Uitspraak 202004436/1/R3


Volledige tekst

202004436/1/R3.
Datum uitspraak: 24 maart 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna: [appellanten]), beiden wonend te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Rijssen-Holten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "Wonen Rijssen, herontwikkeling RV-terrein" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [partij] Vastgoed Rijssen B.V. (hierna: [partij]) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad, [appellanten] en [partij] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2021, waar [appellant A], [appellant B], en de raad, vertegenwoordigd door

C. van Bart, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door mr. P. van Lingen, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigde] gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het plan heeft betrekking op het terrein van voetbalvereniging Rijssen Vooruit, gelegen aan de Stokmansveldweg 1 te Rijssen. Deze voetbalvereniging maakt vanwege een fusie met een andere voetbalvereniging geen gebruik meer van dat terrein, waardoor de gronden op deze locatie vrijkomen. Volgens de plantoelichting wil [partij], de initiatiefnemer van het voorliggende plan, die gronden herontwikkelen tot een woningbouwlocatie met bijbehorende infrastructurele voorzieningen. Het plan voorziet in deze ontwikkeling en maakt de bouw van maximaal 21 woningen mogelijk, waarvan 11 vrijstaande en 10 twee-onder-een-kapwoningen.

[appellanten] wonen in de nabijheid van plangebied. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan, met name omdat de raad volgens hen onvoldoende rekening heeft gehouden met de randvoorwaarden voor het plangebied die zijn opgenomen in de gemeentelijke Gebiedsvisie Stokmansveld van 20 november 2014 (hierna: de Gebiedsvisie).

Toetsingskader

2.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Belangenafweging

3.       [appellanten] betogen dat de raad bij de voorbereiding en de vaststelling van het plan onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van omwonenden. Daarbij wijzen [appellanten] erop dat de raad alleen de opmerkingen uit de zienswijzen van omwonenden heeft overgenomen die goed bij de wensen van [partij] passen, terwijl de overige bezwaren van omwonenden volgens hen door de raad zonder meer van tafel zijn geveegd. Ook voeren [appellanten] aan dat hun voorstel, waarbij volgens hen meer de randvoorwaarden uit de Gebiedsvisie worden gevolgd, door de raad niet serieus is genomen. Gelet op een en ander stellen [appellanten] dat het plan op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

3.1.    De raad stelt dat het plan tot stand is gekomen na een uitgebreid en langdurig ontwerp- en participatieproces. Daarbij wijst de raad erop dat de groep omwonenden van het plangebied uit een veel grotere groep bestaat dan alleen [appellanten] en dat het plan kan rekenen op een breed draagvlak in de buurt van het plangebied. Ook stelt de raad dat [partij] een andere variant van het bestemmingsplan heeft uitgewerkt en niet haar eigen voorkeursvariant. Met deze variant wordt volgens de raad de wens van een brede groep omwonenden gerespecteerd. Gelet op een en ander stelt de raad dat hij bij de belangenafweging rekening heeft gehouden met de belangen van omwonenden en dat het plan dan ook op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

3.2.    Voor zover [appellanten] stellen dat de raad alleen de zienswijzen heeft overgenomen die goed bij de wensen van de initiatiefnemer passen en de raad de overige zienswijzen, waaronder de zienswijze met het voorstel van [appellanten] over de randvoorwaarden uit de Gebiedsvisie, niet serieus heeft genomen, overweegt de Afdeling dat de raad bij de keuze van een bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven, zoals het voorstel van [appellanten], dienen in die afweging te worden meegenomen. De Afdeling stelt vast dat de raad in het document "Zienswijzennota Ontwerp bestemmingsplan "RV terrein" Mei 2020" (hierna: de zienswijzennota) heeft gereageerd op de naar voren gebrachte zienswijzen, waaronder de zienswijze van [appellanten]. Naar aanleiding van enkele van die zienswijzen is het plan ten opzichte van het ontwerp op een aantal onderdelen aangepast. Zo is onder meer het bouwvlak in het plangebied aan de zijde van de Molenbeek 1 m verlegd. Verder heeft de raad in de planregels de mogelijkheid opgenomen voor het college om nadere eisen te stellen ten aanzien van de stedenbouwkundige kwaliteit. Tot slot heeft de raad een voorwaardelijke verplichting met betrekking tot de groenstructuur in de planregels opgenomen.

