Uitspraak 200604543/1

Datum van uitspraak: woensdag 21 februari 2007
Tegen: de Minister van Defensie
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Hoger Beroep - Overige
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9026

200604543/1.
Datum uitspraak: 21 februari 2007

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 04/3186 van de rechtbank Utrecht van 27 april 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Defensie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2004 heeft de Minister van Defensie (hierna: de minister) geweigerd een aantal documenten openbaar te maken.

Bij besluit van 12 november 2004 heeft de minister het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder aanvulling en verbetering van de motivering van het besluit.

Bij uitspraak van 27 april 2006, verzonden op 18 mei 2006, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 september 2006 heeft appellant de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Bij brief van 26 september 2006 heeft de minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Maury, en de minister, vertegenwoordigd door mr. H. Zilverberg, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet politieregisters (hierna: de Wpolr) wordt onder politieregister of register verstaan een samenhangende verzameling van op verschillende personen betrekking hebbende persoonsgegevens

- die langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd of met het oog op een doeltreffende raadpleging van die gegevens systematisch is aangelegd, en

- die is aangelegd ten dienste van de uitvoering van de politietaak.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder f, onder 4°, van dit artikel wordt bij de Koninklijke marechaussee (hierna: de KMar) onder beheerder met betrekking tot een register verstaan de Minister van Defensie.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder h, van dit artikel wordt onder het verstrekken van gegevens uit een politieregister verstaan het bekend maken of ter beschikking stellen van persoonsgegevens, voor zover zulks geheel of grotendeels steunt op gegevens die in dat politieregister zijn opgenomen, of die door verwerking daarvan, al dan niet in verband met andere gegevens, zijn verkregen.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder i, wordt onder persoonsgegevens verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp).

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wpolr stelt de beheerder van een politieregister voor het register een reglement vast.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Wpolr deelt de beheerder een ieder op diens verzoek binnen vier weken mede of en zo ja welke deze persoon betreffende persoonsgegevens in een register zijn opgenomen. Hij verstrekt daarbij tevens desgevraagd inlichtingen over de herkomst van de gegevens en over degenen aan wie deze zijn verstrekt. Hij doet daarbij geen mededelingen in schriftelijke vorm.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp wordt onder persoonsgegeven verstaan elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

Ter uitvoering van artikel 9, eerste lid, van de Wpolr is vastgesteld het Privacyreglement Bedrijfsprocessensysteem Koninklijke marechaussee (hierna: het Privacyreglement).

In artikel 1, onder d, van het Privacyreglement is vermeld dat de beheerder de Minister van Defensie is.

In artikel 1, onder k, is vermeld dat onder register wordt verstaan het politieregister dat met Bedrijfsprocessensysteem bij de KMar wordt gevoerd.

In artikel 2, eerste lid, van het Privacyreglement is neergelegd dat het register tot doel heeft de informatievoorziening in het kader van de uitvoering van artikel 6 van de Politiewet 1993 mogelijk te maken en daartoe in het bijzonder een aantal modules bevat.

De artikelen 4 tot en met 26 van het Privacyreglement bepalen welke gegevens in het register worden opgenomen.

2.2. Appellant heeft verzocht om openbaarmaking van alle documenten die betrekking hebben op de gebeurtenissen van 8 november 2003 rond de Constant Rebecz Kazerne te Eindhoven en de gebeurtenissen die ertoe hebben geleid dat het gekraakte terrein in de dagen erna werd verlaten.

Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 1 juni 2004 heeft de minister, voor zover thans van belang, openbaarmaking geweigerd van meldingen van burgers en organisaties betreffende het concert van 8 november 2003, correspondentie tussen de krakers van de kazerne en de gemeente Eindhoven en/of de politie en/of de KMar of Defensie of verslagen daarvan, verslagen van het portofoonverkeer op 8 november 2003, alsmede mutaties en/of aangiften opgenomen door politie en KMar en alle mutaties en aangiften, meldingen en dergelijke die zijn gedaan na de kraak van de kazerne eind 2000. Daartoe heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de Wpolr een systeem kent van nadere regeling via uitvoeringsvoorschriften en op afzonderlijke registraties toegesneden reglementen, waaronder het Privacyreglement. Onder verwijzing naar de artikelen 2 en 4 tot en met 26 van dit reglement betoogt de minister dat de ingevolge die bepalingen in het register vervatte modules verschillende soorten documenten omvatten en dat op deze documenten de Wpolr integraal van toepassing is. Aangezien deze wet een gesloten verstrekkingenregime kent mag geen van de in die documenten opgenomen gegevens worden verstrekt aan appellant en is de Wob in dit geval niet van toepassing, aldus de minister.

2.3. Als meest verstrekkende grond voert appellant aan dat, naar de rechtbank heeft miskend, de minister en de hoorcommissie niet staan vermeld in de limitatieve opsomming in de artikelen 14, 15 en 16 van de Wpolr van degenen aan wie gegevens uit een politieregister mogen worden verstrekt, zodat zij niet bevoegd zijn om kennis te nemen van deze gegevens. Aangezien de minister en de commissie toch kennis hebben kunnen nemen van de gegevens, zijn deze derhalve buiten het verstrekkingenregime van de Wpolr gebracht en kan niet meer worden staande gehouden dat de gegevens onder dit verstrekkingenregime vallen, aldus appellant.

