Uitspraak 202105896/2/R4


Volledige tekst

202105896/2/R4.
Datum uitspraak: 6 december 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, allen wonend te Doetinchem,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Doetinchem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2021 heeft de raad het bestemmingsplan "Tankstations Oostelijke Randweg en Wijnbergseweg 39-41 - 2019" vastgesteld (hierna: het bestemmingsplan).

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen beroep ingesteld.

[verzoeker] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[partij] en [verzoeker] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 november 2021, waar [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M.H. Blokvoort, advocaat te Deventer, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.J.O. Copier, advocaat te Nijmegen, T.M.H. Nierkes en M. de Beukelaer, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Via een videoverbinding hebben ook [verzoeker] (namens verzoekers) en Y. Limburg, N. Faber en L. Ormel (namens de raad) aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Inleiding en spoedeisend belang

2.       Het bestemmingsplan maakt de verplaatsing van een tankstation met LPG mogelijk van de Wijnbergseweg 39-41 in Doetinchem (hierna: de huidige locatie) naar een perceel aan de Oostelijke Randweg in Doetinchem (hierna: de nieuwe locatie). [partij] is eigenaar van het tankstation op de huidige locatie. Na de verplaatsing wil zij de exploitatie van het tankstation op de nieuwe locatie voortzetten.

3.       [verzoeker] en anderen wonen in de omgeving van de nieuwe locatie. Een aantal van hen woont daar dichtbij. [verzoeker] en anderen kunnen zich niet met het bestemmingsplan verenigen. Zij vrezen voor nadelige gevolgen van het tankstation. Zij hebben de voorzieningenrechter gevraagd het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan te schorsen totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure.

4.       [partij] heeft verklaard dat zij al een aanvraag om het verlenen van een omgevingsvergunning heeft ingediend en dat zij niet wil wachten met het verrichten van werkzaamheden op de nieuwe locatie totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure.

Dat betekent dat [verzoeker] en anderen een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde schorsing.

Het geschil

5.       Het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem vindt de verplaatsing van het bestaande tankstation met LPG van de huidige locatie binnen de bebouwde kom naar de nieuwe locatie daarbuiten wenselijk. Het college heeft daarom een ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd waarmee een verplaatsing naar de nieuwe locatie mogelijk wordt gemaakt. Een tankstation met LPG is dan niet meer toegestaan op de huidige locatie.

Tegen het ontwerpbestemmingsplan zijn zienswijzen ingediend.

Het college heeft aan de raad het voorstel gedaan om in te stemmen met de zienswijzennota en om het voorgelegde bestemmingsplan vast te stellen.

6.       Op 5 maart 2020 heeft de raad besloten om het bestemmingsplan niet vast te stellen.

7.       Dit besluit is vernietigd in de uitspraak van 10 maart 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:517). De Afdeling heeft in die uitspraak geoordeeld dat het besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Daarbij heeft de Afdeling de raad opgedragen om een nieuw besluit te nemen, waarbij de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet hoeft te worden toegepast.

8.       Bij besluit van 8 juli 2021 heeft de raad het bestemmingsplan vastgesteld.

9.       [verzoeker] en anderen voeren aan dat het vastgestelde plan slechts in beperkte mate afwijkt van het eerdere ontwerpbestemmingsplan. Die ommezwaai is volgens hen niet deugdelijk gemotiveerd. Ook betogen zij dat het besluit van 8 juli 2021 op een onzorgvuldige manier tot stand is gekomen, mede omdat de raad zeer verdeeld was over het plan.

