveerd is aangegeven waarom de omgeving van het perceel [locatie sub 1a] zich kwalificeert als gemengd gebied. De raad betoogt dat met de planregeling op dit punt wordt voldaan aan de voor bedrijven uit milieucategorie 2 in de VNG-brochure aanbevolen richtafstand, zodat de bedrijfsactiviteiten geen onevenredige aantasting van het woon-en leefklimaat ter plaatse van [locatie sub 1b] met zich brengen. De eigenaren/gebruikers van het perceel [locatie sub 1b] worden volgens de raad niet onevenredig in hun belangen geschaad door de in het plan voor hun gronden toegepaste uitwaartse zonering.

2.10.2. Voor het opstellen van de milieuzonering is volgens de plantoelichting aansluiting gezocht bij het systeem van de VNG-brochure van 16 april 2007. In de VNG-brochure wordt voor milieucategorie 2 als richtafstand 30 m tot het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied genoemd en 10 m tot het omgevingstype gemengd gebied.

De afstanden die de VNG-brochure geeft, gelden in beginsel tussen de grens van het bestemmingsvlak van een bedrijf enerzijds en de gevel van een woning anderzijds. In de VNG-brochure staat dat een gemengd gebied een gebied is met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en andere kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

2.10.3. Volgens de plantoelichting is langs de landelijke weg Meije lintbebouwing gelegen, bestaande uit agrarische en niet-agrarische bedrijvigheid en woningbouw. In de directe omgeving van [locatie sub 1a] bevinden zich een vleeskuikenhouderij, detailhandel, een reparatiebedrijf van landbouwmachines, een aannemersbedrijf, een schadeherstelbedrijf en een drietal rundveehouderijen, aldus de plantoelichting. Niet gebleken is dat dit onjuist is. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omgeving van het perceel [locatie sub 1a] getypeerd kan worden als gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure. In de uitspraak van de Afdeling van 20 september 2006 is vastgesteld dat de opstallen op het perceel [locatie sub 1b] met daarop aansluitend de woning zich op acht meter van de bedrijfsbebouwing op het perceel [locatie sub 1a] bevinden.

Met de aanduiding 'onbb' die in het plan is toegekend aan een strook grond van 1 meter breed tussen de bedrijfsbebouwing op het perceel [locatie sub 1a] en de perceelsgrens met [locatie sub 1b] is gewaarborgd dat de desbetreffende strook niet mag worden bebouwd. Verder is door aan een ongeveer 9 meter brede strook grond tussen de woning op het perceel [locatie sub 1b] en de perceelsgrens met [locatie sub 1a] de aanduiding 'zw' toe te kennen, gewaarborgd dat de woning niet dichter op de voorziene bedrijfsbebouwing kan worden opgericht. Gelet op het voorgaande is met de planregeling bewerkstelligd dat de woning niet dichter dan 10 meter tot de grens van de voorziene bedrijfsbebouwing kan worden gebouwd. De raad heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat hiermee is voldaan aan de in de VNG-brochure aanbevolen afstand van 10 m. Gelet hierop heeft de raad verder in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat ten gevolge van het plan op dit punt geen ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellanten sub 1] plaatsvindt en dat nader onderzoek hiernaar niet nodig was.

Wat betreft de bezwaren van [appellanten sub 1] ten aanzien van de toegepaste uitwaartse zonering op de gronden aan [locatie sub 1b], overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de eigenaars/bewoners van dit perceel hierdoor niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Hierbij betrekt de Afdeling dat de aanduiding 'zw' is toegekend aan gronden waarop thans geen woning staat. Verder is niet gebleken van concrete plannen om de huidige woning dichter naar de grens met het perceel [locatie sub 1a] te bouwen. Voorts heeft de raad in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat in geval van toekomstige herbouwplannen voor de woning het bouwvlak dermate groot is dat herbouw van de woning op een andere plaats mogelijk blijft.

Verkeer

2.11. [appellanten sub 1] voeren aan dat het plan op dit punt leidt tot een ontoelaatbare toename van het aantal verkeersbewegingen en tot een verkeersonveilige situatie. Zij betogen dat het verkeersonderzoek dat ten grondslag ligt aan het plan op dit punt niet deugdelijk is. In dit kader voeren zij aan dat ten onrechte wordt uitgegaan van een toename van 32 units. De nieuwe situatie moet tegen het bestemmingsplan "Meije 1965" worden afgezet. In dat geval is sprake van een maximaal mogelijke toename van 53 bedrijven ten opzichte van de oude situatie. Voorts wordt ten onrechte de netto-oppervlakte met een factor van 0,77 gecorrigeerd. Volgens de publicatie 256 'Verkeersgeneratie woon- en werkgebieden, vuistregels en kengetallen gemotoriseerd verkeer' van het CROW (hierna: de CROW-publicatie) moet er bij bedrijventerreinen worden uitgegaan van de oppervlakte in "netto hectare". [appellanten sub 1] betogen dat ten onrechte niet de systematiek 'gedetailleerd rekenen op etmaalniveau' uit de CROW-publicatie is gehanteerd. Verder betogen zij dat ten onrechte van de meest gunstige situatie is uitgegaan.

