Uitspraak 200904401/1/M2

Datum van uitspraak: woensdag 15 september 2010
Tegen: de minister van Verkeer en Waterstaat
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: Tracé en wegverbreding
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2010:BN7032

200904401/1/M2.
Datum uitspraak: 15 september 2010

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],
2. de vereniging Vereniging Milieudefensie, gevestigd te Amsterdam,
appellanten,

en

de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister),
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2009 heeft de minister, in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, op grond van artikel 15, eerste lid, van de Tracéwet, het Tracébesluit A4 Burgerveen-Leiden 2009, gedeelte Leiderdorp-Leiden (hierna: het Tracébesluit) vastgesteld. Dit besluit is op 20 mei 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juni 2009, en Milieudefensie bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 10 juli 2009.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.
[appellant sub 1] en de minister hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Belangenvereniging A4-HSL Leiderdorp en de zogenoemde W4-gemeenten (Leiden, Zoeterwoude en Leiderdorp) hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2010, waar [appellant sub 1], in persoon, en Milieudefensie, vertegenwoordigd door mr. J.J.H. Mineur en I. Stumpe, en de minister, vertegenwoordigd door mr. E.C.M. Schippers, advocaat te Den Haag, ing. J. van der Meer, ing. M. van Rongen, ing. M.A. van Enk, P.F. Havermans, P. van der Gaag, mr. O. Kwast, J.J. van Ettinger en mr. drs. M.A. Jacobs, allen werkzaam bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Tracébesluit

2.1. Het Tracébesluit voorziet in de wijziging van de A4 Burgerveen-Leiden, gedeelte Leiden-Leiderdorp. Tussen de Dwarswatering in Leiderdorp (km 29,8) en de Stationssingel in Leiden bestaat de wijziging uit de verbreding van de weg van 2x2 naar 2x3 rijstroken. Tussen de Stationssingel en de aansluiting Leiden/Zoeterwoude (km 36,2) bestaat de wijziging uit de aanleg van een stelsel van 1 hoofdrijbaan en 1 parallelrijbaan per rijrichting. Het tracé wordt gedeeltelijk verdiept aangelegd.

Wet versnelling besluitvorming wegprojecten

2.2. De Afdeling begrijpt het beroep van Milieudefensie aldus, dat de Wet versnelling besluitvorming wegprojecten wat zowel de inhoudelijke bepalingen als wat het in die wet geregelde overgangsrecht betreft, buiten toepassing had moeten worden gelaten, en dat daarom de onderdelen van de Tracéwet, zoals die bij deze wet zijn gewijzigd, niet betrokken hadden mogen worden bij het nemen van het bestreden besluit.

2.2.1. De Wet versnelling besluitvorming wegprojecten, waarbij onder meer de Tracéwet is gewijzigd, is op 24 april 2009 in werking getreden en werkt terug tot en met 1 januari 2009. Het Tracébesluit is in 2009 vastgesteld, zodat de Tracéwet, zoals die luidt na wijziging bij de Wet versnelling besluitvorming wegprojecten, van toepassing is op dit geding.

2.2.2. Milieudefensie heeft in haar beroepschrift geen aanknopingspunt gegeven voor het oordeel dat de inhoudelijke bepalingen van de Wet versnelling besluitvorming wegprojecten en het in deze wet geregelde overgangsrecht in strijd zijn met hoger recht. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de Wet versnelling besluitvorming wegprojecten buiten toepassing moet blijven. De minister heeft dan ook terecht het Tracébesluit gebaseerd op de Tracéwet, zoals die luidt na wijziging bij de Wet versnelling besluitvorming wegprojecten.

