Uitspraak 202006764/1/R2


Volledige tekst

202006764/1/R2.
Datum uitspraak: 1 december 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], h.o.d.n. [bedrijf], wonend te Brunssum,

appellant,

en

de raad van de gemeente Brunssum,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "Woningbouwlocatie Erkens" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober 2021, waar [appellant], bijgestaan door mr. E.P. Euverman, advocaat te Breda, en de raad, vertegenwoordigd door mr. T.A.A. Thijssen en ir. M.H.M. Debats, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       De locatie Erkens-Oeloven is een braakliggend terrein tussen de Bouwbergstraat, de Oelovenstraat en de Hoogenboschweg, waar in het verleden een bakkerij was gevestigd. Het plan maakt het mogelijk dat op deze locatie maximaal 21 grondgebonden woningen worden gerealiseerd. [appellant] woont aan de [locatie], ten noorden van en direct tegenover het plangebied, waar hij een taxi- en tourbedrijf exploiteert. Hij is het niet eens met de door het plan toegestane woningbouw, omdat hij vreest dat de toekomstige bewoners overlast zullen gaan ondervinden van zijn bedrijf.

2.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Gronden van het beroep

3.       Ter zitting heeft [appellant] medegedeeld dat hetgeen hij naar voren heeft gebracht over de zorgplicht van de raad in het kader van de bestemmingsplanprocedure en de inpassing van het geluidscherm niet als beroepsgronden behoeven te worden beschouwd. De Afdeling gaat hierop dan ook niet in.

4.       [appellant] betoogt dat hij vreest voor klachten van bewoners van de in het plan voorziene woonwijk. Hij stelt dat zijn bedrijf eerder al vanwege klachten uit de buurt naar de huidige locatie op het industrieterrein tegenover de bakkerij is verplaatst. Hij vreest dat de toekomstige bewoners van de woningen die in de buurt van zijn perceel zullen worden gerealiseerd, hinder zullen ondervinden van zijn bedrijf en dat daardoor de exploitatie van zijn bedrijf in het gedrang zal komen. De raad heeft bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening gehouden met deze bedrijfsbelangen, aldus [appellant].

4.1.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat ter plaatse van de in het plan voorziene woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd en dat [appellant] niet in zijn bedrijfsactiviteiten zal worden belemmerd. In dit verband heeft de raad gewezen op twee door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. opgestelde akoestische onderzoeken van 2 mei 2020, die aan het bestemmingsplan ten grondslag zijn gelegd. In het "Akoestisch onderzoek industrielawaai" (hierna: het akoestisch onderzoek) is onderzocht of de bedrijven op het bedrijventerrein aan de Hoogenboschweg, waaronder het bedrijf van [appellant], als gevolg van de komst van de nieuwe woningen niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd en of bij de nieuwe woningen als gevolg van de bedrijven sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Geconcludeerd wordt dat indien door de bedrijven wordt voldaan aan de voor die bedrijven vigerende geluidvoorschriften in het Activiteitenbesluit milieubeheer, de te realiseren woningen geen belemmerende werking hebben op de nabijgelegen bedrijven en de bedrijven geen belemmering vormen voor het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied. In het onderzoek naar het wegverkeerslawaai (hierna: het wegverkeersonderzoek) is de geluidbelasting op de gevel berekend ten gevolge van het omliggende wegennet. Uit de resultaten is naar voren gekomen dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Ringweg Parkstad, Molenvaart en Bouwbergstraat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de in het plan voorziene woningen overschrijdt. De geluidbelasting als gevolg van wegverkeer op de Hoogenboschweg overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de gevels van het bouwplan met maximaal 3 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt echter nergens overschreden, zodat een besluit hogere grenswaarden kan worden aangevraagd indien er overwegende bezwaren zijn de geluidbelasting door overdrachts- en bronmaatregelen terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. De raad heeft toegelicht dat er inmiddels ook hogere grenswaarden zijn vastgesteld. Verder is in het wegverkeersonderzoek de gecumuleerde geluidbelasting van het wegverkeer en het industrielawaai afkomstig van de bedrijven onderzocht. Geconcludeerd wordt dat bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd is.

4.2.    [appellant] heeft de resultaten van deze onderzoeken niet bestreden. Pas op de zitting heeft [appellant] voor het eerst aangevoerd dat de onderzoeken onzorgvuldig en onjuist zijn, omdat daarin bij de berekening van de cumulatieve geluidbelasting ten onrechte niet alle relevante geluidsbronnen zijn betrokken, niet is uitgegaan van een maximale invulling van zijn bedrijfsactiviteiten en de geluidbronnen op onjuiste wijze zijn gemodelleerd. De Afdeling overweegt daarover het volgende. Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb, nieuwe argumenten worden aangevoerd en stukken, ter motivering van een eerdere beroepsgrond, worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval als die argumenten, gegevens of stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend dat de andere partijen worden belemmerd om daarop voldoende te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor op andere wijze wordt belemmerd. Door pas op de zitting de juistheid van de onderzoeken te bestrijden, heeft de raad zich niet daarop kunnen voorbereiden en dus onvoldoende daarop kunnen reageren. Tegelijkertijd is desgevraagd niet gebleken van relevante omstandigheden die maken dat [appellant] deze argumenten niet in een eerder stadium van de procedure naar voren had kunnen brengen. Mede gelet op de aard van de nieuwe argumenten is het op de zitting voor eerst aanvoeren hiervan in dit geval in strijd met de goede procesorde. De Afdeling ziet daarom aanleiding om dit betoog van [appellant] wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten.

4.3.    Gelet op de door de raad gegeven motivering en de akoestische onderzoeken die aan het bestemmingsplan ten grondslag zijn gelegd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de bedrijfsvoering van [appellant] door de realisatie van woningen in het plangebied zal worden beperkt. De enkele vrees van [appellant] te worden geconfronteerd met klachten over geluidsoverlast, is onvoldoende om te oordelen dat de raad niet in redelijkheid het bestemmingsplan heeft kunnen vaststellen. Voor zover [appellant] op de zitting heeft aangevoerd dat de raad de realisatie van geluidreducerende maatregelen onvoldoende in de planregels heeft geborgd, omdat de in de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichting is gekoppeld aan het gebruik van geluidsgevoelige objecten en daardoor niet is uitgesloten dat ook als de woningen niet worden gebouwd, de tuinen mogen worden gebruikt, overweegt de Afdeling als volgt. Artikel 4.4.1 van de planregels bepaalt kort gezegd dat het gebruik van geluidsgevoelige objecten op de gronden met de bestemming "Wonen" slechts is toegestaan, indien ter plaatse van de aanduiding "geluidscherm" een geluidwerende voorziening is gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gelaten. Ingevolge artikel 4.1.1 zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden alleen bestemd voor wonen in grondgebonden woningen, met daaraan ondergeschikt de in die planregel genoemde voorzieningen. Gelet op die bepaling staat het bestemmingsplan er in tegenstelling tot waarvoor [appellant] vreest, aan in de weg dat er tuinen zonder woningen in gebruik zullen worden genomen of dat er een gebruik, anders dan ten behoeve van wonen, van de gronden kan plaatsvinden zonder dat het geluidscherm hoeft te worden gerealiseerd.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

5.       Het beroep van [appellant] is ongegrond.

6.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Engelen, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2021