Uitspraak 201901848/1/R1


Volledige tekst

201901848/1/R1.
Datum uitspraak: 18 december 2019

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Beegden, gemeente Maasgouw,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Maasgouw,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoevewonen Heerstraat-Zuid, Beegden"vastgesteld. Op die datum heeft de raad ook het beeldkwaliteitsplan "Hoevewonen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2019, waar [appellant], bij monde van [appellant A], en de raad, vertegenwoordigd door ir. P.W.H.J. Donners, L. Smets en ing. C.P.H.G. van der Goor, zijn verschenen. Voorts is IDBB Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    In het plan, dat betrekking heeft op het perceel Heerstraat-Zuid 20, wordt de op 16 juni 2017 verleende omgevingsvergunning ‘Comfort Care Krijtenberg’ als zodanig bestemd door middel van de enkelbestemming "Maatschappelijk - Welzijnsinstelling". Daarmee wordt voorzien in het verbouwen van de historische hoeve ‘Huis ter Beegden’ ten behoeve van de bouw van een zorgcomplex. Daarnaast maakt het plan op de naastgelegen gronden ten westen van de hoeve met de bestemming "Woongebied" in de bouw van een gebouw met 15 appartementen voor senioren mogelijk. Aan de gronden ten zuiden van het zorgcomplex en het appartementengebouw is de bestemming "Groen" toegekend met het oog op een voorziene buitenruimte.

[appellant] woont op het perceel [locatie]. Dit perceel bevindt zich in de directe omgeving ten noordwesten van het plangebied. [appellant] vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat en hij stelt dat het plan onzorgvuldig tot stand is gekomen.

IDBB is de ontwikkelaar van het plan.

Beeldkwaliteitsplan

2.    De raad betoogt dat [appellant] beroep heeft ingesteld tegen het beeldkwaliteitsplan, terwijl daar geen beroep tegen kan worden ingesteld.

2.1.    De Afdeling overweegt dat het beeldkwaliteitsplan een beleidsregel, is waartegen ingevolge artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geen beroep kan worden ingesteld. Gelet hierop is de Afdeling onbevoegd om van het beroep kennis te nemen voor zover het is gericht tegen het beeldkwaliteitsplan.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Procedurele gronden

4.    [appellant] stelt zich op het standpunt dat de bestemmingsplanprocedure onzorgvuldig was. Hij voert aan dat de raad de naar voren gebrachte zienswijze onvoldoende heeft behandeld, omdat deze op meerdere punten onbeantwoord is gebleven. Ook zijn de gemaakte opmerkingen en gestelde vragen tijdens de commissievergadering in november 2018 voor een groot deel onbeantwoord gebleven, aldus [appellant]. Volgens hem heeft de raad in strijd gehandeld met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook stelt [appellant] dat diverse aan het besluit ten grondslag liggende documenten, zoals documenten over de stedenbouwkundige, landschappelijke en sociale waarden, onvolledig zijn.

4.1.    De Afdeling stelt vast dat de bestemmingsplanprocedure volgens de procedurele regels in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en de Awb is verlopen. Het besluit is met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure in de Awb tot stand gekomen. De nota van zienswijzen is na vaststelling van het plan tegelijk met de andere op het besluit betrekking hebbende stukken ter inzage gelegd.

De zienswijze van [appellant] is samengevat en van commentaar voorzien in die nota van zienswijzen. De Afdeling overweegt dat artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen verzet dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. De stelling van [appellant] dat niet alle vragen tijdens de commissievergadering in november 2018 zijn beantwoord, is geen reden om te oordelen dat de procedure tekort schoot. Overigens is in de Wro of enig ander wettelijk voorschrift niet bepaald dat alvorens de raad een bestemmingsplan vaststelt, dit plan in een commissievergadering moet worden besproken. Dat de procedure in zoverre niet leidt tot een invulling van het plangebied overeenkomstig de wensen van [appellant] betekent op zichzelf niet dat daarmee de procedure onzorgvuldig is doorlopen.

