Toespraak van de Vice-President ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van De Blauwe Salon te Den Haag
Op 22 februari 1998 mocht ik in het van Balkeneijndehuis de eerste Blauwe Salon openen en heel kort iets zeggen over kunst en politiek. Het vol raken van het toen aangeboden gastenboek bracht Jet den Hertog er toe mij opnieuw uit te nodigen voor, naar later bleek een iets langer verhaal dan de 5 minuten van toen met de wens dat dat verhaal zou uitlopen op de aanbieding van een nieuw gastenboek. Misschien dacht ze: dat is dé (enige) manier om hem hier te krijgen in dit mooie, te weinig bezochte museum waar de Salon sinds 2002 wordt gehouden.
Ik zal het hebben, opnieuw, over de kunst van de politiek en dat verbinden met een enkel woord over de maatschappelijke betekenis van kunst. Daarbij ware wel te bedenken dat er de afgelopen decennia al zoveel is gezegd over kunst en politiek en de maatschappelijke betekenis van kunst dat daaraan weinig nieuws is toe te voegen. Als dat al mogelijk zou zijn, zou dat ook door meer bevoegden dan ik moeten gebeuren; de minister van Cultuur bijvoorbeeld of de kunstenaars zelf. Laat ik daarom beginnen met enkele persoonlijke herinneringen en daaraan een paar beschouwingen vastknopen. De eerste herinnering die ik hier wil noemen vormt een bezoek een tiental jaren terug aan de 'Holland Art Fair' in het Congresgebouw in Den Haag; precies wat het zegt: een kunstmarkt waar galeries tegen hoge prijzen niet erg interessante, wel kleurige, producten verkopen. Ik ontmoette een kennis, opgetogen over zoveel moois: ik zoek nog iets voor de gang. Kunst als commodity, gebruiksartikel.
Tweede herinnering: de Hoge Veluwe en de collectie Kröller Müller. Als lid van de Raad van Toezicht van dit Nationale Park realiseerde je je dat zonder particulier initiatief dat enorme cultuurgoed niet tot stand was gekomen (over de wijze waarop zou veel te zeggen zijn). Het in standhouden was echter afhankelijk van een beslissing van een vrijzinnig-democratische politicus, Marchant. In de crisistijd maakte hij als minister van Onderwijs de overdracht aan de Staat mogelijk met medewerking van ambtelijk Financiën, overtuigd als hij was van de culturele betekenis van de collectie en landgoed. Derde herinnering (als voorzitter van het Holland Festival): er moet een nieuwe directeur van het Holland Festival komen. Zoals steeds betekent dat, met behoud van de culturele erfenis van de afgelopen decennia (het HF bestaat sinds 1947), nieuwe accenten leggen, een volgende generatie met nieuwe ideeën aan het woord laten. Daarbij deden zich twee problemen voor. Allereerst de (indirecte) bemoeienis met het inhoudelijk te voeren beleid, terwijl dat juist tot de verantwoordelijkheid van een artistiek leider behoort. Een bestuur is daarop niet geselecteerd. Daarnaast bleek, toen het bestuur 10 jaar geleden voor die beslissing stond, de opvolgende generatie "zoek" te zijn. De geëngageerde vernieuwers van de jaren '60 en '70 waren inmiddels, met gebruik maken van de laatste regelingen van de verzorgingsstaat, vervroegd uitgetreden. Opvolgers met nieuwe ideeën, eens de middelbare scholieren van dezelfde jaren '60 en '70, bleken in Nederland moeilijk te vinden.
