Uitspraak 202001848/2/R3


Volledige tekst

202001848/2/R3.
Datum uitspraak: 31 maart 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker] en anderen, allen wonend te Wassenaar,

verzoekers,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 5 maart 2020 in zaak nrs. 18/7626 en 20/1105 in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar.

Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2017 heeft het college aan de Stichting Nationale Dierenzorg een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van twee bouwdelen op het perceel Zijdeweg 56 te Wassenaar, hierna het perceel.

Bij besluit, verzonden op 24 oktober 2018, heeft het college het besluit van 29 december 2017 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten en het door [verzoeker] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 maart 2020 heeft de rechtbank het door [verzoeker] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [verzoeker] en anderen hoger beroep ingesteld. Zij hebben voorts de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college en de Stichting hebben een schriftelijke uiteenzetting op het verzoek gegeven.

Overwegingen

1.    In verband met de uitbraak van het coronavirus kon een zitting in deze zaak niet plaatsvinden. Omdat de overgelegde stukken naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende inzicht bieden in de standpunten van partijen en partijen niet in hun belangen worden geschaad en er ook mee hebben ingestemd, zal de voorzieningenrechter, gelet op het aanwezige spoedeisend belang, uitspraak doen zonder zitting.

2.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

3.    Op het perceel staat de monumentale boerderij ‘Welgelegen’ en verschillende andere al dan niet daartegen aan gebouwde gebouwen, waarin dierenopvang plaatsvindt. Het bouwplan voorziet in het bouwen van twee gebouwen, een ‘hoofdgebouw’ en een ‘klein-hondengebouw’. Het college heeft met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) de omgevingsvergunning verleend.

4.    Het verzoek van [verzoeker] en anderen strekt tot schorsing van de omgevingsvergunning, voor zover deze is verleend voor het bouwen van het klein-hondengebouw. Dit klein-hondengebouw zal worden gebouwd tegen het aan de noordwestelijke zijde van de boerderij gelegen bestaande gebouw, dat door partijen ook wel het ‘zwembad’ wordt genoemd.

5.    Niet in geschil is dat het gebruik van het perceel niet in strijd is met de op perceel ingevolge het bestemmingsplan "Zijdeweg" (hierna: het bestemmingsplan) rustende bestemming "Maatschappelijk - Dierenopvangcentrum". Ook is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met de in artikel 5.2, aanhef en onder b, aanhef en onder 2, van de regels van dat bestemmingsplan opgenomen hoogtebepalingen en met het bestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan Cultureel Erfgoed Wassenaar Panden, objecten en Archeologisch erfgoed 2016". In geschil is of het bouwplan ook in strijd is met artikel 5.2, aanhef en onder g, van het bestemmingsplan. Ook is in geschil of het college in redelijkheid in afwijking van het bestemmingsplan de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

6.    Artikel 5.2 van de planregels luidt:

"Ten aanzien van de in lid 5.1 bedoelde gronden gelden de volgende bouwregels:

[…].;

g. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd wanneer de inpassing in overeenstemming is met de in de toelichting van het bestemmingsplan opgenomen beeldkwaliteitsparagraaf en de als bijlage bij de toelichting opgenomen Landschapsvisie."

7.    [verzoeker] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de in de plantoelichting opgenomen beeldkwaliteitsparagraaf concrete voorschriften bevat, waaraan de aanvraag kan worden getoetst. Volgens hen heeft de Afdeling dat reeds overwogen in haar uitspraak van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1595.

7.1.    Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank terecht overwogen dat, gelet op artikel 5.2, aanhef en onder g, van de planregels, de beeldkwaliteitsparagraaf uit de toelichting van het bestemmingsplan, meer in het bijzonder paragraaf 4.3 daarvan, mede toetsingskader is voor de aanvraag om omgevingsvergunning. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De rechtbank heeft terecht bezien of de beeldkwaliteitsparagraaf concrete voorschriften bevat waaraan de aanvraag om omgevingsvergunning kan worden getoetst. Anders dan [verzoeker] en anderen betogen, heeft de Afdeling in de uitspraak van 8 juni 2016 daarover niet al een oordeel gegeven.

8.    [verzoeker] en anderen betogen dat het bouwen van het klein-hondengebouw tegen het bestaande, als ‘zwembad’ aangeduide gebouw, zonder dat ‘zwembad’ te slopen, in strijd is met de beeldkwaliteitsparagraaf. Zij voeren aan dat uit die beeldkwaliteitsparagraaf blijkt dat het slopen van het ‘zwembad’ een voorwaarde is voor het bouwen van een nieuw gebouw. Zij wijzen verder op de verklaring van de raad tijdens de zitting bij de Afdeling in de zaak die heeft geleid tot voormelde uitspraak van 8 juni 2016.

8.1.    Aan [verzoeker] en anderen kan worden toegegeven dat uit de verklaring van de raad en afbeelding 4.7 van de toelichting wellicht een ander beeld naar voren komt, maar de voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de door [verzoeker] en anderen bedoelde passage in de beeldkwaliteitsparagraaf een concrete bindende (voorwaardelijke) verplichting kan worden afgeleid dat ‘het zwembad’ moet worden afgebroken en vervangen door nieuwbouw. Die verplichting volgt ook niet uit de andere regels van het bestemmingsplan. Zoals de rechtbank verder terecht heeft overwogen, is het klein-hondengebouw niet in strijd met de op het perceel rustende bestemming en wordt het binnen het op de verbeelding aangeduide bouwvlak gebouwd.

9.    [verzoeker] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het klein-hondengebouw niet vergelijkbaar is met de houten schuren in de omgeving, hetgeen in de beeldkwaliteitsparagraaf wel wordt vereist.

