Uitspraak 202105906/2/R4


Volledige tekst

202105906/2/R4.
Datum uitspraak: 11 november 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], wonend te Leerbroek, gemeente Vijfheerenlanden,

en

de raad van de gemeente Vijfheerenlanden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2021 heeft de raad het bestemmingsplan "Ontwikkeling Leerbroek" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] beroep ingesteld.

[verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 oktober 2021, waar [verzoekster], en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.J.O. Copier, advocaat te Nijmegen, M. Coort, A.A. Siesling en T.J.N. Meuwsen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting De Polder B.V., vertegenwoordigd door mr. Copier voornoemd, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.       Het plangebied ligt ten oosten van de kern van Leerbroek en bestaat uit het voormalige agrarische perceel Recht van ter Leede 40-40a en het ten oosten daarvan gelegen (bedrijfs)perceel Recht van ter Leede 38a.

Op het perceel nr. 40-40a was voorheen een melkveehouderij gevestigd, maar deze is verplaatst. Het plan voorziet in de herontwikkeling van deze gronden en maakt de bouw mogelijk van een basisschool en 30 woningen. Daarnaast worden de twee bestaande agrarische bedrijfswoningen op het perceel behouden en bestemd als burgerwoning.

Op het naastgelegen perceel nr. 38a voorziet het plan in een burgerwoning.

3.       [verzoekster] woont op het perceel [locatie], ten zuidwesten van het plangebied, op een afstand van ongeveer 60 m van zowel de voorziene school als de woningen.

4.       Aan de gronden van het perceel Recht van ter Leede 40-40a zijn de bestemmingen "Maatschappelijk", "Wonen", "Groen", "Verkeer" en "Tuin" toegekend. Het perceel Recht van ter Leede 38a is bestemd voor "Wonen" en "Bedrijf".

5.       Voorheen gold voor het plangebied het bestemmingsplan "Buitengebied Zederik", vastgesteld door de raad van de gemeente Zederik bij besluit van 29 juni 2015. Het perceel Recht van ter Leede 40-40a was daarin bestemd voor "Agrarisch". In het oostelijke deel was tevens voorzien in de aanduiding "bouwvlak". Aan het perceel Recht van ter Leede 38a was de bestemming "Bedrijf" toegekend.

Artikel 3.1.1 (Algemeen) van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Zederik" luidt:

"De voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

de uitoefening van een volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf […]".

Artikel 3.2.1 (Gebouwen algemeen) luidt:

"Uitsluitend de volgende gebouwen mogen worden gebouwd:

a. bedrijfsgebouwen, waaronder begrepen kassen;

b. bedrijfswoningen en bestaande woningen;

c. bijgebouwen bij de bedrijfswoning;

met dien verstande dat:

d. gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd met uitzondering van kassen, die uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "sierteelt" en "fruitteelt" mogen worden gebouwd."

Artikel 3.2.6 (Bouwwerken, geen gebouw zijnde buiten het bouwvlak) luidt:

"Buiten het bouwvlak zijn de volgende bouwwerken, geen gebouw zijnde toegestaan en gelden de volgende regels:

a. erf- en terreinafscheidingen met (geheel) open constructie 1,5 m;

b. overige erf- en terreinafscheidingen 1 m;

c. toegangspoorten 2 m;

d. windmolens ten behoeve van de waterbeheersing 6 m;

e. overige bouwwerken, geen gebouw zijnde 2 m."

Beoordeling van het verzoek

6.       [verzoekster] betoogt onder meer dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 2.2.1 van de "Verordening Ruimte 2014", vastgesteld door provinciale staten van Zuid-Holland bij besluit van 9 juli 2014 en nadien meermalen gewijzigd (hierna: Verordening ruimte). Omdat de gemeente Vijfheerenlanden in de provincie Utrecht ligt, komt de vraag op of de genoemde verordening van Zuid-Holland op dit plan van toepassing is. De voorzieningenrechter zal daarom eerst ingaan op de vraag over de toepasselijke provinciale verordening.

6.1.    Leerbroek lag tot 1 januari 2019 in de gemeente Zederik, in de provincie Zuid-Holland. Per 1 januari 2019 zijn de (voormalige) gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik samengevoegd tot de gemeente Vijfheerenlanden. Daarbij is ook de grens tussen de provincies Utrecht en Zuid-Holland gewijzigd. Dat is gebeurd bij de "Wet van 11 juli 2018 tot samenvoeging van de gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik en wijziging van de grens tussen de provincies Utrecht en Zuid-Holland". De gemeente Vijfheerenlanden ligt in de provincie Utrecht.