Dat geldt overigens niet alleen in deze sector. Wat is er in de kunsten aan de hand? Allereerst is er ook in de kunsten duidelijk sprake van een grotere invloed van de markt, het mechanisme van vraag en aanbod, met méér dan een aantal jaren geleden nadruk op de vraag. Op zichzelf is dat niets nieuws. In de zeventiende eeuw was de vraag bepalend voor veel werk van onze grootste schilders. Nicolaas Maes stapte over van genrestukken op portretten omdat daarnaar vraag was. Afstemming van het aanbod op de vraag kan ook voorkómen dat kunst zich met een beroep op een eigen, hogere inspiratie isoleert. Maar kan kunst, als 'public good', om in economische termen te blijven spreken, aan de markt worden overgelaten als die markt ook steeds meer als commerciële markt wordt opgevat; een markt waarin niet dé vraag maar de financieel-draagkrachtige vraag het aanbod bepaalt? De vraag stellen is hem beantwoorden. Juist daarom is na de oorlog door velen – waaronder de Federatie van Kunstenaarsverenigingen – gepleit voor een actieve overheidsbemoeienis met de kunst. Die overheidsbemoeienis heeft steeds meer een planmatig en beheersmatig karakter gekregen. Daarin spelen ambtelijke functionarissen een belangrijke rol. Die ontwikkeling werd bevorderd door de opvatting dat de overheid zelf geen artistiek-inhoudelijke keuzen dient te maken. De uitspraak van Thorbecke 'De regering is geen oordelaar van wetenschap en kunst", is daarvoor vaak misbruikt. Dáárom een Raad voor de Kunst. Maar ook dát adviescollege is steeds meer verstrengeld geraakt met de bureaucratie, haar procedures, haar instrumenten, haar (financiële) modellen. Het kunstenbeleid is daardoor in de afgelopen decennia afhankelijk geraakt van twee ordeningsprincipes, dat van de bureaucratische behoeftebepaling en dat van op vraag en aanbod gerichte (commerciële) marktregulering. De cumulatieve effecten van deze twee ordeningsprincipes zijn een ieder die in de kunstensector werkt of zich daarmee verbonden voelt duidelijk.
Er zijn kunstenaars en instellingen die ten behoeve van hun voortbestaan hun commerciële mogelijkheden uitbaten. Er zijn kunstenaars en instellingen die zich richten naar de eisen die de overheid stelt; soms als opstap naar een betere marktpositie. Wie gaat bij zijn aanvrage voor een nieuwe kunstenplanperiode niet nauwkeurig na of aan alle aandachtspunten van de regering wordt voldaan? Er zijn echter óók kunstenaars die niet door de markt worden ontdekt maar zich ook niet aan de overheid kunnen of willen conformeren. Zij hebben het vaak moeilijk in een kunstwereld die steeds meer uit individuele 'kunst-ondernemers' bestaat. De solidariteit van kunstenaars als beroepsgroep is wel eens groter geweest dan nu. Toch zijn juist deze kunstenaars voor een gevarieerd en zich vernieuwend kunstleven essentieel. Vernieuwingen komen immers eerder uit de marge dan uit de markt. Daarom behoren zij extra aandacht te krijgen. 'Alles van waarde is weerloos'. Het omgekeerde is niet automatisch waar. Het verplicht wel extra te letten op wat, op de markt of tegenover de bureaucratie, weerloos is. Een taak voor de politiek. De ontwikkeling van de kunst kan niet aan de commerciële vraag worden overgelaten, zeker niet als er sprake is van monopolievorming. Kunst moet gezien, gelezen, beluisterd worden. Wie zorgen daarvoor in tijden van snelle technologische veranderingen en waarop selecteren zij, de uitgevers, de platenmaatschappijen, de kabelexploitanten?