[verzoeker] en anderen stellen dat het bestemmingsplan is gebaseerd op verouderd gemeentelijk beleid. Aan het plan ligt de beleidsnotitie Motorbrandstoffenverkoop ten grondslag die op 28 oktober 1999 door de raad is vastgesteld. In die beleidsnotitie is het streven opgenomen om bestaande verkooppunten van motorvoertuigen vanuit woonomgevingen te verplaatsen naar invalswegen. Volgens [verzoeker] en anderen is bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten onrechte geen rekening gehouden met nieuwe ontwikkelingen zoals elektrisch of hybride rijden. Zij verwachten dat de raad bij het vaststellen van een nieuwe Omgevingsvisie, waaraan nu wordt gewerkt, de keuze zal maken om een aantal bestaande tankstations te saneren.

Verder voeren [verzoeker] en anderen aan dat niet is voldaan aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (de zogenoemde ladder duurzame verstedelijking). De behoefte is volgens hen niet aangetoond. Dat het hier gaat om de verplaatsing van een tankstation, betekent niet zonder meer dat er ook een behoefte bestaat aan een tankstation op de nieuwe locatie, zo stellen zij. Verder betwijfelen zij of serieus onderzoek is gedaan naar alternatieve locaties in het bestaand stedelijk gebied. Omdat het tankstation een ruim verzorgingsgebied heeft, moeten de alternatieven ook in een groot gebied worden gezocht. Bovendien is in de loop van de procedure sprake geweest van in elk geval één mogelijk alternatief. Bij de planvaststelling is hierin ten onrechte geen inzicht geboden.

[verzoeker] en anderen stellen verder dat de raad op 8 juli 2021 ook de Beheersverordening Landelijk Gebied 2021 heeft vastgesteld. In die Beheersverordening is een agrarische bestemming toegekend aan de nieuwe locatie van het tankstation. Beide besluiten (en de daaraan ten grondslag liggende motiveringen) zijn volgens hen met elkaar in tegenspraak.

[verzoeker] en anderen betogen dat de vestiging van een tankstation op de nieuwe locatie onevenredige afbreuk doet aan de (bestaande of nog te ontwikkelen) natuurwaarden in het natuurgebied De Zumpe. De nieuwe locatie ligt weliswaar niet (meer) op gronden die deel uitmaken van het Gelders Natuur Netwerk, maar de locatie ligt wel in het natuurgebied, zoals dat steeds in de gemeentelijke plannen is aangeduid, aldus [verzoeker] en anderen. Ook voeren zij aan dat het bestemmingsplan afbreuk doet aan het landschappelijke karakter van het gebied. Zij stellen dat het gebied wordt gekenmerkt door een coulisselandschap. Dat landschap is al aangetast door de aanleg van de Oostelijke Randweg. De vestiging van een tankstation op de nieuwe locatie leidt tot een verdere aantasting.

Ten slotte stellen [verzoeker] en anderen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar ondergrondse waterstromen in het gebied. De aanleg van de Oostelijke Randweg heeft al geleid tot nadelige gevolgen voor natuurgebied De Zumpe. Om die gevolgen te beperken, zijn verschillende hydrologische maatregelen vereist. [verzoeker] en anderen vrezen dat aanvullende maatregelen nodig zullen zijn na de vestiging van een tankstation op de nieuwe locatie. Ook vrezen zij voor vervuiling van het moerasgebied bij eventuele calamiteiten. Onderzoek daarnaar had niet mogen ontbreken, zo stellen zij.

Beoordeling van het verzoek

10.     Zoals uit het voorgaande blijkt, hebben [verzoeker] en anderen een aantal inhoudelijke gronden aangevoerd tegen het bestemmingsplan. Met deze gronden worden verschillende rechtsvragen opgeworpen. Daarbij gaat het onder meer om de vraag of het bestemmingsplan berust op een deugdelijke motivering en om de vraag of de ladder duurzame verstedelijking van toepassing is in een geval zoals dat hier aan de orde is. Verder moet de vraag worden beantwoord wat de verhouding is tussen de Beheersverordening Landelijk Gebied 2021 en het bestemmingsplan. Zowel de Beheersverordening als het bestemmingsplan zijn immers op dezelfde dag vastgesteld. Dit vergt een uitleg van artikel 3.39 van de Wet ruimtelijke ordening.