2.11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in aanvulling op het verkeerskundig onderzoek van 4 juli 2008 op 27 augustus 2009 onderzoek is gedaan naar de verkeerskundige gevolgen van een uitbreiding tot maximaal 54 units binnen een gelijkblijvend maximaal bebouwingsvlak van 4350 m². Op grond van dit onderzoek stelt de raad zich op het standpunt dat een invulling met maximaal 54 units verkeerskundig uitvoerbaar is en dat onverminderd sprake is van een aanvaardbare verkeerssituatie aan de Meije.

2.11.2. De Afdeling stelt vast dat de raad onderzoek heeft laten uitvoeren naar de verkeerskundige gevolgen van het in geding zijnde plandeel. De resultaten hiervan zijn neergelegd in een interne memo getiteld "Verkeerskundige aspecten doorstartplannen [locatie sub 1a]" van 27 augustus 2009 (hierna: verkeerskundig rapport). In het verkeerskundig rapport is de etmaalintensiteit van de Meije na verwezenlijking van het plan op dit punt berekend op 668 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De conclusie van dit verkeerskundig rapport is dat de plannen op het perceel [locatie sub 1a] uit verkeerskundig oogpunt uitvoerbaar zijn. Er is nog steeds sprake van een acceptabele verkeerssituatie, aldus het verkeerskundig rapport.

2.11.3. Het betoog van [appellanten sub 1] dat slechts een toename van 32 bedrijfsunits in het verkeersrapport is berekend mist feitelijke grondslag, nu uit het verkeerskundig rapport volgt dat de mogelijkheid van 54 bedrijfsunits in beschouwing is genomen.
Weliswaar hebben [appellanten sub 1] gesteld dat aan het verkeerskundig rapport verschillende gebreken kleven, maar niet aannemelijk is gemaakt dat deze gebreken, wat daar ook van zij, van een zodanige omvang zijn dat dit zou leiden tot het oordeel dat de raad in redelijkheid niet van de conclusie uit het verkeerskundig rapport heeft kunnen uitgaan. Hierbij betrekt de Afdeling dat de CROW als indicatie voor maximale hoeveelheden autoverkeer in motorvoertuigen per etmaal voor een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom van type 1 5.000-6.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal hanteert. Niet aannemelijk is geworden dat de weg de Meije niet als erftoegangsweg type 1 gekwalificeerd kan worden. Evenmin is aannemelijk geworden dat voor een verkeersonveilige situatie behoeft te worden gevreesd.

Het betoog faalt.

Parkeergelegenheid

2.12. [appellanten sub 1] betogen dat ter plaatse van het perceel [locatie sub 1a] niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien. Zij vrezen voor parkeerproblemen.

2.12.1. In de Bouwverordening is de verplichting opgenomen om op eigen terrein te parkeren. Gelet hierop en nu [partij] ter zitting aannemelijk heeft gemaakt dat bij bebouwing van 4350 m² nog voldoende grond beschikbaar is voor het realiseren van parkeervoorzieningen, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor parkeerproblemen niet gevreesd behoeft te worden.

Slotconclusie beroep [appellanten sub 1]

2.13. Uit 2.6.3. en 2.9.3. volgt dat hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat artikel 4, eerste lid, onderdeel aa, van de planvoorschriften, zoals dit luidt na herziening, is vastgesteld in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 3:2 van de Awb. Het bestreden besluit dient voor zover dit ziet op dit planonderdeel te worden vernietigd.

Uit 2.9.5. volgt dat artikel 4, zevende lid, van de planvoorschriften zoals dit luidt na herziening, is vastgesteld in strijd met 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro. Het bestreden besluit dient voor zover dit ziet op dit planonderdeel te worden vernietigd.

Gelet op hetgeen onder 2.7.3 en 2.8.5. is overwogen, dient te worden geconcludeerd dat de herziening voor zover betrekking hebbend op het perceel [locatie sub 1a] in strijd met artikel 19j, eerste en tweede lid, van de Nbw 1998 is vastgesteld en dat het als zodanig bestemmen van de serre ter plaatse tevens in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de subbestemming "Bedrijfsverzamelgebouw (Bvg)" wat betreft de gronden aan [locatie sub 1a]. Gelet op de samenhang dient eveneens het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" met de aanduiding 'zw' wat betreft de gronden aan [locatie sub 1b] te worden vernietigd.

Het beroep van [appellanten sub 1] is gegrond.

Het beroep van [appellanten sub 2]

2.14. [appellanten sub 2] richten zich in beroep tegen de toevoeging bij de herziening van de leden e en f aan artikel 3, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied". Zij betogen dat het bepaalde onder f rechtsonzeker is. In dit kader voeren [appellanten sub 2] aan dat de hierin vermelde peildatum onduidelijk is, nu hierbij niet is vermeld of het in deze om het ontwerpplan dan wel het vastgestelde plan gaat. Verder betogen zij dat het begrip 'legale situaties' onvoldoende is bepaald. Niet duidelijk is of bij het veranderen van de gezinssamenstelling of bij de wijziging van de verdeling van de bewoning over het hoofd- en bijgebouw, nog wel sprake is van een legale situatie in de zin van het bepaalde onder f. Voorts betogen zij dat door het plan op dit punt het bestaande legale gebruik voor woondoeleinden van het bijgebouw aan [locatie sub 2] ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht. [appellanten sub 2] voeren aan dat er geen zicht is op beëindiging van het gebruik ter plaatse.

