Uitspraak 201902211/1/R3


Volledige tekst

201902211/1/R3.
Datum uitspraak: 19 februari 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2019 heeft de raad het wijzigingsplan "Verkeerstorenplein" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2020, waar het college, vertegenwoordigd door N.J. Brouwers en M. van Heijden, is verschenen. Voorts is Amvest, vertegenwoordigd door [gemachtigde], ter zitting gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het wijzigingsplan maakt een woonzorglocatie met 20 woonunits in twee bouwlagen mogelijk aan het Verkeerstorenplein in Nootdorp. Amvest is de initiatiefnemer van deze ontwikkeling. Op deze gronden heeft tot 2012 de basisschool Het Avontuur gestaan. De school is verhuisd en de bebouwing is verwijderd. Sindsdien is de locatie onbebouwd. Omdat de locatie zich volgens de raad leent voor woningbouw, is in het bestemmingsplan "Nootdorp-Noord, 1e partiële herziening" de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 2" aan deze gronden met de bestemming "Maatschappelijk" toegekend. Op een perceel naast het plangebied staat nog de verkeerstoren van het voormalige vliegveld Ypenburg.

2.    [appellant] en anderen wonen aan de Texel in Nootdorp. De kortste afstand tussen hun woningen en de voorziene bebouwing is 33 meter. Zij willen met hun beroep bereiken dat het plangebied onbebouwd blijft.

Ontvankelijkheid

3.    Artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt:

"1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

(…)

3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen."

3.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant] en anderen niet-ontvankelijk is, voor zover het is ingediend door de Vereniging van Deelgenoten Texel [nummers]. Volgens het college is niet aangetoond dat dit een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid betreft. De Afdeling gaat er in navolging van de voorzieningenrechter (uitspraak van 21 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1616) van uit, zoals ook ter zitting van de voorzieningenrechter is bevestigd, dat het beroepschrift is ingediend door [appellant] en anderen als eigenaren en bewoners van de percelen Texel [nummers] in Nootdorp. Het beroepschrift is namens die eigenaren en bewoners ondertekend door [appellant]. Dat hij daartoe gemachtigd was, blijkt uit de overgelegde machtigingen. De Afdeling laat gelet hierop buiten beschouwing of de Vereniging van Deelgenoten Texel [nummers] als een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid is aan te merken. [appellant] en anderen wonen op korte afstand van het plangebied en zijn als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te beschouwen. Het beroep van [appellant] en anderen is ontvankelijk.

Het beroep

Uitgangspunten beoordeling

4.    De Afdeling stelt bij de bespreking van de beroepsgronden voorop dat met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan de planologische aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven mag worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan ook na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

4.1.    Het perceel waarop het wijzigingsplan betrekking heeft, had in het bestemmingsplan "Nootdorp-Noord, 1e partiële herziening" de bestemming "Maatschappelijk" en de aanduiding "wetgevingszone-wijzigingsgebied 2". Artikel 12, lid 12.3, van de planregels luidde:

"12.3 Wijzigingsbevoegdheid

Wro-zone wijzigingsgebied-2

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemmingen en aanduidingen (waaronder bouwvlakken) van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'Wro-zone-wijzigingsgebied-2' te wijzigen in de bestemmingen Wonen (W) en Tuin (T) met inachtneming van de volgende regels:

a. er zijn maximaal 24 woningen met bijbehorende erfbebouwing toegestaan;

b. de maximale bouwhoogte bedraagt 15 meter;

c. voldaan wordt aan de parkeernormen zoals opgenomen in de Nota parkeernormen, zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels;

d. het bouwtype van de woning 'gestapeld' wordt;

e. uit bodemonderzoek moet blijken dat de bodem geschikt is voor de ter plaatse beoogde functie(s);

f. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;

g. het plan dient te voldoen aan het bepaalde in de Flora- en faunawet;

h. het plan dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;

i. het plan dient te voldoen aan de normen uit de Wet geluidhinder;

j. het plan dient te voldoen aan de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen [en] het Besluit externe veiligheid buisleidingen;

k. de economische uitvoerbaarheid dient vooraf te zijn verzekerd."