6.2.    Bij besluit van 10 maart 2021 hebben provinciale staten van Utrecht de "Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht" (hierna: Interim Omgevingsverordening) vastgesteld. Deze verordening is in werking getreden op 1 april 2021 en dus vóór de vaststelling van het plan. Dat betekent dat het plan getoetst moet worden aan deze verordening. Tussen partijen is niet in geschil dat krachtens het overgangsrecht van de Interim Omgevingsverordening, in het bijzonder artikel 10.2d en/of 10.2i, bezien in samenhang met het "Besluit geldend verklaren, wijzigen en vervallen verklaren van voorschriften voor gebied voormalige gemeenten Zederik en Leerdam" van 18 februari 2019, het bestemmingsplan moet worden getoetst aan de Verordening ruimte. De raad is bij het voorbereiden en vaststellen van het plan ervan uitgegaan dat dit de toepasselijke verordening is. Ook de voorzieningenrechter zal daarvan uitgaan. In de bodemprocedure dient zo nodig nader te worden beoordeeld of de Verordening ruimte materieel de geldende verordening was ten tijde van de vaststelling van het plan.

7.       Volgens [verzoekster] voorziet het plan in een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stads- en dorpsgezicht. Het plan dient daarom (onder meer) te worden getoetst aan artikel 2.1.1, onder c, onder ii, van de Verordening ruimte. In deze bepaling wordt verwezen naar artikel 2.2.1. Het plan is volgens [verzoekster] in strijd met artikel 2.2.1, tweede lid, onder b, van de Verordening ruimte. Zij motiveert dit betoog als volgt.

De gronden van het plangebied maken volgens [verzoekster] blijkens de bij de Verordening ruimte behorende kaart deel uit van een gebied met "beschermingscategorie 2". Indien een ruimtelijke ontwikkeling wat betreft de aard en schaal niet past binnen het gebied en sprake is van "transformatie", is die ontwikkeling niet toegestaan op gronden die zijn aangewezen als "beschermingscategorie 2". Een uitzondering wordt gemaakt voor de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of voor een in het "Programma ruimte" uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling, maar daarvan is hier volgens [verzoekster] geen sprake.

7.1.    Volgens de raad is het plan niet in strijd met artikel 2.2.1, tweede lid, onder b, van de Verordening ruimte. Deze bepaling verzet zich alleen tegen "transformatie" van een gebied met "beschermingscategorie 2". In dit geval is evenwel geen sprake van "transformatie", maar van "aanpassing", als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, onder b, van de Verordening Ruimte. Artikel 2.2.1, tweede lid, onder b, van de Verordening ruimte verzet zich niet tegen "aanpassing", aldus de raad.

7.2.    Artikel 2.1.1 en 2.2.1 van de Verordening ruimte zijn integraal opgenomen in de bij deze uitspaak behorende bijlage. Vanwege de leesbaarheid worden hieronder artikel 2.2.1, eerste lid, en tweede lid, onder b, weergegeven.

Artikel 2.2.1, eerste lid, luidt:

"Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:

a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);

b. als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard of schaal niet past binnen het gebied (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:

[…];

c. als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard en schaal niet past binnen het gebied (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:

[…].

Artikel 2.2.1, tweede lid, onder b, luidt:

"Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op "Kaart 7 Beschermingscategorieën ruimtelijke kwaliteit", kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het "Programma ruimte" uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling en voorts wordt voldaan aan de onder c gestelde voorwaarden."

7.3.    De voorzieningenrechter is van oordeel dat het plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stads- en dorpsgezicht, zodat onder meer voldaan moet worden aan het bepaalde in artikel 2.1.1, eerste lid, aanhef en onder c, onder ii, van de Verordening ruimte. Dit is tussen partijen niet in geschil.

Artikel 2.1.1, eerste lid, aanhef en onder c, onder ii, van de Verordening ruimte verwijst naar artikel 2.2.1. De bepalingen van artikel 2.2.1, tweede lid, hebben betrekking op ontwikkelingen op gronden die op de bij de verordening behorende kaart (7) worden gekwalificeerd als gronden van "beschermingscategorie 2". Deze status rust op het (onbebouwde) westelijke deel van het perceel Recht van ter Leede 40-40a. Ook dit is tussen partijen niet in geschil.

In geschil is of de voorziene ontwikkeling moet worden aangemerkt als "aanpassing" of "transformatie" als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, van de Verordening ruimte. Indien sprake is van "aanpassing", zoals de raad stelt, dan is het plan niet in strijd met artikel 2.2.1, tweede lid, onder b. Indien de ontwikkeling moet worden aangemerkt als "transformatie", dan is het plan wel in strijd met voornoemde bepaling. Hierbij is van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat het hier niet gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur en dat evenmin sprake is van een in het "Programma ruimte" uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling.

7.4.    Artikel 2.2.1, eerste lid, van de Verordening ruimte maakt onderscheid tussen drie "typen" ontwikkelingen, te weten "inpassing", "aanpassing" en "transformatie". Over dit onderscheid staat in de toelichting bij dit artikel het volgende.

