Uitspraak 201705635/1/A3


Volledige tekst

201705635/1/A3.
Datum uitspraak: 2 mei 2018

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (thans: de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid),
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 juni 2017 in zaak nr. 16/2065 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2015 heeft de minister [wederpartij] een bestuurlijke boete opgelegd van € 16.200,-, bestaande uit een bedrag van € 5.400,- wegens overtreding van artikel 3.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit) en een bedrag van € 10.800,- wegens overtreding van artikel 4.45 van het Arbobesluit. Voorts heeft de minister besloten een aantal inspectiegegevens over de overtreding van artikel 4.45 openbaar te maken.

Bij besluit van 18 maart 2016 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voor zover het betreft de boete wegens de overtreding van artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit, het boetebedrag voor deze overtreding vastgesteld op € 4.050,- en de totale hoogte van de bestuurlijke boete vastgesteld op € 14.850,-.

Bij besluit van 2 december 2016 heeft de minister het besluit van 18 maart 2016 gewijzigd en de boete wegens de overtreding van artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit vastgesteld op € 1.350,-.

Bij uitspraak van 1 juni 2017 heeft de rechtbank het door [wederpartij] tegen het besluit van 2 december 2016 ingestelde beroep ongegrond verklaard, het beroep tegen het besluit van 18 maart 2016 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, behoudens voor zover dat de proceskostenveroordeling in bezwaar betreft, het besluit van 17 augustus 2015 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2018, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. dr. R.W.J. Crommelin, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. J.A. Bekke, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak.

Besluitvorming

2. Bij besluit van 17 augustus 2015 heeft de minister aan [wederpartij] een boete opgelegd van in totaal € 16.200,-, waarvan € 5.400,- wegens overtreding van artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit en € 10.800,- wegens overtreding van artikel 4.45 van het Arbobesluit. Verder is in het besluit besloten tot openbaarmaking van een aantal inspectiegegevens over de overtreding van artikel 4.45.

Aan de boeteoplegging heeft de minister een door de arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW op ambtsbelofte opgesteld boeterapport van 5 maart 2015 ten grondslag gelegd. Hierin is vermeld dat de arbeidsinspecteur op 6 februari 2015 een inspectie heeft gehouden op de locatie aan de [locatie] te Renswoude waar [wederpartij], een bedrijf dat zich in het bijzonder bezig houdt met het saneren van asbest, bezig was met het verwijderen van asbesthoudende dakplaten.

Het boeterapport vermeldt dat de arbeidsinspecteur heeft vastgesteld dat [wederpartij] artikel 4.45 van het Arbobesluit heeft overtreden. De arbeidsinspecteur heeft geconstateerd dat er tijdens de werkzaamheden geen preventieve maatregelen en bronmaatregelen werden toegepast om verspreiding van vezels dan wel een secundaire besmetting te voorkomen. Hierdoor werd de concentratie asbeststof in de lucht niet zo laag mogelijk gehouden, hetgeen in strijd is met artikel 4.45, eerste lid, in verbinding gelezen met het tweede lid, aanhef en onder a, van het Arbobesluit. Ook heeft de arbeidsinspecteur geconstateerd dat afvalstoffen, ontstaan als gevolg van het bewerken of verwerken van asbest of van asbesthoudende producten, niet zo spoedig mogelijk werden verzameld en afgevoerd in een daartoe geschikte en gesloten verpakking, voorzien van een etiket met duidelijk en goed leesbare vermelding dat de inhoud asbest bevat. Hierdoor werd eveneens de concentratie asbeststof in de lucht niet zo laag mogelijk gehouden, hetgeen in strijd is met artikel 4.45, eerste lid, in verbinding gelezen met het tweede lid, aanhef en onder d, van het Arbobesluit. Verder heeft de arbeidsinspecteur geconstateerd dat ter plaatse het valgevaar onvoldoende was beperkt, hetgeen een overtreding is van artikel 3.16 van het Arbobesluit.

In het besluit op bezwaar van 18 maart 2016 heeft de minister het boetebedrag voor de overtreding van artikel 3.16 van het Arbobesluit verlaagd naar € 4.050,-. In het gewijzigde besluit op bezwaar van 2 december 2016 heeft de minister dit boetebedrag verder verlaagd naar € 1.350,-.

