Uitspraak 200607575/1

Datum van uitspraak: maandag 23 oktober 2006
Tegen: het hoofdstembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal in kieskring 4 te Zwolle
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: Algemene kamer - Andere zaken - Kieswet
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2006:AZ1249

200607575/1.
Datum uitspraak: 23 oktober 2006

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

H.H. Poortman, wonend te Rotterdam, en 16 anderen,
appellanten,

en

het hoofdstembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal in kieskring 4 te Zwolle,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2006 heeft verweerder (hierna: het hoofdstembureau) de blanco lijst met als eerste kandidaat "Poortman, H.H. (Huib)" voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op woensdag 22 november 2006 in de kieskring Zwolle, ongeldig verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 17 oktober 2006, beroep ingesteld.

Op 18 oktober 2006 hebben appellanten nadere stukken ingediend.

Op 19 oktober 2006 heeft het hoofdstembureau een verweerschrift ingediend.

Op 19 oktober 2006 heeft de Kiesraad, daartoe door de Afdeling verzocht met overeenkomstige toepassing van artikel 8:45, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), een zienswijze ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 oktober 2006, waar appellanten R.N. Verlinden, drs. H.H. Poortman, R.A. Verlinden, P.J.M. Freriks en ing. A.M.L. van Rooij in persoon, waarvan laatstgenoemde mede in zijn hoedanigheid van directeur van het Ecologisch Kennis Centrum B.V. als gemachtigde van appellanten, en het hoofdstembureau, vertegenwoordigd door A.W. voor 't Hekke, G.J.L. Reijgersberg en D.J.L. van Veen, ambtenaren van de gemeente Zwolle, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de Kiesraad, vertegenwoordigd door mr. J. Schipper-Spanninga, secretaris-directeur.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel H 1, eerste lid, van de Kieswet, voor zover thans van belang, kunnen op de dag van de kandidaatstelling bij de voorzitter van het hoofdstembureau of bij het door deze aan te wijzen lid van dat bureau op de secretarie van de gemeente waar dit bureau is gevestigd, van negen tot vijftien uur, kandidatenlijsten worden ingeleverd.

Ingevolge artikel I 1, eerste lid, van de Kieswet houdt het hoofdstembureau op de dag van de kandidaatstelling, om zestien uur, een zitting tot het onderzoeken van de kandidatenlijsten.

Ingevolge artikel I 4 van de Kieswet, voor zover thans van belang, beslist het hoofdstembureau op de derde dag na de kandidaatstelling in een openbare zitting die om zestien uur aanvangt, over de geldigheid van de lijsten.

Ingevolge artikel I 5, aanhef en onder a, van de Kieswet is ongeldig de lijst die niet op de dag van de kandidaatstelling tussen negen en vijftien uur bij de voorzitter van het hoofdstembureau of het door deze aangewezen lid is ingeleverd.

Ingevolge artikel I 7, eerste lid, van de Kieswet kan een belanghebbende en iedere kiezer tegen een beschikking als bedoeld in artikel I 4 beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift vier dagen.

2.2. Het besluit van het hoofdstembureau ten aanzien van de geldigheid van - onder meer - de ingeleverde blanco lijst met als eerste kandidaat "Poortman, H.H. (Huib)" is genomen op 13 oktober 2006, in de openbare zitting bedoeld in artikel I 4 van de Kieswet en blijkt uit het proces-verbaal daarvan. De bekendmaking van dat besluit vindt, in zoverre in afwijking van de Awb, tijdens deze openbare zitting plaats. Anders dan appellanten veronderstellen schrijft de Kieswet niet voor dat dit besluit aan een kandidaat, degene die de kandidatenlijst heeft ingeleverd dan wel degene die de waarborgsom heeft betaald anderszins wordt bekendgemaakt. De brieven van 13 oktober 2006 gericht aan H.H. Poortman en J.A. Parmentier zijn dan ook niet aan te merken als een bekendmaking van het voormelde besluit, doch slechts als een mededeling dat het besluit is genomen en bekendgemaakt. Het betoog van appellanten dat het besluit tot ongeldigverklaring van de ingeleverde blanco lijst met als eerste kandidaat "Poortman, H.H. (Huib)" op onjuiste wijze zou zijn bekendgemaakt treft derhalve geen doel.

2.3. Blijkens de door het hoofdstembureau afgegeven ontvangstbevestiging is de blanco lijst met als eerste kandidaat "Poortman, H.H. (Huib)" op 10 oktober 2006 om 15.50 uur ingeleverd. De Afdeling ziet geen reden om aan de juistheid van dit op de ontvangstbevestiging vermelde tijdstip te twijfelen. Gelet op het bepaalde in artikel I 5, aanhef en onder a, van de Kieswet is deze te laat ingediende lijst dan ook ongeldig. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 2 februari 2006 in zaak no. 200600750/1 (AB 2006, 73), heeft de keuze van de wetgever voor een strikte regeling in de Kieswet als achtergrond een voor ieder gelijke, eerlijke verkiezing te waarborgen. Daarom is er, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen, geen ruimte voor het hoofdstembureau om in afwijking van de dwingende bepalingen van de Kieswet te beslissen.

Anders dan appellanten menen, is in dit geval van een dergelijke zeer uitzonderlijke situatie geen sprake. Daartoe stelt de Afdeling voorop dat het tot de verantwoordelijkheid behoort van de tot de politieke groepering behorende personen, die aan de verkiezing voor de leden van de Tweede Kamer wensen deel te nemen, om de kandidatenlijst op de dag van kandidaatstelling uiterlijk om vijftien uur bij het hoofdstembureau in te leveren. Dat degene die op 10 oktober 2006 de kandidatenlijst heeft ingeleverd medische problemen heeft, komt in dit geval voor rekening en risico van appellanten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat zij ook een andere kiezer, bevoegd tot deelneming aan de verkiezing, hadden kunnen verzoeken de lijst bij de voorzitter van het hoofdstembureau in te leveren.

2.4. Hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd, heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het besluit van 13 oktober 2006 en kan reeds daarom niet leiden tot een gegrond beroep en vernietiging van dat besluit.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Dallinga
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2006

18-435.