De raad heeft er verder op gewezen dat het document "Ontwikkelcriteria Rijssen" (hierna: het stedenbouwkundig ontwerp), dat mede ten grondslag is gelegd aan het plan, beknopt de gemaakte afwegingen gedurende het proces van de totstandkoming van het plan beschrijft. Het stedenbouwkundig ontwerp beschrijft daarbij een aantal verkenningen die met omwonenden zijn besproken, waarbij ook de voorstellen van [appellanten] zijn meegewogen. Zo is bijvoorbeeld op pagina 10 van het stedenbouwkundig ontwerp aangegeven dat verkavelen langs de randen tot (te) grote kavels leidt. Tot slot heeft de raad gesteld dat [partij] niet haar eigen voorkeursvariant heeft uitgewerkt, maar een variant waarmee zoveel mogelijk wordt tegemoetgekomen aan de wensen van omwonenden.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de raad voldoende rekening heeft gehouden met de zienswijzen en de belangen van omwonenden. Daarbij heeft hij ook rekening gehouden met het voorstel van [appellanten].

In het aangevoerde ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de totstandkoming van het plan op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Het betoog slaagt niet.

De Gebiedsvisie

4.       [appellanten] betogen dat de raad het plan in strijd met de randvoorwaarden uit de Gebiedsvisie heeft vastgesteld. Zij zijn daarbij van mening dat de raad niet van de Gebiedsvisie mag afwijken, te meer omdat zij in het verleden vanwege de Gebiedsvisie een weiland tussen hun woningen hebben aangekocht om woningbouw te voorkomen.

In die randvoorwaarden staat volgens hen onder meer dat de herkenbaarheid van de groen/blauwe structuur van de Molenbeek wordt versterkt, dat de woningen georiënteerd moeten zijn op beide doorgaande wegen en op de Stokmansveldweg, dat de bebouwing aan de zijde van de Pelmolenweg moet aansluiten op de rooilijn Pelmolen 4-16 en dat er uitsluitend grondgebonden woningen mogen komen, maar geen tweekappers aan de Wierdensestraat en de Pelmolenweg.

Volgens [appellanten] is de bebouwing te dicht op de Molenbeek geprojecteerd, waardoor de groen/blauwe structuur van de Molenbeek niet meer zichtbaar is. Verder voorziet het plan in woningen haaks op de Stokmansveldweg, sluit de bebouwing in dit plan niet aan op de rooilijn Pelmolen 4-16 en voorziet het plan ten onrechte in twee-onder-een-kapwoningen aan de Wierdensestraat.

4.1.    De raad stelt dat bij de vaststelling van de Gebiedsvisie al is opgemerkt dat de Gebiedsvisie geen star en statisch document is en dat hij hiervan, op grond van nieuwe argumenten en bij voortschrijdend inzicht, bij de vaststelling van bestemmingsplannen kan afwijken. De raad wijst er daarbij op dat de Gebiedsvisie hoofdlijnen bevat van nieuwe ontwikkelingen in het gebied en de hoofdzaken van het door de gemeente uit te voeren ruimtelijk beleid. Volgens de raad heeft hij bij de vaststelling van het plan gehandeld in overeenstemming met de randvoorwaarden uit de Gebiedsvisie.

4.2.    Artikel 6.1 van de planregels luidt:

"De voor ‘Wonen - Aaneen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen, in twee aaneen gebouwde woningen met bijbehorende tuinen, erven en terreinen;

[…]."