De toevoeging van het bepaalde onder f aan artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften wijkt volgens hen af van de overgangsrechtelijke regeling die in artikel 3.2.2. van het Bro dwingendrechtelijk is voorgeschreven.

Tot slot kunnen [appellanten sub 2] zich niet verenigen met de omstandigheid dat in de planherziening niet tegemoet is gekomen aan hun wens om op hun perceel [locatie sub 2] drie woningen toe te staan, door verandering van de aanduiding 'aantal woningen/woonschepen twee' in de aanduiding 'aantal woningen/woonschepen drie'. In dit kader betogen zij dat de instandhouding van gemeentelijke monumenten als de op het perceel staande boerderij gediend is bij voldoende ruime woonmogelijkheden.

2.14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat onder de terinzagelegging over het algemeen alleen de terinzagelegging op grond van de Wro wordt bedoeld. Dit blijkt ook uit de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied". Hier wordt in gevallen als het voorliggende altijd uitgegaan van de terinzagelegging van het ontwerp van een bestemmingsplan. In de bij de onderhavige herziening doorgevoerde toevoeging van het onderdeel f aan artikel 3, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" is de term "ontwerp" weliswaar niet als zodanig benoemd, echter gelet op het voorgaande is er volgens de raad geen sprake van rechtsonzekerheid.

Ten aanzien van het betoog dat niet duidelijk is wat onder 'legale situaties' in het bepaalde onder f moet worden verstaan stelt de raad zich op het standpunt dat hiervoor het normale spraakgebruik leidend is. Als voorbeelden wijst de raad hierbij op een bouwvergunning of een vrijstelling van het bestemmingsplan. [appellanten sub 2] hebben volgens de raad van het college van burgemeester en wethouders een schriftelijke bevestiging ontvangen dat bewoning van het bijgebouw op het perceel aan [locatie sub 2] ingevolge het voorgaande plan is toegestaan. De toestemming is niet persoonsgebonden. De voorliggende situatie is derhalve een legale situatie als bedoeld in het bepaalde onder f, is derhalve als zodanig bestemd en valt niet onder het overgangsrecht, aldus de raad.

Wat betreft het betoog van [appellanten sub 2] dat op het perceel [locatie sub 2] het aantal wooneenheden van twee naar drie zou moeten worden gewijzigd stelt de raad zich op het standpunt dat het toevoegen van een extra woning in het buitengebied in strijd is met provinciaal en gemeentelijk beleid. Verder stelt de raad dat om cultuurhistorisch waardevolle panden te kunnen behouden, in het bestemmingsplan "Buitengebied" een regeling is opgenomen die het mogelijk maakt om in hoofdgebouwen die monumenten zijn een extra wooneenheid te realiseren. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen rijks- en gemeentelijke monumenten, waardoor de regeling eveneens op de voorliggende situatie van toepassing is.

2.14.2. In het bestemmingsplan "Buitengebied" is aan de gronden ter plaatse van het perceel [locatie sub 2] deels de bestemming "Woondoeleinden" met de aanduiding 'aantal woningen/woonschepen twee' en deels de bestemming "Tuinen" toegekend.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" voor zover hier van belang, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Woondoeleinden" bestemd voor wonen.

Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de voorschriften mogen op de gronden zonder subbestemming woningen met aan- en uitbouwen, overkappingen en bijgebouwen worden gebouwd.

Ingevolge onder e bedraagt het maximaal aantal woningen per bouwvlak één, tenzij anders op de plankaart is aangegeven.

2.14.3. Bij de herziening zijn aan artikel 3, eerste lid, de onderdelen e en f toegevoegd. Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder e, van de planvoorschriften zoals deze luiden na herziening mogen de op het perceel aanwezige vrijstaande bijgebouwen niet worden bewoond.

Ingevolge onder f van de planvoorschriften zoals deze luiden na herziening is het bepaalde in lid e niet van toepassing op legale situaties die reeds ten tijde van de terinzagelegging van deze reparatie aanwezig waren. Dit bestaande gebruik mag worden voortgezet.

2.14.4. In artikel 3, eerste lid, onder f, van de planvoorschriften zoals deze luiden na herziening is niet verwoord of wat betreft de zinsnede 'terinzagelegging van deze reparatie' wordt gedoeld op de fase van het ontwerpplan of van het vastgestelde plan. De Afdeling is van oordeel dat het ontbreken van deze toevoeging tot rechtsonzekerheid leidt.

De term 'legale situaties' in artikel 3, eerste lid, onder f, van de planvoorschriften zoals deze luiden na herziening, wordt in dit onderdeel noch in de begripsbepalingen opgenomen in artikel 1 van de planvoorschriften nader verklaard. Gelet hierop is voor de uitleg van het begrip 'legale situatie' het normale spraakgebruik richtinggevend. De uitleg van de raad dat hierbij wordt gedoeld op een voorgaand bestemmingsplan, dan wel een vrijstelling daarvan, komt de Afdeling niet onredelijk voor.

Tussen partijen is niet in geschil dat het huidige gebruik voor woondoeleinden van het bijgebouw op het perceel [locatie sub 2] onder het voorgaande plan was toegestaan, hetgeen is bevestigd bij schrijven van 14 september 2009. Gelet hierop moet er van uit worden gegaan dat het huidige gebruik van het bijgebouw op het perceel [locatie sub 2] voor woondoeleinden een 'legale situatie' is in de zin van artikel 3, eerste lid, onder f, van de planvoorschriften en dat een verandering van de gezinssamenstelling of een wijziging van de verdeling van de bewoning over het hoofd- en bijgebouw dit niet anders maakt.