Ik weet niet of u wel eens met een boekhandelaar praat maar de omloopsnelheid van een nieuw verschenen boek is maximaal 14 dagen op de tafel, daarna in de kast en na enkele maanden weg. De ontwikkeling van de kunst kan echter evenmin alleen aan de bureaucratie worden overgelaten. Bureaucratieën zijn nu eenmaal gericht op continuïteit, voorspelbaarheid, betrouwbaarheid. Het uitgangspunt dat gelijke gevallen gelijke behandeling verdienen wordt daarom al gauw tot de praktijk dat gelijke behandeling gelijke gevallen vraagt. Maar kunst bestaat alleen bij de gratie van variëteit, onvoorspelbaarheid, protest. Het is dus een handicap als in de kunsten het protest, de artistieke oppositie ontbreekt. De laatste 25 jaar zijn er nauwelijks meer schandalen in de kunst. Wanneer riep u voor het laatst tijdens een voorstelling "boe"? 'Kunst is essentieel omdat het een uitdaging is aan de verbeelding en de horizon van mensen kan verruimen' (Veling). Zonder kunst wordt de maatschappij, in de woorden van Galjaard, een maatschappij van reflexen in plaats van een maatschappij van reflectie. De behoefte aan en de noodzaak van reflectie groeit. Als de ontwikkeling van de kunst noch aan de markt, noch aan de bureaucratie kan worden overgelaten dan zijn er drie groepen die moeten zorgen voor een tegenwicht tegen markt en bureaucratie; de kunstenaars, de kunstliefhebbers én de politici. Waar het de politici betreft vallen een paar dingen op. Allereerst dat, ook vanuit de kunstenaarswereld, aan politici inhoudelijk altijd een zeer beperkte rol is toegedacht. Een Raad voor de Kunst zou de belangrijkste beoordelaar van kunst moeten zijn op grond van artistiek-inhoudelijke criteria; niet de regering. Dat was het uitgangspunt direct na de oorlog. Politici werden vooral benaderd als het ging om concrete voorzieningen voor kunstenaars of kunstinstellingen.
Dat is eigenlijk niet veranderd. Omgekeerd vonden politici in het uitgangspunt dat 'De Regering geen schepper van kunst kan en wil zijn' een gemakkelijk alibi om zich niet of nauwelijks inhoudelijk met het kunstbeleid te bemoeien of dat beleid inhoudelijk af te wegen tegen ander beleid. De verzelfstandiging van kunstinstellingen heeft aan die afstandelijke politieke houding nog bijgedragen. Verzelfstandigde instellingen moeten hun eigen beleid ook artistiek-inhoudelijk, bepalen. Zij zijn echter meer nog dan vroeger gedwongen behalve met de voorwaarden van de overheid, rekening te houden met de wensen uit de markt. De overheid voert via de voorwaarden die zij aan kunstenaars en kunstinstellingen stelt op een indirecte en dus moeilijk te controleren wijze wel degelijk een inhoudelijk kunstbeleid. Dat behoort echter openlijk te gebeuren en niet via het etiket van ambtelijke neutraliteit. Want ik zeg het Boekman (bekend SDAP-wethouder van onderwijs en kunstzaken in Amsterdam voor de oorlog) en Kassies (cultuurfilosoof) na: 'Geen cultuurpolitiek zonder cultuurspreiding, geen cultuurspreiding zonder sociale politiek' én voeg ik daaraan toe, 'geen sociale politiek zonder overheidsinterventie, geen overheidsinterventie zonder (pluriforme) democratie'. Ook daarom kan het artistiek-inhoudelijke debat over het kunstbeleid niet uit de politieke discussie worden weggesneden. Dat hoeft ook niet omdat ook voor ándere beleidsterreinen steeds duidelijker wordt dat de samenleving misschien wel – zij het beperkt – maakbaar is maar niet door de overheid wordt gemaakt. Het pleidooi voor een sterke voorwaarden-scheppende rol van de overheid in de kunsten gecombineerd met het uitgangspunt dat het artistiek-inhoudelijke beleid elders werd bepaald, heeft de kunsten van een belangrijke bondgenoot beroofd: de politiek. Maar ook het omgekeerde geldt: het heeft politici afgeschermd van de kunst die ook hún verbeelding uitdaagt en ook hún horizon kan verruimen. Kunnen politici wel tegen kunst? En dan heb ik het natuurlijk over politici als ambtsdragers niet als individuele personen. De kunst van de politiek, ook in het kunstbeleid, is voorwaarden stellen aan het beleid dat via marktregulering en bureaucratische behoeftebepaling – die twee ordeningsprincipes – tot stand komt. Tot die voorwaarden behoort niet in de eerste plaats het creëren van voorzieningen. Het initiatief tot de bouw van een nieuw muziekgebouw of een nieuw museum maakt van de verantwoordelijke politicus nog geen Marchant. Evenmin is een kunstenaarsbeleid de garantie voor een kunstbeleid. Het gaat immers niet in de eerste plaats om een sociaal-economische maar om de artistiek-inhoudelijke oriëntatie. Het gaat om de eigen waarde van de kunst.
