Uitspraak 200602925/1, 200602926/1 en 200602927/1

Datum van uitspraak: woensdag 7 maart 2007
Tegen: de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: Genetische modificatie
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2007:BA0067

200602925/1, 200602926/1 en 200602927/1.
Datum uitspraak: 7 maart 2007

 

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in de gedingen tussen:

de stichting "Stichting Greenpeace Nederland", gevestigd te Amsterdam,
appellante,

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij drie besluiten van 6 maart 2006 heeft verweerder aan BASF Plant Science GmbH drie vergunningen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen verleend voor kleinschalige veldwerkzaamheden met aardappelplanten in de gemeenten Borger-Odoorn en Lingewaard, waarvan twee vergunningen betrekking hebben op aardappelplanten met een veranderde zetmeelsamenstelling en één vergunning ziet op aardappelplanten met een verhoogde ziekteresistentie tegen de ziekteverwekker 'Phytophthora infestans'. Deze besluiten zijn op 8 maart 2006 ter inzage gelegd.

Tegen deze besluiten heeft appellante bij brief van 18 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 mei 2006.

Bij brief van 14 juli 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 23 oktober 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. B.N. Kloostra, advocaat te Amsterdam, en dr. S. Schalk, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. W. Huiberts, dr. ir. M.M.C. Gielkens en dr. I. van der Leij, allen ambtenaren van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De bestreden besluiten betreffen vergunningen voor veldproeven met aardappelplanten met onderscheidenlijk een verhoogde ziekteresistentie tegen de ziekteverwekker 'Phytophthora infestans' (kenmerk besluit: DGM/SAS IM 05-003), een veranderde zetmeelsamenstelling met als doel een lager amylopectinegehalte in het zetmeel (kenmerk besluit: DGM/SAS IM 05-004) en een veranderde zetmeelsamenstelling met als doel een lager amylosegehalte in het zetmeel (kenmerk besluit: DGM/SAS IM 05-005).

2.2. Appellante betoogt dat uit de 47e overweging van de preambule van Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van de Richtlijn 90/220/EG van de Raad (hierna: de Richtlijn) volgt dat de bevoegde instantie pas toestemming mag verlenen, nadat zij ervan overtuigd is dat de introductie veilig is voor het milieu en de menselijke gezondheid. Nu verweerder de aanvragen heeft beoordeeld aan de hand van de Wet milieugevaarlijke stoffen en het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen (hierna: het Besluit) en nu daarin de wijze van beoordeling van aanvragen zoals die uit de 47e overweging van de preambule voortvloeit, niet is geïmplementeerd, zijn de onderhavige aanvragen beoordeeld op een wijze die in strijd is met de Richtlijn, aldus appellante.

Appellante is voorts van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat ten aanzien van alle transgenen eerder reeds proeven in kas en laboratorium hebben plaatsgevonden.

2.2.1. In haar uitspraak van 21 december 2005 in zaak no. 200501919/1 heeft de Afdeling het volgende overwogen. Bij de toepassing van artikel 26 van de Wet milieugevaarlijke stoffen en het Besluit dient dit nationale recht zo veel mogelijk te worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen van en tegen de achtergrond van de doelstelling van de Richtlijn. Uit de systematiek en de bewoordingen van de Richtlijn kan worden afgeleid dat bij de milieurisicobeoordeling, die voorafgaande aan een doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu per geval wordt uitgevoerd, de mate van zekerheid die omtrent de effecten van de introductie moet worden verkregen, wordt gerelateerd aan het stadium waarin de introductie zich bevindt.

In aanmerking genomen dat de aangevraagde introducties van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu plaatsvinden in het proefstadium, ziet de Afdeling - in het licht van het voorgaande - geen grond voor het oordeel dat de verlening van de vergunning zonder dat de door appellante bedoelde mate van zekerheid over de aard en ernst van de effecten van introductie bestond, zich niet verdraagt met de uitgangspunten van de Richtlijn.

2.2.2. Ten aanzien van het uit de 24e overweging van de preambule van de Richtlijn blijkende stap-voor-stap-principe heeft verweerder ter zitting gesteld dat met soortgelijke aardappelplanten als die waar de bestreden besluiten betrekking op hebben, proeven in laboratorium en kas zijn uitgevoerd in Nederland en het buitenland. Evenwel is noch in de aanvragen en de milieurisicobeoordelingen, noch in de bestreden besluiten een overzicht gegeven van deze proeven met vermelding van de vindplaats van de resultaten daarvan. In zoverre heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat met de bestreden besluiten aan het stap-voor-stap-principe wordt voldaan. De bestreden besluiten berusten in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

De beroepen treffen in zoverre doel.