Artikel 6.3 luidt:

"Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

[…];

b. het straat- en bebouwingsbeeld;;

[…];

d. de verschijningsvorm van gebouwen, zoals aangeduid bij de kaart "Hoekaccenten" zoals aangeduid met de cijfers "1" en "2", welke als Bijlage 2 is toegevoegd bij deze regels.

nadere eisen stellen aan:

[…];

5. de dubbele oriëntatie van de gevels van gebouwen, zoals staat beschreven bij de kaart "Hoekaccenten" zoals aangeduid met de cijfers "1" en "2", die als Bijlage 2 is toegevoegd bij deze regels."

Artikel 7.1 luidt:

"De voor ‘Wonen - Vrijstaand’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen, in vrijstaande woningen met bijbehorende tuinen, erven en terreinen;

[…]."

Artikel 7.3 luidt:

"Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

[…];

b. het straat- en bebouwingsbeeld;;

[…];

d. de verschijningsvorm van gebouwen, zoals aangeduid bij de kaart "Hoekaccenten" zoals aangeduid met de cijfers "1" en "2", welke als Bijlage 2 is toegevoegd bij deze regels.

nadere eisen stellen aan:

[…];

5. de dubbele oriëntatie van de gevels van gebouwen, zoals staat beschreven bij de kaart "Hoekaccenten" zoals aangeduid met de cijfers "1" en "2", die als Bijlage 2 is toegevoegd bij deze regels."

4.2.1. In Bijlage 2 bij de planregels is beschreven dat een gebouw op de hoek van een straat in grote mate de identiteit van de rest van het gebied bepaalt. Bij de ontwikkeling op Rijssen Vooruit wordt daarmee aandacht gevraagd aan het ontwerp van de hoekwoningen. De woningen krijgen volgens Bijlage 2 bij de planregels een ‘gezicht’ naar beide aangrenzende straten.

4.3.    In paragraaf 4.3.2.3 van de plantoelichting staat een opsomming van de randvoorwaarden uit de Gebiedsvisie voor structuur, bebouwing en de overige aspecten. Bij het opstellen van het stedenbouwkundig plan voor het plangebied is volgens de plantoelichting rekening gehouden met deze randvoorwaarden. Verder wordt in de plantoelichting ingegaan op de van belang zijnde aspecten en is weergegeven op welke wijze de Gebiedsvisie is betrokken bij de vaststelling van het plan.

4.4.    In de Gebiedsvisie staat dat zich in het gebied een aantal onbebouwde locaties bevinden. Deze locaties vormen samen een "longlist" van potentiële ontwikkellocaties. Onder voorwaarden kan volgens de Gebiedsvisie een dergelijke ontwikkellocatie in principe ruimte bieden aan woningbouw. Eén van deze ontwikkellocaties is het voetbalveld dat samenvalt met het plangebied. In de Gebiedsvisie staat dat deze ontwikkellocatie in de oksel ligt van twee belangrijke doorgaande wegen en dat deze ontwikkellocatie prominent in het zicht ligt. Woningbouwontwikkeling zou goed kunnen aansluiten op het bestaande bebouwingsbeeld en zou een bijdrage leveren aan de versterking van de stedenbouwkundige structuur. Deze ontwikkellocatie vormt nu in feite een onderbreking van het bebouwingsbeeld.