Verkeersprognoses

2.3. Milieudefensie betoogt in het beroepschrift dat de verkeersprognoses over de toename van het verkeer onjuist zijn, omdat is uitgegaan van een te lage benzineprijs. Verder voert Milieudefensie aan dat het absolute verkeersaanbod volgens de gehanteerde verkeersprognoses niet is gestegen. Milieudefensie stelt dat er in 2007 zelfs een verkeersafname was, en dat mag worden verwacht dat ook in de komende jaren het verkeer zal afnemen. Ter zitting heeft Milieudefensie zich op een ander standpunt gesteld door te betogen dat de groei van het verkeer op de A4 juist is onderschat in verband met onder meer de groei van Schiphol en de Rotterdamse haven, de aanleg van de Tweede Maasvlakte en het mogelijk doortrekken van de A4 bij Midden Delfland.

2.3.1. Voor de berekening van de verkeersprognoses heeft de minister gebruik gemaakt van het zogenoemde Zuidvleugelmodel. Bij toepassing van het model dient volgens de minister, anders dan Milieudefensie betoogt, niet te worden gekeken naar de kortstondige fluctuaties in de brandstofprijzen, maar naar de relatieve ontwikkeling van de brandstofkosten per kilometer. Hierover is in het deskundigenbericht opgemerkt dat is uitgegaan van het Scenario European Coordination, dat door het Centraal Planbureau is vastgesteld. In dit scenario zijn de demografische en economische ontwikkeling voor 2020 beschreven. De ontwikkeling van de brandstofprijs en de ontwikkeling van de brandstofefficiency zijn op basis van het scenario berekend door het Milieu- en Natuurplanbureau, thans het Planbureau voor de leefomgeving. Uit de gegevens van het Centraal Planbureau blijkt volgens de minister dat de ontwikkeling van de brandstofprijzen over de hele periode tot 2020 een reële groei van vijf procent ten opzichte van de brandstofprijzen in 2002 vertoont. Het deskundigenbericht bevestigt dat uitgegaan kan worden van de prijsontwikkeling die het Centraal Planbureau schetst.

De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat de door de minister bij toepassing van het Zuidvleugelmodel gehanteerde brandstofprijzen niet juist zijn. Ook overigens heeft Milieudefensie door ter zitting te wijzen op onder meer de groei van Schiphol en de Rotterdamse haven, de aanleg van de Tweede Maasvlakte en het mogelijk doortrekken van de A4 bij Midden Delfland, niet aannemelijk gemaakt dat de door de minister gehanteerde verkeersprognoses geen juist beeld geven van de te verwachten verkeersintensiteit.

2.3.2. In het deskundigenbericht is geconcludeerd dat uit de verkeersprognoses blijkt dat het verkeer tot 2020 zal toenemen. Er is geen aanleiding om aan de bevindingen in het deskundigenbericht te twijfelen.

De minister heeft er daarom op goede gronden van kunnen uitgaan dat het verkeer in de periode tot 2020 zal toenemen.

2.3.3. Deze beroepsgronden falen.

Alternatieven

2.4. Milieudefensie betoogt dat de minister in het Tracébesluit ten onrechte heeft gekozen voor de verbreding van de A4, aangezien er alternatieven zijn die de wegverbreding onnodig maken en beter zijn voor de luchtkwaliteit. In dit kader wijst Milieudefensie onder meer op het stimuleren van reizen met het openbaar vervoer en het invoeren van een maximum snelheid van 80 km per uur. Volgens Milieudefensie blijkt uit het onderzoek van CE Delft "Langzamer is zuiniger" van april 2009, dat wanneer een maximum snelheid van 80 km per uur wordt ingevoerd, dit reizigers zou aansporen tot het kiezen van een andere vervoersmethode ofwel tot het vinden van manieren om de reisafstand te bekorten. Volgens Milieudefensie staat de A4 bij Leiderdorp niet langer meer op nummer één van de file top-50 en is er alleen filevorming op de A4 in zuidelijke richting ter hoogte van knooppunt Oude Rijn.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat vaststelling van een tracébesluit een belangenafweging vergt, waarbij politieke en bestuurlijke inzichten een belangrijke rol spelen. Bij die afweging geldt ingevolge artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Het is aan de minister om alle verschillende betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter kan slechts concluderen dat deze afweging in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, wanneer de betrokken belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen, dat de minister niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. Bij deze toetsing heeft de rechter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen.

