Uitspraak 202000667/2/R3


Volledige tekst

202000667/2/R3.
Datum uitspraak: 18 maart 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1.    [verzoeker sub 1A], wonend te [woonplaats], en [verzoeker sub 1B], wonend te [woonplaats],

2.    Stichting Mens, Dier & Peel (hierna: de Stichting), gevestigd te Gemert, gemeente Gemert-Bakel,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2019 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan "Buitengebied Asten 2016" uitbreiden van de mestverwerkingsactiviteit tot 80.000 ton per jaar en het bouwen van een silo op het perceel [locatie] te Asten (hierna: het perceel).

Bij besluit van dezelfde datum heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het veranderen en in werking hebben van een inrichting met varkens en een mestverwerkingsinstallatie, voor het bouwen van buffer,- mest en reactorsilo's, voor het aanleggen van een calamiteitenbak, erfverharding en een zaksloot en voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg aan de Busselseweg, alle op het perceel.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en de Stichting beroep ingesteld. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld, hebben [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en de Stichting de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 10 maart 2020, waar [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B], bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, rechtsbijstandverlener te Wageningen, en de Stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.A.G. van Veldhoven en E.L.A. Kramer, zijn verschenen. Ter zitting is ook gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en bijgestaan door mr. M. Peeters, advocaat te Someren.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Het college heeft eerder omgevingsvergunningen verleend aan [belanghebbende] om, kort gezegd, mestverwerkingsactiviteiten tot 80.000 ton per jaar op het perceel mogelijk te maken. De Afdeling heeft bij uitspraak van 28 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3885, uitspraak gedaan in het geschil daarover tussen [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en de Stichting en het college. Uit die uitspraak volgt onder meer dat de eerder genomen besluiten op enkele punten in strijd waren met de Verordening Ruimte 2014. De Afdeling heeft het college opgedragen nieuwe besluiten op de aanvraag te nemen. Het college heeft de besluiten van 11 december 2019 genomen ter uitvoering van deze uitspraak.

3.    [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en de Stichting hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek strekt ertoe in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure te voorkomen dat van de omgevingsvergunningen gebruikt wordt gemaakt. Zij vrezen voor overlast van de inrichting.

4.    [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en de Stichting betogen dat het college ten onrechte de aanvraag heeft getoetst aan de Verordening Ruimte 2014. Ten tijde van het nemen van de besluiten gold de Interim Omgevingsverordening (hierna: de IOV). De aanvraag had volgens hen daaraan moeten worden getoetst.

4.1.    De IOV is op 5 november 2019, dus voordat de besluiten van 11 december 2019 zijn genomen, in werking getreden. Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat uit artikel 9.8 van de IOV volgt dat de aanvraag niet aan de IOV hoeft te worden getoetst. Het heeft de aanvraag in navolging van de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2018 getoetst aan de Verordening Ruimte 2014 en daar voldoet het aangevraagde aan.

4.2.    Artikel 9.8 van de IOV luidt:

"1. Bestaande planologische mogelijkheden, waaronder het feitelijk gebruik van gronden en opstallen die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig worden uitgeoefend, worden gerespecteerd en kunnen worden voorgezet.

2. Onder bestaande planologische mogelijkheid, zoals een bestaand bouwperceel, bestaande bebouwing, een bestaande gebruiksactiviteit of een bestaande omvang, wordt verstaan:

a. datgene wat het geldende bestemmingsplan zonder toepassing van een wijzigingsbevoegdheid uit artikel 3.6, eerste lid, onder a, Wet ruimtelijke ordening toestaat, met inbegrip van datgene wat nadien wordt toegestaan op grond van een:

1. […] of

2. besluit van de gemeente als direct gevolg van een onherroepelijke uitspraak van een bestuursrechter;

b. […].

4.3.    De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit artikel 9.8 van de IOV niet volgt dat het college de aanvraag had moeten toetsen aan de Verordening Ruimte 2014. In dat artikel staat slechts dat bestaande planologische mogelijkheden worden gerespecteerd en kunnen worden voorgezet. Van die situatie is hier geen sprake. Daargelaten dat de besluiten van 11 december 2019 geen besluiten van een gemeentelijk orgaan zijn, zijn zij naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet een direct gevolg van een onherroepelijke uitspraak van een bestuursrechter, als bedoeld in artikel 9.8, tweede lid, aanhef en onder a, onder 2, van de IOV. Weliswaar heeft de Afdeling in de uitspraak van 28 november 2018 overwogen dat de eerdere besluiten op bepaalde punten in strijd met het recht waren en heeft zij het college opgedragen nieuwe besluiten op de aanvraag te nemen, maar zij heeft in die uitspraken niet overwogen hoe de nieuw te nemen besluiten moesten luiden.

