Uitspraak 201908528/1/R3


Volledige tekst

201908528/1/R3.
Datum uitspraak: 10 maart 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Rockanje, gemeente Westvoorne,

en

het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2019 heeft het college het wijzigingsplan "[locatie 1] Rockanje" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2021, waar het college, vertegenwoordigd door mr. N.J.H.M. Slaats, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het wijzigingsplan voorziet in een woning op het perceel [locatie 1] te Rockanje. Daartoe is aan het agrarische bestemmingsvlak op het perceel de bestemming "Wonen" toegekend. Het plan is op verzoek van de eigenaren van dat perceel, [partij A] en [partij B], vastgesteld met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 3.6.1 van de planregels van het bestemmingsplan "Sanering glastuinbouw Blindeweg/Langeweg Rockanje". Dat bestemmingsplan heeft onder meer als doel het op het perceel aanwezige glastuinbouwbedrijf te saneren. De kassen zijn inmiddels gesloopt en op het perceel zijn slechts enkele bedrijfsgebouwen aanwezig.

2.       [appellant] exploiteert op enige afstand van het plangebied - aan de [locatie 2] en [locatie 3] - een agrarisch bedrijf in de vorm van een intensieve veehouderij. Hij kan zich niet verenigen met het plan.

Toetsingskader

3.       Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan mag de planologische aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan ook na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

Bestemmingswijziging

4.       [appellant] betoogt dat het plan leidt tot een belemmering voor zijn bedrijfsvoering en een verdere ontwikkeling daarvan. Volgens hem heeft het college zijn belangen onvoldoende in de afweging betrokken en wordt met het plan inbreuk gemaakt op het agrarisch gebied. Verder betoogt hij dat in dit geval geen beroep kan worden gedaan op het overgangsrecht, omdat het perceel altijd agrarisch in gebruik is geweest.

4.1.    De gronden hebben de bestemming "Agrarisch met waarden" zoals nader geregeld in artikel 3 van de planregels van het bestemmingsplan "Sanering glastuinbouw Blindeweg/Langeweg Rockanje".

Artikel 3.6.1, aanhef en onder c, van de planregels van het bestemmingsplan "Sanering glastuinbouw Blindeweg/Langeweg Rockanje" luidt, voor zover hier van belang: "Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan in die zin te wijzigen, dat zij bij algehele bedrijfsbeëindiging de bestemming van een bestemmingsvlak, zoals bedoeld in lid 3.1, waarop bedrijfswoningen aanwezig zijn, geheel of gedeeltelijk kunnen wijzigen in de bestemming 'Wonen' als bedoeld in artikel 4 onder de voorwaarden dat:

[…];

c. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de in de omgeving van het betrokken perceel gelegen agrarische bedrijven;

[…]."

4.2.    De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college de belangen van [appellant] onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken. Het college heeft toegelicht dat de bestemmingswijziging van "Agrarisch met waarden" naar "Wonen" past in het gemeentelijk beleid zoals neergelegd in de "Structuurvisie Glasherstructurering". Dit beleid is gericht op het saneren van de verspreid liggende glastuinbouwlocaties waarbij vrijgekomen locaties worden ingevuld met woningbouw. Bij de voorbereiding van het plan zijn de gevolgen voor het agrarisch bedrijf beoordeeld. De resultaten zijn neergelegd in de memo’s van 8 april 2019 en van 23 september 2019, beide opgesteld door DCMR Milieudienst Rijnmond. Daarin staat dat de varkenshouderij van [appellant] op ongeveer 160 m van het plangebied ligt, en binnen de toetsingskaders van de Wet geurhinder en veehouderij de reeds aanwezige woningen aan de Langeweg, die op kortere afstand van het agrarisch bedrijf dan het plangebied liggen, bepalend zijn voor de bedrijfsvoering van dit bedrijf. Verder is daarin vermeld dat in de huidige situatie op het perceel [locatie 1] een agrarische bedrijfswoning is toegestaan. In de memo’s wordt geconcludeerd dat met de bestemmingsplanwijziging de belangen van het agrarisch bedrijf niet worden geschaad. [appellant] heeft deze conclusie niet bestreden. In het aangevoerde bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op deze memo’s heeft mogen baseren. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het college het wijzigingsplan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. De Afdeling betrekt daarbij dat het plan geen inbreuk maakt op het agrarisch gebied en de eigenaar van het perceel [locatie 1], anders dan [appellant] stelt, zich niet beroept op het overgangsrecht.

Het betoog faalt.

Conclusie

5.       Het beroep is ongegrond.

6.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Sparreboom
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2021

195-909.