De aangevallen uitspraak

3. De rechtbank heeft ten aanzien van de overtreding van artikel 4.45, eerste lid, in verbinding gelezen met het tweede lid, aanhef en onder a, van het Arbobesluit vastgesteld dat partijen verdeeld zijn over de vraag of de werkmethoden van [wederpartij] zodanig waren ingericht dat er geen asbeststof wordt geproduceerd of indien dat technisch niet mogelijk is, dat geen asbeststof in de lucht vrijkomt. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat de minister geen beleidsregels heeft vastgesteld voor de uitvoering en uitleg van artikel 4.45 van het Arbobesluit. De rechtbank heeft daarom voor de uitvoering en uitleg van dat artikel aansluiting gezocht bij artikel 43, vierde lid, van Bijlage XIIIa van de Arbeidsomstandighedenregeling (hierna: Arboregeling). De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat voor de vraag op welke wijze een bedrijf asbestwerkzaamheden op een goede manier verricht, de regels uit de vermelde bijlage aanknopingspunt bieden, omdat daarin is bepaald aan welke eisen moet zijn voldaan voor afgifte van certificaten aan bedrijven die asbestgerelateerde werkzaamheden verrichten. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat de dakplaten die door [wederpartij] werden verwijderd, bestonden uit hechtgebonden asbestmateriaal en dat deze licht verweerd en licht beschadigd waren. Nu geen sprake was van een ernstig verweerde staat of een dreigende breuk was [wederpartij], gelet op de regels uit de vermelde bijlage, niet gehouden om bij het verwijderen van de dakplaten impregnatie dan wel bronafzuiging toe te passen, zodat artikel 4.45, eerste lid, in verbinding gelezen met het tweede lid, aanhef en onder a, van het Arbobesluit niet is overtreden, aldus de rechtbank.

De rechtbank heeft ten aanzien van de overtreding van artikel 4.45, eerste lid, in verbinding gelezen met het tweede lid, aanhef en onder d, van het Arbobesluit overwogen dat in de toelichting bij artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van Bijlage XIIIa van de Arboregeling is vermeld dat uit het Arbobesluit volgt dat asbest zo spoedig mogelijk wordt verzameld en afgevoerd in een daartoe geschikte en gesloten verpakking. In die toelichting is voorts vermeld dat als handvat voor de uitleg van ‘zo spoedig mogelijk’ bij een buitensanering, het einde van de werkdag hiervoor een goed moment kan zijn. Volgens de rechtbank volgt uit de toelichting niet dat het begrip ‘zo spoedig mogelijk’ betekent dat na verwijdering van elke dakplaat het asbest moet worden verzameld. Volstaan kan worden dat dit gebeurt na het verwijderen van een rij dakplaten. [wederpartij] heeft artikel 4.45, eerste lid, in verbinding gelezen met het tweede lid, aanhef en onder d, van het Arbobesluit niet overtreden nu zij is begonnen met het verzamelen van het asbest nadat een hele rij dakplaten was verwijderd, aldus de rechtbank.

Ten aanzien van het besluit van de minister om een aantal inspectiegegevens openbaar te maken over de overtreding van artikel 4.45 van het Arbobesluit heeft de rechtbank geoordeeld dat daartoe geen wettelijke basis bestaat.

Omvang geschil hoger beroep

4. Het hoger beroep ziet op de vraag of [wederpartij] artikel 4.45 van het Arbobesluit heeft overtreden en of de minister een aantal inspectiegegevens met betrekking tot deze overtreding openbaar heeft mogen maken.

Hogerberoepsgronden

5. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [wederpartij] artikel 4.45 van het Arbobesluit niet heeft overtreden. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank voor de uitleg van dit artikel ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de artikelen 43 en 44 van Bijlage XIIIa van de Arboregeling. Hij wijst erop dat de in die bijlage opgenomen certificatieschema’s en voorgeschreven maatregelen geen nadere invulling geven aan het Arbobesluit. Volgens de minister zien de certificatieschema’s slechts op de relatie tussen certificerende instellingen en certificaathouders. Ze zijn door de branche zelf opgesteld en dienen slechts als handvat bij de afgifte en toezicht op de naleving van de voorwaarden die gelden bij het hebben van een certificaat. Het feit dat aan een certificatieschema wordt voldaan, zegt volgens de minister dan ook niets over de vraag of aan het Arbobesluit wordt voldaan. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een overtreding van de asbestbepalingen uit het Arbobesluit had de rechtbank alleen moeten kijken naar hetgeen in het Arbobesluit staat opgenomen. Voor zover daarin open normen zijn opgenomen, dient de werkgever bij het nemen van de maatregelen de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening in acht te nemen, aldus de minister.