De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het college de aanvraag had moeten toetsen aan de IOV. Voor een uitzondering op het uitgangspunt dat een besluit wordt genomen met inachtneming van het op dat moment geldende recht, ziet de voorzieningenrechter geen grond.

5.    Ten behoeve van de behandeling van de bodemzaak en ter voorlichting van partijen overweegt de voorzieningenrechter het volgende over het betoog van [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en de Stichting dat sprake is van strijd met de IOV.

6.    Artikel 2.77 van de IOV luidt:

"1. Totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.49 Veehouderij in Landelijk gebied, derde lid, en artikel 3.74 Afwijkende regels niet-agrarisch bedrijf mestbewerking geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, dat een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbewerking binnen Landelijk gebied is verboden.

2. Het verbod uit het eerste lid geldt niet als wordt voldaan aan de voorwaarden uit:

1. artikel 3.49 Veehouderij in Landelijk gebied, derde lid; of

2. artikel 3.74 Afwijkende regels niet-agrarisch bedrijf mestbewerking.

3. Als bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbewerking geldt de oppervlakte van:

a. de bebouwing die:

1. op 13 juni 2017 legaal aanwezig was, of

2. mag worden gebouwd krachtens een vóór 13 juni 2017     verleende omgevingsvergunning;

b. de onbebouwde grond die op 13 juni 2017 legaal mag worden gebruikt."

Artikel 3.49 luidt:

"1. Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, als:

[…];

d. mestbewerking is uitgesloten tenzij dit ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest is;

[…].;

3. Een bestemmingsplan kan in afwijking van het eerste lid voorzien in mestvergisting voor samenwerkende melkrundveehouderijen tot ten hoogste 25.000 ton per jaar als:

a. de locatie goed is ontsloten;

b. de op- , overslag en verwerking van producten niet in de     openlucht plaatsvindt;

c. in het geval dat de mest na vergisting ter plaatse verder wordt     bewerkt ten minste 50 % van het volume van de mest wordt     omgezet in loosbaar water."

Artikel 3.74, eerste lid, luidt:

"1. In afwijking van artikel 3.71 Bestaande niet-agrarische functie in Landelijk gebied en artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied, kan een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd Landelijk Gebied op een bestaand bouwperceel voorzien in een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking of de vestiging van mestbewerking als:

a. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;

b. de mest met pijpleidingen wordt aangevoerd vanaf de locatie waar de mest wordt geproduceerd;

c. ten minste 50 % van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water;

d. de op- , overslag en verwerking van producten niet in de openlucht plaatsvindt;

e. de mestbewerking vanuit het oogpunt van een veilige en gezonde leefomgeving en gelet op artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit inpasbaar is in de omgeving;

f. de locatie niet in Beperkingen Veehouderij ligt;

g. de landschappelijke inpassing ten minste 15 % van de omvang van het bouwperceel bedraagt;

h. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling."

7.    Tussen partijen is niet in geschil dat hier sprake is van een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbewerking binnen Landelijk gebied, als bedoeld in artikel 2.77, eerste lid, van de IOV.

8.    [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en de Stichting hebben aangevoerd dat sprake is van strijd met dat artikel, gelezen in samenhang met artikel 3.49, derde lid, en artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, e, en f, van de IOV.

8.1.    Het eerste lid van artikel 3.49 van de IOV sluit mestbewerking uit, tenzij dit plaatsvindt ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest. Het derde lid van dit artikel maakt het mogelijk dat, in afwijking van het eerste lid, mestvergisting plaatsvindt van elders geproduceerde mest, mits het gaat om mestvergisting voor samenwerkende melkrundveehouderijen tot ten hoogste 25.000 ton per jaar en, in het geval dat de mest na vergisting ter plaatse verder wordt bewerkt, ten minste 50% van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water. Dat ten minste 50% van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water, staat ook in artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder c, van de IOV.

Niet is gebleken dat de op het perceel te vergisten en te bewerken mest afkomstig is van samenwerkende melkrundveehouderijen en dat 50% van het volume van de mest die ter plaatse verder wordt bewerkt, wordt omgezet in loosbaar water. Verder gaat het hier om de bewerking van mest tot 80.000 ton per jaar. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter wordt daarom niet voldaan aan artikel 3.49, derde lid, en artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder c, van de IOV.