Voor zover [appellanten sub 2] betogen dat artikel 3, eerste lid, onder f, van de planvoorschriften in strijd is met de in artikel 3.2.2 van het Bro geformuleerde regels van overgangsrecht die in een bestemmingsplan dienen te worden opgenomen, overweegt de Afdeling als volgt. Het artikelonderdeel is naar het oordeel van de Afdeling niet aan te merken als gebruiksovergangsrecht als bedoeld in artikel 3.2.2 van het Bro, maar als een planregel die een uitzondering maakt op het verbod als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e. Deze bepaling onderscheidt zich van het gebruiksovergangsrecht nu op basis hiervan ook na beëindiging van het gebruik opnieuw met het gebruik mag worden begonnen. Artikel 3, eerste lid, onder f, van de planvoorschriften zoals deze luiden na de herziening is derhalve niet in strijd met artikel 3.2.2 van het Bro.

2.14.5. In hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat artikel 3, eerste lid, onder f, van de planvoorschriften zoals deze luiden na herziening is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep van [appellanten sub 2] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd.

Nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad wat betreft de terinzagelegging in artikel 3, eerste lid, onder f, van de planvoorschriften doelde op het ontwerpplan, ziet de Afdeling nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad aanleiding op hierna vermelde wijze zelf in de zaak te voorzien.

2.15. De Afdeling stelt vast dat het perceel [locatie sub 2] als zodanig niet in het voorliggende plan is opgenomen. De Afdeling vat het beroep van [appellanten sub 2] dat de aanduiding 'aantal woningen/woonschepen twee' in de aanduiding 'aantal woningen/woonschepen drie' dient te worden veranderd wat betreft de gronden aan [locatie sub 2], op als zijnde gericht tegen de planbegrenzing.

Gelet op de systematiek van de Wro komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht. In hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat met deze reparatieherziening niet is beoogd een algehele heroverweging van de beleidskeuzes van de gemeenteraad van 2004 te geven, maar uitsluitend een reparatie door te voeren naar aanleiding van de onthouding van goedkeuring aan enkele onderdelen van het plan "Buitengebied" bij besluit van 5 juli 2005 door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, de vernietiging van enkele onderdelen van dit besluit door de Afdeling bij uitspraak van 20 september 2006 in zaak nr. 200507173/1 en evidente geconstateerde gebreken wat betreft het bestemmingsplan "Buitengebied" te herstellen. De vraag of het perceel [locatie sub 2] al dan niet in het plan moet worden opgenomen valt daar niet onder.

Het beroep van [appellanten sub 2] is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3] en anderen

2.16. [appellant sub 3] en anderen richten zich in beroep tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" en de subbestemming "Buitendijkse gronden (Nbu)" voor het perceel [locatie sub 3a]. [appellant sub 3] en anderen wensen dat ter plaatse de bestemming "Woondoeleinden" wordt opgenomen. Zij betogen dat de raad het beroep op het gelijkheidsbeginsel wat betreft het perceel aan [locatie sub 3], dat wel is bestemd voor woondoeleinden, nog immer onvoldoende heeft weerlegd en daarmee niet aan de uitspraak van de Afdeling van 20 september 2006 in zaak nr. 200507173/1 heeft voldaan, hetgeen wel het oogmerk van de herziening is. In dit verband voeren zij aan dat aan de gronden aan [locatie sub 3a] en [locatie sub 3b] in het plan "Meije 1965" dezelfde bestemming was toegekend, dat de beweerdelijke toestemming voor het pand aan [locatie sub 3] niet is gepubliceerd en dat de ruimtelijke structuur van de omgeving van het perceel [locatie sub 3a] niet verschilt van de ruimtelijke structuur van de omgeving van het perceel [locatie sub 3].

2.16.1. De raad stelt zich op het standpunt dat naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 20 september 2006 in zaak nr. 200507173/1 alsnog onderzoek heeft plaatsgevonden naar de beweerdelijk gelijke gevallen. De resultaten hiervan zijn opgenomen in de toelichting bij de herziening. Hierin wordt geconcludeerd dat de situatie van [locatie sub 3a] niet gelijk is aan die van [locatie sub 3]. In aanvulling hierop stelt de raad zich op het standpunt dat voor het perceel [locatie sub 3] toestemming is verleend voor het vergroten van het zomerhuis. Voor de plaatsing van de caravan die op het perceel [locatie sub 3a] staat is nimmer toestemming verleend.

2.16.2. Aan de gronden aan [locatie sub 3] is in het bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Woondoeleinden" toegekend. Het college van gedeputeerde staten heeft bij besluit van 5 juli 2005 dit plandeel goedgekeurd. Dit besluit is inmiddels in rechte onaantastbaar.

2.16.3. In het bestemmingsplan "Buitengebied" was aan de gronden aan [locatie sub 3a] de bestemming "Natuurgebied" met de subbestemming "Buitendijkse gronden (Nbu)" toegekend.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften waren de aldus aangewezen gronden bestemd voor behoud, bescherming en beheer van natuur- en landschapswaarden en van het waterbergend vermogen van buitendijkse gronden.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b en c, mochten op deze gronden uitsluitend terreinafscheidingen met een hoogte van maximaal 1 m en bouwwerken geen gebouw zijnde met een hoogte van maximaal 1 m, worden gebouwd ten behoeve van de waterhuishouding.

