Uitspraak 202000034/2/R2


Volledige tekst

202000034/2/R2.
Datum uitspraak: 18 februari 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats], en anderen,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Drimmelen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Adelstraat 9, Made" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen beroep ingesteld.

[verzoeker] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 februari 2020, waar [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M.P. Wolf, advocaat te Breda, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.A. Keij, bijgestaan door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda, zijn verschenen. Voorts zijn daar namens Zwaluwe Projectontwikkeling B.V., [gemachtigde], bijgestaan door R.C. van Wamel, advocaat te Bergen op Zoom, verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Inleiding

2.    Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om het bestaande gebouw op het perceel Adelstraat 9, waarin voorheen een Rabo-kantoor was gevestigd, te verbouwen tot een appartementencomplex met 19 appartementen. Bij uitspraak van 18 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3191, heeft de Afdeling een eerdere versie van het bestemmingsplan vernietigd wegens een gebrekkige parkeerregeling. De raad heeft bij het bestreden besluit ten opzichte van die eerdere versie de parkeerregeling gewijzigd en enkele andere wijzigingen opgenomen.

Het plangebied grenst aan het perceel [locatie], dat in eigendom is van [verzoeker] en anderen. Zij vrezen dat het plan zal leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat bij de woning op hun perceel. [verzoeker] en anderen verzoeken om bij wijze van voorlopige voorziening het plan te schorsen om onomkeerbare gevolgen van de inwerkingtreding daarvan te voorkomen.

Voor de zitting ingediende stukken

3.    [verzoeker] en anderen hebben voor de gronden van het verzoek om voorlopige voorziening verwezen naar de door hen bij faxberichten van 31 januari 2020 en 3 februari 2020 ingediende gronden van beroep in de hoofdzaak. Het faxbericht van 3 februari 2020 is een dag voor de zitting om 18:12 uur bij de Afdeling binnengekomen en daarmee buiten de in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb gestelde termijn, voor zover het strekt ter onderbouwing van het verzoek. Nu dit stuk, dat nieuwe beroepsgronden bevat, zodanig laat is ingediend dat een adequate behandeling daarvan ter zitting niet kon plaatsvinden, en niet is gebleken dat [verzoeker] en anderen dit niet eerder hadden kunnen indienen, zal de voorzieningenrechter dit stuk niet betrekken bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal daarom uitsluitend de in het faxbericht van 31 januari 2020 naar voren gebrachte beroepsgronden in beschouwing nemen bij de beoordeling van het verzoek.

Procedure en publicatie

4.    De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om op voorhand aan te nemen dat de raad bij de vaststelling van het gewijzigde bestemmingsplan gehouden was de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht toe te passen, zoals [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd. Gelet op de wijzigingen in het bestreden besluit ten opzichte van het door de Afdeling vernietigde vaststellingsbesluit is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een wezenlijk ander bestemmingsplan. De raad mocht er daarom voor kiezen niet de gehele procedure van afdeling 3.4 te doorlopen, maar om terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag.

Het betoog van [verzoeker] en anderen dat de bekendmaking van het bestemmingsplan ondeugdelijk is geweest, slaagt naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter evenmin. De voorzieningenrechter acht de inhoud van de bekendmaking zodanig dat belanghebbenden daaruit kunnen opmaken dat het besluit voor hen relevant zou kunnen zijn. Bovendien heeft de raad ter zitting toegelicht dat de personen die in de eerdere procedure een zienswijze hebben ingediend over het ontwerp, in kennis zijn gesteld van het besluit van 14 november 2019, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat derden in hun belangen zijn geschaad.

Parkeerregeling

5.    [verzoeker] en anderen hebben verder betoogd dat het bestemmingsplan nog steeds geen deugdelijke parkeerregeling bevat. Ter zitting hebben zij toegelicht dat artikel 4.3.3 van de planregels weliswaar op zichzelf duidelijk is, maar dat de planregel geen parkeernorm of dynamische verwijzing naar het parkeerbeleid bevat, waardoor niet duidelijk is op basis waarvan moet worden voorzien in voldoende parkeerruimte. Verder hebben zij aangevoerd dat het aantal benodigde parkeerplaatsen op basis van een onjuiste berekening is vastgesteld en dat de regeling in strijd is met artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening en het Beleidsplan Verkeer en Vervoer 2018-2028, waarin is voorgeschreven dat parkeerplaatsen op eigen terrein moeten worden gerealiseerd.

5.1.    Artikel 4.3.3 (Voorwaardelijke verplichting) van de planregels luidt:

"De gronden met de bestemming Wonen mogen slechts worden bebouwd of gebruikt onder de voorwaarde dat binnen het plangebied ten minste 31 parkeerplaatsen gerealiseerd en in stand gehouden worden."

