Uitspraak 202100257/1/R2 en 202104115/1/R2


Volledige tekst

202100257/1/R2 en 202104115/1/R2.
Datum uitspraak: 8 december 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

appellant,

tegen de uitspraken van de rechtbank Noord­Nederland van 3 december 2020 in zaken nrs. 19/2598, 19/2599, 19/2600, 19/2601, 19/2602, 19/2604, 19/2605, 19/2606, 19/2607, 19/2608, 19/2609, 19/2610, 19/2611, 19/2612, 19/2613, 19/2615, 19/2616, 19/2617, 19/2618, 19/2619, 19/2620, 19/2621, 19/2622, 19/2623, 19/2625, 19/2626, 19/2627, 19/2629, 19/2631, 19/2632, 19/2633, 19/2634, 19/2635, 19/2636, 19/2637, 19/2638, 19/2639, 19/2640, 19/2642, 19/2643, 19/2645, 19/2646, 19/2647, 19/2648, 19/2649, 19/2650, 19/2651, 19/2652, 19/2654, 19/2655, 19/2656, 19/2657, 19/2658, 19/2659, 19/2660, 19/2661, 19/2662, 19/2663, 19/2664, 19/2665, 19/2666, 19/2667, 19/2668, 19/2669, 19/2670, 19/2671, 19/2673, 19/2674, 19/2678, 19/2681, 19/2682, 19/2683, 19/2684, 19/2686, 19/2687, 19/2689, 19/2690 en 19/2691, en van 7 juni 2021 in zaken nrs. 19/2630, 19/2641, 19/2644, 19/2672, 19/2676, 19/2679, 19/2680 en 19/2688, in de gedingen tussen:

Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu, beide gevestigd te Nijmegen (hierna: MOB en Leefmilieu),

en

het college.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 14 april, 21 april, 26 april, 4 mei, 12 mei, 19 mei en 9 juni 2017 heeft het college vergunning verleend op grond van de Wet natuurbescherming voor het exploiteren en/of uitbreiden en wijzigen van een groot aantal verschillende agrarische bedrijven in Friesland.

MOB en Leefmilieu hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluit van 31 oktober 2017 heeft het college zichzelf onbevoegd geacht om te oordelen over de bezwaren voor zover gericht tegen het Programma Aanpak Stikstof en de primaire besluiten onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Bij afzonderlijke uitspraken van 3 december 2020 en bij uitspraak van 7 juni 2021 heeft de rechtbank het door MOB en Leefmilieu daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 oktober 2017 vernietigd, de afzonderlijke primaire besluiten herroepen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft het college veroordeeld tot vergoeding van de bij MOB en Leefmilieu opgekomen proceskosten in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van 3 december 2020. Dit hoger beroep is bij de Afdeling geregistreerd onder zaaknummer 202100257/1/R2. Het college heeft ook hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 7 juni 2021. Dit hoger beroep is bij de Afdeling geregistreerd onder zaaknummer 202104115/1/R2.

MOB en Leefmilieu hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

Geen van de partijen heeft desgevraagd binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het college heeft in 117 afzonderlijke primaire besluiten van 14 april, 21 april, 26 april, 4 mei, 12 mei, 19 mei en 9 juni 2017 aan 117 agrarische bedrijven in Friesland vergunning verleend voor activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken op stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Het college heeft daarbij toepassing gegeven aan het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (hierna: het PAS) en de daarbij behorende regelgeving die vanaf 1 juli 2015 van kracht is. Deze vergunningen kunnen volgens het college worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is opgesteld. Met de toepassing en uitvoering van het PAS is volgens het college gewaarborgd dat de stikstofdepositie die de agrarische bedrijven zullen veroorzaken niet zal leiden tot een aantasting van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden.

Bij het besluit op bezwaar van 31 oktober 2017 heeft het college zichzelf niet bevoegd geacht om te oordelen over de bezwaren voor zover gericht tegen het PAS. Verder heeft het college de motivering van de afzonderlijke primaire besluiten aangevuld met een herberekening met de geactualiseerde versie van AERIUS (2016L) en deze besluiten met deze aanvullingen in stand gelaten. MOB en Leefmilieu hebben tegen het besluit van 31 oktober 2017 beroep ingesteld.

