Uitspraak 201902711/1/A2


Volledige tekst

201902711/1/A2.
Datum uitspraak: 18 december 2019

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna ook tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Hilvarenbeek,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 februari 2019 in zaak nr. 18/6050 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek.

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2018 heeft het college het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 14 augustus2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 februari 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2019, waar [appellant A] en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Gielen en D. Elberts, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] is sinds 25 juli 2007 eigenaar van het perceel met woonhuis aan het [locatie 1] en [locatie 2] te Hilvarenbeek. Bij formulier van 26 mei 2016 heeft [appellant] het college verzocht hem tegemoet te komen in de planschade die de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Gelderakkers" heeft veroorzaakt. Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk om op de gronden tegenover het perceel van [appellant] tachtig woningen te realiseren en dit perceel is daardoor in waarde gedaald.

2.    Het college heeft het verzoek van [appellant] bij besluit van 25 januari 2018 afgewezen. Aan dit besluit heeft het college een advies van Antea Group van 5 oktober 2017 ten grondslag gelegd. Volgens Antea Group is [appellant] als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Gelderakkers" in een beperkt nadeliger situatie komen te verkeren. De door [appellant] geleden planschade komt evenwel niet voor tegemoetkoming in aanmerking, omdat hij de voor hem nadelige planologische ontwikkeling op het moment dat hij zijn perceel kocht kon voorzien. Volgens Antea Group had [appellant] uit het provinciale uitwerkingsplan "Landelijke regio Hilvarenbeek-Oisterwijk", dat op 21 december 2004 door provinciale staten van Noord-Brabant is vastgesteld en waarvan het ontwerp van 25 augustus tot 5 oktober 2004 ter inzage heeft gelegen, kunnen afleiden dat het gebied "Gelderakkers" een woonomgeving zou worden. Dat op het moment dat [appellant] zijn perceel kocht de locatie voor de te bouwen woningen nog niet exact vaststond en ook nog niet hoeveel woningen gebouwd zouden worden, doet niet ter zake. Een redelijk denkend en handelend koper zou op basis van het uitwerkingsplan rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat op de gronden binnen het huidige plangebied "Gelderakkers" meer dan kleinschalige woningbouw zou worden ontwikkeld.

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het verzoek van [appellant] om tegemoetkoming in planschade terecht heeft afgewezen omdat de planologische ontwikkeling voor [appellant] voorzienbaar was. [appellant] kan zich met dit oordeel niet verenigen en heeft daarom hoger beroep ingesteld.

4.    [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college hem voorzienbaarheid van het planologisch nadeel mocht tegenwerpen. Hiertoe voert [appellant] aan dat voor hem op het moment dat hij zijn perceel kocht niet duidelijk was dat in de toekomst in de directe omgeving woningen zouden worden gebouwd. Van hem kon niet worden verlangd dat hij op het internet op zoek zou gaan naar stukken waaruit deze ongunstige ontwikkelingen zouden kunnen blijken. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat dergelijke stukken zijn gepubliceerd, maar het heeft hiervan geen bewijs overgelegd. De rechtbank heeft dit niet onderkend, aldus [appellant].

4.1.    De voorzienbaarheid van een planologische wijziging dient beoordeeld te worden aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de investeringsbeslissing, bijvoorbeeld ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak, voor een redelijk denkend en handelend koper, aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft (zie de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582).

4.2.    Voor het aannemen van voorzienbaarheid is niet vereist dat verwezenlijking van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vaststaat, of dat deze maatregel in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen met nauwkeurigheid kan worden bepaald. Beslissend is of op het moment van investering de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat hiermee bij de beslissing tot investering rekening kon worden gehouden (zie de genoemde uitspraak van 28 september 2016).

4.3.    Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] te kennen gegeven niet te bestrijden dat de voor hem nadelige planologische ontwikkeling kon worden afgeleid uit het provinciale uitwerkingsplan "Landelijke regio Hilvarenbeek-Oisterwijk". [appellant] bestrijdt wel dat het op het moment dat hij zijn perceel en woonhuis kocht kenbaar was dat dit uitwerkingsplan was vastgesteld en dat het ontwerp ervan ter inzage heeft gelegen.

4.4.    Het college heeft in hoger beroep een kopie van het Provinciaal blad van Noord-Brabant van 18 augustus 2004 overgelegd waarin te kennen wordt gegeven dat het desbetreffende uitwerkingsplan is vastgesteld en dat het ontwerp van dit plan van 25 augustus tot en met 5 oktober 2004 ter inzage heeft gelegen in de bibliotheek van het provinciehuis en het gemeentehuis en de bibliotheek van de gemeente waarop het plan betrekking heeft. Hiermee heeft het college aangetoond dat het voor [appellant] nadelige beleidsvoornemen op de juiste wijze bekend is gemaakt. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college [appellant] voorzienbaarheid van het planologisch nadeel mocht tegenwerpen.

4.5.    De Afdeling kan zich overigens voorstellen dat [appellant] het oneerlijk vindt dat hij nu wordt geconfronteerd met de publicatie in het Provinciaal blad van Noord-Brabant, omdat hij ervan overtuigd is dat hij voorafgaand aan de aankoop van zijn perceel en woonhuis gedegen onderzoek heeft gedaan naar eventuele toekomstige nadelige maatregelen. De Afdeling begrijpt ook dat hij zich gesteund voelt in zijn gedachte dat de publicatie niet op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden, omdat in de risicoanalyse die de gemeente heeft laten opstellen, in de voorbereiding van de wijziging van het huidige plangebied "Gelderakkers", een document van later datum is aangemerkt als het stuk op basis waarvan voorzienbaarheid van de planologische wijziging moet worden aangenomen. Dit neemt niet weg dat, nu het provinciale uitwerkingsplan "Landelijke regio Hilvarenbeek-Oisterwijk" in het Provinciaal blad van Noord-Brabant van 18 augustus 2004 is bekendgemaakt, de voor [appellant] nadelige planologische wijziging ten tijde van de aankoop van zijn perceel en woonhuis kenbaar was.

4.6.    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Dijkshoorn
lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2019

735.