5.2.    Op de pagina’s 23 en 24 van de plantoelichting wordt ingegaan op de in het bestemmingsplan opgenomen parkeerregeling. Vermeld is dat bij de vaststelling van dit bestemmingsplan is uitgegaan van het in november 2018 door de raad vastgestelde Beleidsplan Verkeer en Vervoer 2018-2028 (hierna: het Beleidsplan). Dat Beleidsplan bevat een actualisatie van de systematiek om te bepalen of bij ontwikkelingen en nieuw- en verbouwplannen kan worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Volgens het Beleidsplan wordt voor de toepassing van de parkeernormen uitgegaan van de meest actuele landelijke parkeerkencijfers die zijn opgesteld door het CROW. Daarbij is vermeld dat voor de gemeente Drimmelen wordt uitgegaan van de gemiddelde parkeerkencijfers binnen de bandbreedte van de van toepassing zijnde parkeerkencijfers, omdat in de gemeente Drimmelen geen sprake is van een uitzonderlijke situatie op grond waarvan een hoge of lage parkeerbehoefte verwacht mag worden. Verder is in het Beleidsplan vermeld dat Drimmelen wat betreft de stedelijkheidsgraad gekwalificeerd moet worden als "weinig stedelijk" en dat binnen de gemeente Drimmelen drie stedelijke zones zijn te onderscheiden.

Blijkens de plantoelichting heeft de raad op basis van deze uitgangspunten de parkeerbehoefte van de geplande 19 appartementen berekend. De voorzieningenrechter ziet daarom op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat onduidelijk is op grond waarvan de parkeerbehoefte is vastgesteld en de planregel in zoverre rechtsonzeker is.

5.3.    Uit de berekening in de plantoelichting volgt dat de parkeerbehoefte van het geplande appartementencomplex moet worden becijferd op 31 parkeerplaatsen. Daarbij is de raad overeenkomstig het Beleidsplan uitgegaan van de gemiddelde parkeerkencijfers. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad dit ten onrechte heeft gedaan en in plaats daarvan, in afwijking van het Beleidsplan, had moeten uitgaan van de hoogste parkeerkencijfers binnen de door de CROW gehanteerde bandbreedte. Het betoog dat de raad bij de berekening ten onrechte is uitgegaan van de stedelijke zone "Centrum", zoals gesteld, hebben [verzoeker] en anderen niet onderbouwd.

Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen grond om op voorhand aan te nemen dat de raad de parkeerbehoefte onjuist heeft berekend.

5.4.    Binnen het plangebied is voorzien in 31 parkeerplaatsen. Anders dan waarvan de Afdeling in de hiervoor vermelde uitspraak van 18 september 2019 is uitgegaan, voorziet het bestemmingsplan in de realisering van 20 parkeerplaatsen op eigen terrein. Daarnaast worden voor rekening van de initiatiefnemer 9 parkeerplaatsen aan de zijde van de Middelmeede en 2 parkeerplaatsen aan de zijde van de Adelstraat gerealiseerd.

Voor zover [verzoeker] en anderen hebben betoogd dat de parkeerregeling in strijd is met artikel 2.5.30 van de Bouwverordening, overweegt de voorzieningenrechter dat die bepaling is vervallen.

Voor zover zij hebben aangevoerd dat de parkeerregeling in strijd is met het Beleidsplan, omdat niet alle 31 parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd, ziet de voorzieningenrechter daarin evenmin aanleiding om het bestemmingsplan te schorsen. Weliswaar hoeven ingevolge artikel 4.3.3 van de planregels niet alle benodigde 31 parkeerplaatsen op eigen terrein te worden gerealiseerd en voldoet die planregel daarmee in zoverre niet aan het in het Beleidsplan opgenomen uitgangspunt dat moet worden geparkeerd op eigen terrein, maar gelet op de in het Beleidsplan opgenomen mogelijkheid om van dat uitgangspunt af te wijken, is de voorzieningenrechter op voorhand niet tot de overtuiging gekomen dat dit in de bodemprocedure tot vernietiging van het bestemmingsplan zal leiden. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat volgens het Beleidsplan naar oplossingen in de openbare ruimte kan worden gekeken als het niet lukt om aan de parkeerbehoefte van een bouwplan op eigen terrein te voldoen. Mede gelet op het door Zwaluwe Projectontwikkeling overgelegde rapport "Parkeeronderzoek herontwikkeling Adelstraat 9 in Made" van 16 oktober 2019, waarin de resultaten van een parkeerdrukonderzoek zijn opgenomen, en hetgeen ter zitting is besproken, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om op voorhand aan te nemen dat realisering van de 11 parkeerplaatsen in de openbare ruimte tot een te hoge parkeerdruk zal leiden.

6.    Onder deze omstandigheden en na afweging van de betrokken belangen, bestaat aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Deen
voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2020

604.