Procedure bij de rechtbank

2.       De rechtbank heeft het beroep van MOB en Leefmilieu behandeld op een regiezitting van 3 juli 2018 en de zaak vervolgens gesplitst in 117 afzonderlijke zaken. Daarvan zijn 23 zaken gezamenlijk behandeld op een nadere zitting van 15 oktober 2019, waarna de rechtbank in die 23 zaken één uitspraak heeft gedaan op 28 november 2019. Daarin heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, overwogen dat het college de betreffende vergunningen voor de verschillende agrarische bedrijven niet kon verlenen onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt en, voor zover van toepassing, naar artikel 7, eerste lid, van de Verordening Wet natuurbescherming Fryslân. De rechtbank heeft het besluit van 31 oktober 2017 vernietigd en de afzonderlijke primaire besluiten herroepen. De rechtbank heeft het college vervolgens ingevolge artikel 8:75 van de Awb veroordeeld in de proceskosten van MOB en Leefmilieu, te weten € 23.552,00 vanwege door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het beroep, en € 23.552,00 vanwege door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar. Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld, hetgeen heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:3004).

In 86 van de 117 zaken heeft de rechtbank zonder nadere zitting afzonderlijk uitspraak gedaan op 3 december 2020. In die uitspraken is de rechtbank tot eenzelfde oordeel gekomen als in de uitspraak van 28 november 2019. De rechtbank heeft het college in elk van deze zaken veroordeeld in de proceskosten in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep.

In 8 van de 117 zaken hebben partijen geen toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten. In die zaken heeft op 13 april 2021 een nadere zitting plaatsgevonden, waarna de rechtbank in die 8 zaken één uitspraak heeft gedaan op 7 juni 2021. De rechtbank heeft het college veroordeeld in de proceskosten van MOB en Leefmilieu, te weten € 2.002,50 in verband met de behandeling van het beroep en € 8.544,00 in verband met de behandeling van het bezwaar. Het college is het niet eens met de proceskostenveroordeling door de rechtbank en heeft tegen het merendeel van de uitspraken van 3 december 2020 en tegen de uitspraak van 7 juni 2021 hoger beroep ingesteld.

Gronden van het hoger beroep

3.       Het college betoogt dat de rechtbank in de uitspraken van 3 december 2020 en 7 juni 2021 ten onrechte heeft geoordeeld dat de kosten in bezwaar die MOB en Leefmilieu redelijkerwijs hebben moeten maken, voor vergoeding in aanmerking komen omdat sprake zou zijn van een aan het college te wijten onrechtmatigheid. Volgens het college is in de periode tussen het besluit op bezwaar en de uitspraak van de rechtbank het wettelijk kader waaraan de vergunningen dienden te worden getoetst, gewijzigd, omdat de Afdeling bij de uitspraken van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604, de wettelijke regeling die zag op het PAS onverbindend heeft geacht. Volgens het college is de herroeping dan ook niet het gevolg van een aan hem te wijten onrechtmatigheid.

3.1.    Artikel 7:15 van de Awb bepaalt:

"[…]

2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

[…]

4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

[…]"

Artikel 8:75, eerste lid, bepaalt:

"De bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld."

3.2.    De rechtbank heeft in de uitspraken van 3 december 2020 en in de uitspraak van 7 juni 2021 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb zelf in de zaak voorzien en de afzonderlijke primaire besluiten herroepen, omdat de passende beoordeling en het PAS niet voldoen aan artikel 6 van de Habitatrichtlijn, zodat het college de vergunningen niet kon verlenen onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de hiervoor onder punt 2 genoemde uitspraak van 16 december 2020, neemt de omstandigheid dat de uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2019 dateren van na deze primaire besluiten, anders dan het college betoogt, niet weg dat ook ten tijde van de primaire besluiten de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag lag niet aan de Habitatrichtlijn voldeed. Gelet hierop zijn de primaire besluiten herroepen wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid. Daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, zodat de rechtbank het college terecht heeft veroordeeld tot vergoeding van de kosten in bezwaar van MOB en Leefmilieu.

Het betoog slaagt niet.

4.       Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, van dat besluit, volgt dat sprake is van samenhangende zaken. Hierdoor valt de proceskostenveroordeling in bezwaar en beroep door de rechtbank onevenredig hoog uit, aldus het college. Het college voert hiertoe aan dat in bezwaar weliswaar met afzonderlijke bezwaarschriften is opgekomen tegen afzonderlijke primaire besluiten, maar dat de bezwaren inhoudelijk zijn voorzien van een nagenoeg identieke motivering waarbij door dezelfde gemachtigde van MOB en Leefmilieu rechtsbijstand is verleend. De bezwaren zijn gelijktijdig behandeld op één hoorzitting en op deze bezwaren is beslist met één besluit op bezwaar. De gemachtigde van MOB en Leefmilieu heeft tegen het besluit op bezwaar vervolgens één beroepschrift ingediend dat ter zitting bij de rechtbank is behandeld. De rechtbank had de zaken daarom als samenhangende zaken moeten aanmerken, aldus het college.

4.1.    Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) luidt:

"Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Awb kan uitsluitend betrekking hebben op: kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand."

Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, luidt:

"Het bedrag van de kosten wordt bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld: a. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a: overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief."