9.1.    Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de passage uit de beeldkwaliteitsparagraaf waar staat dat de nieuwbouw moet refereren aan de houten schuren die elders in Wassenaar zijn terug te vinden niet worden aangemerkt als concreet voorschrift waaraan de aanvraag kan worden getoetst. Het bestemmingsplan schrijft niet voor welke vorm de nieuwbouw moet hebben en van welk materiaal bij de bouw gebruik moet worden gemaakt. Zoals hiervoor is overwogen, wordt het klein-hondengebouw binnen het bouwvlak gebouwd. De Stichting heeft tijdens de zitting van de rechtbank toegezegd dat de gevelbekleding van het bouwplan bestaat uit materiaal dat een houtachtige uitstraling heeft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat wat de vorm en de gebruikte materialen betreft geen strijd met het bestemmingsplan.

10.    [verzoeker] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het klein-hondengebouw in strijd met de beeldkwaliteitsparagraaf wordt gebouwd ter plaatse van de bestaande boomgaard. De bestaande boomgaard zou volgens de beeldkwaliteitsparagraaf juist moeten worden hersteld, aldus [verzoeker] en anderen.

10.1.    In de beeldkwaliteitsparagraaf staat dat tussen de Zijdeweg en de noordwestelijke nieuwbouw een hoogstamboomgaard wordt hersteld. Voor zover deze passage al zou moeten worden aangemerkt als een concreet voorschrift waaraan de aanvraag moet worden getoetst, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat daaraan niet wordt voldaan. Op de verbeelding is aan de noordwestelijke zijde van de boerderij een bouwvlak opgenomen. Het klein-hondengebouw wordt binnen dat bouwvlak gebouwd. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de Stichting tijdens de zitting heeft toegezegd dat tussen de Zijdeweg en de nieuwbouw kwalitatief hoogwaardige fruitbomen zullen worden aangeplant, waarmee volgens haar invulling wordt gegeven aan hetgeen hieromtrent in de beeldkwaliteitsparagraaf is vermeld.

11.    [verzoeker] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de beeldkwaliteitsparagraaf over de locatie van het parkeren en het in stand laten van hoogopgaande beplanting voldoende duidelijk is.

11.1.    Over de beplanting staat in de beeldkwaliteitsparagraaf slechts dat rondom het erf hoog opgaande beplanting komt te staan. Het parkeren wordt volgens de beeldkwaliteitsparagraaf, uit het zicht, naast de boerderij gerealiseerd. Voor zover deze passages al moeten worden aangemerkt als concrete voorschriften waaraan het bouwplan moet worden getoetst, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken dat het bouwplan, voor zover dat voorziet in het bouwen van het klein-hondengebouw, hiermee in strijd is. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter nog dat de Stichting tijdens de zitting bij de rechtbank en het college in zijn schriftelijke uiteenzetting op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening hebben verklaard dat het parkeren wordt gerealiseerd aan de zijkant van de boerderij en aan het zicht wordt onttrokken door groen.

12.    Wat betreft het betoog van [verzoeker] en anderen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij in beroep, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel hebben aangevoerd dat het bouwplan ook in strijd is met de beeldkwaliteitsparagraaf voor zover daarin staat dat de nieuwbouw ten minste twee meter lager moet zijn dan de boerderij, stelt de voorzieningenrechter vast dat zij dat inderdaad hebben aangevoerd. De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat niet aannemelijk is dat dit betoog tot vernietiging van de aangevallen uitspraak zal leiden. De rechtbank heeft immers vastgesteld dat het bouwplan in strijd is met de in het bestemmingsplan toegestane maximale goothoogte. Het college heeft zich ook op het standpunt gesteld dat er in zoverre wordt gebouwd in strijd met het bestemmingsplan en heeft met toepassing van artikel 11.1, aanhef en onder a, van de planregels, gelezen in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1˚, van de Wabo, van het bestemmingsplan afgeweken.

13.    [verzoeker] en anderen betogen tot slot dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hun beroepsgrond over het geluidsrapport van Peutz in deze procedure niet aan de orde komen, aangezien dit is uitgebracht in het kader van een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die niet appellabel is. Zij voeren aan dat in het rapport is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten.

13.1.    De voorzieningenrechter leidt uit de stukken af dat het college mede in het kader van de aanvraag om verlening van de omgevingsvergunning een geluidsrapport door Peutz heeft laten opstellen. Nu voorts geluid een ruimtelijk aspect is dat het college moet betrekken bij de vraag of het van het bestemmingsplan wil afwijken, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de kanttekeningen van [verzoeker] en anderen bij het rapport niet in deze procedure aan de orde kunnen komen.

13.2.    De vraag of, zoals [verzoeker] en anderen betogen, in het geluidsrapport van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan, leent zich niet voor beantwoording in deze procedure en zal in de bodemprocedure onderzocht moeten worden. De voorzieningenrechter ziet evenwel in wat [verzoeker] en anderen naar voren hebben gebracht, geen aanleiding voor het oordeel dat moet worden aangenomen dat uiteindelijk zal blijken dat de omgevingsvergunning in verband met de door [verzoeker] en anderen gestelde geluidsoverlast niet in redelijkheid had kunnen worden verleend. Hierbij acht de voorzieningenrechter mede van belang dat het gebruik van het perceel voor onder meer de opvang van honden op grond van het bestemmingsplan is toegestaan.

14.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de betrokken belangen in aanmerking genomen, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. Daarbij wijst de voorzieningenrechter erop dat een houder van een verleende vergunning, zolang deze niet in rechte onaantastbaar is, op eigen risico daarvan gebruik maakt, ook als het verzoek als thans aan de orde wordt afgewezen.

15.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2020

473.