Uitspraak 201903132/2/R1


Volledige tekst

201903132/2/R1.
Datum uitspraak: 20 juni 2019

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, allen wonend te Etten, gemeente Oude IJsselstreek,

en

de raad van de gemeente Oude IJsselstreek,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie], Etten" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen beroep ingesteld.

[verzoeker] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 juni 2019, waar [verzoeker] en anderen, in de personen van [verzoeker], [verzoeker A] en [verzoeker B], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door M.M.W.M. Alofs, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. F. Voerman, advocaat te Doetinchem, gehoord.

Overwegingen

Aard procedure

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Inleiding

2.    Het plan voorziet in de realisatie van een crematorium inclusief bijbehorende functies, met onder meer velden voor asbestemming. Het plangebied ligt in het buitengebied van Etten aan de provinciale weg N335. [verzoeker] en anderen wonen in de omgeving van het plangebied.

Spoedeisend belang

3.    [verzoeker] en anderen richten zich tegen het plan. Zij hebben verzocht ter zake een voorlopige voorziening te treffen om onomkeerbare gevolgen te voorkomen.

Ter zitting is gebleken dat [belanghebbende] een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de bouw van het crematorium heeft ingediend. Deze aanvraag past volgens de raad in het plan. Hierdoor kunnen onomkeerbare gevolgen ontstaan. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter zal hierna bezien of aanleiding bestaat voor de verwachting dat de Afdeling in de bodemzaak zal oordelen dat het plan niet in stand blijft.

Ladder voor duurzame verstedelijking

4.    [verzoeker] en anderen betogen dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) is vastgesteld. Zij voeren daartoe aan dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht naar beschikbare en geschikte locaties binnen het bestaand stedelijk gebied. [verzoeker] en anderen stellen dat de raad ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat binnen bestaand stedelijk gebied niet in de behoefte aan de voorziene ontwikkeling kan worden voorzien.

4.1.    Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, luidt:

"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

4.2.    Zoals ook is vermeld in paragraaf 3.1 van de plantoelichting, maakt het plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk en moet daarom de ladder voor duurzame verstedelijking worden doorlopen. In de plantoelichting worden vervolgens de treden van de ladder doorlopen voor de in het plan voorziene ontwikkeling.

In de plantoelichting is, onder verwijzing naar de notitie ‘Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking, crematorium gemeente Oude IJsselstreek’ van 24 januari 2018 van BJZ.nu (hierna: de notitie), vermeld dat vanwege de gestelde locatie-eisen het vinden van een geschikte locatie binnen bestaand stedelijk gebied lastig is. Vaak is van een respectvolle, sfeervolle en rustige omgeving geen sprake, is er onvoldoende ruimte, is het financieel niet haalbaar of wordt meer overlast ondervonden dan bij een dergelijke voorziening in het buitengebied. Er zijn drie locaties vergeleken, waarbij deze aspecten hebben geleid tot de keuze voor de locatie aan de [locatie] te Etten. Een locatie in het buitengebied heeft gelet op voormelde aspecten de voorkeur boven een binnenstedelijke locatie.

4.3.    Zoals de Afdeling eerder in de overzichtsuitspraak van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) heeft overwogen, dient in het geval in een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, de toelichting een beschrijving te bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Dit betekent dat bij een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied een nadrukkelijke motivering nodig is waarom niet in het bestaand stedelijk gebied in de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt voorzien. Daarbij kunnen de beschikbaarheid en geschiktheid van de ontwikkelingsmogelijkheden in bestaand stedelijk gebied een rol spelen.

[verzoeker] en anderen hebben niet gemotiveerd bestreden dat behoefte bestaat aan het in het plan voorziene crematorium. Wat betreft hun betoog dat onvoldoende is gemotiveerd dat binnen bestaand stedelijk gebied niet in de behoefte aan deze ontwikkeling kan worden voorzien, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Uit de notitie volgt dat, aan de hand van een aantal locatie-eisen, twee locaties binnen bestaand stedelijk gebied zijn beoordeeld en dat deze locaties minder geschikt zijn geacht dan de planlocatie. Ter zitting is gebleken dat deze twee locaties uitsluitend in het onderzoek zijn betrokken omdat die in een eerdere procedure over een ander crematorium in beeld zijn geraakt. Noch uit de plantoelichting, noch uit de notitie blijkt dat is bezien of andere locaties binnen bestaand stedelijk gebied beschikbaar en geschikt zijn, om daar in de behoefte aan het crematorium te voorzien. De raad heeft ter zitting tevens bevestigd dat het onderzoek is beperkt tot voornoemde twee locaties en dat niet verder is beoordeeld of andere locaties binnen bestaand stedelijk gebied voorhanden zijn. Gelet hierop is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd waarom niet in het bestaand stedelijk gebied in de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling kan worden voorzien.