Artikel 3 luidt:

"1. Samenhangende zaken worden voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, beschouwd als één zaak.

2. Samenhangende zaken zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van die zaken nagenoeg identiek konden zijn."

4.2.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in voornoemde uitspraak van 16 december 2020, worden ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Bpb zaken als samenhangend aangemerkt indien wordt voldaan aan een aantal criteria. Zo moeten de gemaakte bezwaren en ingestelde beroepen door het bestuursorgaan en de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, dient rechtsbijstand te zijn verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband, en dienen de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek te zijn of te kunnen zijn geweest. In die uitspraak oordeelde de Afdeling dat de 23 zaken waarvoor de rechtbank in haar uitspraak van 28 november 2019 een afzonderlijke proceskostenveroordeling in bezwaar en in beroep had toegekend, zowel in de bezwaarfase als in de beroepsfase samenhangende zaken waren. Daartoe achtte de Afdeling in de eerste plaats van belang dat de bezwaarschriften die namens MOB en Leefmilieu waren ingediend tegen de besluiten tot vergunningverlening, gelijktijdig door het bestuursorgaan waren behandeld, aangezien deze bezwaarschriften op 14 september 2017 door de Commissie voor bezwaar- en beroepschriften en klachten tijdens één hoorzitting aan de orde waren gesteld, waarna het college op 31 oktober 2017 één besluit op bezwaar had genomen. De Afdeling oordeelde voorts dat, nu MOB en Leefmilieu tegen het besluit van 31 oktober 2017 één beroepschrift hadden ingediend, de rechtbank de zaak op een regiezitting van 3 juli 2018 en vervolgens op een nadere zitting heeft behandeld, moest worden geconcludeerd dat de beroepen gelijktijdig door de rechtbank zijn behandeld. De Afdeling heeft verder overwogen dat ook aan het tweede en het derde criterium was voldaan, aangezien de rechtsbijstand in de zaken was verleend door mr. V. Wösten en de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek waren, omdat de afzonderlijke bezwaarschriften nagenoeg gelijkluidende bezwaren bevatten en in de beroepsfase één beroepschrift was ingediend met gronden die betrekking hadden op alle zaken. Het onderwerp en het toetsingskader in de betrokken zaken kwamen in zodanige mate overeen dat het redelijk was om ervan uit te gaan dat in vergelijking met de behandeling van één zaak de behandeling van meer dan één zaak voor de rechtshulpverlener geen reële extra inspanning vergde.

4.3.    Zoals hiervoor onder de punten 1 en 2 is uiteengezet, maken de zaken die het onderwerp zijn van de onderhavige hogere beroepen, deel uit van hetzelfde besluitencluster als aan de orde in de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2020. De bezwaarschriften die door MOB en Leefmilieu tegen de afzonderlijke besluiten tot vergunningverlening zijn ingediend, zijn in de bezwaarfase tijdens dezelfde hoorzitting van 14 september 2017 behandeld en het college heeft in het besluit op bezwaar van 31 oktober 2017 ook op deze bezwaarschriften besloten. Dit betekent dat het college de gemaakte bezwaren in al deze zaken gelijktijdig heeft behandeld. Voor al deze zaken is ook aan de andere twee criteria voor samenhangende zaken voldaan, nu de rechtsbijstand in alle zaken is verleend door mr. V. Wösten en de afzonderlijke bezwaarschriften nagenoeg gelijkluidende bezwaren bevatten. De rechtbank heeft in de uitspraken van 3 december 2020 en 7 juni 2021 dan ook ten onrechte voor elke afzonderlijke zaak een proceskostenvergoeding voor de behandeling van het bezwaar toegekend.

4.4.    Voor de vraag of ook in de beroepsfase sprake is van samenhangende zaken, overweegt de Afdeling als volgt. De rechtbank heeft het beroepschrift van MOB en Leefmilieu tegen het besluit van 31 oktober 2017 behandeld op een regiezitting van 3 juli 2018. Vervolgens heeft de rechtbank de zaak gesplitst in 117 afzonderlijke zaken, 23 zaken op een nadere zitting behandeld en daarin op 28 november 2019 uitspraak gedaan. Vervolgens heeft de rechtbank in 86 zaken afzonderlijk uitspraak gedaan op 3 december 2020. Laatstgenoemde zaken zijn naar het oordeel van de Afdeling door de rechtbank gelijktijdig behandeld met de 23 zaken, omdat deze tezamen op de regiezitting van 3 juli 2018 aan de orde zijn gesteld en er ten aanzien van die zaken nadien geen verdere proceshandelingen meer hebben plaatsgevonden. Nu de rechtsbijstand in al deze zaken door dezelfde persoon is verleend en de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek waren, omdat één beroepschrift is ingediend met gronden die betrekking hebben op alle zaken, is aan alle criteria voor samenhangende zaken voldaan en heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling in de uitspraken van 3 december 2020 dan ook ten onrechte voor elke afzonderlijke zaak een proceskostenvergoeding voor de behandeling van het beroep toegekend. Wat de 8 zaken betreft die hebben geleid tot de uitspraak van de rechtbank van 7 juni 2021, overweegt de Afdeling dat die zaken door de rechtbank op een nadere zitting op 13 april 2021 aan de orde zijn gesteld. Deze 8 zaken kunnen gelet daarop voor wat betreft de beroepsfase niet geacht worden nagenoeg gelijktijdig te zijn behandeld met de andere zaken en zijn daarmee om die reden niet samenhangend. Deze 8 zaken onderling kunnen daarentegen wel als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb worden aangemerkt, nu deze door de rechtbank gelijktijdig zijn behandeld, de rechtsbijstand door dezelfde persoon is verleend en sprake is van één beroepschrift met gronden die betrekking hebben op alle zaken.

