Uitspraak 200700091/1

Datum van uitspraak: woensdag 16 januari 2008
Tegen: het college van gedeputeerde staten van Fryslân
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: Ruimtelijke-ordeningskamer - Bestemmingsplannen Friesland
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2008:BC2107

200700091/1.
Datum uitspraak: 16 januari 2008

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

En

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop
Bij besluit van 26 juni 2006 heeft de gemeenteraad van Leeuwarden het bestemmingsplan "Leeuwarden - Klanderijbuurt/Tulpenburg" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 21 november 2006, kenmerk 00665302, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 3 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 januari 2007.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht (hierna: het deskundigenbericht) uitgebracht, gedateerd 4 juni 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M.A. Jansen, advocaat te Leeuwarden, is verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Leeuwarden, vertegenwoordigd door R.P. Broers en mr. T. Rodenhuis, ambtenaren van de gemeente.

Verweerder is, zonder voorafgaande berichtgeving, niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bestemmingsplan "Leeuwarden - Klanderijbuurt/ Tulpenburg" (hierna: het plan) ziet onder meer op de bouw van een aantal stadswoningen op de hoek van de Zuidergrachtswal en Achter de Hoven alsmede op de bouw van een aantal woningen ter plaatse van de percelen Achter de Hoven 17 en 19. Daarnaast biedt het plan de mogelijkheid tot een dagopvang voor drugsverslaafden met een regeling van de mogelijkheid om ter plaatse drugs te gebruiken. Verweerder heeft het plan goedgekeurd. Appellant richt zich in beroep tegen het besluit omtrent goedkeuring.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. Appellant, woonachtig op het perceel [locatie], voert aan dat de bouw van de stadswoningen met een goothoogte van maximaal 12 meter niet aansluit bij de feitelijke en gewenste bouwhoogte van de omgeving van 9 meter en daarmee leidt tot een aantasting van het beschermde stadsgezicht ter plaatse en verder tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat, in de vorm van verlies van privacy in zijn tuin.

2.3.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de maximale hoogte van de voorziene stadswoningen van 12 meter niet onaanvaardbaar is.

2.3.2. Uit de plankaart, bezien in samenhang met artikel 8.2.1., aanhef en onder e, van de planvoorschriften, volgt dat voor bebouwing op de gronden op de hoek van de Zuidergrachtswal en Achter de Hoven een maximale goothoogte geldt van 12 meter. Ingevolge artikel 8.2.1., aanhef en onder f, van de voorschriften van het plan zal de hoogte van de kap ten hoogste 4 meter bedragen. Het voorgaande betekent dat het plan ter plaatse van bedoelde gronden bebouwing toelaat met een maximale hoogte van 16 meter. De Afdeling stelt voorop dat verweerder bij de beoordeling van het plan de maximale invulling van de planologische mogelijkheden in ogenschouw moet nemen. De bouwhoogte van maximaal 16 meter die op grond van het plan is toegestaan, wijkt aanzienlijk af van de bouwhoogte van maximaal 12 meter die verweerder als uitgangspunt heeft genomen. De Afdeling is niet gebleken dat verweerder de maximale bouwhoogte die het plan biedt bij zijn beoordeling heeft betrokken. Gelet hierop alsmede op de omstandigheid dat ter zitting is gebleken dat de bestaande bebouwing aan de Zuidergrachtswal in de omgeving van de betrokken locatie een maximale bouwhoogte kent variërend tussen de 4 en 13 meter, heeft verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt aanvaardbaar is.

2.3.3. Gelet op het vorenstaande berust het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Gemengde doeleinden 1" voor de gronden die zijn voorzien van de aanduiding "maximale goothoogte 12 meter" op de hoek van de Zuidergrachtswal en Achter de Hoven, niet op een deugdelijke motivering. Het beroep van appellant is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.4. Volgens appellant leidt de nieuwbouw ter plaatse van de percelen Achter de Hoven 17 en 19 tot een aantasting van zijn monumentale woning en tuin en de daarin aanwezige zeer oude bomen. Voorts vreest hij een aantasting van zijn privacy ten gevolge van de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat onbestreden is dat door deze voorziene nieuwbouw de privacy in de tuin van appellant zal afnemen. Gelet echter op het stedelijke karakter van de omgeving, op de omstandigheid dat de bouwhoogte ter plaatse van de betrokken gronden achter het perceel van appellant maximaal 10 meter mag bedragen en op de omstandigheid dat het bebouwingsvlak op enige afstand van de tuin van appellant is gelegen, is niet aannemelijk geworden dat de voorziene nieuwbouw zal leiden tot een zodanige aantasting van de privacy dat verweerder daaraan niet in redelijkheid voorbij kon gaan. Ten aanzien van de vrees van appellant dat de voorziene nieuwbouw achter zijn perceel leidt tot schade aan zijn monumentale woning, acht de Afdeling de in het deskundigenbericht getrokken conclusie dat, mede gelet op de afstand van het bouwvlak tot de tuin van appellant, de bouwmogelijkheden niet leiden tot een aantasting van het monumentale karakter van het perceel [locatie], aannemelijk. Voorts heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat bebouwing op het perceel Achter de Hoven 17 en 19 zodanige gevolgen heeft voor de tuin van appellant en de daarin aanwezige bomen dat geoordeeld moet worden dat verweerder daarom niet in redelijkheid het plan heeft kunnen goedkeuren.