In de Gebiedsvisie worden voor de ontwikkellocatie het voetbalveld ook enkele randvoorwaarden genoemd. Deze randvoorwaarden zijn van kracht wanneer de overgebleven locaties daadwerkelijk ontwikkeld worden, zo staat in de Gebiedsvisie. Met betrekking tot de structuur van deze ontwikkellocatie is in de Gebiedsvisie onder meer de randvoorwaarde opgenomen dat de herkenbaarheid van de groen/blauwe structuur van de nabij de ontwikkellocatie gelegen Molenbeek wordt versterkt. Verder is een randvoorwaarde opgenomen dat de woningen georiënteerd zijn op beide doorgaande wegen in de nabijheid van de ontwikkellocatie en op de Stokmansveldweg. Met betrekking tot bebouwing in de ontwikkellocatie, stelt de Gebiedsvisie onder meer de randvoorwaarde dat de bebouwing aan de zijde van de Pelmolenweg aansluit op de rooilijn Pelmolenweg 4-16. Ook stelt de Gebiedsvisie voor de ontwikkellocatie de randvoorwaarde dat langs de Wierdensestraat en de Pelmolenweg uitsluitend grondgebonden, vrijstaande woningen worden gebouwd en/of twee-onder-een-kapwoningen langs de Stokmansveldweg, afhankelijk van inpassing in het woningbouwprogramma.

4.5.    De Afdeling stelt vast dat de Gebiedsvisie van toepassing is op het plangebied, omdat het plangebied in de Gebiedsvisie als potentiële ontwikkellocatie "het voetbalveld" is aangemerkt. De Afdeling overweegt verder dat de aard van een Gebiedsvisie is dat deze niet juridisch bindend is voor de raad. Dit betekent dat in sommige gevallen daarvan mag worden afgeweken.

4.6.    Waar [appellanten] stellen dat niet wordt voldaan aan de randvoorwaarde over het versterken van de herkenbaarheid van de groen/blauwe structuur van de Molenbeek, stelt de Afdeling vast dat de Molenbeek langs het plangebied loopt, maar daar geen onderdeel van uitmaakt. De Gebiedsvisie maakt niet concreet hoe de herkenbaarheid van de Molenbeek en de groen/blauwe structuur daarvan moet worden versterkt. De raad heeft er in dit kader op gewezen dat op grond van artikel 15 van de planregels van het voorheen geldende bestemmingsplan "Rijssen Wonen", op gronden met de bestemming "Sport", ondergeschikte bouwwerken mochten worden opgericht tot 4 m hoog, tot vlak op de Molenbeek, en dat in het voorliggende plan het bouwvlak op een afstand van 4 m van de Molenbeek is voorzien. Hierdoor is tussenliggende bebouwing tussen het bouwvlak en de Molenbeek niet meer mogelijk, behoudens waar het gaat om vergunningvrije bouwwerken. Als gevolg hiervan ontstaat volgens de raad een meer open structuur, waardoor de loop van de Molenbeek meer kan worden beleefd. Het plangebied wordt daarnaast volgens de raad omzoomd door een rode beukenhaag van beperkte hoogte. Verder worden de gebiedsvreemde Douglassparren verwijderd en gebiedseigen laanbeplanting aangelegd.

Gelet op deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de raad terecht heeft gesteld dat met het plan voldaan wordt aan het versterken van de herkenbaarheid van de groen/blauwe structuur van de Molenbeek.

4.7.    Voor zover [appellanten] stellen dat niet wordt voldaan aan de randvoorwaarde over de oriëntatie van de woningen, stelt de Afdeling vast dat op grond van artikel 6.3, onder d, en 7.3, onder d, in samenhang met Bijlage 2 bij de planregels, de in het plan voorziene woningen aan de Stokmansveldweg en een andere weg, een dubbele oriëntatie op deze wegen dienen te hebben. Gelet hierop heeft de raad terecht gesteld dat een oriëntatie van de woningen op de Stokmansveldweg geborgd is en dat [partij] hiermee rekening moet houden in het kader van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van deze woningen in het plangebied.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan voldoet aan de randvoorwaarde in de Gebiedsvisie over de oriëntatie van de woningen.

4.8.    Waar [appellanten] stellen dat het plan ten onrechte niet voldoet aan de randvoorwaarde dat de bebouwing aan de zijde van de Pelmolenweg dient aan te sluiten op de rooilijn Pelmolenweg 4-16, overweegt de Afdeling het volgende.

