Toespraken Tjeenk Willink

Dankwoord bij de aanbieding van het staatsrechtelijk lexicon 'Van abdicatie tot zetelroof', Begrippen uit het staatsrecht, verklaard door Max de Bok, op 4 februari 2010

Gepubliceerd op 4 februari 2010

Mevrouw de minister, dames en heren,

Mag ik u, mevrouw de minister, complimenteren met het initiatief om deze staatsrechtelijke lexicon uit te geven. Uit uw woorden begrijp ik dat ik daaraan zelf schuldig ben. Ik neem met vreugde de schuld op me. Dit boekje wil rijksambtenaren op de hoogte stellen van de staatsrechtelijke spelregels waarmee zij als 'ambtenaren in een democratische rechtsstaat' te maken hebben. Dat gebeurt op een aantrekkelijke manier en met een goed toegankelijke en aansprekende tekst.
Mijn complimenten dus ook voor Max de Bok en degenen die hem als deskundigen hebben begeleid.

Ik waardeer het zeer dat u het eerste exemplaar aan mij hebt willen uitreiken omdat het met de andere initiatieven die u heeft genomen, duidelijk maakt dat in ieder geval (en vanzelfsprekend) de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties weet dat je er niet bent met de opvatting dat de overheid een bedrijf is. Die opvatting heeft binnen - maar ook buiten - de overheid het zicht ontnomen op de ambtenaar als 'drager van een publiek ambt'.

Waarin verschilt een ambtenaar in de Nederlandse democratische rechtsstaat van een ambtenaar in een autocratisch regime, of, zoals Arthur Docters van Leeuwen destijds zei, "van een ambtenaar onder Pinochet"? Het antwoord is: in ieder geval niet in het bedrijfsmatig werken.

Waarin dan wel? De ambtenaar in de democratische rechtsstaat is niet alleen een goed vakman in technisch opzicht, een goed manager of specialist, maar heeft ook ambtelijk verantwoordelijkheidsbesef.

Dat wil zeggen:

democratisch besef – het besef te functioneren onder politieke verantwoordelijkheid en in een stelsel van democratische controle –

rechtsstatelijk besef – het vermogen om strikt volgens de wet en de beginselen van behoorlijk bestuur te handelen –

en integriteit – het vermogen om objectief en onpartijdig belangen af te wegen en zich te onthouden van handelingen in de privésfeer waardoor zijn functioneren als ambtenaar in het gedrang kan komen –

Democratisch besef, rechtsstatelijk besef en integriteit maken de ambtenaar tot drager van een publiek ambt in de democratische rechtsstaat. Noodzakelijke voorwaarde voor dat besef en die integriteit is kennis van de beginselen en de spelregels van het constitutionele bestel.

Door de nadruk die is gelegd op bedrijfsmatig werken bij de overheid, door de vlucht in ambtelijke structuren bij het denken over verbeteringen in het functioneren van de overheid, en door het overwicht van procesmanagement en financieel beheer binnen de overheid, is die kennis op de departementen de afgelopen jaren afgenomen.
Bedrijfsmatig werken spoort immers niet automatisch met de regels en beginselen van de democratische rechtsstaat. Vaak zullen die regels en beginselen als lastig worden ervaren. Zij roepen dan de vraag op: wat koop je daarvoor? (Om misverstand uit te sluiten: in mijn opvatting behoren doelmatigheid en doeltreffendheid naast rechtsgelijkheid en rechtszekerheid, democratische legitimatie en publieke verantwoording tot de kenmerken van de democratische rechtsstaat).
Verandering van ambtelijke structuren impliceert ook niet automatisch een verbetering in de politieke processen.
En ook de gedachte van veranderingsmanagers dat ambtelijke mobiliteit per se goed is, blijkt van een kanttekening te moeten worden voorzien. Het leidt tot verlies van 'collectief geheugen', ook binnen de top van de departementen.