2.4.2. De A4 tussen Den Haag en Amsterdam zal vanaf 2011 uit 2x3 rijstroken bestaan, met uitzondering van het gedeelte tussen Leiderdorp en Leiden. Daar zijn nu nog 2x2 rijstroken.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat op de A4 zowel in noordelijke als in zuidelijke richting filevorming plaatsvindt, op de plaatsen waar de snelweg van 3 naar 2 rijstroken gaat. De minister heeft gelet hierop kunnen concluderen dat zich een belangrijk knelpunt voordoet, dat mede wordt veroorzaakt door de versmalling van de A4 op het desbetreffende tracégedeelte. Dat - zoals Milieudefensie betoogt - dit deel van de A4 in de file top-50 niet meer op nummer 1 staat, maakt dat niet anders.

De minister stelt zich op het standpunt dat alleen de in het Tracébesluit voorgestane wegverbreding effectief is om de substantiële congestie op dit traject tegen te gaan. De minister wijst erop dat ook alternatieven zijn onderzocht, waaronder een alternatief bestaande uit een combinatie van parkeerbeleid, openbaar vervoer en het verlagen van de maximum snelheid naar 90 km per uur. Volgens de minister is gebleken dat bij het combinatiealternatief nog steeds een congestiekans van 20 à 25% op het wegvak A4 Burgerveen-Leiden resteert.

Gelet op het voorgaande heeft de minister na het in ogenschouw nemen van alternatieven en bij afweging van de belangen besloten tot verbreding van de A4. Het feit dat Milieudefensie een voorkeur heeft voor een geheel andere aanpak van de mobiliteit in Nederland, en daarom een andere afweging van belangen voorstaat, geeft geen reden om in dit geval tot het oordeel te komen dat de afweging van de minister om te kiezen voor wegverbreding zodanig onevenwichtig is dat de minister niet in redelijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen.

De beroepsgrond faalt.

Luchtkwaliteit

2.5. Milieudefensie betoogt dat het Tracébesluit op een aantal plaatsen zal leiden tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit, terwijl de Wereldgezondheidsorganisatie zelfs strengere normen voor luchtkwaliteit aanbeveelt. Verder voeren Milieudefensie en [appellant sub 1] aan dat mogelijk de luchtkwaliteit bij de Willem-Alexanderlaan, die parallel aan de A4 loopt, aan het nemen van het Tracébesluit in de weg staat. Volgens hen heeft de minister hieraan ten onrechte geen aandacht geschonken. [appellant sub 1] wijst er daarbij op dat in het verkeer- en vervoersplan Leiderdorp de Willem-Alexanderlaan is aangemerkt als een hoofdweg. Voorts voert Milieudefensie aan dat het kappen van 30.000 m2 bosplantsoen ten onrechte niet is meegenomen in de onderzoeken naar luchtkwaliteit. Ter zitting heeft Milieudefensie opgemerkt dat kilometerbeprijzing, als een van de maatregelen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: het NSL), waarschijnlijk geen doorgang zal vinden.

2.5.1. De Afdeling overweegt allereerst dat niet de door Milieudefensie genoemde normen van de Wereldgezondheidsorganisatie, maar de in titel 5.2 van de Wet milieubeheer opgenomen regels met betrekking tot luchtkwaliteitseisen het toetsingskader vormen bij het nemen van het aan de orde zijnde Tracébesluit.

2.5.2. Ingevolge het in titel 5.2 opgenomen artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, voor zover hier van belang, kunnen bestuursorganen de in het tweede lid bedoelde bevoegdheden, waarvan de uitoefening gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, uitoefenen indien de uitoefening is genoemd in een op grond van artikel 5.12, eerste lid, vastgesteld programma.

