Uitspraak 202000910/2/R2


Volledige tekst

202000910/2/R2.
Datum uitspraak: 12 maart 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoekster A] en [verzoeker B], gevestigd respectievelijk wonend te Horst aan de Maas,

verzoekers,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 10 januari 2020 in zaken nrs. 19/3119 en 19/3124 in het geding tussen:

de maatschap en [verzoeker B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas.

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2019 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en brandveilig gebruik ten behoeve van het oprichten van twee bedrijfsgebouwen voor het huisvesten van maximaal 114 arbeidsmigranten, een bedrijfswoning en een kantoorruimte op het perceel [locatie 1] te Horst.

Bij uitspraak van 10 januari 2020 heeft de rechtbank het door de maatschap en [verzoeker B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de maatschap en [verzoeker B] hoger beroep ingesteld.

Voorts hebben de maatschap en [verzoeker B] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 februari 2020, waar de maatschap en [verzoeker B], vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, advocaat te Deurne, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.H.A.S. Gidding, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde C] en [gemachtigde D], bijgestaan door [gemachtigde E] en [gemachtigde F], gehoord.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Het college heeft een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verleend voor de bouw van twee bedrijfsgebouwen ten behoeve van het huisvesten van 114 arbeidsmigranten. Vergunninghouder heeft ter zitting toegelicht dat het de bedoeling is aan de [locatie 1] in deze gebouwen de arbeiders voor haar agrarisch bedrijf te huisvesten.

De maatschap exploiteert een boomkwekerij aan de [locatie 2] en [verzoeker B] woont aan de [locatie 3]. Zij vrezen overlast voor hun bedrijfsvoering en woon- en leefklimaat ten gevolge van de komst van de arbeidsmigranten. De maatschap en [verzoeker B] hebben aangegeven dat de bouw van de twee gebouwen inmiddels in een vergevorderd stadium is.

3.    Het verzoek van de maatschap en [verzoeker B] strekt tot schorsing van de verleende omgevingsvergunning voor zover die betrekking heeft op de twee bedrijfsgebouwen. Aan dit verzoek leggen de maatschap en [verzoeker B] ten grondslag dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de bouw van deze gebouwen in overeenstemming is met het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas". Het geschil spitst zich toe op de vraag of een gebouw voor de huisvesting van arbeidsmigranten kan worden aangemerkt als bedrijfsgebouw zoals bedoeld in het plan. De maatschap en [verzoeker B] betogen dat dit niet het geval is, omdat alleen mag worden gebouwd ten dienste van de agrarische bestemming. Zij betogen voorts dat de rechtbank het begrip ‘bedrijfsgebouw’ letterlijk had moeten uitleggen, in plaats van alleen te kijken naar de bedoeling van de planwetgever.

4.    Het college heeft in het bestreden besluit overwogen dat ingevolge het bestemmingsplan op het perceel [locatie 1] de bestemming "Agrarisch met waarden" met de aanduiding "bouwvlak" rust. Het bouwplan is in overeenstemming met dit plan. Het college heeft daartoe onder meer overwogen dat het huisvesten van arbeidsmigranten mag plaatsvinden in (agrarische) bedrijfsgebouwen. Gezien de begripsomschrijving van ‘bedrijfsgebouw’ in artikel 1, lid 1.23, van de planregels, mag een dergelijk gebouw worden gebruikt voor alle activiteiten die nodig zijn voor de uitoefening van het bedrijf. Ook is voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.3, op grond waarvan het gebruik van bestaande en nieuwe bedrijfsgebouwen voor de huisvesting van arbeidsmigranten uitdrukkelijk is toegestaan.

5.    Artikel 1, lid 1.23, van de planregels luidt: "Bedrijfsgebouw: een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;"

Artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.3, luidt: "In agrarische bedrijfsgebouwen is structurele huisvesting van arbeidsmigranten toegestaan, met dien verstande dat:

a. sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf;

b. de huisvesting plaatsvindt in bestaande dan wel nieuw te bouwen bedrijfsgebouwen binnen het agrarisch bouwvlak niet zijnde tijdelijk woonunits, kampeermiddelen en stacaravans;

[…].

6.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het gebruik van bedrijfsgebouwen ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten wordt bepaald door artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.3, van de planregels. In deze bepaling is expliciet opgenomen dat dit gebruik - onder de gestelde voorwaarden - rechtstreeks is toegestaan. De rechtbank heeft voorts overwogen dat met het bepaalde onder b van voornoemd artikel, de planwetgever tot uitdrukking heeft gebracht dat (ook) de huisvesting van arbeidsmigranten behoort tot de uitoefening van het bedrijf.

7.    De voorzieningenrechter is van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat geen omgevingsvergunning had mogen worden verleend. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat de bouw van de twee gebouwen, met inbegrip van het beoogde gebruik, in overeenstemming met het bestemmingsplan is. Bepalend daarvoor is dat onder bedrijfsgebouwen in dit plan, mede gebouwen ten behoeve van het huisvesten van arbeidsmigranten kunnen worden begrepen. Er is ook geen grond te twijfelen aan de bedoeling van de planwetgever.

Uit artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.3, van de planregels blijkt dat de raad uitdrukkelijk heeft beoogd het huisvesten van arbeidsmigranten in nieuwe en bestaande bedrijfsgebouwen toe te staan. Het college heeft deze bedoeling ter zitting uitdrukkelijk bevestigd en daarbij gewezen op paragraaf 4.3 van de toelichting bij het plan. Onder deze omstandigheden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat gebouwen voor de huisvesting van arbeidsmigranten, bedrijfsgebouwen zoals bedoeld in artikel 1, lid 1.23, van het bestemmingsplan zijn.

8.    In het betoog van de maatschap en [verzoeker B] over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door de maatschap, en in hetgeen zij voor het overige hebben gesteld in hun nader stuk van 21 februari 2020, ziet de voorzieningenrechter evenmin aanknopingspunten voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden, althans dat uiteindelijk zal blijken dat geen omgevingsvergunning had mogen worden verleend.

9.    Gelet hierop zal het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen. Daarbij wijst de voorzieningenrechter erop dat een houder van een verleende vergunning, zolang deze niet in rechte onaantastbaar is, op eigen risico daarvan gebruik maakt.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.J.M. Schoonbrood, griffier.

w.g. Slump    w.g. Schoonbrood
voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2020

694.