Voor zover voor de uitleg van artikel 4.45, van het Arbobesluit wel aansluiting mocht worden gezocht bij de artikelen 43 en 44 van Bijlage XIIIa van de Arboregeling voert de minister aan dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat [wederpartij] de in die artikelen voorgeschreven maatregelen heeft getroffen. In dat verband wijst hij erop dat [wederpartij] bij het verwijderen van de asbesthoudende dakplaten, anders dan de rechtbank heeft overwogen, bronafzuiging had moeten toepassen. Daarnaast had [wederpartij] de asbesthoudende dakplaten nat moeten maken. Voorts voert de minister aan dat de rechtbank het begrip ‘zo spoedig mogelijk’ onjuist heeft uitgelegd. Nu het ging om werkzaamheden aan asbesthoudende dakplaten was het risico op het verwaaien van asbestvezels groot, zodat na verwijdering van elke dakplaat het asbest volgens de minister direct had moeten worden verzameld.

De minister betoogt voorts dat nu sprake is van een overtreding van artikel 4.45 van het Arbobesluit hij een aantal inspectiegegevens openbaar heeft mogen maken.

5.1. Ter zitting van de Afdeling heeft de staatssecretaris toegelicht dat hij zich niet langer op het standpunt stelt dat de rechtbank voor de uitleg van artikel 4.45 van het Arbobesluit ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de artikelen 43 en 44 van Bijlage XIIIa van de Arboregeling. Daargelaten dat [wederpartij] niet de maatregelen heeft genomen die in die artikelen worden voorgeschreven, geven die maatregelen geen volledige invulling aan de norm van artikel 4.45 van het Arbobesluit, aldus de minister.

Beoordeling

6. Artikel 4.45, eerste lid, van het Arbobesluit betreft een doelvoorschrift. In het tweede lid, aanhef en onder a en d, wordt, gelet op de formulering, dwingend voorgeschreven welke maatregelen de werkgever moet nemen om het in het eerste lid genoemde doel te bereiken. De in het tweede lid genoemde maatregelen bieden, hoewel ze dwingend zijn geformuleerd, de werkgever de ruimte om zelf de werkmethoden in te richten teneinde aan de in het eerste lid genoemde norm te voldoen en zijn in zoverre als open normen te beschouwen. Nu artikel 4.45 in zoverre open normen geeft en de minister niet via een beleidsregel of anderszins aan deze normen invulling heeft gegeven, heeft de rechtbank voor de uitvoering en uitleg van artikel 4.45 van het Arbobesluit aansluiting mogen zoeken bij de artikelen 43 en 44 van Bijlage XIIIa van de Arboregeling aangezien daarin is bepaald aan welke eisen moet zijn voldaan voor afgifte van certificaten aan bedrijven die asbestgerelateerde werkzaamheden verrichten. De minister heeft, zoals onder 5.1 vermeld, dit ook niet langer betwist.

6.1. Over de gestelde overtreding van artikel 4.45, eerste lid, in verbinding gelezen met het tweede lid, aanhef en onder a, van het Arbobesluit heeft de minister zich, onder verwijzing naar het boeterapport, op het standpunt gesteld dat tijdens de werkzaamheden geen preventieve maatregelen en bronmaatregelen werden toegepast om verspreiding van vezels dan wel een secundaire besmetting te voorkomen. Volgens de minister had [wederpartij] bronafzuiging moeten toepassen. Daarnaast had [wederpartij] volgens de minister de asbesthoudende dakplaten nat moeten maken.

[wederpartij] heeft daar tegenover gesteld dat zij de asbesthoudende dakplaten voorzichtig heeft behandeld en dat zij, in overeenstemming met het door de Stichting Ascert opgestelde risico-inventarisatierapport, bij het verwijderen van de dakplaten gebruik heeft gemaakt van demontage en aldus een bronmaatregel als bedoeld in artikel 43 van Bijlage XIIIa heeft toegepast. Volgens [wederpartij] was het niet nodig om bronafzuiging toe te passen nu uit voornoemd risico-inventarisatierapport blijkt dat de dakplaten bestonden uit hechtgebonden asbestmateriaal en slechts licht verweerd waren. Voorts was het volgens [wederpartij] niet nodig de dakplaten nat te maken, omdat de temperatuur tijdens de werkzaamheden rond het vriespunt lag en de dakplaten bedekt waren met een laag bevroren sneeuw.