Ingevolge het tweede lid is onder meer de bevoegdheid om krachtens de Tracéwet een tracébesluit te nemen, een in het eerste lid bedoelde bevoegdheid.

2.5.3. Ingevolge artikel 15a, eerste lid, van de Tracéwet - voor zover hier van belang - is artikel 5.16, eerste lid, aanhef, van de Wet milieubeheer ook van toepassing indien het tracébesluit inzake de aanleg of wijziging van een hoofdweg is genoemd in een overeenkomstig artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage gelegd ontwerp van het programma, bedoeld in artikel 5:12, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Ingevolge het tweede lid, moet in het tracébesluit dat wordt vastgesteld met toepassing van het eerste lid, ten aanzien van het bepaalde in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer uitsluitend aannemelijk worden gemaakt dat:

a. gedurende het eerste jaar na ingebruikneming van de overeenkomstig het tracébesluit aangelegde of gewijzigde weg bij de gedurende dat jaar verwachte toename van de concentraties verontreinigende stoffen in de buitenlucht door de toename van het verkeer gedurende dat jaar die rechtstreeks verband houdt met de aanleg of wijziging, geen overschrijding plaatsvindt van een grenswaarde voor luchtkwaliteit; of

b. de verwachte toename van de concentraties gedurende het onder a bedoelde jaar door de toename van het verkeer gedurende dat jaar die rechtstreeks verband houdt met de overeenkomstig het tracébesluit aan te leggen of te wijzigen weg, niet 1 procent van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes of stikstofdioxide overschrijdt.

2.5.4. Het programma dat is bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het NSL. Uit artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer in samenhang gelezen met artikel 15a, eerste en tweede lid, van de Tracéwet volgt, dat wanneer een tracébesluit is genoemd in het ontwerp-NSL, een toetsing aan de eisen van luchtkwaliteit uitsluitend vereist dat aannemelijk is dat gedurende het eerste jaar na ingebruikneming van de overeenkomstig het Tracébesluit gewijzigde weg geen overschrijding van de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer gestelde grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) of stikstofdioxide plaatsvindt of, wanneer dit wel het geval is, de vanwege het tracébesluit optredende toename boven de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentratie van deze stoffen niet groter is dan 1 procent van de grenswaarden.

2.5.5. Ten tijde van het nemen van het bestreden Tracébesluit was dit besluit in het ontwerp-NSL genoemd, aangeduid met de naam "A4 Burgerveen - Leiden" onder nummer IB 1204. Daarom zijn bij het nemen van het besluit de artikelen 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer samen met artikel 15a, eerste en tweede lid, van de Tracéwet van toepassing.

Het definitieve NSL is vastgesteld en op 1 augustus 2009 in werking getreden. Voor zover Milieudefensie ter zitting erop heeft gewezen dat de in het NSL opgenomen maatregel kilometerbeprijzing waarschijnlijk geen doorgang zal vinden, merkt de Afdeling op dat artikel 5.12, tiende lid, van de Wet milieubeheer de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de mogelijkheid biedt om het NSL ambtshalve te wijzigen indien naar zijn oordeel uit rapportages naar voren komt dat de in het NSL opgenomen gegevens omtrent de effecten op luchtkwaliteit van in het NSL voorgenomen maatregelen niet of niet langer in redelijkheid kunnen worden gehanteerd.

2.5.6. Ten behoeve van het Tracébesluit heeft TNO een onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit langs het hoofdwegennet en langs een aantal wegen van het zogenoemde onderliggende wegennet in 2014, 2017 en 2020. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport 'Effectbeoordeling luchtkwaliteit ten behoeve van het Tracébesluit A4 Burgerveen - Leiden, gedeelte Leiderdorp - Leiden' van januari 2009. Dit rapport is in april 2009 aangevuld met een berekening van de luchtkwaliteit voor het jaar 2015. Dit is het eerste jaar nadat de snelweg is opengesteld. Wat betreft de luchtkwaliteit langs de Willem-Alexanderlaan heeft de minister TNO een aanvullend onderzoek laten verrichten naar de luchtkwaliteit langs de Willem-Alexanderlaan. De resultaten daarvan zijn neergelegd in de rapporten van 25 augustus 2009 en 3 februari 2010.