"In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling:

1. Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, die past bij de schaal en de maat van de bestaande kenmerken van een gebied. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een woning in een lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met topkwaliteit.

2. Aanpassing. Dit betreft een gebiedsvreemde ontwikkeling van relatief beperkte omvang, of een (gebiedseigen dan wel gebiedsvreemde) ontwikkeling die niet past bij de schaal en maat van het landschap. Een voorbeeld is een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied of een nieuw landgoed. Omdat in deze gevallen niet aan (alle) richtpunten van de kwaliteitskaart kan worden voldaan, zijn ontwerpoptimalisatie, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat.

3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap ontstaat. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Gelet op de wezenlijke verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten van de kwaliteitskaart kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat die nog niet is ondervangen in de richtpunten. Het ontwerp kan gepaard gaan met inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen in de omgeving. Gelet op de omvang van de ontwikkeling kunnen dergelijke maatregelen - eenvoudiger dan bij aanpassing - onderdeel uitmaken van hetzelfde plan. Bij transformatie-opgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen, een kwalitatief optimaal resultaat inclusief een maatschappelijke tegenprestatie."

7.5.    Gelet ook op het hiervoor weergegeven onderdeel van de toelichting bij de Verordening ruimte, is de voorzieningenrechter er op voorhand niet van overtuigd dat het standpunt van de raad dat in dit geval sprake is van "aanpassing", stand zal houden in de bodemprocedure. Zoals hiervoor in overweging 5 is uiteengezet, hadden de gronden van het perceel Recht van ter Leede 40-40a voorheen een agrarische bestemming, met in het oostelijke deel een bouwvlak en dus de mogelijkheid om ter plaatse gebouwen op te richten. Voor het westelijke en het noordelijke deel van het perceel was niet voorzien in de aanduiding "bouwvlak". Op dit deel waren dus geen gebouwen toegelaten. Daarnaast kende de planregeling een zeer beperkte mogelijkheid om buiten het bouwvlak bouwwerken geen gebouw zijnde, op te richten. Weliswaar grenst het plangebied in het westen aan de kern van Leerbroek, maar daar staat tegenover dat betwijfeld kan worden of sprake is van een ontwikkeling van relatief beperkte omvang, hetgeen is vereist voor "aanpassing". De voorzieningenrechter kent in dit verband betekenis toe aan de omvang van het perceel Recht van ter Leede 40-40a waarop de school en de 30 (nieuwe) woningen zijn voorzien in relatie tot de (geringe) omvang van de kern van Leerbroek.

8.       [verzoekster] betoogt verder dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 2.2.1, vijfde lid, onder b, van de Verordening ruimte. Het westelijke deel van het perceel Recht van ter Leede 40-40a is in de verordening aangewezen als weidevogelgebied. De ontwikkeling van het gebied voor een school en woningen leidt tot een aantasting van het weidevogelgebied, aldus [verzoekster].

8.1.    Artikel 2.2.1, vijfde lid, onder b, van de Verordening ruimte luidt:

"Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad, of karakteristieke landschapselementen, is het provinciale compensatiebeleid van toepassing zoals vastgelegd in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013). De toelichting bij het bestemmingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie."

8.2.    Het standpunt van de raad is dat geen sprake is van een "significante aantasting" van het weidevogelgebied, omdat het plangebied feitelijk niet de functie heeft van (belangrijk) weidevogelgebied. De raad verwijst hiertoe naar het verrichte ecologische onderzoek. De resultaten daarvan zijn vastgelegd in het rapport "Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan Recht van ter Leede 40a te Leerbroek" van Blom Ecologie B.V. van 3 december 2019, dat gevoegd is als bijlage bij de plantoelichting (hierna: Rapport flora en fauna).

8.3.    In de toelichting bij artikel 2.2.1 van de Verordening ruimte staat over de compensatieopgave het volgende.

"In een dynamische omgeving is het onvermijdelijk dat er plannen ontwikkeld worden die inbreuk maken op de te beschermen waarden. In het algemeen wordt bij nieuwe plannen, projecten of initiatieven gevraagd om een goede landschappelijke inpassing en mitigatie van de negatieve effecten. Voor een aantal gebiedscategorieën is compensatie van het verlies aan waarden nodig. Het compensatiebeleid is vastgelegd in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013). Compensatie moet plaatsvinden bij ingrepen in de volgende gebieden: […] belangrijk weidevogelgebied, zoals aangeduid op de kaart "Natuur en biodiversiteit" in de "Visie ruimte en mobiliteit" […]. De compensatiemaatregelen komen niet per se bovenop de hierboven genoemde aanvullende ruimtelijke maatregelen, maar kunnen - als dat mogelijk is - ook gecombineerd worden."