De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn niet gespecificeerde betoog in dit kader dat de raad in strijd heeft gehandeld met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Over het punt dat diverse documenten onvolledig zouden zijn, overweegt de Afdeling dat [appellant] deze stelling niet nader heeft geconcretiseerd. Niet valt in te zien in welk opzicht de raad, gelet op de plantoelichting, in zoverre in strijd heeft gehandeld met wettelijke vereisten.

Het betoog faalt.

De keuze hier de bouw van 15 appartementen mogelijk te maken

5.    [appellant] betoogt dat het besluit op oneigenlijke gronden is genomen. Hij onderbouwt dit door te stellen dat er in de gemeente geen behoefte aan de 15 appartementen is.

Verder voert hij aan dat het voornemen om ter plaatse een gebouw met 15 appartementen te bouwen niet is ingegeven door een goede ruimtelijke ordening, maar door het feit dat deze ontwikkeling voor IDBB noodzakelijk is om de investering in de renovatie van hoeve ‘Huis ter Beegden’ mogelijk te maken. [appellant] stelt dat toezeggingen op financiële gronden ten onrechte de doorslag hebben gegeven in de totstandkoming voor het plan. Ook is er ten onrechte al een overeenkomst gesloten tussen de gemeente en de projectleider alvorens het voorliggende plan was vastgesteld, aldus [appellant].

Verder betoogt [appellant] dat er in de gemeente alternatieve locaties zijn waar de in het plan voorziene ontwikkeling van 15 appartementen beter past. Hij wijst in dit kader op het percelen Dorpsstraat 44 en 44a te Heel.

5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan uit een oogpunt van volkshuisvesting en planologie is beoordeeld. Op 27 maart 2006 is een realiseringsovereenkomst gesloten tussen [bedrijf] en de voormalige gemeente Heel. In deze overeenkomst zijn 86 bouwtitels, die daarmee ook de zogenoemde planvoorraad in de gemeente vormen, opgenomen. De 15 in het plan voorziene appartementen maken hier onderdeel van uit, aldus de raad. Het woningbouwplan "Hoevewonen" is vervolgens opgenomen in het volkshuisvestingsbeleid, Structuurvisies "Wonen, zorg en woonomgeving Midden-Limburg", dat is vastgesteld op 18 december 2014, en "Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021", dat in voorbereiding is.

5.2.    Artikel 2:4, eerste lid, van de Awb luidt als volgt: "Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid."

5.3.    In paragraaf 2.3 van de plantoelichting staat beschreven dat uit de structuurvisie uit 2014 volgt dat de gemeente een terughoudende opstelling bij nieuwe woningbouwplannen moet innemen, omdat de huidige planvoorraad in relatie tot de resterende woningbehoefte een enorme omvang kent. Wel is er behoefte aan met name diverse vormen van seniorenhuisvesting. Verder heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het aantal inwoners van de gemeente Maasgouw weliswaar daalt, maar het aantal huishoudens volgens de prognose juist stijgt met minimaal 313 tot in 2025. In wat [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande, geen aanleiding voor het oordeel dat er geen behoefte aan de 15 appartementen zou zijn.

Wat [appellant] verder tegen de komst van het appartementengebouw aanvoert, begrijpt de Afdeling zo dat de raad het plan volgens [appellant] met vooringenomenheid heeft vastgesteld.