2.3.1. Dit betoog faalt. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen, is de minister op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, onder 4°, van de Wpolr beheerder van het politieregister. Ingevolge artikel 20 van de Wpolr is hij degene die informatie verstrekt over de in het politieregister opgenomen gegevens. Aan deze hoedanigheid en de daaraan verbonden bevoegdheid tot verstrekking is inherent dat de minister bevoegd is kennis te nemen van die gegevens. Dit geldt eveneens voor de leden van de commissie advisering bezwaarschriften defensie, bestaande uit ambtenaren van het ministerie, die de minister dienden te adviseren ten aanzien van het bezwaar van appellant dat de minister ten onrechte heeft geweigerd gegevens openbaar te maken.

2.4. Appellant richt zich voorts tegen de overweging van de rechtbank dat het Bedrijfsprocessensysteem van de KMar een politieregister is in de zin van de Wpolr en dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de in geding zijnde documenten uitsluitend of grotendeels persoonsgegevens bevatten in de zin van de Wpolr, gelezen in samenhang met de Wbp. Daartoe stelt appellant dat ingevolge de Wpolr in een politieregister uitsluitend persoonsgegevens mogen worden opgenomen, terwijl in de in geding zijnde stukken ook andere gegevens, zoals aantallen aanwezigen, data en locaties, zijn opgenomen. Daarom had openbaarmaking van deze gegevens volgens appellant niet met een beroep op het gesloten verstrekkingenregime van de Wpolr mogen worden geweigerd. De rechtbank heeft volgens appellant voorts ten onrechte een door de minister zelf vastgesteld reglement bij haar beoordeling betrokken.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 november 2006 in zaak no. 200601984/1 (AB 2007, 24) vloeit uit de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van de Wpolr voort dat deze wet voor de verstrekking van gegevens een gesloten systeem kent. De bij deze wet of bij daarop gebaseerde Algemene maatregel van bestuur gestelde regels, waarmede het reglement, als bedoeld in artikel 9 van de Wpolr, in overeenstemming dient te zijn, geven tezamen een uitputtende regeling (TK 1985-1986, 19 589, nr. 3, p. 9).

Uit de tekst van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, h en i, van de Wpolr blijkt dat het regime van de Wpolr uitsluitend van toepassing is op persoonsgegevens, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp. De wetsgeschiedenis biedt geen grond aan deze bepalingen een andere betekenis toe te kennen dan uit hun tekst voortvloeit. Het verstrekkingenregime van de Wpolr heeft derhalve betrekking op persoonsgegevens in vorenbedoelde zin en - anders dan de Wob - niet op de documenten waarin ze kunnen zijn vervat. In dit stelsel brengt de omstandigheid dat een document persoonsgegevens bevat niet met zich dat het document als zodanig onder de werking van de Wpolr valt, ook voor zover dit document andere dan persoonsgegevens in voormelde zin bevat. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte betekenis heeft gehecht aan de omstandigheid dat in het Privacyreglement in strijd met de Wpolr is bepaald dat ook andere gegevens dan persoonsgegevens in het politieregister mogen worden opgenomen.

2.4.2. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de door de minister vertrouwelijk overgelegde stukken. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat deze stukken uitsluitend persoonsgegevens bevatten in de zin van de Wpolr, gelezen in samenhang met de Wbp. De minister is er dan ook ten onrechte vanuit gegaan dat deze stukken integraal onder het regime van de Wpolr vallen en heeft ten onrechte om die reden geen toepassing gegeven aan de Wob. Hieruit volgt dat de door de minister gehandhaafde weigering afschriften te verstrekken van de in geding zijnde stukken op een onjuiste grondslag berust en mitsdien ondeugdelijk is gemotiveerd. De minister zal, gelet op het na te melden beslissing, nader moeten vaststellen welke gegevens uit de stukken als persoonsgegevens in de zin van de Wpolr, gelezen in samenhang met de Wbp, zijn aan te merken. Daarbij wijst de Afdeling op haar in de uitspraak van 31 januari 2007 in zaak no. 200600141/1 opgenomen oordeel dat het begrip persoonsgegeven zich, gelet op het element "identificeerbare" in de definitie van persoonsgegeven in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp, niet beperkt tot de vermelding van personalia van bijvoorbeeld een gehoorde en diens hoedanigheid en dat het relaas van een verhoor, voor zover dit gegevens bevat die herleidbaar zijn tot de gehoorde of degene over wie wordt verklaard, moet worden begrepen onder het begrip persoonsgegeven. Indien stukken niet alle en niet geheel bestaan uit informatie waaruit kan worden afgeleid welke persoon aan het woord is of over wie wordt verklaard, moet het mogelijk worden geacht de stukken zodanig te schonen, dat daaruit vervolgens niet meer kan worden afgeleid wie over wie welke verklaring heeft afgelegd.

Ten aanzien van de in geding zijnde documenten voor zover die geen persoonsgegevens behelzen zal de minister derhalve alsnog toepassing moeten geven aan de Wob.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. De minister dient met inachtneming van het vorenoverwogene een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

2.6. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 april 2006 in zaak no. SBR 04/3186;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Minister van Defensie van 12 november 2004, kenmerk C/2004011602;

V. veroordeelt de Minister van Defensie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1771,01 (zegge: duizend zevenhonderdeenenzeventig euro en een cent), waarvan een gedeelte groot € 1449,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Defensie) aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Defensie) aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 347,00 (zegge: driehonderdzevenenveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. R.R. Winter en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van der Smissen
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007

419