4.5.    Gelet op het voorgaande slaagt het betoog.

Conclusie

5.       De hoger beroepen zijn gegrond. De Afdeling ziet aanleiding om de aangevallen uitspraken van 3 december 2020 en 7 juni 2021 te vernietigen, voor zover de rechtbank het college daarin heeft veroordeeld tot vergoeding van de door MOB en Leefmilieu gemaakte kosten in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en tot vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 december 2020 de proceskosten vastgesteld op in totaal € 3.543,75, bestaande uit 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting in bezwaar, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor de regiezitting en 0,5 punt voor de nadere zitting x € 525,00 per punt, waaraan met toepassing van het bepaalde in de bijlage bij het Bpb onder C2 een wegingsfactor van 1,5 is toegekend. Aangezien alle onderhavige zaken voor wat betreft de bezwaarfase samenhangend zijn met de 23 zaken waarvoor de Afdeling in haar uitspraak van 16 december 2020 reeds een proceskostenveroordeling in bezwaar heeft uitgesproken, bestaat voor een nadere proceskostenveroordeling in bezwaar geen aanleiding.

Voor de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van de rechtbank van 3 december 2020 bestaat evenmin aanleiding voor een nadere proceskostenveroordeling in beroep, nu deze zaken samenhangend zijn met de 23 zaken waarvoor de Afdeling in haar uitspraak van 16 december 2020 reeds een proceskostenvergoeding in beroep heeft toegekend.

Ten aanzien van de 8 samenhangende zaken die hebben geleid tot de uitspraak van de rechtbank van 7 juni 2021 zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, ex nunc de kosten voor de behandeling van het beroep vaststellen op € 2.805,00. Dat bedrag bestaat uit 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor de regiezitting en 0,5 punt voor de nadere zitting x € 748,00 per punt, waaraan met toepassing van het bepaalde in de bijlage bij het Bpb onder C2 een wegingsfactor van 1,5 wordt toegekend.

6.       Het college hoeft geen proceskosten in verband met de behandeling van het hoger beroep te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de hoger beroepen gegrond;

II.       vernietigt de uitspraken van de rechtbank Noord­Nederland van 3 december 2020 in zaken nrs. 19/2598, 19/2599, 19/2600, 19/2601, 19/2602, 19/2604, 19/2605, 19/2606, 19/2607, 19/2608, 19/2609, 19/2610, 19/2611, 19/2612, 19/2613, 19/2615, 19/2616, 19/2617, 19/2618, 19/2619, 19/2620, 19/2621, 19/2622, 19/2623, 19/2625, 19/2626, 19/2627, 19/2629, 19/2631, 19/2632, 19/2633, 19/2634, 19/2635, 19/2636, 19/2637, 19/2638, 19/2639, 19/2640, 19/2642, 19/2643, 19/2645, 19/2646, 19/2647, 19/2648, 19/2649, 19/2650, 19/2651, 19/2652, 19/2654, 19/2655, 19/2656, 19/2657, 19/2658, 19/2659, 19/2660, 19/2661, 19/2662, 19/2663, 19/2664, 19/2665, 19/2666, 19/2667, 19/2668, 19/2669, 19/2670, 19/2671, 19/2673, 19/2674, 19/2678, 19/2681, 19/2682, 19/2683, 19/2684, 19/2686, 19/2687, 19/2689, 19/2690 en 19/2691, en van 7 juni 2021 in zaken nrs. 19/2630, 19/2641, 19/2644, 19/2672, 19/2676, 19/2679, 19/2680 en 19/2688, voor zover de rechtbank het college van gedeputeerde staten van Fryslân heeft veroordeeld tot vergoeding van de bij Cöoperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu opgekomen proceskosten in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep;

III.      veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Fryslân tot vergoeding van bij Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.805,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Engelen, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2021

842