Het monumentale karakter van de verkeerstoren

5.    [appellant] en anderen betogen dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met het monumentale karakter van de verkeerstoren. Volgens [appellant] en anderen had het college ervan moeten uitgaan dat de verkeerstoren een gemeentelijk monument is. Zij stellen onder verwijzing naar verslagen van raadsvergaderingen dat de verkeerstoren formeel als gemeentelijk monument aangewezen had moeten zijn.

5.1.    Niet in geschil is dat de verkeerstoren niet is aangewezen als gemeentelijk monument. Ook geldt ter plaatse geen aanwijzing als beschermd stads- en dorpsgezicht. Of de verkeerstoren als gemeentelijk monument aangewezen had moeten worden, kan in deze procedure niet aan de orde komen.

Het plan heeft geen betrekking op de verkeerstoren, maar op het naastgelegen perceel. In paragraaf 4.7.4 van de toelichting van het wijzigingsplan is aandacht besteed aan de cultuurhistorie in de omgeving van het plangebied. Daarin is beschreven dat de verkeerstoren van de voormalige vliegbasis Ypenburg een object is met cultuurhistorische waarde. Het bouwvlak is vanwege de aanwezigheid van de verkeerstoren zodanig gesitueerd dat de verkeerstoren vanaf het fietspad goed zichtbaar blijft. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college hiermee de verkeerstoren op het naastgelegen perceel op een toereikende wijze in zijn afweging betrokken. Het betoog faalt.

Het Hoofdlijnenakkoord 2018-2022

6.    [appellant] en anderen wijzen op een aantal passages uit het Hoofdlijnenakkoord 2018-2022 van de gemeenteraad van Pijnacker-Nootdorp, waaronder een passage over behoedzaam bijbouwen, en betogen dat het plan niet in overeenstemming is met het Hoofdlijnenakkoord.

6.1.    Het Hoofdlijnenakkoord heeft betrekking op de verhoudingen binnen het gemeentebestuur. Naast de door [appellant] en anderen bedoelde passages over behoedzaam bijbouwen, bevat het ook passages over de uitbreiding van het aantal woningen voor ouderen met een specifieke woonbehoefte. Gelet hierop staat het Hoofdlijnenakkoord niet in de weg aan de vaststelling van het wijzigingsplan dat voorziet in verzorgingswoningen voor mensen met geheugenverlies. Daarbij betrekt de Afdeling dat op deze locatie op grond van het bestemmingsplan al gebouwen ten behoeve van maatschappelijke functies mochten worden gebouwd en ook al aanwezig waren. Het betoog faalt.

Privacy

7.    [appellant] en anderen betogen dat het college de aantasting van hun privacy heeft miskend. Dat er een fietspad tussen de woningen en het plangebied ligt, heeft het college ten onrechte van betekenis geacht in zijn beoordeling van de gevolgen van het plan voor hun privacy.

7.1.    De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen de woningen van [appellant] en anderen en de voorziene nieuwbouw ten minste 33 meter is en dat zij in een stedelijke omgeving wonen. De bouwhoogte van de nieuwe ontwikkeling is maximaal 8 meter. Voor het oordeel dat het plan leidt tot een onevenredige aantasting van hun privacy bestaat daarom geen aanleiding. Het betoog faalt.

Spreiding zorgcentra

8.    [appellant] en anderen wijzen op de aanwezigheid van een groot zorgcomplex in hun wijk en voeren aan dat voor het zorgcomplex waarin het wijzigingsplan voorziet een andere locatie gekozen had moeten worden zodat de verschillende zorgcentra beter verspreid zijn over de gemeente.

8.1.    Het college stelt in het kader van een goede ruimtelijke ordening te hebben meegewogen of de omwonenden nadeel ondervinden van het plan, dat verzorgingswoningen voor mensen met geheugenverlies mogelijk maakt, en is tot de conclusie gekomen dat het plan aanvaardbaar is op deze locatie. [appellant] en anderen hebben niet onderbouwd waarom de verzorgingswoningen hier niet passend zijn. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college een zorgcomplex op deze locatie niet aanvaardbaar heeft kunnen achten, omdat in deze wijk al een zorgcomplex aanwezig is. Het betoog faalt.

Explosieven

9.    [appellant] en anderen betogen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van explosieven. Zij wijzen op de bodembelastingkaart van de gemeente Den Haag en de militaire functie van het voormalige vliegveld.

