Uitspraak 200907391/1/H2

Datum van uitspraak: woensdag 14 april 2010
Tegen: de raad van de gemeente Bloemendaal
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Algemene kamer - Hoger Beroep - Schadevergoeding
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2010:BM1021

200907391/1/H2.
Datum uitspraak: 14 april 2010

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 12 augustus 2009 in zaak nr. 08/4166 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Bloemendaal.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2007 heeft de raad van de gemeente Bloemendaal (hierna: de raad) een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 9 april 2008 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 augustus 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 september 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 oktober 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. Chr.P. van Eeghen, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.T.M. de Haan-Bergisch, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals die wet luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, kent de gemeenteraad, voor zover een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. [appellant] heeft op 11 mei 1998 een overeenkomst gesloten, waarbij hem een recht van erfpacht op het landgoed "Oud Woestduin" aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) is verleend. Hij heeft verzocht om vergoeding van de waardevermindering van het perceel ten gevolge van het door de raad op 26 september 2002 vastgestelde bestemmingsplan "Landelijk gebied", goedgekeurd door gedeputeerde staten van Noord-Holland op 29 april 2003, dat de uitbreidingsmogelijkheden van zijn daarop gelegen woning heeft beperkt.

2.2.1. Het nieuwe bestemmingsplan kent aan de gronden van het perceel de bestemmingen "Woondoeleinden", "Erf" en "Tuin" toe. Op gronden met de bestemming "Woondoeleinden" mag een vrijstaande woning met een maximale goothoogte van vier meter worden gerealiseerd binnen een bouwvlak van 360 vierkante meter.

2.2.2. Voorheen gold ter plaatse het op 15 juni 1978 door de raad vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 1970-III, 1e herziening", goedgekeurd door gedeputeerde staten van Noord-Holland op 17 juli 1979, dat aan een deel van die gronden de bestemming "Eengezinshuizen, villa's" toekende. Op deze gronden mocht een woning met een goothoogte van 8 meter binnen een bouwvlak van 1.400 vierkante meter worden opgericht.

2.2.3. De raad heeft het verzoek ter advisering aan de stichting Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) voorgelegd. Zij heeft hem in juni 2006 van advies heeft gediend. Volgens het advies is [appellant] door de planologische wijziging in een nadeliger situatie komen te verkeren en bedraagt de waarde van het perceel vóór de planologische wijzigingen € 2.600.000,00 en daarna € 2.300.000,00, zodat de schade € 300.000,00 bedraagt.

2.2.4. De raad heeft het verzoek vervolgens ter advisering voorgelegd aan mr. T.A.P. Langhout (hierna: Langhout). Deze heeft hem op 9 januari 2007 geadviseerd dat [appellant] door de planologische wijziging in een nadeliger situatie is komen te verkeren, waardoor hij schade lijdt, maar deze schade redelijkerwijs te zijnen last dient te blijven.

2.2.5. In het besluit van 9 april 2008 heeft de raad zich, in navolging van het desbetreffende advies van de commissie van advies voor bezwaar- en beroepschriften dat gedeeltelijk aansluit bij het advies van Langhout, op het standpunt gesteld dat de voortekenen van de voor [appellant] nadelige planwijziging sedert de ter inzage legging van het ontwerpstreekplan Kennemerland (hierna: het ontwerpstreekplan) op 25 mei 1998 zichtbaar waren en derhalve voor hem aanleiding bestond om daarmee rekening te houden. Volgens de raad heeft [appellant] vervolgens niet tijdig concrete pogingen ondernomen om de onder het oude planologische regime bestaande bouwmogelijkheden te benutten en aldus het risico dat die wijziging zou plaatsvinden aanvaard.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door aan te nemen dat het ontwerpstreekplan een concreet beleidsvoornemen behelst, op grond waarvan hij rekening had moeten houden met de kans dat de planologische situatie op zijn perceel in voor hem negatieve zin zou veranderen, heeft miskend dat het slechts algemene beleidsvoornemens met betrekking tot landgoederen behelst en niet specifiek betrekking heeft op zijn perceel. Bovendien is dit beleid volgens hem niet van toepassing op zijn woning, omdat deze na afbraak van de oorspronkelijke grotere woning is opgericht.

2.3.1. De rechtbank had te beoordelen of de raad zich op het standpunt mocht stellen dat [appellant] heeft aanvaard dat de bouwmogelijkheden op zijn perceel zouden kunnen worden beperkt. Daartoe had zij te onderzoeken of de voortekenen van de nadelige planwijziging ten tijde van belang zichtbaar waren. Om risicoaanvaarding te mogen aannemen is het, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 mei 2000 in de zaak nr. 199902237/1; BR 2001, 228), voldoende dat er, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar, aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de planologische situatie in negatieve zin zou veranderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt.

2.3.2. In hoofdstuk 2.6 "Landgoederen en buitenplaatsen" van het ontwerpstreekplan is het volgende vermeld: 'Het is mogelijk om bestaande bebouwing, die niet geplaatst is op de rijks- en provinciale monumentenlijst, beperkt uit te breiden of te vervangen. Uitbreiding van de bebouwing is mogelijk tot maximaal 25% van het oppervlak van het hoofdgebouw, mits het bebouwde deel niet meer dan 5% van het totale areaal beslaat.'