8.4.    In het rapport Flora en fauna wordt onderkend dat (een deel van) het plangebied - door de provincie - is aangewezen als een belangrijk weidevogelgebied. Vervolgens wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkellocatie geen deel uitmaakt van voor weidevogels relevant gebied. Het gebied wordt, voor zover bekend, gebruikt als algemeen leefgebied en heeft geen bijzondere waarde voor weidevogels, aldus het rapport.

8.5.    De voorzieningenrechter is op voorhand van oordeel dat de omstandigheid dat het plan voorziet in de bouw van een school en woningen op een thans onbebouwd weiland dat in de verordening is aangewezen als weidevogelgebied, een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van dat weidevogelgebied oplevert. Het gebied wordt door de voorziene ontwikkeling in de toekomst (permanent) ongeschikt als leefgebied voor weidevogels. Steun voor deze interpretatie vindt de voorzieningenrechter in de hiervoor genoemde "Beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland 2013", vastgesteld door gedeputeerde staten van Zuid-Holland bij besluit van 21 mei 2013. In artikel 2, eerste lid, staat dat in gebieden waar het "nee, tenzij-regime" van kracht is, geen ingrepen zijn toegestaan die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, de negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd. In het tweede lid staat dat het "nee, tenzij-regime" van toepassing is bij ingrepen in - onder meer - de belangrijke weidevogelgebieden.

Conclusie

9.       Gezien het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding tot het treffen van de hierna te melden voorlopige voorziening.

Proceskosten

10.     De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Vijfheerenlanden van 8 juli 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ontwikkeling Leerbroek";

II.       gelast dat de raad van de gemeente Vijfheerenlanden aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D. Milosavljević, griffier.

w.g. Van Altena
voorzieningenrechter

w.g. Milosavljević
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2021

739

BIJLAGE

Verordening ruimte 2014

Artikel 2.1.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Lid 1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:

a. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd;

b. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of

c. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die,

i. gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld,

ii. passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1. van toepassing is, en

iii. zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.

Lid 2 Bestaand stads- en dorpsgebied

Onder bestaand stads- en dorpsgebied als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstaan: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Lid 3 Toepassing ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau

Gedeputeerde Staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie als motivering of gedeeltelijke motivering dat de stedelijke ontwikkeling voldoet aan het eerste lid.

Artikel 2.2.1

Artikel 2.2.1 Ruimtelijke kwaliteit

Lid 1 Ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:

a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);

b. als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard of schaal niet past binnen het gebied (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:

i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en

ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid;

c. als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard en schaal niet past binnen het gebied (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:

i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied ook aandacht is besteed aan de overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en

ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

Lid 2 Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën

a. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op ‘Kaart 7 Beschermingscategorieën ruimtelijke kwaliteit’, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling en voorts wordt voldaan aan de onder b en c gestelde voorwaarden.

b. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op ‘Kaart 7 Beschermingscategorieën ruimtelijke kwaliteit’, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling en voorts wordt voldaan aan de onder c gestelde voorwaarden.

Lid 3 Aanvullende ruimtelijke maatregelen

a. De aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van):

i. duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en sierteelt;

ii. wegnemen van verharding,

iii. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen;

iv. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert.

b. De onder a genoemde maatregelen worden in beginsel getroffen binnen hetzelfde plangebied als de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat niet mogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen elders in de motivering inzake ruimtelijke kwaliteit worden betrokken.

c. In afwijking van sub b kan het bevoegd gezag in plaats van het treffen van ruimtelijke maatregelen een (gedeeltelijke) financiële compensatie verlangen door middel van een storting in een kwaliteitsfonds, dat is ingesteld op basis van de door Provinciale Staten vastgestelde regeling voor kwaliteitsfondsen, mits de daadwerkelijke uitvoering van de compenserende ruimtelijke kwaliteitsmaatregelen afdoende is verzekerd.

Lid 4 Beeldkwaliteitsparagraaf Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in het eerste lid bevat een motivering, bij voorkeur vervat in een beeldkwaliteitsparagraaf, waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft, voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling:

a. waarbij de richtpunten van de kwaliteitskaart in het geding zijn, of

b. die is gelegen op gronden binnen een beschermingscategorie als bedoeld in het tweede lid, onder a en b.

Lid 5 Afstemming op specifieke regels

a. Voor zover in deze verordening specifieke regels zijn opgenomen ten behoeve van bepaalde typen ruimtelijke ontwikkelingen gaan die specifieke regels voor, tenzij het bepaalde in dit artikel zich daartegen niet verzet;

b. Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad, of karakteristieke landschapselementen, is het provinciale compensatiebeleid van toepassing zoals vastgelegd in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013). De toelichting bij het bestemmingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie.