Toespraken Tjeenk Willink

Inleiding ter gelegenheid van de viering van het zestigjarig bestaan van de Raad van Advies van de Nederlandse Antillen, Willemstad te Curacao

Gepubliceerd op 26 mei 2008

Het vergeten Koninkrijk
Excellenties, geachte Voorzitter en Ondervoorzitter van de Raad van Advies van de Nederlandse Antillen, geachte mevrouw Dip, dames en heren,
Bij een zestigste verjaardag passen felicitaties, aandacht voor de voorbije jaren en natuurlijk ook een blik op de toekomst. Het eerste is het eenvoudigst: graag feliciteer ik de voorzitter, ondervoorzitter, leden, secretaris en medewerkers van de Raad van Advies met dit jubileum. En graag feliciteer ik de regering en de Staten van de Nederlandse Antillen met hun jubilerende adviseur. En tot slot feliciteer ik ook de Raad van Advies van Aruba en de Raad van State van het Koninkrijk met de jarige collega.

De Raad van Advies: gewaardeerd adviseur
De jubilerende Raad van Advies is een bescheiden institutie. Wij staan vandaag stil bij de Curaçaose Staatsregeling van 1948 als grondslag voor die Raad, maar feit is dat zijn directe voorganger, de Raad van Bestuur, al in de koloniale periode – in 1865 om precies te zijn – in het leven is geroepen. Zowel in 1865 als in 1948 gebeurde dat overigens niet zonder debat. Daarin lijkt de Raad van Advies op de Raad van State, die te Brussel voor het eerst in 1531 is opgericht, maar waarvan het voortbestaan meerdere malen onzeker was.

Politieke discussie over de Raad van State was er bijvoorbeeld ten tijde van de Nederlandse grondwetherziening van 1848, waar het nut van de Raad ter discussie stond. Opheffing van die Raad zou – aldus sommige politici in Den Haag – bijdragen aan de ook toen noodzakelijk geachte afslanking van de overheid.

Bij de parlementaire debatten over de Curaçaose (en Surinaamse) Staatsregeling in 1864 kwamen in Den Haag dezelfde kritische vragen naar voren. De regering slaagde er echter in de Staten-Generaal opnieuw te overtuigen en de kolonie Suriname en de kolonie Curaçao (destijds inclusief de andere vijf eilanden, "Curaçao en de onderhorigheden") kregen elk een Raad van Bestuur om – en ik citeer – "over gewigtige voorstellen en besluiten te worden gehoord en de taak des gouverneurs gemakkelijker te maken".
Dat laatste zal de heer Goedgedrag ongetwijfeld aanspreken. Voor het overige leek het koloniale bestuur geenszins op de democratische rechtsorde die het Koninkrijk nu kenmerkt, maar dat hoef ik u niet uit te leggen.

Ongeveer tachtig jaar later – in 1947 - drongen de Staten van Curaçao bij de regering in Den Haag aan op schrapping van de Raad van Bestuur. Opmerkelijk was dat de Staten van Suriname op hetzelfde moment juist een pleidooi hielden voor handhaving van de eigen Raad, waarna de Nederlandse regering de argumenten van Suriname gebruikte om de Curaçaose Staten te overtuigen. Gewezen werd op de deskundigheid en de onafhankelijkheid van het adviesorgaan en het belang daarvan voor dat ene staatkundige verband, de Antillen van de zes.
De Raad van Advies jubileert aan de vooravond van staatkundige veranderingen. Maar de jarige kan gerust zijn: anders dan in 1864 en 1947 twijfelt vandaag niemand aan nut en noodzaak van een deskundig en onafhankelijk adviesorgaan ten behoeve van de wetgevende macht. Er komt de nodige wetgeving op ons af.

Goede adviseurs analyseren en informeren; completeren en corrigeren; moedigen aan en geven een 'second opinion'; leveren tegenwicht en tegenspraak aan regering, parlement en ambtelijke organisatie. Een onafhankelijke permanente adviesraad heeft andere functies dan een ad hoc consultant die altijd als opdrachtnemer afhankelijk is van zijn broodheer. Onafhankelijke adviseurs hebben het, zeker in kleine gemeenschappen, niet altijd makkelijk. Daarom kunnen vormen van samenwerking tussen de Raden van Advies en de Raad van State van het Koninkrijk nuttig zijn. Naar de ervaring leert is het mogelijk respect te tonen voor de zelfstandige behartiging van eigen belangen door praktische vormen van wederzijdse bijstand te leveren en (daarmee) de gemeenschappelijke koninkrijksbelangen te dienen. U, oplettende luisteraars, zult in deze lange zin de drie uitgangspunten van het Statuut hebben herkend. In kom daarop zo dadelijk terug.

