Uitspraak 202101922/1/V2


Volledige tekst

202101922/1/V2.
Datum uitspraak: 22 september 2022

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 17 maart 2021 in zaak nr. NL21.2464 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.

Bij uitspraak van 17 maart 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.J. Koolen, advocaat te Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1.       Deze uitspraak gaat over de vergewisplicht die op grond van artikel 3:2 van de Awb op de staatssecretaris rust als hij bij de beoordeling van een asielrelaas zich mede baseert op een onderzoek van het Bureau Documenten.

1.1.    De staatssecretaris heeft de door de vreemdeling ingediende asielaanvraag eerder afgewezen bij besluit van 16 november 2020, omdat hij zijn asielrelaas ongeloofwaardig acht. In dat besluit heeft de staatssecretaris onder meer het standpunt ingenomen dat de drie documenten die de vreemdeling heeft overgelegd ter ondersteuning van zijn asielrelaas vals zijn. Daarbij heeft de staatssecretaris zich gebaseerd op een verklaring van onderzoek, uitgevoerd door het Bureau Documenten (hierna: BD) van 12 november 2020. Bij uitspraak van 29 december 2020 heeft de rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het besluit van 16 november 2020 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft daaraan ten grondslag gelegd dat in de door de vreemdeling overgelegde Vakbijlage van het BD van juni 2019 was vermeld dat de kwalificatie dat een document "vals" is, alleen kan volgen als voldoende referentiemateriaal beschikbaar is. In dit geval was er geen referentiemateriaal beschikbaar voor de ingebrachte documenten en kon de staatssecretaris niet verklaren waarom het BD de documenten als vals had aangemerkt. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat de staatssecretaris niet had voldaan aan zijn vergewisplicht. Tegen die uitspraak heeft de staatssecretaris geen hoger beroep ingesteld.

1.2.    Bij de voorbereiding van het opnieuw op de aanvraag genomen besluit van 12 februari 2021 heeft de staatssecretaris ter invulling van zijn vergewisplicht nadere informatie ingewonnen bij het BD over het onderzoek. Op grond hiervan heeft de staatssecretaris zijn standpunt gehandhaafd, dat de documenten vals zijn. In hoger beroep is in geschil of de staatssecretaris aan zijn vergewisplicht heeft voldaan.

Grief

2.       In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, door te overwegen dat hij ook in het besluit van 12 februari 2021 niet aan zijn vergewisplicht heeft voldaan, een te verstrekkende uitleg van en toepassing  heeft gegeven aan de vergewisplicht.

2.1.    Bij uitspraak van 28 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:636 heeft de Afdeling een oordeel gegeven over de reikwijdte van de vergewisplicht die op de staatssecretaris rust bij een verklaring van onderzoek van het BD. Uit die uitspraak volgt dat de staatssecretaris in beginsel ervan mag uitgaan dat de verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Er zijn ook situaties waarin de staatssecretaris op grond van zijn vergewisplicht moet nagaan hoe het BD tot zijn conclusie is gekomen. Daartoe kan hij onder meer de onderliggende stukken inzien en het BD nader bevragen over de totstandkoming van de conclusie. De staatssecretaris moet de vreemdeling gemotiveerd laten weten of en zo ja in hoeverre hij de conclusie onderschrijft nadat hij de stukken heeft ingezien of nadere informatie bij het BD heeft ingewonnen.

2.2.    In de uitspraak van 29 december 2020, die in rechte vaststaat, heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris in deze zaak nader invulling moet geven aan zijn vergewisplicht. De staatssecretaris heeft op 5 februari 2021 navraag gedaan bij het BD over de totstandkoming van het onderzoek. Vervolgens heeft de staatssecretaris in het besluit van 12 februari 2021 gemotiveerd waarom hij de conclusie van het BD onderschrijft. Hierbij is de staatssecretaris ingegaan op de kwalificaties die het BD heeft gebruikt bij de conclusie van onderzoek. In de nieuwe toelichting, zoals opgenomen in de versie van de Vakbijlage van het BD van februari 2021, staat dat er ook gevallen zijn waarin geconcludeerd kan worden dat een document "vals" is zonder dat referentiemateriaal beschikbaar is. In het besluit neemt de staatssecretaris het standpunt in dat zo’n geval zich hier voordoet.

Heeft de staatssecretaris aan zijn vergewisplicht voldaan?