Woon- en leefklimaat

5.    [verzoeker] en anderen betogen verder dat het plan leidt tot een ernstige aantasting van hun woon- en leefklimaat. Zij voeren daartoe onder andere aan dat het plan voorziet in de mogelijkheid dat asverstrooiingsvelden worden gesitueerd op korte afstand van het perceel van mede-verzoeker Ketelaar.

5.1.    In de plantoelichting is vermeld dat de aan het crematorium grenzende gronden onder meer zullen worden gebruikt voor asbestemming. Ter zitting heeft [belanghebbende] naar voren gebracht dat is beoogd de velden voor asverstrooiing te realiseren ter plaatse van het noordoostelijk gedeelte van het plangebied, tevens met het oog op de belangen van omwonenden. De woning van mede-verzoeker Ketelaar ligt ten zuidwesten van het in het plan voorziene crematorium, op een afstand van ongeveer 37 meter van het plangebied.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is in het plan onvoldoende gewaarborgd dat de velden voor asverstrooiing, zoals beoogd, zullen worden aangelegd ter plaatse van het noordoostelijk gedeelte van het plangebied. Blijkens de verbeelding is immers aan nagenoeg het volledige plangebied de bestemming "Maatschappelijk" met de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - asbestemming" toegekend, op welke gronden ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder a, sub 2, van de planregels terreinen voor asbestemming mogen worden gerealiseerd. Voor zover [belanghebbende] heeft gewezen op de voorwaardelijke verplichting in artikel 3, lid 3.4.2, onder a, van de planregels, overweegt de voorzieningenrechter dat het daarin opgenomen inrichtingsplan ziet op de landschappelijke inpassing van het crematorium en niet op locaties waar asverstrooiing is toegestaan. Daarenboven is in dit inrichtingplan weliswaar op een afbeelding aangeduid dat asverstrooiing ter plaatse van het noordoostelijk gedeelte van het plangebied zal plaatsvinden, maar elders staat dat een definitieve inrichting van het terrein van asbestemming nog niet bekend is. Het vorenstaande klemt des te meer gezien de korte afstand van het zuidwestelijke gedeelte van het plangebied waar asverstrooiing aldus is toegestaan tot de woning en tuin van Ketelaar, waardoor hij als gevolg van het plan mogelijk nadelige gevolgen kan ondervinden voor zijn woon- en leefklimaat, wat de raad niet in zijn afweging heeft betrokken.

Overigens

6.    Overigens is de voorzieningenrechter voorshands niet overtuigd van het standpunt van de raad dat in het onderhavige geval sprake is van functieverandering van een vrijkomend agrarisch erf als bedoeld in de "Structuurvisie Gemeente Oude IJsselstreek 2025". Gebleken is dat ter plaatse van het plangebied weliswaar voorheen een agrarisch bedrijf was gevestigd, maar ook dat aan deze gronden in het op 28 juni 2018 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Oude IJsselstreek 2017" reeds een woonbestemming is toegekend.

Conclusie

7.    Op grond van het voorgaande bestaat twijfel of het plan in de bodemprocedure stand zal houden. Om geen onomkeerbare situatie te laten ontstaan, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

De overige beroepsgronden van [verzoeker] en anderen behoeven daarom in deze procedure geen bespreking meer.

Proceskosten

8.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Oude IJsselstreek van 21 februari 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie], Etten";

II.    veroordeelt de raad van de gemeente Oude IJsselstreek tot vergoeding van bij [verzoeker] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

III.    gelast dat de raad van de gemeente Oude IJsselstreek aan [verzoeker] en anderen het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 (zegge: honderdvierenzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.J.M. Schoonbrood, griffier.

w.g. Helder    w.g. Schoonbrood
voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2019

694.