Verdieping of geleidelijk uiteengaan?
Het is inmiddels bijna vijf jaar geleden dat de Raad van State van het Koninkrijk de "voorlichting" uitbracht met als titel "Verdieping of geleidelijk uiteengaan." De voornaamste conclusie: handhaving van de staatkundige status quo zal op termijn leiden tot het einde van het Koninkrijksverband. De wens de status quo te wijzigen werd breed gedeeld, ook door de burgers in de verschillende landen. Merkwaardig is dat we daarna plannen zijn gaan maken over staatkundige structuren zonder eigenlijk een gemeenschappelijke visie op wat we maatschappelijk willen bereiken. Structuren zijn echter geen doel op zich.
Zo kan ik me voorstellen dat het Koninkrijk een gemeenschappelijke visie ontwikkelt op de presentie, ook in Europees verband, in het Caraibisch gebied en Latijns-Amerika.
Zo kan ik me voorstellen dat Curaçao, Sint Maarten en Aruba een visie ontwikkelen op hun positie in een veranderende wereld en een globaliserende economie, en op zowel hun relatie met de Europese Unie (EU) als hun verankering in deze multiculturele regio.

Zo kan ik me voorstellen dat de drie landen in het Caraibisch gebied samen met Nederland een visie ontwikkelen op de maatschappelijke consequenties van bijvoorbeeld een wisseling van het regime op Cuba. Voor mij is één ding duidelijk: in de concurrentieslag om de toerist die dan ontstaat zal een goede maatschappelijke, bestuurlijke en juridische infrastructuur, een belangrijke factor zijn.
Als we niet kiezen voor een geleidelijk uiteengaan, dan zal een nieuwe invulling moeten worden gegeven aan de drie uitgangspunten van het Statuut:
1. respect voor de zelfstandigheid bij de behartiging van eigen belangen;
2. leveren van praktische vormen van wederzijdse bijstand;
3. dienen van gemeenschappelijke koninkrijksbelangen.
Kunnen we op die drie uitgangspunten een gemeenschappelijke toekomstvisie ontwikkelen? En kunnen we daarbij inspiratie ontlenen aan de Nederlandse ervaringen met de Europese Unie waarin 27 landen van zeer klein (Malta met 400.000 inwoners) tot zeer groot (Duitsland met 83 miljoen inwoners) met elkaar samenwerken en elkaar respecteren?
Mag ik daarover enkele gedachten aan u voorleggen.

De uitgangspunten van het Statuut
Voor het eerste uitgangspunt, respect voor de zelfstandige behartiging van eigen belangen, is de laatste decennia steeds het staatkundige begrip autonomie gebruikt. Een begrip, dat in het Statuut niet voorkomt en dat steeds meer een formeel, leeg, begrip is geworden. Geen land ter wereld is meer autonoom; geen land ter wereld kan zich nog alleen redden. Dat geldt voor de zes Caraibische eilanden in het Koninkrijk, net zo goed als voor Nederland in Europa. De EU is niet een bedreiging voor de lidstaten, maar een mogelijkheid om enige greep te houden op de ontwikkelingen in een wereld zonder grenzen. Waarom zouden zoveel landen tot de Unie willen toetreden?

"De keus is tussen meedoen aan een grensoverschrijdende rechtsorde en daarop (bescheiden) invloed uitoefenen of een (papieren) autonomie bewaken en (daardoor) steeds vaker overgeleverd zijn aan wat andere, meer invloedrijke actores, (grotere landen, multinationals en soms de internationale criminaliteit), eenzijdig beslissen." Maar tegelijkertijd willen we onze eigen identiteit zoveel mogelijk behouden. Zouden we daarom niet moeten afstappen van het staatkundige begrip autonomie en terugkeren naar het woord respect. Respect voor de eigenheid en verscheidenheid van burgers en van de gemeenschappen waarin zij leven. Respect betekent erkenning van verschillen en (dus) de mogelijkheid van verschillende oplossingen voor vergelijkbare problemen. Maatwerk leveren. Dat is – blijkt uit de ervaring – lastig. We hebben het nu eenmaal liever over algemene oplossingen dan over specifieke problemen (en de redenen waarom het tot nu toe niet lukte die problemen – in autonomie – op te lossen). We hebben het nu eenmaal liever over beleidsplannen op macroniveau dan over de uitvoering van die plannen voor burgers in de problemen (microniveau). Toch gaat het uiteindelijk dáárom, bij het onderwijs, in de gezondheidszorg, bij de armoedebestrijding, in de strijd tegen de grondspeculatie en bij het verhogen van de veiligheid. Zouden we – na de moeilijke staatkundige beslissingen – onze aandacht (niet weer) daarop moeten richten? Op de vraag welk voorzieningenniveau binnen het ene koninkrijk het minimumniveau vormt en op de vele plannen die op praktische uitvoering wachten.