9.1.    Het college heeft uiteengezet dat in het verleden al diverse grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden binnen het plangebied, zoals het aanplanten van bos, het verwijderen van bos, het leggen van kabels en leidingen en het realiseren van een tijdelijke school.  Gedurende die werkzaamheden zijn geen explosieven aangetroffen. Daarnaast zijn bij andere onderzoeken in de bodem ook geen explosieven aangetroffen. Het college acht het dan ook zo goed als uitgesloten dat ter plaatse explosieven in de grond zitten die een gevaar kunnen opleveren voor de omgeving. Gelet hierop heeft het college naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om afzonderlijk onderzoek in de bodem te doen naar de aanwezigheid van explosieven en evenmin om bij het ontbreken daarvan aan de uitvoerbaarheid van het plan te twijfelen. Het betoog faalt.

Bomen

10.    [appellant] en anderen wijzen erop dat in het plangebied vijf bomen staan. In het uitgevoerde flora- en faunaonderzoek is hiermee ten onrechte geen rekening gehouden. Doordat ook de grond waarop deze bomen staan, wordt overgedragen aan de ontwikkelaar bestaat het risico dat de bomen zullen worden gekapt. Het college had moeten waarborgen dat de bomen behouden blijven, aldus [appellant] en anderen.

10.1.    Aan de gronden waarop de bomen staan is de bestemming "Tuin" toegekend. De bomen staan ruim buiten het bouwvlak, zodat de kap ervan niet nodig is om deze ontwikkeling te kunnen realiseren. Amvest heeft ter zitting bevestigd dat er geen plannen zijn om de bomen te kappen. Anders dan [appellant] en anderen aanvoeren, zijn de bomen betrokken in het uitgevoerde flora- en faunaonderzoek, de Quick scan flora en fauna van adviesbureau Econsultancy van 17 augustus 2018. Zoals het college heeft toegelicht is de rij bomen in de gebiedsbeschrijving van paragraaf 2.1 opgenomen, maar is in paragraaf 5.1.1 van de Quick scan abusievelijk vermeld dat de onderzoekslocatie geen bomen bevat. Voor de kap van deze bomen is bovendien op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Pijnacker-Nootdorp 2017 een omgevingsvergunning nodig. Bij de beslissing over de verlening daarvan moeten onder meer de landschappelijke waarden en de natuurwaarden worden betrokken. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college in zijn besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met deze bomen. Het betoog faalt.

Belangen omwonenden

11.    [appellant] en anderen betogen dat het college het veronderstelde belang bij een nieuw zorgcomplex in de wijk ten onrechte zwaarder heeft laten wegen dan het belang van omwonenden, die alleen nadelen ondervinden van deze ontwikkeling. Volgens [appellant] en anderen is sprake van een bijzondere open plek in de wijk die behouden moet blijven en omschrijft het college de plek ten onrechte als hondenuitlaatplek.

11.1.    Het college heeft gebruik gemaakt van een wijzigingsbevoegdheid die is toegekend aan gronden die in het verleden al bebouwd zijn geweest. De wijzigingsbevoegdheid laat bovendien bebouwing toe met een bouwhoogte van 15 meter, terwijl het plan bebouwing met een hoogte van 8 meter mogelijk maakt. In zijn afweging heeft het college blijkens de plantoelichting en de nota zienswijzen tevens de belangen van [appellant] en anderen betrokken. Voor het oordeel dat het college in redelijkheid het belang van [appellant] en anderen bij het behoud van een open plek in de wijk zwaarder had moeten laten wegen dan de belangen die worden gediend met de ontwikkeling, ziet de Afdeling geen aanleiding. Het betoog faalt.

Conclusie

12.    Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Proceskosten

13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

14.    De Afdeling ziet wel aanleiding om het door [appellant] en anderen teveel betaalde griffierecht terug te betalen. Nu de Afdeling uitgaat van een beroep dat is ingediend door natuurlijke personen, en niet door de rechtspersoon Vereniging van Deelgenoten Texel [nummers], waren zij griffierecht tot een bedrag van € 174,00 verschuldigd in plaats van een bedrag van € 345,00.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant] en anderen ongegrond;

II.    verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] en anderen het door hen teveel betaalde griffierecht ten bedrage van € 171,00 (zegge: honderdeenenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Poppelaars, griffier.

w.g. Borman    w.g. Poppelaars
lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2020

780.