2.3. Volgens appellante verdraagt het zich niet met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit dat de exacte locaties van de proefvelden niet bekend zijn, maar dat is volstaan met het overleggen van twee topografische kaarten van de gemeenten Borger-Odoorn en Lingewaard, die elk betrekking hebben op een oppervlakte van twee bij twee kilometer, waarbinnen de percelen zijn gelegen waarop de veldproeven plaatsvinden. De uitleg die verweerder aan dit artikellid geeft, is volgens appellanten in strijd met het doel en de strekking van de Richtlijn.

2.3.1. Blijkens de aanvragen om vergunning zijn de proefvelden elk kleiner dan 1 hectare en gelegen in een bij de aanvragen aangegeven gebied van 2 bij 2 kilometer in de gemeenten Borger-Odoorn en Lingewaard. Niet is aangegeven waar in die gebieden de proefvelden zijn gelegen.

2.3.2. Verweerder stelt dat hiermee aan de Richtlijn is voldaan. Hij verwijst daartoe naar zijn brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 18 april 2005 (TK 2004-2005, 27 428, nr. 61), waarin is uiteengezet dat niet langer een precieze ligging van proefvelden openbaar wordt gemaakt om sabotage van die proefvelden te voorkomen.

2.3.3. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit, voor zover van belang, bevat de aanvraag om een vergunning voor overige doeleinden informatie overeenkomstig bijlage III bij de Richtlijn, die nodig is om een milieurisicoanalyse uit te voeren.

In bijlage III van de Richtlijn is vermeld dat een in deel B van de richtlijn bedoelde kennisgeving de in de sub-bijlagen omschreven informatie bevat. Voorts is in bijlage III vermeld dat bijlage IIIA betrekking heeft op alle typen genetisch gemodificeerde organismen met uitzondering van hogere planten en dat bijlage IIIB betrekking heeft op introducties van genetisch gemodificeerde hogere planten. Ingevolge bijlage III worden met de term "hogere planten" aangeduid planten die behoren tot de taxonomische groep Spermatophytae (Gymnospermae en Angiospermae).

In bijlage IIIB van de Richtlijn is onder E, onder 1, vermeld als informatie die vereist is in kennisgevingen van introducties van genetisch gemodificeerde hogere planten (Gymnospermae en Angiospermae): ligging en omvang van het (de) introductiegebied(en).

In bijlage IIIA van de Richtlijn is onder III, onder B, onder 1, voor zover van belang, vermeld als informatie die vereist is in kennisgevingen van introducties van genetisch gemodificeerde organismen met uitzondering van hogere planten: geografische ligging en coördinaten van het gebied c.q. de gebieden.

2.3.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de aardappelplanten waar de bij de bestreden besluiten verleende vergunningen betrekking op hebben, genetisch gemodificeerde hogere planten zijn als bedoeld in bijlage III van de Richtlijn, waarop bijlage IIIB van de Richtlijn betrekking heeft. Dit brengt met zich dat, gelet op artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit en het bepaalde in bijlage IIIB, onder E, onder 1, van de Richtlijn, de aanvragen informatie over de ligging en omvang van het introductiegebied moeten bevatten. Naar het oordeel van de Afdeling betekent dit dat de ligging en omvang voldoende duidelijk moeten zijn vermeld. Daaraan is niet voldaan, nu in de aanvragen met een gebiedsaanduiding van 2 bij 2 kilometer is volstaan. De door verweerder aangevoerde omstandigheid dat de Richtlijn ten aanzien van hogere planten, anders dan ten aanzien van andere planten, niet bepaalt dat de coördinaten van het introductiegebied worden vermeld, kan niet tot het oordeel leiden dat in de aanvragen kon worden volstaan met een gebiedsaanduiding van 2 bij 2 kilometer, nu de omvang van de onderhavige proefvelden minder dan 0,25% van dat gebied bedraagt. Nu verweerder, naar hij ook ter zitting heeft verklaard, ten tijde van de bestreden besluiten niet wist waar in de gebieden van 4 km2 de proefvelden zijn gelegen, heeft hij in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht bij de voorbereiding van de bestreden besluiten niet de nodige kennis vergaard omtrent de relevante feiten. De beroepen treffen doel.

2.4. De bestreden besluiten komen reeds gelet op het vorenstaande voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling ziet aanleiding bespreking van de overige beroepsgronden achterwege te laten.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt de besluiten van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 maart 2006, kenmerken DGM/SAS IM 05-003, DGM/SAS IM 05-004 en DGM/SAS IM 05-005;

III. veroordeelt de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 665,29 (zegge: zeshonderdvijfenzestig euro en negenentwintig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 843,00 (zegge: achthonderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Lap
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2007

288