Uitspraak 200805746/1

Datum van uitspraak: woensdag 24 december 2008
Tegen: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Openbaarheid
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2008:BG8305

200805746/1.
Datum uitspraak: 24 december 2008.

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister voor Wonen, Wijken en Integratie,
appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/4263 van de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2008 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2007 heeft de minister voor Wonen, Wijken en Integratie (hierna: de minister) het verzoek van [verzoeker] om openbaarmaking van informatie afgewezen.

Bij besluit van 20 september 2007 heeft de minister het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juli 2008, verzonden op 22 juli 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 september 2007 vernietigd, het besluit van 4 juli 2007 herroepen, de minister opgedragen de door [verzoeker] opgevraagde informatie openbaar te maken en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 20 september 2007. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 augustus 2008.

[verzoeker] heeft een verweerschrift ingediend, waarin hij tevens de toestemming, bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, heeft verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2008, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. J.P.J. Geurts en W. van Honstede, beiden ambtenaar in dienst van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, en [verzoeker], bijgestaan door R. Vleugels, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob), voor zover thans van belang, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, voor zover thans van belang, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.2. Vooropgesteld wordt dat het hoger beroep van de minister ontvankelijk is. Anders dan [verzoeker] kennelijk meent, kan zijn stelling dat de door de minister voorgedragen hogerberoepsgronden van onvoldoende waarde zijn, niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.

2.3. Het geschil betreft het verzoek van [verzoeker] om openbaarmaking van de rangorde van de veertig door de minister aangewezen zogeheten aandachtswijken.

2.4. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft de minister geweigerd deze rangorde openbaar te maken. Hiertoe heeft hij zich op het standpunt gesteld, samengevat weergegeven, dat het bekendmaken van de rangorde van de aandachtswijken stigmatiserend werkt en kan leiden tot onevenredige benadeling van met name de bewoners van de wijken die hoog op deze lijst staan. Volgens de minister is het belang van het voorkomen van die onevenredige benadeling zwaarder wegend dan het openbaarheidsbelang.

2.5. De rechtbank heeft overwogen dat reeds van de openbaar gemaakte lijst met veertig aandachtswijken een stigmatiserende werking uitgaat en dat de minister niet voldoende heeft gemotiveerd waarom openbaarmaking van de onderlinge rangorde van deze wijken een extra stigmatiserend effect zou hebben. De rechtbank heeft voorts overwogen dat, ook indien de gestelde extra stigmatisering zou worden aangenomen, de bewoners van de desbetreffende wijken door deze extra stigmatisering niet onevenredig worden benadeeld.

2.6. De minister kan zich met dit oordeel niet verenigen. Hij bestrijdt dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd dat het openbaar maken van de rangorde van de aandachtswijken kan leiden tot onevenredige benadeling van de bewoners van deze wijken. Volgens de minister gaat van het openbaar maken van die rangorde een stigmatiserend effect uit, mede gelet op de te verwachten media-aandacht voor de wijken die in die rangorde een hoge positie innemen. Hij stelt dat de bewoners van die wijken deze aandacht als negatief zullen ervaren en dat niet is uitgesloten dat in deze wijken onrust zal ontstaan. Daarbij is volgens de minister van belang dat uit de rangorde van de aandachtswijken ook de rangorde van 83 postcodegebieden binnen deze wijken volgt. Openbaarmaking van de rangorde zou derhalve niet slechts leiden tot onevenredig veel aandacht voor de wijken met een hoge positie, maar ook tot onevenredig veel aandacht voor de postcodegebieden binnen deze wijken met de meeste sociale en fysieke problemen en achterstanden.

2.6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het recht op openbaarmaking op grond van de Wob uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering dient, welk belang de Wob vooronderstelt. Bij de in het kader van de Wob te verrichten belangenafweging worden enkel het algemene of publieke belang bij openbaarmaking en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen betrokken. De vraag of een ander dan het openbaarheidsbelang zich voordoet, dient door de rechter integraal te worden beoordeeld. De rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel over de vraag of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen, wijkt niet af van de redelijkheidstoetsing overeenkomstig artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - zwaar te wegen.

2.6.2. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat openbaarmaking van de rangorde van aandachtswijken kan leiden tot onevenredige benadeling van de bewoners van deze wijken of een deel daarvan. De minister heeft aannemelijk gemaakt dat openbaarmaking van die rangorde een stigmatiserend effect kan hebben dat verder gaat dan de stigmatisering die het gevolg is van de eerdere aanwijzing van de veertig wijken. Hierbij heeft de minister terecht van belang geacht dat de rangorde is samengesteld aan de hand van geconstateerde problemen en achterstanden in de aandachtswijken en dat niet onaannemelijk is dat openbaarmaking van de rangorde ertoe zal leiden dat de media zich in hun berichtgeving met name zullen richten op de wijken, dan wel de postcodegebieden in de wijken, die binnen de rangorde een hoge positie innemen. De rechtbank heeft niet onderkend dat de bewoners van deze wijken of postcodegebieden aldus extra kunnen worden gestigmatiseerd en daarmee onevenredig worden benadeeld ten opzichte van de bewoners van de wijken of postcodegebieden die niet of lager op de lijst staan.

2.6.3. De minister heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van het voorkomen van deze onevenredige benadeling, in dit geval zwaarder weegt dan het openbaarheidsbelang. In dit verband heeft de minister gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat reeds een aanzienlijke hoeveelheid informatie met betrekking tot de aandachtswijken openbaar is gemaakt, waaronder de lijst met de namen van deze wijken, de indicatoren die bij het vaststellen van die lijst zijn gehanteerd, de verdeelsleutel die bij de verdeling van de aan de wijken toe te kennen gelden is gebruikt en afspraken die met lokale partijen over de wijkenaanpak zijn gemaakt. Er is geen grond voor het oordeel dat aan de hand van deze informatie geen effectieve publieke controle van het ten aanzien van de aandachtswijken gevoerde overheidsbeleid mogelijk is. Evenmin kan worden staande gehouden dat openbaarmaking van de rangorde van de aandachtswijken, aan die publieke controle een zodanige bijdrage levert dat het belang gediend met openbaarmaking zwaarder wegend moet worden geacht dan het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van bij de aangelegenheid betrokken personen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.7. Gelet op het vorenoverwogene heeft de minister openbaarmaking van de rangorde van de veertig aandachtswijken in redelijkheid achterwege kunnen laten. Hetgeen de minister in hoger beroep overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 20 september 2007 alsnog ongegrond verklaren.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2008 in zaak nr. 07/4263;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Klein
voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2008.

176-546.