De Afdeling stelt vast dat, zoals blijkt uit het risico-inventarisatierapport en het boeterapport, de dakplaten die door [wederpartij] werden verwijderd, bestonden uit hechtgebonden asbestmateriaal en dat deze licht verweerd en licht beschadigd waren. Nu geen sprake was van een ernstig verweerde staat of een dreigende breuk was [wederpartij], gelet op het bepaalde in artikel 43 van Bijlage XIIIa, niet gehouden om bij het verwijderen van de dakplaten bronafzuiging toe te passen. Voorts stelt de Afdeling vast dat in het boeterapport is vermeld dat de temperatuur tijdens de werkzaamheden rond het vriespunt lag. De minister heeft niet gemotiveerd betwist dat de dakplaten bedekt waren met een laag bevroren sneeuw, zodat de minister onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [wederpartij] gehouden was de dakplaten nat te maken.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat [wederpartij] zich heeft gehouden aan de voorschreven maatregelen van artikel 43 van Bijlage XIIIa van de Arboregeling. Niet is gebleken dat aanvullende maatregelen noodzakelijk waren, zodat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [wederpartij] artikel 4.45, eerste lid, in verbinding gelezen met het tweede lid, aanhef en onder a, van het Arbobesluit heeft overtreden.

Het betoog faalt.

6.2. Over de gestelde overtreding van artikel 4.45, eerste lid, in verbinding gelezen met het tweede lid, aanhef en onder d, van het Arbobesluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat [wederpartij] de afvalstoffen, afkomstig van het asbesthoudend materiaal, niet zo spoedig mogelijk heeft verpakt. Volgens de minister kon [wederpartij] niet volstaan met het verpakken van de afvalstoffen nadat eerst een hele rij dakplaten was verwijderd. De minister heeft daarbij verwezen naar het boeterapport, waarin is vermeld dat het risico op het verwaaien van asbestvezels groot is. Volgens de minister diende [wederpartij] na verwijdering van elke dakplaat de achtergebleven afvalstoffen met behulp van een stofzuiger weg te nemen en te verpakken.

[wederpartij] heeft daar tegenover gesteld dat zij kon volstaan met het verwijderen van de afvalstoffen uit de randen en gordingen nadat een gehele rij dakplaten was verwijderd. Zij heeft gemotiveerd gesteld dat tweemaal per dag de afvalstoffen zijn verwijderd en dat dit een gebruikelijke werkwijze in de branche is. Zij heeft daarbij voorts gewezen op de toelichting bij artikel 44 van Bijlage XIIIa van de Arboregeling, waarin is vermeld dat het einde van de werkdag een geschikt tijdstip is om de afvalstoffen te verwijderen en te verpakken.

De Afdeling is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft aangetoond dat het begrip ‘zo spoedig mogelijk’ als bedoeld in artikel 4.45, tweede lid, aanhef en onder d, van het Arbobesluit, mede bezien in het licht van de toelichting bij artikel 44 van Bijlage XIIIa, in dit geval met zich bracht dat [wederpartij] na verwijdering van elke dakplaat de achtergebleven afvalstoffen met behulp van een stofzuiger diende weg te nemen en te verpakken. Daartoe acht de Afdeling van belang dat de bevindingen van de arbeidsinspecteur in het boeterapport onvoldoende concreet zijn nu hij daarin slechts heeft gesteld dat het hem uit ervaring bekend is dat zeer fijn asbeststof kan verwaaien. Hij heeft evenwel niet vastgesteld dat in dit geval het aanwezige stof asbestvezels bevatte en, zo ja, dat het risico van verwaaiing zodanig groot was dat niet kon worden volstaan met het verwijderen van de afvalstoffen uit de randen en gordingen nadat een gehele rij dakplaten was verwijderd.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat niet is vastgesteld dat [wederpartij] de voorschreven maatregelen van artikel 44 van Bijlage XIIIa van de Arboregeling niet heeft getroffen, terwijl niet duidelijk is geworden dat met deze maatregelen niet kon worden volstaan, zodat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [wederpartij] artikel 4.45, eerste lid, in verbinding gelezen met het tweede lid, aanhef en onder d, van het Arbobesluit heeft overtreden.

Het betoog faalt.