Met het tweede uitgangspunt – de verlening van praktische vormen van wederzijdse bijstand (solidariteit) – is iets merkwaardigs aan de hand, zeker in vergelijking met Europa. In de EU lopen de samenwerkingscontacten tussen de EU en de lidstaten al lang niet meer alleen via de regering, maar ook rechtstreeks via maatschappelijke organisaties, bedrijven, lokale bestuurders, belangengroepen. Binnen het Koninkrijk is van die horizontale, één op één, samenwerking nauwelijks (meer) sprake. Het lijkt soms of het Statuut maar twee uitgangspunten kent: "autonomie" of "Den Haag".
Zeker, er zijn gelden die via USONA en AMFO beschikbaar zijn voor programma’s en projecten. Maar het papierwerk (‘logical framework’) is voor velen zodanig gecompliceerd, dat het enthousiasme wordt gedoofd en de aanvraag slechts met grote moeite tot stand komt. Ik geef toe, consultants verdienen er een goede boterham aan. Zouden we niet veel zwaarder moeten inzetten op die praktische één-op-één samenwerking en in ieder geval de inzet van consultants drastisch (en dan bedoel ik ook drastisch) moeten beperken. Waarom geen ‘twinning’ tussen scholen en ziekenhuizen, hier en overzee of met gemeentelijke sociale diensten en particuliere verenigingen. Zij hebben wèl ervaring met de concrete uitvoering en het leveren van maatwerk.
Zij kunnen de eigen oplossingen die hier zijn gevonden op waarde schatten (voorbeeld: ziekenhuis op Bonaire).
Niets (Satuut, Grondwet, (ei-)landsregelingen) staat aan die directe contacten in de weg, ook niet tussen overheidsinstanties. De Raad heeft het eerder gezegd: "De communicatie tussen Nederland en de Nederlandse Antillen en Aruba kan niet beperkt blijven tot een (kleine) elite die zelf gevangen lijkt (of mag ik inmiddels zeggen: leek?) te zitten in de politiek- bestuurlijke status quo. Zonder betrokkenheid van maatschappelijke groepen, vertegenwoordigers van de nieuwe generatie, personen buiten de politieke hitte van de dag, zal het niet lukken die status quo te doorbreken. Daarbij moet de oplossing van de echte problemen van de burgers en hun gemeenschappen het begin- en eindpunt zijn" (citaat uit Ten geleide bij voorlichting 2003).

Ook het derde uitgangspunt, het dienen van gemeenschappelijke Koninkrijksbelangen, is tot nu toe zeer restrictief ingevuld. Dat was oorspronkelijk ook begrijpelijk. De gemeenschappelijke band zou immers worden doorgesneden; een geleidelijk uiteengaan. Nu dat niet meer het geval is, is het goed te realiseren dat respect en ruimte voor verscheidenheid alleen mogelijk zijn als er overeenstemming is over gemeenschappelijke waarden en spelregels en over de gemeenschappelijke instituties. Ook daar kan de verhouding Nederland–Europa misschien ter inspiratie dienen. De EU is allereerst een gemeenschappelijke (rechts-)ordening, die niet in de plaats komt van de Nederlandse maar de verschillende rechtsordes van de lidstaten verbindt. Daarbij gaat het niet alleen om (rechts-)regels waaraan burgers zich te houden hebben, maar ook de lidstaten zelf. Uiteraard de regels van de democratische rechtsorde, waarin ieder zichzelf kan zijn, maar ook gemeenschappelijke regels van good governance en gezond financieel- economisch beleid. Nederland zou zijn openbare financiën waarschijnlijk niet op orde hebben gekregen zonder het Europese stabiliteitspact; een afspraak die de landen zelf hebben gemaakt.
In de loop van de zestig jaar van haar bestaan heeft de Europese samenwerking een "acquis" opgebouwd dat ook een beschrijving van een gemeenschappelijke beschaving vormt.
Waar opvattingen uiteen lopen zijn gemeenschappelijke instituties nodig om de spelregels te handhaven en overeenstemming te bereiken. Dat gold van oudsher in Nederland, traditioneel een land van politieke en religieuze minderheden. Dat geldt ook in Europa.