2.5.7. Voor zover de beroepsgrond van Milieudefensie aldus moet worden opgevat dat in het Tracébesluit ten onrechte geen rekening is gehouden met de bomen die zijn gekapt ten behoeve van de bouw van het zogenoemde project Vierzicht, overweegt de Afdeling dat in het onderzoek naar de luchtkwaliteit ter plaatse wordt gekeken naar de feitelijke en de toekomstige situatie. Gebleken is dat ten tijde van de onderzoeken naar luchtkwaliteit de bomen op locatie Vierzicht reeds waren gekapt en dat er op die locatie al bebouwing was verwezenlijkt. Daarom hoefde in de onderzoeken naar luchtkwaliteit geen rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van deze door Milieudefensie bedoelde bomen. Ook voor het overige is er geen grond voor het oordeel dat de minister niet van de resultaten van de luchtkwaliteitonderzoeken heeft mogen uitgaan.

2.5.8. Wat de Willem-Alexanderlaan betreft blijkt uit de onderzoeken van 25 augustus 2009 en 3 februari 2010 dat de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) in 2015 niet zullen worden overschreden. Gelet hierop heeft de minister in zoverre terecht geconcludeerd dat wordt voldaan aan de in de artikelen 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer samen met artikel 15a, eerste lid en tweede lid, van de Tracéwet, neergelegde maatstaf.

Wat betreft de luchtkwaliteit bij de overige wegen van het onderliggende wegennet en bij de hoofdweg, staat de minister op het standpunt dat uit de onderzoeken kan worden afgeleid dat in 2015 langs de hoofdweg wordt voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10), en langs de overige wegen van het onderliggende wegennet hetzij wordt voldaan aan de grenswaarden, hetzij geldt dat de toename niet groter is dan 1 procent van deze grenswaarden. Er is geen grond om dit in het deskundigenbericht onderschreven standpunt onjuist te achten. Gelet hierop heeft de minister terecht geconcludeerd dat ook in zoverre wordt voldaan aan de in de artikelen 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer samen met artikel 15a, eerste lid en tweede lid, van de Tracéwet, neergelegde maatstaf.

2.5.9. De minister heeft gezien het voorgaande terecht geconcludeerd dat de in titel 5.2 van de Wet milieubeheer gestelde regels over luchtkwaliteit geen beletsel vormen voor het nemen van het Tracébesluit. De beroepsgronden over luchtkwaliteit falen.

Natuurcompensatie

2.6. [appellant sub 1] stelt dat in het Tracébesluit ten onrechte natuurcompensatie buiten de grenzen van het tracégebied is toegestaan en dat onvoldoende specifiek is vastgelegd waar compensatie van gekapte bomen zal plaatsvinden. Hij vreest dat niet op juiste wijze uitvoering zal worden gegeven aan artikel 8, tweede lid, van het Tracébesluit. Verder kan [appellant sub 1] zich niet verenigen met de bouw van een gemeentehuis op een locatie nabij de begraafplaats in Leiderdorp waar volgens hem natuurcompensatie moet plaatsvinden. Daarnaast acht [appellant sub 1] de compensatie van de bomenkap ten behoeve van de bouw van het eerdergenoemde project Vierzicht ontoereikend.

Milieudefensie voert aan dat ten onrechte het achterstallig groenonderhoud niet wordt gecompenseerd. Voorts stelt Milieudefensie dat bij de compensatie van de te rooien bomen uitgegaan moet worden van de biomassa van de bomen en niet van aantallen.