3.       De staatssecretaris betoogt terecht dat, anders dan uit de uitspraak van de rechtbank volgt, de vergewisplicht geen verplichting inhoudt om te vermelden welke medewerker navraag heeft gedaan bij het BD en welke vragen aan het BD zijn gesteld. De staatssecretaris voert verder terecht aan dat hij niet tot in detail inzichtelijk hoeft te maken hoe het BD tot zijn conclusie is gekomen (zie de uitspraak van 8 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:15, onder 1.1). In dit geval is de gegeven toelichting voldoende gedetailleerd. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de staatssecretaris niet alleen in algemene zin toegelicht dat documenten ook als vals kunnen worden aangemerkt als sprake is van feitelijke of technische onmogelijkheden die daarop wijzen, maar ook toegelicht waarom die zich in het geval van de vreemdeling voordoen. Hij heeft immers gemotiveerd uiteengezet dat de documenten op basis van technische kenmerken aan elkaar te relateren zijn, dat deze allemaal zonder echtheidskenmerken zijn afgedrukt op witte vellen van in de handel verkrijgbaar papier, en dat op alle documenten informatie is aangebracht met een kleuren-toner-printer en met een zwarte pen handgeschreven tekst is toegevoegd. Op grond van een onderlinge vergelijking van de documenten is het BD tot de conclusie gekomen dat de documenten vals zijn.

3.1.    De conclusie dat de documenten vals zijn gelet op het beschikbare vergelijkingsmateriaal is in overeenstemming met de door de staatssecretaris gegeven toelichting dat de documenten vals zijn bevonden op grond van feitelijke dan wel technische onmogelijkheden nadat zij onderling met elkaar vergeleken zijn. De rechtbank heeft ten onrechte van belang geacht dat in de verklaring van onderzoek is vermeld dat de documenten vals zijn omdat zij afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal, terwijl in de vorige procedure de vraag naar het beschikbare vergelijkingsmateriaal uitvoerig aan de orde is geweest. Weliswaar is in de vorige procedure naar voren gekomen dat voor de ingebrachte documenten geen "referentiemateriaal" beschikbaar was, maar in de door de staatssecretaris ingebrachte Vakbijlage is toegelicht dat die term specifiek slaat op documenten, autorisaties, legalisaties of andere informatie die het BD heeft verkregen via de overheid van een betrokken land van herkomst. De in de verklaring van onderzoek gebruikte term "vergelijkingsmateriaal" is volgens de Vakbijlage een breed begrip en kan verschillende documenten betreffen, die worden gebruikt ter analyse van een ingebracht document, waaronder ook valse of vervalste documenten. Dit strookt met de door de staatssecretaris gegeven uitleg dat de drie documenten als elkaars vergelijkingsmateriaal zijn gebruikt.

3.2.    Dit betekent dus dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de staatssecretaris heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. Over het oordeel van de rechtbank dat de verklaring van onderzoek na de door de staatssecretaris gegeven toelichting nog steeds vragen opriep, overweegt de Afdeling het volgende. Zoals volgt uit de Afdelingsuitspraak van 28 februari 2020, hoeft de staatssecretaris, gelet op de zwaarwegende belangen die geheimhouding rechtvaardigen, de vertrouwelijke documenten die aan een documentonderzoek ten grondslag liggen, in de bestuurlijke fase niet te delen met de vreemdeling. De staatssecretaris heeft het standpunt ingenomen dat verdere toelichting niet mogelijk is zonder het prijsgeven van vertrouwelijke onderzoeksmethoden en -technieken. De rechtbank kan, in een situatie als deze, indien zij een verdere toetsing van het onderzoek nodig acht, gebruikmaken van haar wettelijke bevoegdheid om de vertrouwelijke onderliggende stukken in te zien (artikelen 8:45 en 8:29 van de Awb). De rechtbank had, door deze bevoegdheid te gebruiken, beter kunnen beoordelen of de verklaring van onderzoek voldoende inzichtelijk en concludent is. Door geen gebruik te maken van deze bevoegdheid is de rechtbank in dit geval daarom ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd.

3.3.    De grief slaagt.

Slotsom

4.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De rechtbank moet namelijk opnieuw het standpunt van de staatssecretaris over de ingebrachte documenten en ook voor het overige zijn standpunt over de geloofwaardigheid toetsen aan de hand van de beroepsgronden die de vreemdeling daartegen heeft aangevoerd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 17 maart 2021 in zaak nr. NL21.2464;

III.      wijst de zaak naar de rechtbank terug.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Renting, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Renting
griffier

314-936