In Europa spelen instituties een belangrijke rol: Hof van Justitie, Europese Commissie, Europees Parlement, Europese Raad. In vergelijking daarmee is het met die gemeenschappelijkheid in het Koninkrijk wat pover gesteld. Het Koninkrijk heeft geen eigen budget, geen adres of telefoonnummer. De rol van de rijksministerraad is beperkt waarschijnlijk ook omdat de manoeuvreerruimte van gevolmachtigd ministers gering is. Het ontbreken van een Koninkrijkssecretariaat, met functionarissen die in de verschillende delen van het Koninkrijk letterlijk en figuurlijk de taal spreken en de culturen kennen, bevordert het functioneren van de rijksministerraad ook al niet. Toch zijn er voorbeelden van gemeenschappelijke instituties die we moeten koesteren en als voorbeeld moeten nemen. Allereerst natuurlijk de Koningin en haar vertegenwoordiger, de Gouverneur. Daarnaast ook het Hof van Justitie en, naar ik zou mogen hopen, de Raad van State in de rol van onafhankelijk adviseur en geschillenbeslechter. Maar we moeten ook hier niet alleen kijken naar staatkundige instituties. Denk aan de ontwikkeling van de kustwacht; na alle discussies en moeilijkheden een inspirerend voorbeeld, waarbij ook de bevolking op alle eilanden zich betrokken voelt.

Ik kom tot een afronding.
Na weer enkele dagen hier en vele gesprekken, niet alleen met bestuurders en beleidsambtenaren, maar juist ook met mensen die daadwerkelijk bezig zijn met de gezondheidszorg en het onderwijs, de veiligheid en de ruimtelijke ordening, ben ik (opnieuw) in de mening gesterkt dat er geen enkele reden is alleen maar te constateren dat we tot elkaar "veroordeeld" zijn en vervolgens, zuchtend, een volgende ronde in de discussie over de staatkundige structuur in te gaan.
Het gaat immers om iets anders: het gaat om het gelijktijdig nieuwe inhoud geven aan de drie uitgangspunten van het Statuut. Ik heb u daarover enkele gedachten voorgelegd. Het gaat daarbij om de onderlinge samenhang tussen die uitgangspunten, hun onderlinge balans. Niet alleen afspraken op koninkrijksniveau over rechtshandhaving, good Governance of financieel beheer, hoe belangrijk ook maar óók respect voor de eigen identiteit, de verschillen. Niet alleen contacten met bestuurders en ambtenaren, maar ook met mensen die dagelijks staan (en willen staan) voor beter onderwijs, gezondheidszorg en veiligheid.

Daarom dat de drie stellingen die ik op verzoek van de jarige heb geformuleerd in onderlinge samenhang moeten worden gelezen.
Om het Koninkrijk op langere termijn levensvatbaar te houden is het nodig dat:
1. de landen het begrip autonomie een andere invulling geven, waarbij het niet zozeer als juridische begrenzing van bevoegdheden wordt gezien, maar meer als graadmeter voor het respect voor de lokale eigenheid en pluriformiteit.
2. de samenwerkingsrelatie wordt verbreed naar meerjarige directe banden tussen burgers en hun maatschappelijke organisaties, ondernemers en (in Nederland) het lokaal bestuur. Een Koninkrijk waarbij de samenwerking goeddeels tussen centrale overheden (en commerciële consultants) op project- en programmabasis plaatsvindt, zal nooit echt in de samenleving verankerd zijn.
3. er in het Koninkrijk (rechts-)regels en instituties zijn, die als gemeenschappelijk worden beleefd. Als er inhoudelijk verschillen van inzicht zijn, maken dergelijke regels en instituties het bereiken van oplossingen mogelijk.

Maar de belangrijkste stelling is: Het gaat uiteindelijk om de burgers van dit ene Koninkrijk, allen Nederlanders.

Herman Tjeenk Willink