De politiek, politieke partijen en politici, kunnen niet zonder een waarde-oriëntatie, een notie – hoe vaag ook – van de maatschappij waarin wij (willen) leven. In dit verband is het illustratief (en omineus) dat altijd gevraagd wordt naar de maatschappelijke betekenis (het nut) van kunst. Ik werd daarmee voor het eerst geconfronteerd als voorzitter van het LOKV, een landelijke instelling voor kunsteducatie. Het viel me toen op dat er steeds opnieuw pogingen worden ondernomen de vraag te beantwoorden waar kunstzinnige vorming goed voor is. Men wil de effecten meten. Die instrumentele benadering is niet zonder risico omdat daarin niet het eigen belang van de kunstzinnige vorming voorop staat maar de koppeling met een op dat moment dominant ander belang. Dat maakt kwetsbaar. Als het belang van de dans in het onderwijs moet worden ontleend aan het feit dat leerlingen er zo leuk van gaan bewegen, komt de dans op de tocht te staan op het moment dat leuk bewegen niet meer belangrijk wordt gevonden. De legitimering van de kunsteducatie ligt (voor het grootste deel) in de waarde van de kunsten zelf. Op dit moment zie je dat naast het educatieve en recreatieve belang het economisch belang van kunst, een goed cultureel klimaat, wordt gepropageerd. (Dat economische belang is overigens wel te onderscheiden van ordening door de markt). Het propageren van dat belang gebeurt vooral plaatselijk. (Plaatselijk kunstbeleid is altijd tenminste even belangrijk geweest als het nationale kunstbeleid en financieel zelfs belangrijker). Er is een creatieve industrie ontstaan, "een" vorm van maatschappelijking; niet dé vorm waar alles aan kan worden opgehangen. (voorbeeld Nokia/Second life). Het is overigens opmerkelijk dat zelden de vraag wordt gesteld wat de producten van de creatieve industrie maatschappelijk betekenen, hun invloed op de wijze waarop en intensiteit waarmee de werkelijkheid wordt ge(re-)construeerd. Wat vermag kunst? Wat wil de kunstenaar dat met zijn kunst gebeurt? Die vragen worden nauwelijks gesteld. Kunst is één van de maatschappelijke waarden.. De discussie over die waarde wordt in Nederland slecht gevoerd. En wáár het wordt geprobeerd – ik herinner me bijvoorbeeld een bijdrage van een van de leden van de Eerste Kamer aan het beleidsdebat over cultuur, – weten ambtenaren of markt er eigenlijk geen raad mee. Zonder een publiek debat echter over die waarde zal het kunstbeleid altijd een relatief onbetekenende sector blijven, een toevoeging, een randversiering, een wandversiering.