2.6.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Tracéwet wordt onder tracé verstaan:

(1) de aanduiding op een of meer topografische of geografische kaarten van het verloop en geografische omvang van een aan te leggen of te wijzigen hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg, en

(2) een nauwkeurige beschrijving van - voor zover hier van belang - de daarbij te realiseren maatregelen van ecologische aard.

2.6.2. Gelet op deze bepaling moet het Tracébesluit enerzijds aanduiden waar het gewijzigde tracé van de hoofd-, spoor- of hoofdvaarweg komt te liggen, en anderzijds een beschrijving bevatten van de maatregelen van ecologische aard die in verband met deze wijziging worden getroffen. Maatregelen van ecologische aard als bedoeld in deze bepaling zijn, mede gelet op hetgeen in de Memorie van Antwoord bij artikel 1 van de Tracéwet (Kamerstukken II, 1992/93, 22500, nr. 6, blz. 68) is vermeld, onder meer zogenoemde compenserende maatregelen.

2.6.3. De Afdeling stelt allereerst vast dat het project Vierzicht geen onderdeel uitmaakt van het te wijzigen tracé van de A4. Het Tracébesluit bevat gelet hierop terecht geen beschrijving van de maatregelen van ecologische aard die al dan niet zouden moeten worden getroffen vanwege de aanleg van dit project.

2.6.4. In artikel 8 van het Tracébesluit is beschreven welke ecologische maatregelen van compenserende aard worden getroffen.

In het tweede lid van dit artikel is vermeld, voor zover hier van belang, dat voor elke boom welke ter uitvoering van dit tracébesluit wordt gekapt binnen drie jaar na het kappen een nieuwe boom moet worden geplant. De aan- en herplant van bomen en bosplantsoen vindt - zo is vermeld - zo veel mogelijk plaats aan de oost- en westzijde van de A4 binnen de inpassingszone als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van het Tracébesluit.

2.6.5. De eerder in rechtsoverweging 2.6.1 weergegeven bepalingen van de Tracéwet vereisen dat het Tracébesluit een nauwkeurige beschrijving bevat van onder meer de compenserende maatregelen. Deze eis gaat naar het oordeel van de Afdeling niet zo ver dat - zoals [appellant sub 1] wenst - in het Tracébesluit op detailniveau moet worden vastgelegd op welke plaatsen ter compensatie van bomenkap nieuwe bomen worden geplant.

De minister heeft er niet voor gekozen om - zoals [appellant sub 1] wenst - de locatie waarop het gemeentehuis is gebouwd in het Tracébesluit aan te wijzen als locatie waarop ter compensatie van bomenkap nieuwe bomen moeten worden geplant en heeft er evenmin voor gekozen om deze aanplant per definitie in de directe omgeving van het tracé te laten plaatsvinden. Dit getuigt naar het oordeel van de Afdeling niet van een onredelijke belangenafweging van de minster. Het feit dat de minister bij compensatie het aantal gekapte bomen en niet - zoals Milieudefensie wenst - de biomassa tot uitgangspunt neemt, en het feit dat de minister het aantal bomen dat wordt gekapt tot uitgangspunt neemt en niet het aantal bomen dat mogelijk aanwezig zou zijn geweest bij intensiever onderhoud, getuigt daar evenmin van.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de minister de compensatiemaatregel in artikel 8, tweede lid, van het Tracébesluit niet in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten.

2.6.6. Voor zover [appellant sub 1] ter zitting heeft gesteld dat hij vreest dat onvoldoende uitvoering zal worden gegeven aan de compensatieplicht, overweegt de Afdeling dat de vraag of uitvoering wordt gegeven aan het Tracébesluit geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van het Tracébesluit en daarom thans niet aan de orde kan komen.

2.6.7. De beroepsgronden over compensatie falen.

2.7. De beroepen zijn ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van der Zijpp
voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2010

262-590.