Het op dit plandeel betrekking hebbende deel van het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

2.5. Ten slotte richt appellant zich tegen de in het plan voorziene mogelijkheid om ter plaatse van de panden Zuidergrachtswal 15-16 drugs te gebruiken. Appellant vreest overlast van de drugsverslaafden. Ter zitting heeft appellant het beroep, voor zover het betreft de mogelijk bestaande civielrechtelijke beperkingen, ingetrokken.

2.5.1. Ingevolge artikel 8.1., aanhef en onder a, onder 5, van de voorschriften van het plan zijn de op de kaart voor "Gemengde doeleinden 1" aangewezen gronden bestemd voor dagopvang voor dak- en thuislozen en drugsverslaafden, waarbij deze ook ter plekke drugs mogen gebruiken, indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "dagopvang voor dak- en thuislozen en drugsverslaafden toegestaan". Op de plankaart is met betrekking tot het perceel Zuidergrachtswal 15-16 de voornoemde aanduiding aangebracht.

Ingevolge artikel 2 van de Opiumwet, voor zover thans van belang, is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I:

A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
C. aanwezig te hebben;
D. te vervaardigen.
Ingevolge artikel 3 van de Opiumwet, voor zover thans van belang, is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II:

A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
C. aanwezig te hebben;
D. te vervaardigen.

2.5.2. Ten aanzien van de door appellant gevreesde overlast overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat de invloed op het woon- en leefklimaat in de omgeving van het centrum voor dagopvang van dak- en thuislozen en drugsverslaafden zodanig zal zijn, dat verweerder bij de goedkeuring van het plan op dit punt hieraan in redelijkheid niet voorbij had kunnen gaan. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, is gebleken dat de dagopvang reeds ter plaatse aanwezig is. In het geval dat tegen eventuele overlast zou moeten worden opgetreden, kan dat geschieden op grond van andere wettelijke regelingen dan de WRO.

2.5.3. Met betrekking tot de in het plan vervatte regeling ten aanzien van drugsgebruik ter plaatse overweegt de Afdeling dat een planvoorschrift dat de mogelijkheid om drugs te gebruiken, en daarmee ook het aanwezig hebben van drugs regelt, zich niet verdraagt met het bepaalde in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet.

Gelet hierop is het plan op dit punt in strijd met de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met deze artikelen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover het betreft artikel 8.1., onder a, onder 5, voor zover het betreft de passage "waarbij deze ook ter plekke drugs mogen gebruiken" van de planvoorschriften. Nu rechtens slechts één beslissing op dit punt mogelijk is, bestaat tevens aanleiding zelf in de zaak te voorzien door goedkeuring te onthouden aan voornoemde passage van artikel 8.1., onder a, onder 5, van de planvoorschriften. In verband hiermede bestaat geen aanleiding op de overige door appellant aangevoerde argumenten met betrekking tot deze passage in te gaan.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 21 november 2006, kenmerk 00665302, voor zover het betreft de gronden met de bestemming "Gemengde doeleinden 1" op de hoek van de Zuidergrachtswal en Achter de Hoven en artikel 8.1., onder a, onder 5, voor zover het betreft de passage "waarbij deze ook ter plekke drugs mogen gebruiken" van de planvoorschriften;

III. onthoudt goedkeuring aan artikel 8.1., onder a, onder 5, voor zover het betreft de passage "waarbij deze ook ter plekke drugs mogen gebruiken" van de planvoorschriften;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd, voor zover het betreft het voorschrift bedoeld onder III;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Fryslân tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Fryslân aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat de provincie Fryslân aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Matulewicz
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008

45-500.