In de Gebiedsvisie staat dat de bebouwing aan de zijde van de Pelmolenweg moet aansluiten op de rooilijn Pelmolenweg 4-16. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de woning aan de Pelmolenweg 4 verder terug ligt dan de overige bebouwing ten opzichte van de rooilijn Pelmolenweg

6-16. De raad heeft daarover toegelicht dat de ligging van de rooilijn een historisch gegroeide situatie is en dat die rooilijn al bestond voor het opstellen van de Gebiedsvisie. De woning aan de Pelmolenweg 4 vormt dus wat de ligging betreft een uitzondering op de rest van de bestaande bebouwing aan de Pelmolenweg 6-16. De Afdeling acht dit plausibel. Daarbij heeft de raad erop gewezen dat de voorste bebouwingsgrens van het bouwvlak aan de Pelmolenweg aansluit op de rooilijn van de overige woningen aan de Pelmolenweg 6-16 en dat de in de Gebiedsvisie genoemde aansluiting op de rooilijn niet inhoudt dat precies op die rooilijn moet worden gebouwd. Gelet op de formulering van de randvoorwaarde, acht de Afdeling dit standpunt van de raad juist.

Tot slot heeft de raad erop gewezen dat de voorste bebouwingsgrens van het bouwvlak aan de Pelmolenweg in het plangebied trapsgewijs afloopt ten opzichte van de bebouwing aan de Pelmolenweg 4, waardoor volgens de raad ook rekening wordt gehouden met de ligging van de woning aan de Pelmolenweg 4.

Gelet op de genoemde omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het plan voldoet aan de randvoorwaarde dat de bebouwing aan de zijde van de Pelmolenweg dient aan te sluiten op de rooilijn Pelmolenweg 4-16.

4.9.    Voor zover [appellanten] stellen dat het plan niet voldoet aan de randvoorwaarde dat langs de Wierdensestraat en de Pelmolenweg uitsluitend grondgebonden, vrijstaande woningen worden gebouwd en/of twee-onder-een-kapwoningen langs de Stokmansveldweg, afhankelijk van inpassing in het woningbouwprogramma, is de Afdeling oordeel dat de raad terecht heeft gesteld dat de genoemde randvoorwaarde afhankelijk is gemaakt van inpassing in het woningbouwprogramma en dat de randvoorwaarde niet zo moet worden uitgelegd dat deze een verbod inhoudt om andere dan vrijstaande woningen te bouwen aan de Wierdensestraat of de Pelmolenweg. De raad heeft in dit kader toegelicht dat een woningbouwprogramma wordt afgestemd op de actuele woonbehoefte en woonsituatie en dat hij daarom onder meer de Woonvisie (2017-2021) en overige woningbouwonderzoeken van na de vaststelling van de Gebiedsvisie in 2014 heeft betrokken bij de voorbereiding van het plan. Op grond van die onderzoeken heeft de raad zowel vrijstaande woningen als twee-onder-één-kapwoningen in het plan kunnen opnemen. Voor zover [appellanten] in dit kader nog hebben aangevoerd dat er ruimte is voor dit type woningen in de nabijgelegen voorziene nieuwbouwwijk Opbroek, heeft de raad er ter zitting, met het oog op de ladder voor duurzame verstedelijking, op gewezen dat inbreiding voor uitbreiding gaat en dat daarom voor deze planopzet is gekozen. De Afdeling acht deze keuze niet onredelijk.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat wordt voldaan aan de randvoorwaarde dat langs de Wierdensestraat en de Pelmolenweg uitsluitend grondgebonden, vrijstaande woningen worden gebouwd en/of twee-onder-een-kapwoningen langs de Stokmansveldweg, afhankelijk van inpassing in het woningbouwprogramma.

4.10.  Gelet op wat hiervoor is overwogen bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad het plan in strijd met de Gebiedsvisie heeft vastgesteld.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

5.       Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Proceskosten

6.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Tieleman, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2021

817-866.