6.3. Voor zover de minister betoogt dat het voldoen aan de voorgeschreven maatregelen van artikelen 43 en 44 van Bijlage XIIIa van de Arboregeling niet afdoende is om aan de norm van artikel 4.45, eerste lid, van het Arbobesluit te voldoen, overweegt de Afdeling dat uit de regelgeving onvoldoende duidelijk blijkt hoe werkgevers aan deze norm kunnen voldoen. Daarbij komt dat in artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet in dat verband wordt verwezen naar de stand van de wetenschap en de professionele dienstverlening. De Afdeling stelt vast dat over de wijze waarop aan de wettelijke norm invulling moet worden gegeven serieuze discussie is blijven bestaan tussen beide ter zake deskundige partijen. Daardoor is over die invulling van die norm onduidelijkheid blijven bestaan. Bijgevolg kunnen de constateringen in het boeterapport niet leiden tot de conclusie dat er een overtreding heeft plaatsgevonden.

Het betoog faalt.

6.4. Nu niet is komen vast te staan dat [wederpartij] artikel 4.45 van het Arbobesluit heeft overtreden, bestond voor de minister geen aanleiding om inspectiegegevens over die overtreding openbaar te maken. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

8. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een griffierecht van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.

w.g. Sevenster w.g. Soffner
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2018

818.


BIJLAGE

Arbeidsomstandighedenwet

Artikel 16

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers.

(…)

10. De werkgever, dan wel een ander dan de werkgever bedoeld in het zevende, achtste of negende lid en de werknemers zijn verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel, artikel 20, eerste lid, en artikel 24, negende lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur voorzover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.

11. Het niet naleven van de in het tiende lid bedoelde voorschriften en verboden kan worden aangemerkt als strafbaar feit.

Artikel 33

(…)

2. Als overtreding wordt tevens aangemerkt het niet naleven van de artikelen 6, eerste lid, tweede volzin, en 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in die artikelleden bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als overtreding.

(…).

Artikel 34

(…)

10. Onze Minister stelt beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de overtredingen worden vastgesteld. Artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing indien een artikel gesteld bij of krachtens deze wet op grond waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, niet is nageleefd.

(…).

Arbeidsomstandighedenbesluit

§ 3. Voorschriften voor het werken met asbest en asbesthoudende producten

Artikel 4.45

1. De concentratie van asbestvezels in de lucht wordt zo laag mogelijk onder de grenswaarden, bedoeld in artikel 4.46, gehouden.

2. Ter naleving van het eerste lid worden de volgende maatregelen genomen:

a. de werkmethoden zijn zo ingericht dat er geen asbeststof wordt geproduceerd of indien dat technisch niet mogelijk is, dat geen asbeststof in de lucht vrijkomt;

(…)

d. afvalstoffen, ontstaan als gevolg van het toepassen of bewerken van asbest of van asbesthoudende producten, worden zo spoedig mogelijk verzameld en afgevoerd in een daartoe geschikte en gesloten verpakking, voorzien van een etiket met de duidelijke en goed leesbare vermelding dat de inhoud daarvan asbest bevat.

Arbeidsomstandighedenregeling

Bijlage XIIIa behorend bij artikel 4.27: Werkveldspecifiek certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering

Artikel 43: asbestverwijdering

(…)

4. Bij verwijdering van asbesthoudend materiaal wordt emissie van asbest zoveel mogelijk voorkomen door:

a. het asbesthoudende materiaal voorzichtig te behandelen;

b. bronmaatregelen te nemen waarbij in ieder geval:

1°. daar waar mogelijk gebruik wordt gemaakt van demontage waardoor breuk van een asbesttoepassing wordt voorkomen;

2°. daar waar breuk van een asbesttoepassing niet voorkomen kan worden bronafzuiging wordt toegepast, tenzij dat aantoonbaar technisch niet mogelijk is of het gebruik van bronafzuiging leidt tot grotere risico’s voor de veiligheid of de gezondheid; en

3°. daar waar sprake is van niet hechtgebonden asbesttoepassingen of van ernstig verweerde hechtgebonden asbesttoepassingen de te verwijderen toepassing voorafgaand geïmpregneerd wordt met een daarvoor geschikt middel, zodanig dat dit impregneren bij een niet-hechtgebonden toepassing geschiedt totdat deze toepassing verzadigd is, tenzij het impregneren van genoemde asbesttoepassingen aantoonbaar technisch niet mogelijk is of het impregneren aantoonbaar leidt tot grotere risico’s voor de veiligheid of de gezondheid.

Artikel 44: verpakken en opslaan

1. Het asbestverwijderingsbedrijf zorgt er voor dat:

a. het asbesthoudende materiaal zo spoedig mogelijk wordt verpakt in een niet-luchtdoorlatende verpakking van zodanige dikte en sterkte dat deze niet scheurt;

b. de verpakking wordt voorzien van aanduidingen overeenkomstig artikel 7 van het Productenbesluit asbest;

(…)