Het belang van kunsteducatie ligt voor mij in het leren kunst zien en horen, het leren kunst maken en begrijpen. In het kunstenboek 'Spelen met onzichtbare dingen', een uitgave van het Haagse Koorenhuis, worden twee stellingen geponeerd waarop jaren terug mijn reactie werd gevraagd. De eerste stelling: 'Kunst maken kun je niet leren; het gaat uiteindelijk om talent'. Mijn reactie daarop was: zeker, maar talent kun je ontwikkelen en dat ontwikkelen is méér dan een techniek leren beheersen'. De tweede stelling: 'Kunst kijken kun je niet leren; het gaat uiteindelijk om gevoel. 'Mijn reactie daarop: zeker, maar gevoel kun je ontwikkelen en dat is méér dan het kunstwerk verklaren.' Voor beide ontwikkelingen zijn tenminste nodig:
Stimulering, bewustwording, kansen; drie politieke voorwaarden voor een kunstbeleid. De titel van dat kunstenboek "Spelen met onzichtbare dingen" is ontleend aan een gedicht van Adriaan Morriën, Kinderspel: "Kinderen spelen met onzichtbare dingen / Zij gaan met minder dan een schaduw om. / Wat voor ons stom is, heeft voor hen geluid. / Waar wij niets zien, zien zij de mooiste ogen". Als dit gedicht een kern van waarheid bevat is de voornaamste vraag niet: kun je kunst maken of kunst kijken leren? Dan is de voornaamste vraag: waardoor leer je kunst bij het ouder worden af? Ik kom tot een afronding. Kunst is eigenzinnig, gevarieerd, onvoorspelbaar. Kunst behoort nieuwe sporen te trekken. Die kunst verdraagt zich niet automatisch met de markt of de bureaucratie.
Daarom is een voorname taak van politici: ruimte scheppen, kansen bieden, risico durven nemen in het kunstaanbod. Dat is lastig omdat het kunnen toerekenen aan een functie/nut, aan een activiteit de overheid legitimeert in haar bemoeienis. Daarin ligt vaak een voorname functie voor besturen van kunstinstellingen: legitimatie verschaffen. Eén van de aardigste besturen waar ik ooit in heb gezeten, is het bestuur van het Nederlands Danstheater met Carel Birnie als zakelijk leider. Eén van de taken van dát bestuur was een buffer te zijn tussen deze zakelijk leider en de subsidiërende overheden. Toen dat niet meer lukte, ging het bestuur weg. Maar toen was inmiddels het Danstheater zonder financiële overschrijdingen voltooid en zelfs al uitgebreid. In een brief ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag schreef Jan Kassies: 'Dé politiek bestaat niet.
Er zijn politici wier ambacht het is om beslissingen te nemen over verdelingen. Zij doen dat noch in een luchtledig, noch zonder ruggespraak. Voor die laatste zijn wij allen verantwoordelijk.' Die verantwoordelijkheid rust ook op de kunstenaars. Het valt mij op hoezeer die contacten in de kunsten-'sector' zich vaak beperken tot de (sector-)politici, de bewindslieden voor Cultuur, de leden van de Cultuurcommissies in Kamers en gemeenteraden. Met de sector ambtenaren, de vertegenwoordigers van kunstinstellingen, de sponsors en een enkele kunstenaar zijn zij op culturele manifestaties aanwezig. Ons kent ons en vaak al heel lang. Als kunst werkelijk maatschappelijk belangrijk is zou dat drastisch moeten veranderen. Een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van kunstenaars en politici. Tenslotte was het niet de directeur-Kunsten maar de minister van Onderwijs met ambtelijk Financiën die in 1935 de oplossing aandroeg voor de aankoop van de Hoge Veluwe en de overdracht van de collectie Kröller-Müller. Tegen de achtergrond van dit betoog zult u begrijpen waarom ik op 22 februari 1998 met groot genoegen de Blauwe Salon opende en nu in dit tiende jaar hier opnieuw sta.
Een particulier initiatief van kunstenaars en kunstliefhebbers; niet afhankelijk van de overheid, niet onderworpen aan de (commerciële) markt. Zij vragen zich niet af: "Wat heb het voor nut", maar wisten in 1998: dit is de moeite waard, de ene keer misschien wat meer dan de ander, maar de moeite waard. En dat is de afgelopen bijna 10 jaar gebleken. Ik wens de Blauwe Salon en de initiatiefnemers geluk met dit 10e seizoen en bied met veel plezier dit (tweede) gastenboek aan. Op naar 2017.
mr. H.D. Tjeenk Willink