In de inaugurale rede die de vroegere directeur Constitutionele Zaken en Wetgevingsaangelegenheden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken (BZ), Ron Niessen, onder de titel 'Vluchten kan niet meer…' in 2001 aan de universiteit van Amsterdam hield, memoreerde hij een publicatie die in 1989 onder auspiciën van BZ is uitgegeven onder de titel 'Ambtenu'. Die publicatie was gericht op vergroting van het democratisch en rechtsstatelijk besef bij ambtenaren. Het was een eenmalige publicatie die alleen bestemd was voor de ambtenaren van schaal 12 en hoger.
Ron Niessen betreurde in 2001 (12 jaar later) dat eenmalige karakter en die beperkte opzet en bepleitte permanente aandacht voor het democratisch en rechtsstatelijk besef bij ambtenaren in het bijzonder door opleidingen.

Het behoeft geen betoog dat ik het hiermee van harte eens ben. De behoefte aan versterking van de constitutionele en rechtsstatelijke kennis bij alle ambtenaren is in de afgelopen jaren alleen maar groter geworden. Het is een integraal onderdeel bij verbetering van de kwaliteit van de overheid.

Het is veelbetekenend dat in het denken over verbetering van die kwaliteit aan dit aspect vaak geen enkele aandacht wordt gegeven. Zo komen in de nota 'Vernieuwing rijksdienst' niet eenmaal het woord 'democratische rechtsstaat' voor. Het aantal keren dat de woorden 'doelmatigheid', 'communicatie' en 'win-winsituatie' worden gebruikt, is daarentegen nauwelijks te tellen.
Juist de komende jaren komt het er erg op aan dat we collectief weten waar de democratische rechtsstaat voor staat. De crisis - met haar gevolgen voor de overheidsfinanciën - is een kans zich daarop (op het wezen en de beginselen van de democratische rechtsstaat dus) te bezinnen. De crisis met haar gevolgen levert echter ook een risico op. Het risico van nog meer nadruk op de economische rationaliteit en het financieel beheer binnen de overheid. Dat zou meer van hetzelfde betekenen. Het spannen van het paard achter de wagen. We moeten toch hebben geleerd van ervaringen in het verleden?

Ik hoop dan ook dat dit boekje de opmaat zal zijn voor een breed beleid, gericht op herbezinning op het wezen van de democratische rechtsstaat en daarbinnen op de betekenis van het ambtelijk verantwoordelijkheidsbesef. Op die wijze zal meer voor de kwaliteit van de overheid worden gedaan, dan met weer een nota om alleen de doelmatigheid te verhogen.

Dames en heren,

Degene aan wie een boek wordt aangeboden, heeft het voorrecht om tevoren in de publicatie te kijken om te zien wat voor vlees hij in de kuip heeft. Dat stelt hem in staat om beargumenteerd de auteur te complimenteren en eventueel een enkele kritische opmerking te maken als daarvoor aanleiding is. Tot mijn vreugde heb ik geconstateerd, hetgeen ik al vermoedde, dat begrippen als procesmanager, spindoctor en toezichthouder geen begrippen zijn die verband houden met het constitutionele bestel. Dat is het compliment. Discussie is mogelijk over de vraag of het begrip burger - dat in deze lexicon vooralsnog mist - tot een kernbegrip van het constitutionele bestel moet worden gerekend. Het is niet onverklaarbaar dat het begrip niet is opgenomen omdat we over het individuele burgerschap als publiek ambt in Nederland weinig hebben nagedacht en ook nauwelijks traditie hebben (althans als we de laatste eeuw overzien).

Uiteraard heb ik voor de kritische opmerking het lemma 'Raad van State' opgezocht. En ja hoor daar staat een fout die duidt op een lacune in de kennis van ons constitutioneel recht. Opgemerkt wordt daar namelijk dat het de gewoonte is dat de wettige opvolger van de Koning als hij 18 jaar is geworden lid (zonder stemrecht) wordt van de Raad.

Welnu, artikel 2 van de Wet op de Raad van State schrijft voor dat de wettige opvolger van de koning van rechtswege zitting heeft in de Raad. Dus geen gewoonte, maar een wettelijk voorschrift, en geen lidmaatschap, maar zitting.

Dit lijkt me bijna een vorm van 'zetelroof'. Ik hoop dat deze omissie voor mijn 'abdicatie' zal worden hersteld. U begrijpt nu ook de titel van dit boekje: 'Van abdicatie tot zetelroof'.
Ik wens het boekje een brede verspreiding toe, ook - goede suggestie van Max de Bok - onder Kamerleden en parlementaire journalisten.