Het college van gedeputeerde staten heeft bij besluit van 5 juli 2005 dit plandeel goedgekeurd.

Bij uitspraak van 20 september 2006, in zaak nr. 200507173/1 heeft de Afdeling het besluit in zoverre vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Hiertoe heeft de Afdeling overwogen:

"2.9.10. De Afdeling acht het provinciale beleid dat toekenning van nieuwe woonbestemmingen in het landelijke gebied als ongewenst moet worden geacht, niet onredelijk. In het kader van de toets die verweerder heeft moeten maken, heeft hij zich terecht op het standpunt gesteld dat toekenning van een woonbestemming aan het plandeel voor het perceel [locatie sub 3a] in strijd zou komen met dat beleid. In planologisch opzicht moet een woonbestemming ter plaatse met de mogelijkheid van de bouw van een woning als een nieuwe situatie worden aangemerkt, welke tot een verdere verstening van het gebied aanleiding geeft. De omstandigheid dat ter plaatse permanent is gewoond en daartegen niet is opgetreden maakt dat niet anders. Daaraan kan niet het recht op of een gerechtvaardigde verwachting voor een woonbestemming worden ontleend. In dat verband is van belang dat niet is gebleken dat voor de plaatsing van de stacaravan een bouwvergunning is verleend, alsmede dat de permanente bewoning ervan illegaal heeft plaatsgevonden. Dit gebruik is verder al enige jaren geleden geëindigd. (…)

Wat betreft het beroep van appellanten op het gelijkheidsbeginsel overweegt de Afdeling evenwel het volgende.

Reeds in de zienswijze en bedenkingen hebben appellanten een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan. Daarbij is het perceel [locatie sub 3] uitdrukkelijk genoemd. In de reactie op het deskundigenbericht hebben appellanten ook de percelen [locaties] genoemd. Deze percelen zouden volgens hen ook al eerder ter sprake zijn gebracht.

Uit het bestreden besluit noch uit andere stukken is de situatie ter plaatse van de door appellanten uitdrukkelijk genoemde percelen inzichtelijk geworden. Ter zitting kon de gemeenteraad noch verweerder op dit punt een nadere toelichting geven. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat verweerder dit punt ten onrechte niet in zijn afweging heeft betrokken."

2.16.4. Aan de gronden aan [locatie sub 3a] is in de voorliggende herziening wederom de bestemming "Natuurgebied" met de subbestemming "Buitendijkse gronden (Nbu)" toegekend. De gronden aan [locatie sub 3] zijn niet in de herziening betrokken.

2.16.5. In de toelichting bij de voorliggende herziening alsmede de nota van beantwoording zienswijze heeft de raad - voor zover hier van belang - de verschillen tussen de percelen [locatie sub 3a] en [locatie sub 3b] uiteengezet. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie aan [locatie sub 3] verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat voor het vergroten van het op het perceel [locatie sub 3] staande zomerhuis in 1992 toestemming ingevolge artikel 18a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is verleend en in het geheel geen toestemming is verleend voor de plaatsing van een caravan op het perceel [locatie sub 3a]. In hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 3] en anderen genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. In het bijzonder had de omstandigheid dat de toestemming voor de uitbreiding van het zomerhuis aan [locatie sub 3], wat daarvan ook zij, niet is gepubliceerd, hiertoe geen aanleiding behoeven te geven. Hierbij betrekt de Afdeling dat dit besluit in werking is getreden door bekendmaking aan de betrokken belanghebbende(n). Gelet op het voorgaande heeft de raad met het plan op dit punt het oordeel van de Afdeling van de uitspraak van 20 september 2006 in acht genomen.

2.16.6. In hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 3] en anderen is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

2.17. [appellant sub 4] richt zich in beroep tegen het plandeel met de gebiedsbestemming "Gebied met natuurwaarden" voor het perceel [locatie sub 4], zoals opgenomen op uitsnedenummer 09.02. Hij voert aan dat zijn woning aan [locatie sub 4] ten onrechte hiermee niet als zodanig is bestemd.

2.17.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de desbetreffende bestemming in overeenstemming is met het provinciaal beleid zoals opgenomen in het streekplan Zuid-Holland Oost (hierna: het streekplan).

2.17.2. In het bestemmingsplan "Buitengebied" is aan de in geding zijnde gronden de bestemming "Woondoeleinden" onderscheidenlijk "Tuin" toegekend. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden die op de kaart zijn aangewezen voor "Woondoeleinden" bestemd voor wonen. Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, mogen op de gronden zonder subbestemming woningen met aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd.

Op kaartblad 11 was aan de gronden geen gebiedsbestemming toegekend.

Het college van gedeputeerde staten heeft bij besluit van 5 juli 2005 goedkeuring onthouden aan het plan voor zover op kaartblad 11 wat betreft de gronden rond de Enkele Wiericke, waar de gronden aan [locatie sub 4] deel van uitmaken, geen gebiedsbestemming "Gebied met natuurwaarden" is opgenomen. Het college van gedeputeerde staten heeft te kennen gegeven dat de desbetreffende gronden in het streekplan aangeduid zijn als 'natuurgebied'.