De raad heeft in paragraaf 2.3 van de plantoelichting beschreven dat het renoveren van de hoeve niet haalbaar is zonder een gezamenlijke ontwikkeling met het appartementengebouw van 15 woningen. Ter zitting heeft IDBB dit bevestigd. De enkele omstandigheid dat de raad vanuit zijn visie om de hoeve te renoveren deze gezamenlijke ontwikkeling mogelijk maakt, is geen reden om te oordelen dat aan de besluitvorming van de raad geen objectieve planologische afweging ten grondslag ligt. Gelet op de beschikbare stukken moet worden vastgesteld dat de raad aan de besluitvorming ruimtelijke motieven ten grondslag heeft gelegd. Dat bij het besluit van de raad om de voorziene appartementen te ontwikkelen ook financiële redenen een rol hebben gespeeld, maakt niet dat het besluit inhoudelijk niet in rechte in stand kan blijven. De Afdeling ziet daarom in de gang van zaken geen grond voor het oordeel dat de raad zijn taak in strijd met artikel 2:4 van de Awb met vooringenomenheid heeft vervuld. Het gegeven dat er voorafgaand aan het vaststellen van het plan al in 2006 een realisatieovereenkomst is gesloten om de financiële haalbaarheid van het plan te waarborgen, leidt niet tot een ander oordeel. Zo’n handelwijze is overigens niet ongebruikelijk.

Over het betoog van [appellant] dat er alternatieve locaties in de gemeente zijn om de 15 appartementen te bouwen, overweegt de Afdeling het volgende. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de percelen Dorpsstraat 44 en 44a eigendom zijn van de gemeente. Naar de mening van de raad verdient het gelet op die eigendomssituatie en op het belang van een evenwichtige spreiding van bouwtitels, niet de voorkeur om de schaarse bouwmogelijkheden binnen de gemeente op die locatie te benutten. De Afdeling acht dat niet onredelijk.

Het betoog faalt.

Landschappelijke waarden

6.    [appellant] betoogt dat de landschappelijke waarden worden aangetast, gelet op de hoogte van de bebouwing en de ontsluiting van het perceel.

6.1.    In paragraaf 3.2 van de plantoelichting heeft de raad toegelicht dat de appartementen in het plangebied deels in twee en deels in drie bouwlagen worden gerealiseerd, waarbij de bouwhoogtes respectievelijk 7,5 en 10,5 m zijn. Verder heeft de raad toegelicht dat de appartementen ontsloten worden via de Wiejerd. In wat [appellant] aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan gelet op de landschappelijke waarden niet heeft mogen vaststellen zoals hij heeft gedaan.

Het betoog faalt.

Alpenwatersalamander

7.    [appellant] vreest dat de alpenwatersalamander in het plangebied als gevolg van het plan zal worden verstoord. Hij stelt dat het onderzoek van de raad in dit kader tekortschiet, zeker omdat [appellant] de alpenwatersalamander in 2018 nog heeft waargenomen. Hij voert verder aan dat de raad het water ter plaatse ten onrechte al heeft gedempt uit vrees dat een alpenwatersalamander zou worden gevonden.

7.1.    De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Bij de voorbereiding van het plan is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in de "Quickscan flora en fauna ‘Herziening BP Krijtenberg’ te Beegden" (hierna: Quickscan) van het bureau BRO van 24 november 2017. Op 31 oktober 2017 is door een ecoloog van BRO veldonderzoek gedaan in het plangebied. In de Quickscan is vermeld dat wat de alpenwatersalamander betreft veelal wordt gewerkt met een goedgekeurde gedragscode. In paragraaf 4.2 van de plantoelichting is toegelicht dat in plaats van deze gedragscode is besloten om een aanvullend onderzoek uit te laten voeren. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in de Toelichting "Aanvullend onderzoek Alpenwatersalamander" (hierna: Toelichting) van Kragten van 9 april 2018. In de Toelichting staat dat - ondanks dat de alpenwatersalamander in het verleden is waargenomen in de omgeving van de te dempen vijver - uit onderzoek naar de bestaande biotoopkenmerken in en rondom de vijver blijkt dat alpenwatersalamanders niet aanwezig zijn binnen het plangebied. Daarom heeft de demping van de vijver, aldus de Toelichting, geen negatieve effecten op de alpenwatersalamander. In de verklaring van [appellant] dat hij watersalamanders zou hebben gezien na de datum van de Quickscan en de Toelichting, ziet de Afdeling onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en de volledigheid van het verrichte onderzoek. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit het door [appellant] overgelegde fotomateriaal niet duidelijk blijkt dat in die periode en op deze locatie alpenwatersalamanders zijn aangetroffen.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Wnb niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog faalt.