2.3.3. Het ontwerp van het streekplan is op 25 mei 1998 ter inzage gelegd en was derhalve vanaf dat moment voor [appellant] kenbaar. Voormelde passage geeft het met betrekking tot de maximale uitbreidingsmogelijkheden van bestaande bebouwing op landgoederen in Kennemerland te voeren beleid weer. Deze passage heeft derhalve, anders dan [appellant] betoogt, ook betrekking op de bestaande bebouwing op het perceel. De raad heeft de passage niet ten onrechte aangemerkt als een concrete aanwijzing, op grond waarvan [appellant] rekening moest houden met de kans dat de uitbreidingsmogelijkheden van de bebouwing op het perceel, waaronder die van het hoofdgebouw, in voor hem nadelige zin zouden wijzigen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het ontwerpstreekplan geen grond biedt voor de door [appellant] gestelde uitzondering voor landgoederen, waarop na afbraak van een groot huis een kleiner huis is gebouwd.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet tijdig concrete pogingen heeft gedaan om de onder het oude planologische regime bestaande bouwmogelijkheden te benutten. Hij voert daartoe aan dat hij drie schetsplannen heeft ingediend en hem niet mag worden tegengeworpen dat hij geen bouwvergunning heeft aangevraagd, nu hij op advies van de gemeente eerst een schetsplan heeft ingediend en de gemeente hem niet over de naderende planologische wijziging en de korte termijn, waarbinnen alsnog een aanvraag om een bouwvergunning kon worden ingediend, om de toen nog bestaande uitbreidingsmogelijkheden voor zijn woning te kunnen benutten, heeft geïnformeerd.

2.4.1. Het volgende is gebleken. Op 10 april 2001 heeft [appellant] bij de gemeente geïnformeerd naar de uitbreidingsmogelijkheden van zijn woning. De desbetreffende ambtenaar heeft hem medegedeeld dat uitbreiding van zijn woning op grond van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1970-III, 1e herziening" mogelijk is. Vervolgens heeft [appellant] een architect ingeschakeld om een schetsplan te laten maken. Na een bespreking van dit schetsplan door de welstandscommissie op 7 mei 2001 heeft [appellant] het op advies van die commissie laten wijzigen. Het gewijzigde plan is vervolgens door de welstandscommissie besproken op 21 mei 2001, waarna [appellant] het op haar advies opnieuw heeft laten wijzigen. Op 7 juni 2001 is ter zake van het perceel een voorbereidingsbesluit genomen dat op 22 juni 2001 in werking is getreden.

2.4.2. De rechtbank heeft in het betoog van [appellant] onder deze omstandigheden terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt mocht stellen dat [appellant] niet tijdig concrete pogingen heeft gedaan om de onder het oude planologische regime bestaande uitbreidingsmogelijkheden van zijn woning te benutten. Daarbij is van belang dat [appellant] sinds de ter inzage legging van het ontwerpstreekplan op 25 mei 1998 rekening moest houden met de kans dat deze uitbreidingsmogelijkheden in voor hem ongunstige zin zouden veranderen. Anders dan hij heeft betoogd, was de gemeente niet gehouden hem in 2001 eigener beweging mededeling te doen over de komende planologische wijziging. [appellant] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de gemeente hem onjuiste informatie heeft verschaft. Hoewel hij tot de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit op 22 juni 2001 daartoe de mogelijkheid had, heeft hij geen aanvraag om verlening van een bouwvergunning ingediend. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd met betrekking tot onzorgvuldig handelen zijdens de gemeente in de procedure van zijn vooraanvraag, kan, wat daar verder van zij, aan dit oordeel niet afdoen.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] voert verder aan dat de rechtbank heeft miskend dat de afwijzing van het verzoek in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol behorende bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 oktober 1991 in zaak nr. G09.88.0050; BR 1992, p. 763), berooft een bestemmingsplan de eigenaar niet van zijn eigendom in de zin van die verdragsbepaling; deze behoudt daarover de vrije beschikking binnen het vastgestelde planologische kader. In zoverre de in het bestemmingsplan neergelegde beperkingen van het gebruik van het perceel al zijn aan te merken als aantasting van het recht op ongestoord genot van de eigendom, laat de bepaling de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van de eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang onverlet. Zoals de Afdeling ook heeft overwogen (uitspraak van 12 november 2003, in zaak nr. 200301877/1), is de ter plaatse geldende bestemmingsplanregeling een zodanige regulering. Uit de bepaling volgt voorts niet dat de regulering van het gebruik van de eigendom als gevolg van de in het bestemmingsplan neergelegde beperkingen met een schadevergoeding moet worden gecompenseerd, hoewel artikel 49 van de WRO daarvoor geen grondslag biedt.

Ook dat betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Larsson-van Reijsen
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010

344.