8.2.    Ingevolge artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOV mag een bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedragen. Ingevolge artikel 1.1 van de IOV is het bouwperceel een aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd. Onder het begrip bouwperceel valt volgens de definitie niet alleen het bouwvlak waarop ingevolge het bestemmingsplan de gebouwen zijn toegelaten, maar ook de direct daaraan grenzende gronden waarop ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan.

Op het perceel rust gedeeltelijk de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en gedeeltelijk de bestemming "Agrarisch met waarden". Op eerstgenoemde gronden mogen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Op laatstgenoemde gronden mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Voor een deel van de gronden van de inrichting waarop de bestemming "Agrarisch met waarden" rust, geldt op grond van artikel 5.2.1, aanhef en onder a, van de regels van het bestemmingsplan "Asten Verzamelplan 2019-1" de aanduiding "overige zone - bouwverbod". Op dit deel van de gronden van de inrichting zijn geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geldt, anders dan [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en de Stichting betogen, het bouwverbod wel en brengt dit bouwverbod met zich dat het bouwperceel van de inrichting niet groter is dan 1,5 hectare. Voor zover [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en de Stichting verwijzen naar de ten noorden van het perceel gelegen gronden, waarvoor voormelde aanduiding niet geldt, overweegt de voorzieningenrechter dat deze gronden niet in eigendom zijn van [belanghebbende] en door de inrichting ook niet worden gebruikt. Die gronden behoren alleen al om die reden niet tot het bouwperceel als bedoeld in artikel 1.1 van de IOV.

8.3.    Ingevolge artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV wordt de mest met pijpleidingen aangevoerd vanaf de locatie waar de mest wordt geproduceerd.

In dit geval wordt de mest niet via pijpleidingen aangevoerd, zodat de voorzieningenrechter in zoverre op voorhand van oordeel is dat er strijd is met voormeld artikelonderdeel.

8.4.    Ingevolge artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder e, is de mestbewerking vanuit het oogpunt van een veilige en gezonde leefomgeving en, gelet op artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit, inpasbaar in de omgeving.

Partijen verschillen van mening over de vraag of, gelet op de geuroverlast die de inrichting veroorzaakt, hier sprake is van een veilige en gezonde leefomgeving. Deze vraag leent zich niet voor beantwoording in deze procedure.

8.5.    Ingevolge artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder f, van de IOV mag een locatie niet in 'Beperkingen Veehouderij' liggen.

Op één van de tekeningen bij het besluit van 11 december 2019, waarbij het college in afwijking van het bestemmingsplan omgevingsvergunning heeft verleend, zijn, naast de gronden ten oosten van een watergang, waarop alle bouwwerken van de inrichting zijn gesitueerd, ook gronden, gelegen ten westen van die watergang, opgenomen. De gronden ten westen van de watergang zijn gelegen in het werkingsgebied "Beperkingen Veehouderij". Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zou uit die tekening kunnen worden afgeleid dat, zoals [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en de Stichting betogen, de omgevingsvergunning ook op die gronden betrekking heeft, waardoor er in zoverre strijd bestaat met de IOV.

9.    Zoals is overwogen onder 4.3 is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college de aanvraag had moeten toetsen aan de IOV. Voor het geval dat de Afdeling in de hoofdzaak het college volgt en oordeelt dat de aanvraag moest worden getoetst aan de Verordening Ruimte 2014, overweegt de voorzieningenrechter als volgt over het betoog van [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en de Stichting dat niet wordt voldaan aan artikel 7.12, derde lid, aanhef en onder b, Verordening Ruimte 2014. Het college baseert zijn standpunt in het besluit van 11 december 2019 waarbij van het bestemmingsplan is afgeweken, dat aan dat artikelonderdeel is voldaan, op een accountantsverklaring. De aan deze verklaring ten grondslag gelegen documenten vormen, zoals [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en de Stichting betogen, evenwel geen onderdeel van het besluit en zijn niet aan hen ter beschikking gesteld. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college dan ook onvoldoende gemotiveerd dat aan artikel 7.12, derde lid, aanhef en onder b, Verordening Ruimte 2014 wordt voldaan.

10.    Uit al het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter twijfel heeft of de besluiten van 11 december 2019 in de bodemprocedure in stand zullen blijven. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding de hierna te vermelden voorlopige voorziening te treffen.

11.    Het college dient op de hierna te vermelden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 11 december 2019, kenmerk Z.111926/D.536833, en van 11 december 2019, kenmerk Z.24221/D.536765;

II.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.101,41 (zegge: elfhonderdeen euro en eenenveertig cent), waarvan € 1.050,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) voor [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en € 354,00 (zegge: driehonderdvierenvijftig euro) voor Stichting Mens, Dier & Peel vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Pieters
voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2020

473.