Uitspraak 201901922/1/A1


Volledige tekst

201901922/1/A1.
Datum uitspraak: 18 december 2019

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Vreeland, gemeente Stichtse Vecht,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 28 januari 2019 in zaak nr. 18/1154 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht.

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2016 heeft het college [bedrijf] onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen een termijn van acht weken de afscheiding staande op het perceel [locatie A] (hierna: het perceel) te verwijderen dan wel verwijderd te (laten) houden dan wel te verlagen tot één meter boven het aansluitend afgewerkte terrein.

Bij besluit van 14 februari 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit herroepen, omdat ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom geen sprake was van een overtreding.

Bij uitspraak van 28 januari 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2019, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S. van Gent, advocaat te Zwolle, en het college vertegenwoordigd door mr. T. Sahabi, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [bedrijf], vertegenwoordigd door mr. J. Rutteman, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigde].

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] woont op het adres [locatie B] te Vreeland. Op het perceel wordt door projectontwikkelaar [naam bedrijf] een nieuwbouwwijk gerealiseerd, bestaande uit zestig woningen. Tussen de zuidzijde van het nieuwbouwterrein en de bestaande bebouwing, waaronder de woning van [appellant], ligt een eiland. Aan de zuidzijde van dat eiland ter hoogte van het perceel van [appellant] is een afscheiding geplaatst. Tussen het eiland en het perceel van [appellant] ligt een sloot met een breedte van ongeveer 1 m.

De aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de afscheiding in de vorm van bouwhekken als hulpconstructie is aan te merken, die functioneel is voor de bouwactiviteit, de bouw van de nieuwbouwwijk, en die ook is geplaatst in de onmiddellijke nabijheid van die bouwactiviteit. De bouwhekken kunnen daarom zonder omgevingsvergunning worden geplaatst. Van een overtreding waartegen handhavend opgetreden moet worden is dan ook geen sprake.

Beoordeling hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat geen sprake is van een hulpconstructie. Hiertoe voert hij aan dat het hekwerk niet functioneel is voor de bouwactiviteit en niet is geplaatst op of in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop die activiteiten worden uitgevoerd. Zo is het nieuwbouwterrein niet via het eiland te bereiken. Verder is niet gebleken dat op het eiland onderhoudswerkzaamheden of bouwactiviteiten plaatsvinden. Als er beschoeiing op het eiland wordt aangebracht, dan het is het hekwerk daarvoor niet functioneel, aldus

[appellant].

3.1.    Artikel 2, aanhef en twintigste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) luidt:

"Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een bouwkeet, bouwbord, steiger, heistelling, hijskraan, damwand of andere hulpconstructie die functioneel is voor een bouw-, onderhouds- of sloopactiviteit, een tijdelijke werkzaamheid in de grond-, weg- of waterbouw of een tijdelijke werkzaamheid op het land waarop het Besluit algemene regels milieu mijnbouw van toepassing is, mits geplaatst op of in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop die activiteit of werkzaamheid wordt uitgevoerd."

3.2.    [bedrijf] is eigenaar van het perceel. Zij heeft ten behoeve van de bouw- en aanlegwerkzaamheden op het perceel een afscheiding geplaatst ter hoogte van de tuin van [appellant]. De werkzaamheden bestonden uit de bouw van woningen en het uitgraven van een sloot met een breedte van ongeveer 5 m om een eiland te kunnen realiseren, het ophogen van het aldus gevormde eiland, het aanplanten van bomen en het aanbrengen van beschoeiing. Deze werkzaamheden waren ten tijde van het primaire besluit en het besluit op bezwaar nog niet afgerond. [appellant] heeft dit niet gemotiveerd betwist. Gelet op de hiervoor weergegeven werkzaamheden die op het gehele perceel plaatsvonden, was de afscheiding functioneel en in de onmiddellijke nabijheid van die werkzaamheden geplaatst. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat de afscheiding een hulpconstructie was als bedoeld in artikel 2, aanhef en twintigste lid, van bijlage II van het Bor en zonder omgevingsvergunning kon worden geplaatst.

Het betoog faalt.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is ongegrond.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Minderhoud    w.g. Soede
lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2019

270-935.