Verkeer en geluid

8.    [appellant] vreest voor een te hoge geluidsbelasting op zijn woning als gevolg van het parkeren bij het appartementengebouw. Hij stelt dat dit zou worden opgelost als de parkeervoorziening op een andere locatie binnen het plangebied aangelegd zou worden. Daarnaast stelt [appellant] in dit kader dat de raad in plaats van een ontsluiting via de Wiejerd had moeten kiezen voor een ontsluiting aan de Heerstraat-Zuid.

8.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat kortstondige piekgeluiden ten gevolge van parkeren bij een woonwijk horen. Daarnaast is het niet mogelijk of wenselijk de parkeervoorziening in het plangebied te verplaatsen of anders in te delen, aldus de raad.

8.2.    De raad heeft, zoals in paragraaf 4.1.4 van de plantoelichting staat beschreven, de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009 als uitgangspunt genomen. Die publicatie is bedoeld voor het tegengaan van overlast door bedrijven. Hoewel het in dit geval gaat om mogelijk overlast door het gebruik van woningen, acht de raad de publicatie toch van belang om een indicatie te krijgen van de verwachten geluidhinder. De Afdeling acht dat niet onredelijk. Uit de notitie "Verkeersaantrekkende werking en parkeren Hoevewonen Heerstraat-Zuid, Beegden" van Econsultancy, vastgesteld op 11 oktober 2018, komt naar voren dat ten gevolge van het dichtslaan van autoportieren er maximale geluidsniveaus van ten hoogste 65 dB in de nachtperiode ter hoogte van de woning van [appellant] kunnen optreden. De raad acht dat geluid, gelet op het karakter daarvan en in aanmerking genomen dat dit gebruikelijk is in een woonwijk, aanvaardbaar. Ook dit standpunt is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. Gelet daarop bestaat geen grond voor het oordeel dat het plan leidt tot zo ernstige geluidsgevolgen dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

Over het betoog dat de raad de parkeervoorziening elders binnen het plangebied had moeten voorzien, overweegt de Afdeling dat de raad bij de keuze van een bestemming een afweging moet maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen. In het aangevoerde en wat ter zitting is besproken ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voor deze locatie van de parkeervoorziening heeft kunnen kiezen. Over het betoog van [appellant] dat er een andere ontsluitingsweg gekozen had moeten worden, overweegt de Afdeling in dit verband het volgende. In paragraaf 4.4 van de plantoelichting heeft de raad toegelicht dat het plangebied vanaf twee zijden wordt ontsloten. Het zorgcomplex wordt ontsloten via de Wiejerd aan zowel de noordzijde als de oostzijde van het plangebied. Het appartementengebouw wordt volledig ontsloten via de Wiejerd aan de noordzijde van het plangebied. De raad heeft toegelicht dat de Heerstraat-Zuid een gebiedsontsluitingsweg en de Wiejerd een erftoegangsweg is. Anders dan bij een erftoegangsweg staat bij een gebiedsontsluitingsweg de verkeersdoorstroming voorop, zodat een

in- en uitrit op de Heerstraat-Zuid niet wenselijk wordt geacht. Verder zou een ontsluiting via de Heerstraat-Zuid ten koste gaan van een groen gebied aan de zuidkant van het plangebied met resten van een boomgaard dat de raad wenst te handhaven. Gelet daarop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet heeft mogen vaststellen zoals hij heeft gedaan.

Het betoog faalt.

Conclusie

9.    Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover gericht tegen het bestemmingsplan, ongegrond.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen, voor zover dat is gericht tegen het beeldkwaliteitsplan "Hoevewonen";

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Verburg    w.g. Sparreboom
lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2019

195-890.