2.17.3. Bij de herziening is aan onder meer de gronden rondom de Enkele Wiericke, waaronder de gronden aan [locatie sub 4], de gebiedsbestemming "Gebied met natuurwaarden" toegekend. Ingevolge artikel 22 van de planvoorschriften zoals deze luiden na herziening is het als zodanig aangewezen gebied bestemd voor:

a. de doeleinden en bouwmogelijkheden overeenkomstig hoofdstuk II (perceelsbestemmingen)

(…)

een en ander met inachtneming van:

- de in dit gebied voorkomende landschapswaarden in de vorm van openheid, graslandkarakter, waardevol slotenpatroon, waardevolle verkavelingsstructuur en waardevolle kleinschalige landschapselementen;

(…).

2.17.4. Het plan is in zoverre in overeenstemming met het provinciaal beleid zoals opgenomen in het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende streekplan alsmede met het besluit van het college van gedeputeerde staten van 5 juli 2005, zoals weergegeven in 2.17.2. Het beroep van [appellant sub 4] geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid hiervan had moeten afwijken. Hierbij betrekt de Afdeling dat gelet op artikel 22 van de planvoorschriften zoals deze luiden na herziening bezien in samenhang met artikel 3 van diezelfde planvoorschriften het plan in zoverre geen gevolgen heeft voor de ter plaatse aanwezige woning en in zoverre evenmin in de weg staat aan het gebruik van de woning voor woondoeleinden.

2.17.5. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 4] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 5] voor zover ontvankelijk

2.18. [appellant sub 5] betoogt dat de watergang Grote- of Zuidzijdewetering in het plan ten onrechte een natuurbestemming heeft gekregen. In dit verband voert hij aan dat een natuurbestemming niet in overeenstemming is met de feitelijke situatie.

2.18.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor zover [appellant sub 5] heeft beoogd te ageren tegen het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" zoals opgenomen op uitsnedenummer 09.01 hij hierbij geen belanghebbende is, nu dit gebied op ongeveer 1200 m van het perceel van [appellant sub 5] is gelegen.

2.18.2. Anders dan de raad stelt, heeft [appellant sub 5] gelet op het verhandelde ter zitting niet bedoeld zich in beroep te richten tegen het plandeel met de bestemming "Natuurgebied" voor het gebied Grote- of Zuidzijdewetering zoals opgenomen op uitsnedenummer 09.01, maar tegen een natuurbestemming van de watergang Grote- of Zuidzijdewetering zelf.

De Afdeling stelt vast dat de watergang Grote- of Zuidzijdewetering niet in het plan is opgenomen. Dat betekent dat een natuurbestemming voor de watergang Grote-of Zuidzijdewetering, waarvoor [appellant sub 5] vreest, niet in het plan mogelijk wordt gemaakt. Het betoog mist derhalve feitelijke grondslag.

2.19. [appellant sub 5] betoogt voorts dat het plan ten onrechte niet regelt dat de bestaande toegang van de gronden aan [locatie sub 5] naar de openbare weg zeker wordt gesteld.

2.19.1. De Afdeling stelt vast dat de toegang naar het perceel [locatie sub 5] niet in het voorliggende plan is opgenomen. De Afdeling vat het beroep aldus op als gericht tegen de planbegrenzing.

Gelet op de systematiek van de Wro komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Voorts overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting er op heeft gewezen dat de gronden ter plaatse van de desbetreffende toegang tot de openbare weg onderdeel uitmaken van het bestemmingsplan "Buitengebied" en daarin de bestemming "Agrarische doeleinden" met de subbestemming "Av" hebben. De raad heeft verder te kennen gegeven dat binnen deze bestemming kavelpaden, waaronder de onderhavige toegang, zijn toegestaan.

2.19.2. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 5] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 6]

2.20. [appellant sub 6] richt zich in beroep tegen het feit dat in het plan aan de gronden gelegen aan de [locaties sub 6] geen aparte bouwblokken zijn toegekend. In dit kader voert zij aan dat de Afdeling bij uitspraak van 20 september 2006 in zaaknummer 200507173/1 (www.raadvanstate.nl) inzake het bestemmingsplan "Buitengebied" heeft geoordeeld dat separate percelen niet tezamen onder één bouwvlak dienen te vallen. Voorts voert zij aan dat aan [locaties sub 6] geen aaneengesloten blok woningen staat maar afzonderlijke voormalige agrarische bebouwing met cultuurhistorische waarde.

2.20.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit de door [appellant sub 6] genoemde uitspraak uitsluitend voortvloeide dat het bestemmingsplan "Buitengebied" vanwege de omstandigheid dat een gezamenlijk bouwvlak was toegekend voor de woonpercelen aan [locaties sub 6a] behoefde te worden aangepast. Voor de percelen aan [locaties sub 6] is het bestemmingsplan "Buitengebied" met de desbetreffende uitspraak onherroepelijk geworden, aldus de raad.

2.20.2. Aan de gronden aan [locaties sub 6] is in het bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Woondoeleinden" met de aanduiding 'aantal woningen 3' toegekend.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied", voor zover thans van belang, zijn de op de kaart voor "Woondoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge het vierde lid, onder e, voor zover thans van belang, is het maximale aantal woningen per bouwvlak één, tenzij anders op de pankaart aangegeven.