Deze vragen lenen zich minder goed voor een beantwoording in deze procedure. De Afdeling dient deze vragen in de bodemprocedure te beantwoorden. Daarom zal de voorzieningenrechter uitspraak doen op basis van een belangenafweging.

11.     De voorzieningenrechter heeft oog voor de belangen die zijn gediend met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Een verplaatsing van het bestaande tankstation met LPG leidt ertoe dat een risicobron uit de nabijheid van woningen aan de Wijnbergseweg verdwijnt. Ook [partij] heeft een groot belang bij de inwerkingtreding van het plan. Zoals zij ter zitting heeft toegelicht - en zoals ook blijkt uit de dossierstukken - is zij al vele jaren met de gemeente in gesprek over de verplaatsing van haar tankstation. Bij een schorsing van het bestemmingsplan kan zij haar tankstation met LPG op de huidige locatie blijven exploiteren. [partij] heeft ter zitting echter onweersproken gesteld dat het gemeentebestuur voornemens is om enkele wegen in de buurt van de huidige locatie te versmallen en/of in te richten als 30 km/h weg. [partij] vreest dat haar huidige bedrijfslocatie hierdoor minder goed toegankelijk wordt en dat haar omzet vermindert. De voorzieningenrechter acht dit niet onaannemelijk.

12.     Tegelijkertijd stelt de voorzieningenrechter vast dat het hier gaat om een (zowel binnen de raad als bij de inwoners van Doetinchem) omstreden kwestie die al vele jaren speelt. Aannemelijk is dat een afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening onomkeerbare gevolgen zal hebben. [partij] wil immers direct beginnen met het realiseren van het tankstation en heeft daarvoor inmiddels al een omgevingsvergunning aangevraagd. De voorzieningenrechter verwacht dat het college snel op die aanvraag zal beslissen en, als de omgevingsvergunning wordt verleend, ook een eventueel bezwaarschrift daartegen voortvarend zal behandelen. Het college vindt een spoedige verplaatsing van het tankstation immers wenselijk.

Als het bestemmingsplan in werking is op het moment dat het college beslist op het bezwaar tegen de verlening van de omgevingsvergunning, dan vormt het bestemmingsplan daarbij het toetsingskader en kan een latere vernietiging van het bestemmingsplan door de Afdeling daaraan niet afdoen (zie de zogenoemde Tegelen-jurisprudentie, die onder meer is neergelegd in de uitspraak van 12 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP0510).

Vanwege deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek moet worden toegewezen om te voorkomen dat een onomkeerbare situatie ontstaat voor het oordeel van de Afdeling in de bodemprocedure.

13.     De voorzieningenrechter ziet derhalve aanleiding om het besluit van 8 juli 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan te schorsen.

Gelet op de belangen die zijn gediend met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, waaronder die van [partij], zal de voorzieningenrechter bevorderen dat de bodemprocedure binnen afzienbare tijd voor een zitting door een meervoudige kamer wordt geagendeerd.

14.     De raad moet de proceskosten van [verzoeker] en anderen vergoeden.

15.     Over het in deze procedure geheven griffierecht overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Voor de behandeling van het verzoek is abusievelijk een bedrag van € 270,00 als griffierecht geheven, terwijl het verschuldigde griffierecht € 181,00 bedroeg. Het te veel betaalde griffierecht zal worden teruggestort. De raad wordt gelast aan [verzoeker] en anderen een bedrag van € 181,00 aan griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Doetinchem van 8 juli 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Tankstations Oostelijke Randweg en Wijnbergseweg 39-41 - 2019";

II.       veroordeelt de raad van de gemeente Doetinchem tot vergoeding van bij [verzoeker] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.496,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

III.      gelast dat de raad van de gemeente Doetinchem aan [verzoeker] en anderen het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 6 december 2021

208