Uitspraak 200600275/1

Datum van uitspraak: woensdag 20 december 2006
Tegen: het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: Oppervlaktewateren
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2006:AZ4778

200600275/1.
Datum uitspraak: 20 december 2006

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2005 heeft verweerder aan appellant een last onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden van artikel 1, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wvo).

Bij besluit van 19 december 2005, verzonden op 19 december 2005, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 9 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 januari 2006.

Bij brief van 28 februari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 20 juni 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2006, waar appellant in persoon, en bijgestaan door ing. C. Boon en ir. W.J. Homan, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J. Lanting, ing. E.J. Richard en ing. N.P.J. Buijsman, ambtenaren van het waterschap zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wvo is het verboden zonder vergunning met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, te brengen in oppervlaktewateren.

Ingevolge het derde lid, kan, voorzover thans van belang, bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het zonder vergunning verboden is de in het eerste lid bedoelde stoffen op een andere wijze dan met behulp van een werk in oppervlaktewateren te brengen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren, is het, voorzover thans van belang, verboden zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen op andere wijze dan met behulp van een werk in enig oppervlaktewater te brengen, onder meer door deze onder het wateroppervlak te doen of te laten afvloeien.

2.2. Verweerder heeft bij het besluit van 9 juni 2005 een last onder dwangsom opgelegd aan appellant, omdat op zijn perceel een oeverbeschoeiing is aangebracht van geïmpregneerd hout. Door uitloging vanuit de beschoeiing worden verontreinigende stoffen in het oppervlaktewater gebracht, terwijl daarvoor geen vergunning is verleend als bedoeld in artikel 1 van de Wvo.

2.3. Niet in geschil is dat is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wvo, zodat verweerder ter zake handhavend kon optreden. De overtreding duurt ook thans nog voort. Weliswaar vindt, zo blijkt uit de stukken, bij de plaatsing van de beschoeiing een pieklozing plaats, maar het moet worden aangenomen dat ook nadien een verdere uitloging optreedt.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. Appellant voert aan dat verweerder geen onderzoek heeft gedaan naar de samenstelling van het toegepaste impregneermiddel. Verweerder heeft daardoor volgens appellant niet kunnen beoordelen of er wordt voldaan aan de waterkwaliteitsnormen en derhalve zou verweerder geen oordeel hebben kunnen geven over de mogelijkheid tot legalisatie.

2.4.1. Verweerder hanteert bij vergunningverlening het volgende, deels in zijn "Beleidsstandpunt toepassing geïmpregneerd hout in waterbouw" van december 1994 geformuleerde, uitgangspunt. Bij de verlening van vergunningen voor toepassing van met koper-chroomzouten behandeld hout als het onderhavige moet terughoudendheid worden betracht. Er wordt gestreefd naar terugdringing van de emissie van deze stoffen. Alleen wanneer er voor het gebruik van het hout geen alternatieven zijn en de lozing bovendien - kort weergegeven - geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de waterkwaliteit kan vergunningverlening mogelijk zijn.

Dit uitgangspunt is naar het oordeel van de Afdeling niet in strijd met het recht. Nu er, naar verweerder onweersproken heeft gesteld, betaalbare alternatieven voorhanden zijn voor het met koper-chroomzouten behandeld hout, zal overeenkomstig dit uitgangspunt geen vergunning worden verleend. Reeds hierom heeft verweerder terecht geconcludeerd dat geen uitzicht bestaat op legalisatie. Een nader onderzoek naar de samenstelling van het toegepaste impregneermiddel was gelet hierop niet nodig. Ook de stelling van appellant dat de Nieuwkoopse Plassen zijn aangewezen als grote oppervlaktewateren, naar aanleiding waarvan een verruiming van samenstellings- en emissiewaarden van bouwstoffen zou zijn toegestaan, maakt dit niet anders.

2.5. Zoals appellant terecht betoogt heeft verweerder na constatering van de overtreding op weinig overtuigende gronden een geruime periode gewacht met het opleggen van de last onder dwangsom. Dit laat echter onverlet dat verweerder bevoegd is ter zake handhavend op te treden.

2.6. Appellant voert aan dat over een door hem bij het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop gevraagde aanlegvergunning voor de oeverbeschoeiing contact is geweest tussen het college en verweerder. Gelet daarop zou hij ervan mogen uitgaan dat de verleende aanlegvergunning voldoende was en een aanvraag voor een Wvo-vergunning niet noodzakelijk was.

2.6.1. In het primaire besluit is vermeld dat het college verweerder om advies heeft gevraagd over de aanlegvergunning en dat verweerder geen advies heeft uitgebracht. Anders dan appellant kennelijk beoogt aan te voeren, heeft verweerder met het enkel niet reageren op de adviesaanvraag over de gemeentelijke aanlegvergunning niet het in rechte te honoreren vertrouwen gewekt dat niet handhavend zou worden opgetreden tegen overtreding van artikel 1 van de Wvo.

2.7. Ook voor het overige geeft het beroep geen grond voor het oordeel dat verweerder had moeten afzien van handhavend optreden. De last onder dwangsom is dan ook terecht opgelegd en in bezwaar terecht gehandhaafd.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van der Zijpp
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006

262-529.