Bij besluit van 5 juli 2005, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland het bestemmingsplan "Buitengebied" op dit punt goedgekeurd. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld, zodat het bestemmingsplan "Buitengebied" op dit punt in rechte onaantastbaar is.

2.20.3. De Afdeling stelt vast dat de gronden aan [locaties sub 6] niet in het voorliggende plan zijn opgenomen. De Afdeling vat het beroep aldus op als gericht tegen de planbegrenzing.

Gelet op de systematiek van de Wro komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

In het bestemmingsplan "Buitengebied" is voor meerdere woonpercelen, waaronder de gronden aan [locaties sub 6], een gezamenlijk bouwvlak opgenomen met daarin aangeduid het maximaal aantal toegestane woningen. De goedkeuring van het plan in zoverre is uitsluitend aangevochten wat betreft de gronden aan [locaties sub 6a]. Bij haar uitspraak van 20 september 2006 in zaaknummer 200507173/1 heeft de Afdeling in deze uitsluitend een vernietiging van het bestreden besluit uitgesproken wat betreft de gronden aan [locaties sub 6a]. Gezien de doelstelling van het plan zoals weergegeven in 2.2. heeft de raad de herziening in zoverre in redelijkheid tot dat planonderdeel kunnen beperken. Voor zover [appellant sub 6] betoogt dat andere percelen waaraan een soortgelijke bestemmingsmethodiek ten grondslag ligt eveneens in de herziening hadden moeten worden betrokken, overweegt de Afdeling dat de raad daarvan in redelijkheid heeft kunnen afzien.

2.20.4. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de planbegrenzing in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 6] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 7]

2.21. [appellant sub 7] richt zich in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de subbestemming "Agrarisch loonbedrijf" wat betreft gronden aan [locaties sub 7]. Hij voert hij aan dat het plan een in afwijking van de verleende bouwvergunning gebouwde loods/werktuigenberging ter plaatse als zodanig bestemt. Ten onrechte maakt het plan het op dit punt mogelijk dat verder in het groene hart gebouwd kan worden, aldus [appellant sub 7]. Voorts betoogt hij dat door het plan op dit punt zijn uitzicht onevenredig wordt aangetast. Ten slotte betoogt [appellant sub 7] dat een agrarische bestemming voor het perceel beter in de omgeving past.

2.21.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de loods/werktuigenberging op de gronden aan [locaties sub 7] is vergund, maar niet geheel op de plaats zoals is vergund is gebouwd. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 7 augustus 2008 vrijstelling en een bouwvergunning verleend voor de inpassing van de loods/werktuigenberging. Aan de verleende vrijstelling ligt volgens de raad een ruimtelijke onderbouwing ten grondslag, waaruit blijkt dat er geen ruimtelijke bezwaren bestaan. In de voorliggende herziening is volgens de raad het besluit van 7 augustus 2008 verwerkt. De raad stelt zich op het standpunt dat hiermee niet wordt voorzien in een uitbreiding van het bouwvlak, maar in een wijziging van het bouwvlak.

2.21.2. In het bestemmingsplan "Buitengebied" is aan gronden aan [locaties sub 7] de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de subbestemming "Agrarisch loonbedrijf" toegekend. Aan de achtergelegen gronden is de bestemming "Agrarisch" met de subbestemming "Grondgebonden veehouderij" toegekend.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied" zijn de op de kaart voor "Bedrijfsdoeleinden" aangewezen gronden - onder verwijzing naar de Staat van Bedrijfsactiviteiten - bestemd voor een agrarisch loonbedrijf behorende tot categorie 3.

Ingevolge het vierde lid bezien in samenhang met de plankaart mag het bouwvlak ter plaatse tot een oppervlak van 1300 m² worden bebouwd met gebouwen en overkappingen.

2.21.3. In de herziening is aan de achterzijde van het perceel een uitbreiding van het bestemmingsvlak met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de subbestemming "Agrarisch loonbedrijf"

opgenomen. Aan de meest oostelijk gelegen strook grond is de aanduiding 'z' toegekend.

Ingevolge artikel 4, vierde lid, aanhef en onder b, van de voorschriften zoals deze luiden na herziening mogen op gronden met de nadere aanwijzing 'z' uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

2.21.4. Tussen partijen is niet in geschil is dat ter plaatse in afwijking van de oorspronkelijk verleende en inmiddels in rechte onaantastbare bouwvergunning is gebouwd. Niet in geschil is verder dat het gemeentebestuur de bewuste afwijking heeft willen legaliseren. Hiertoe is op 7 augustus 2008 vrijstelling en een bouwvergunning verleend. Hoewel er nog een procedure met betrekking tot de vrijstelling en de bouwvergunning loopt, heeft de raad de vrijheid hetgeen waarop de vrijstelling en bouwvergunning zien in het plan op te nemen, mits dit geen strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht oplevert.

2.21.5. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwoppervlak niet toeneemt door het plan op dit punt nu het voorliggende plan de maximale bouwoppervlakte van 1300 m² die in het bestemmingsplan "Buitengebied" ter plaatse is toegestaan, niet wijzigt.

Het plan staat op dit punt wel bebouwing verder in het buitengebied toe. Gelet hierop is niet uitgesloten dat met het plan enige aantasting van het groene hart mogelijk is. Echter gelet op de geringe verruiming van het bestemmingsvlak die het plan mogelijk maakt, heeft [appellant sub 7] niet aannemelijk gemaakt dat deze aantasting zodanig is dat hieraan een zwaar gewicht toekomt.

