Uitspraak 200700324/1

Datum van uitspraak: woensdag 7 november 2007
Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Utrecht
Proceduresoort: Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied: Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2007:BB7301

200700324/1.
Datum uitspraak: 7 november 2007

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Stedenbouwkundig Herstel Stationsgebied Utrecht" en de vereniging "Bewoners Overleg City Project", beide gevestigd te Utrecht,
appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2006 heeft verweerder een verzoek van appellanten om toepassing van bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen wegens het zonder vergunning op grond van de Wet milieubeheer in werking zijn van een casino aan de Overste den Oudenlaan 2 te Utrecht, afgewezen.

Tegen dit besluit is door appellanten bezwaar gemaakt.

Bij brief van 8 november 2006, bij de rechtbank Utrecht ingekomen op 9 november 2006, hebben appellanten beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op hun bezwaar. Bij brief van 11 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 12 januari 2007, heeft de griffier van de rechtbank Utrecht het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden naar de Raad van State.

Bij besluit van 16 maart 2007, verzonden op 26 maart 2007, heeft verweerder het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van dit besluit hebben appellanten de gronden van hun beroep bij brief van 19 april 2007 aangevuld.

Bij brief van 24 mei 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2007, waar appellanten, vertegenwoordigd door drs. C. van Oosten, bijgestaan door G. van de Vecht, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J. Gundelach, advocaat te Enschede, en door ing. W.A. Bulthuis, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is de stichting "Nationale Stichting tot Exploitatie van Casinospelen in Nederland", handelend onder de naam "Holland Casino Utrecht", vertegenwoordigd door mr. N.H. van den Biggelaar, advocaat te 's-Gravenhage, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Uit artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat het beroep van appellanten tegen het uitblijven van een beslissing op hun bezwaar wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 16 maart 2007.

2.2. Bij het besluit van 16 maart 2007 heeft verweerder alsnog een beslissing op bezwaar genomen. Ter zitting is gebleken dat appellanten geen belang meer hebben bij een inhoudelijke behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dit betekent dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

2.3. Vaststaat dat de inrichting ten tijde van het bestreden besluit van 16 maart 2007 zonder daarvoor op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer vereiste vergunning in werking was, zodat verweerder ter zake handhavend kon optreden.

2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat handhavend optreden, bij afweging van het milieubelang en het belang van de drijver van de inrichting, onevenredig is, aangezien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Daartoe is in het bestreden besluit overwogen dat voor de inrichting een aanvraag om een nieuwe milieuvergunning is ingediend, welke aan de wettelijke vereisten voldoet, en dat de gevraagde vergunning waarschijnlijk kan worden verleend. Wat het aspect van de luchtkwaliteit betreft, heeft verweerder zich daarbij gebaseerd op een bij de vergunningaanvraag behorend onderzoeksrapport van Syncera B.V. van 30 maart 2006, waarin is geconcludeerd dat het aspect van de luchtkwaliteit geen beletsel vormt voor vergunningverlening.

2.6. Appellanten betwisten dat ten tijde van het bestreden besluit concreet uitzicht op legalisatie bestond. Volgens hen kon verweerder op grond van de op dat moment beschikbare gegevens, meer in het bijzonder het rapport van 30 maart 2006, niet tot het oordeel komen dat het aspect van de luchtkwaliteit geen beletsel zou vormen voor vergunningverlening. Het rapport van 30 maart 2006 was ten tijde van het bestreden besluit een jaar oud en is reeds ingebracht in de procedure bij de Afdeling in zaak no. 200507743/1, waar het de Afdeling niet heeft kunnen overtuigen, aldus appellanten. Volgens appellanten is bovendien niet voldaan aan de eis dat legalisatie op korte termijn mogelijk dient te zijn, nu de inrichting al sinds 5 oktober 2005 zonder vergunning in werking is.

2.7. Vaststaat dat ten tijde van het bestreden besluit een - door verweerder ontvankelijk geachte - aanvraag om een milieuvergunning voor de inrichting was ingediend. Verder was verweerder ten tijde van dat besluit blijkens een ontwerpbesluit van 9 mei 2006 voornemens de gevraagde vergunning te verlenen.

De Afdeling stelt voorop dat in de uitspraak van 5 juli 2006 in zaak no. 200507743/1 geen inhoudelijk oordeel over het rapport van 30 maart 2006 is gegeven. De Afdeling heeft in die uitspraak met betrekking tot dit rapport enkel geoordeeld dat het in die procedure niet meer kon worden gebruikt om het toenmalige bestreden besluit alsnog van een deugdelijke motivering te voorzien, nu het om meer ging dan alleen een nadere toelichting op onderzoeken die een rol hadden gespeeld bij het nemen van dat besluit en het rapport dateerde van kort voor de zitting bij de Afdeling. In hetgeen appellanten aanvoeren, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder op basis van de ten tijde van het bestreden besluit beschikbare gegevens, waaronder het rapport van 30 maart 2006, tot het oordeel had moeten komen dat zodanige twijfel bestond over de vergunbaarheid van de inrichting, dat het feit dat een ontvankelijke vergunningaanvraag voorlag in dit geval onvoldoende was om concreet uitzicht op legalisatie aan te kunnen nemen.

Voor zover appellanten stellen dat niet is voldaan aan de eis dat legalisatie op korte termijn mogelijk is, overweegt de Afdeling dat in dat verband, anders dan appellanten menen, niet van belang is hoe lang de illegale situatie ten tijde van het bestreden besluit reeds bestond, maar of verweerder op het moment van het nemen van dat besluit ervan kon uitgaan dat legalisatie binnen korte termijn mogelijk zou zijn. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder daarvan niet heeft kunnen uitgaan.

2.8. Gelet op het vorenstaande, heeft verweerder terecht geoordeeld dat ten tijde van het bestreden besluit concreet uitzicht op legalisatie op korte termijn bestond. Verweerder heeft dan ook op goede gronden van handhaving afgezien.

2.9. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Grinsven
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2007

462.