Uitspraak 202103846/1/R4


Volledige tekst

202103846/1/R4.
Datum uitspraak: 24 november 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2021 heeft het college zijn beslissing om op 30 december 2020 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 126,00, voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 3 mei 2021 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2021, waar [appellante] en [persoon] en het college, vertegenwoordigd door D. van der Klaauw, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een wit vierkant doosje dat op 30 december 2020 is aangetroffen naast een ondergrondse papiercontainer ter hoogte van de Apeldoornselaan 240 in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] het doosje verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op het adreslabel op de doos staan.

2.       [appellante] betwist dat zij een doos naast de papiercontainer heeft achtergelaten. Zij stelt dat op de foto’s in het controlerapport niet zichtbaar is dat er een doosje is aangetroffen met daarop haar naam en adres. Volgens haar is op de foto's slechts een los papiertje met haar naam en adres zichtbaar, waarvan zij vermoedt dat het uit de papiercontainer is gewaaid of gevallen of door iemand anders eruit is gehaald. Zij stelt dat er ook geen doos van haar aangetroffen kan zijn, omdat zij en haar zoon hun dozen altijd vouwen.

2.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag ervan worden uitgegaan dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.

2.2.    Anders dan [appellante] stelt, is op de foto's in het controlerapport wel zichtbaar dat er een doosje is aangetroffen. Op de bovenste foto op pagina 3 van het controlerapport is aan de weerspiegeling van het doosje in de container te zien dat het gaat om een wit vierkant doosje en niet slechts om een los papiertje.

Door het adreslabel is het doosje tot [appellante] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat zij de overtreder is, tenzij zij aannemelijk maakt dat zij niet degene is geweest die het doosje verkeerd heeft aangeboden. In het verweerschrift heeft het college toegelicht dat als het doosje op juiste wijze volledig in de papiercontainer was gedaan, het niet mogelijk is dat het daar weer uit valt of dat iemand anders het daar uit haalt. Gelet daarop is het niet aannemelijk dat [appellante] het naast de container aangetroffen doosje op juiste wijze heeft aangeboden.

Gelet op het voorgaande heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat zij niet degene is geweest die het doosje verkeerd heeft aangeboden. Het college heeft haar dan ook terecht als overtreder aangemerkt.

Het betoog faalt.

3.       [appellante] voert verder aan dat het college niet heeft gemotiveerd waarom het spoedeisende bestuursdwang heeft toegepast. Volgens haar hoefde het doosje niet met spoed verwijderd te worden. Daarbij wijst zij op de grote hoeveelheid dozen die te zien is op de foto's in het controlerapport en die volgens haar is blijven staan tot na oud en nieuw. Ter zitting heeft [appellante] toegelicht dat zij vanuit haar woning zicht heeft op de containers en dat zij heeft gezien dat de dozen zijn blijven staan. Tot slot wijst [appellante] erop dat de papiercontainers erg vaak en erg snel vol zijn en dat er regelmatig grote hoeveelheden afval naast liggen. Volgens haar worden de containers niet vaak genoeg geleegd en pakt de gemeente het afvalprobleem in de stad niet adequaat aan.

3.1.    Het college heeft in het besluit van 3 mei 2021, onder verwijzing naar de bijgevoegde 'Beleidsregel handhaving verkeerd aangeboden huisvuil 2013', toegelicht dat het spoedeisende bestuursdwang heeft toegepast om vervuiling, verloedering en overlast van ongedierte en meeuwen in de openbare ruimte te voorkomen. In de beleidsregels staat dat een spoedeisend belang is gemoeid met de directe verwijdering van verkeerd aangeboden huisvuil, vanwege de negatieve gevolgen daarvan. Deze negatieve gevolgen zijn onder meer de vuilaantrekkende werking, het aantrekken van ongedierte en in algemene zin, vervuiling. Vanwege deze negatieve gevolgen kon het college in redelijkheid, overeenkomstig zijn beleid, overgaan tot het direct opruimen van het doosje. [appellante] heeft haar stelling dat de andere dozen zijn blijven staan tot na oud en nieuw niet met bewijsstukken onderbouwd. Haar verklaring dat zij dit heeft gezien vanuit haar woning, is onvoldoende objectief om op grond daarvan aannemelijk te achten dat het college de andere dozen, in afwijking van zijn beleid daarover, niet direct heeft verwijderd.

Deze procedure gaat over de rechtmatigheid van het besluit van 3 mei 2021, waarbij het college heeft vastgehouden aan zijn besluit van 25 januari 2021 om de kosten van het opruimen van het verkeerd aangeboden doosje bij [appellante] in rekening te brengen. De vraag of het college de containers vaak genoeg leegt en of de aanpak van het afvalprobleem succesvol is, staan niet ter beoordeling in deze procedure.

Het betoog faalt.

4.       Het beroep is ongegrond.

5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2021

687-991