De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre geen ernstige aantasting van het uitzicht van [appellant sub 7] tot gevolg heeft. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de afstand tussen het verruimde bestemmingsvlak en de woning van [appellant sub 7] minimaal 55 meter is, het feit dat de verruiming niet recht achter de tuin van [appellant sub 7] is opgenomen en de omstandigheid dat in het bestemmingsvlak grenzend aan het perceel met [appellant sub 7] een strook met de nadere aanduiding 'z' is opgenomen.

2.21.6. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 7] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 8]

2.22. [appellant sub 8] richt zich in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" wat betreft het perceel [locaties sub 8].

Hij betoogt dat het plan ten onrechte een te kleine inhoudsmaat voor woningen met bijgebouwen mogelijk maakt. Hij wijst er op dat hij een aanvraag voor de bouw van een schuur heeft ingediend.

2.22.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de ter plaatse voorziene inhoudsmaat in overeenstemming is met het provinciaal beleid zoals neergelegd in de Nota Regels voor Ruimte. In het door [appellant sub 8] aangevoerde heeft de raad geen aanleiding gezien hiervan af te wijken.

2.22.2. In het bestemmingsplan "Buitengebied" is aan de gronden aan [locaties] de bestemming "Woondoeleinden" met de aanduiding 'aantal woningen 7' toegekend. Aan een deel van de gronden aan [locaties sub 8] en [..] is in dat plan de bestemming "Agrarische doeleinden" met de subbestemming "Grondgebonden veehouderij" toegekend.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied", voor zover hier van belang, zijn de op de kaart voor "Woondoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, mogen op gronden zonder subbestemming woningen met aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd.

Ingevolge het vierde lid, onder e, voor zover thans van belang, is het maximale aantal woningen per bouwvlak één, tenzij anders op de plankaart aangegeven en mag de maximale inhoud van woningen, inclusief aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen 600 m³ bedragen.

2.22.3. Een deel van de gronden aan [locaties sub 8] en 20 maakt onderdeel uit van de herziening. Hieraan is de bestemming "Woondoeleinden" toegekend.

Verder is bij de herziening "600 m³" in artikel 3, vierde lid, onder e, gewijzigd in "650 m³".

2.22.4. Het plan is wat betreft de ter plaatse toegestane inhoudsmaat voor woningen met aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen in overeenstemming met de Nota Regels voor Ruimte. Het beroep van [appellant sub 8] geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid hiervan had moeten afwijken. Hierbij betrekt de Afdeling dat tussen partijen niet in geschil is dat de vergunde woning ter plaatse een inhoudsmaat van ongeveer 600 m³ heeft. Ter zitting is gebleken dat op 8 april 2010 een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een schuur ter plaatse van ongeveer 50 m³. Nu niet is gebleken van andere verleende bouw- en omgevingsvergunningen ter plaatse, moet het er voor worden gehouden dat het plan hetgeen ter plaatse is vergund mogelijk maakt.

2.22.5. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 8] is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.23. Ten aanzien van [appellanten sub 1] dient de raad op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Wat betreft het verzoek van [appellanten sub 1] om de raad te veroordelen in de kosten van een uittreksel uit het kadaster, overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling stelt vast dat het uittreksel uit het kadaster niet aan de Afdeling is overgelegd. Reeds hierom kan hiervoor geen vergoeding worden toegekend.

Wat betreft [appellanten sub 2], [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7] en [appellant sub 8] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 5] niet-ontvankelijk voor zover dit is gericht tegen het buiten de planbegrenzing laten van de gronden aan de [locatie sub 5];

II. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] geheel en het beroep van [appellanten sub 2] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bodegraven, thans gemeente Bodegraven-Reeuwijk, van 1 oktober 2009, voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de subbestemming "Bedrijfsverzamelgebouw (Bvg)" wat betreft de gronden aan [locatie sub 1a];

b. het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" met de aanduiding 'zw' wat betreft de gronden aan [locatie sub 1b];

c. artikel 4, eerste lid, onderdeel aa, van de planvoorschriften zoals deze luiden na herziening;

d. artikel 4, zevende lid, van de planvoorschriften zoals deze luiden na herziening;

e. de woorden "dit Reparatie" in artikel 3, eerste lid, onder f, van de planvoorschriften zoals deze luiden na herziening;

IV. bepaalt dat in artikel 3, eerste lid, onder f, van de planvoorschriften zoals deze luiden na herziening, in plaats van de woorden "dit Reparatie" dient te worden gelezen "het ontwerp van het bestemmingsplan "Reparatieherziening Buitengebied" ";

V. bepaalt dat deze uitspraak wat betreft het onder IV gestelde in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 1 oktober 2009;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 4], [appellant sub 6], [appellant sub 7] en [appellant sub 8] geheel, het beroep van [appellant sub 5], voor zover ontvankelijk, en het beroep van [appellanten sub 2] voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

a. [appellanten sub 1] tot een bedrag van € 17,11 (zegge: zeventien euro en elf cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

b. [appellanten sub 2] tot een bedrag van € 891,11 (zegge: achthonderdeenennegentig euro en elf cent) waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

a. [appellanten sub 1] ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

b. [appellanten sub 2] ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Bosnjakovic
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2011

466-649.