Toespraak vice-president Raad van State bij de opening van het vernieuwde gebouw van de Raad
"De tweezijdige taak van de Raad vereist een hechte werkgemeenschap van velen. En op haar beurt verdient die gemeenschap een behuizing, waarin met blijdschap en overgave gewerkt kan worden. Ik spreek de wens uit, dat die vreugde en toewijding even sprankelend zullen zijn als de fontein, die ik hierbij in werking stel".
Met die woorden, Majesteit, verklaarde u op 14 juni 1983, ruim 28 jaar geleden, als Voorzitter van de Raad, het nieuwe gebouw van de Raad van State voor geopend, met het in werking stellen van de - bij die gelegenheid helaas wat ongezeglijke - fontein op het bordes van het 'Witte Paleis'.
Het betrof de nieuwbouw van de architect Wegener Sleeswijk aan de Parkstraat en de door hem daarmee verbonden historische panden aan de Kneuterdijk – de huizen Van Oldenbarnevelt, Van der Mijle en het 'Witte Paleis' waarin we ons thans bevinden.
Het gebouw dat u toen opende en dat u zo dadelijk - na ingrijpende uitbreiding, herbouw en restauratie - zult heropenen, heeft tot de tweede helft van de jaren negentig zeker voldaan aan de wens die u toen uitsprak. Maar toen ging het gebouwencomplex toch steeds meer knellen. Uitbreiding en een grondige herinrichting bleken om een aantal redenen noodzakelijk.
In de eerste plaats was sprake van een veranderde werkwijze. Werkten de staatsraden in de jaren tachtig nog als regel thuis, steeds meer werd ingezien dat voor een optimaal resultaat een werkwijze wenselijk was, gebaseerd op hechte samenwerking tussen staatsraden onderling en tussen staatsraden en medewerkers, niet alleen binnen - maar ook tussen - advisering en bestuursrechtspraak. Dat betekende huisvesting van alle betrokkenen in elkaars nabijheid op één locatie en een inrichting die aanzet tot interactie. Daarin schoot het bestaande gebouw kwantitatief en kwalitatief tekort.
In de tweede plaats was uitbreiding van ruimte noodzakelijk door de sterke toename van het aantal staatsraden en medewerkers in verband met de komst van hoger beroep in vreemdelingenzaken per 1 april 2001.
Daarnaast moest worden voldaan aan scherpere veiligheidseisen. De zittingszalen lagen verspreid door het gebouw. Dat was niet meer verantwoord.
Ten slotte was ook de tijd aangebroken voor groot onderhoud van het complex dat u in 1983 opende.
De mogelijkheid van aankoop van een aantal, volstrekt uitgewoonde, buurpanden aan de Parkstraat door de Rijksgebouwendienst was de directe aanleiding om het project te starten dat hier vandaag zijn feestelijke en succesvolle afronding vindt.
De eerste en misschien wel belangrijkste stap was in januari 2000 de keuze van de architecten Merkx en Girod. Die keuze bleek een gelukkige. Dit is het enige grote bouwwerk van hun beider, gezamenlijk hand. En dat bleek een vaste hand, bij het zoeken van evenwicht tussen het versterken van bestaande kwaliteiten en het toevoegen van nieuwe elementen; tussen het aanbrengen van samenhang en het terugbrengen van het eigen karakter van de verschillende gebouwen. Dat is misschien het beste zichtbaar aan de Parkstraat waar de scheidslijn tussen oud en nieuw is uitgebuit: niet alleen als vide en 'lichtstraat' die het daglicht tot op de bodem van het gebouw naar binnen haalt, maar ook als 'snelweg' die over een lengte van bijna 200 m de Oranjestraat met de Kneuterdijk verbindt en daarmee een periode van bijna 400 jaar overbrugt.
Als voorzitter van de stuurgroep huisvesting heb ik me gedurende deze bijna twaalf jaar steeds sterk gemaakt voor ten minste drie punten:
- een kritische opstelling ten aanzien van de technocratische (tekentafel)vereisten van verschillende instanties, van brandweer tot beveiliging, soms gericht op optimaal indekken in plaats van op proportionaliteit en effectiviteit. Het succes van dit laatste punt is wellicht wat minder spectaculair dan van de eerste twee.
In dit prachtige gebouw zullen naar ik hoop de bijna 700 staatsraden en medewerkers - in uw woorden uit 1983, Majesteit, - wederom "met blijdschap en overgave" hun werk in de komende decennia verrichten. Ik hoop evenzeer dat de naar ruwe schatting 13.000 rechtzoekenden die we jaarlijks ontvangen (de pers en andere bezoekers niet meegerekend) zich in dit gebouw welkom en serieus genomen zullen voelen. Daarop zijn de publieksruimte en de zittingszalen ingericht.
Aan de totstandkoming van dit gebouw hebben zeer velen meegewerkt. De meesten van hen zijn hier aanwezig of vertegenwoordigd. Van medewerkers van Merkx en Girod tot de aannemer, van de verhuizers tot medewerkers van de Rijksgebouwendienst, van de tuinarchitect tot de meubelrestaurateur. En dan heb ik het nog niet over medewerkers van de Raad zelf en vele anderen.
Hen dank ik allen zeer.
Dan geef ik nu graag het woord aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties die hier vandaag ten minste twee petten draagt: de pet van de verantwoordelijk minister voor Raad van State en de pet van de verantwoordelijk minister voor de Rijksgebouwendienst. In die laatste hoedanigheid heeft hij thans het woord.
