Dankwoord bij erepromotie Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd op 8 januari 2007
Het is me duidelijk gemaakt: 5 minuten; niet meer. Ik moet dus laten vallen mijn gelukwensen aan de Universiteit van Amsterdam met de viering van haar 375e Dies Natalis. Ruim 100 jaar jonger dan de Raad van State. Universiteit en Raad, twee instituties die niet alleen jaarlijks hun "targets" moeten halen, maar vooral dienen te staan voor bepaalde waarden.
De achtereenvolgende Raden van State, sinds 1531, hebben bij al hun verschillen één waarde gemeen gehad: de eenheid, legitimiteit en kwaliteit van het openbaar bestuur. De Raad van State heeft , door advisering en rechtspraak, er aan bij te dragen dat Nederland behoorlijk bestuurd wordt en, mede daardoor, een fatsoenlijk land blijft. Open naar de wereld, met een eigen positie in Europa, tolerant tegenover andersdenkenden, zich bewust van de eigen historische verworvenheden; ook institutionele verworvenheden. Instituties zijn van grote betekenis bij de ontwikkeling en overdracht van waarden. Dat geldt zowel voor maatschappelijke instituties (universiteiten bijvoorbeeld) als voor staatkundige, waaronder de Raad. Het is interessant te constateren dat de zorg van politici en bestuurders over maatschappelijke waarden (en spelregels) groter is geworden, maar hun kennis van de (eigen) staatkundige waarden (en spelregels) drastisch is verminderd.
Daartussen zit een spanning. Eigenlijk gaan de algemene beschouwingen in de jaarverslagen van de Raad over dit soort spanningen; tussen staat en maatschappij; tussen beleid en uitvoering; tussen intenties en praktijk; tussen weten en doen. Die spanningen verklaren ook de discrepantie tussen de vrij brede publieke acclamatie van die jaarlijkse beschouwingen en de praktische consequenties die daaruit door bestuurders getrokken worden. Toch zijn er, ook in het openbaar bestuur (individuele) functionarissen, die niet alleen de analyses in de algemene beschouwingen onderschrijven maar daaruit ook praktische consequenties willen trekken. Misschien moet de aandacht meer op hen worden gericht. Zij zijn immers meestal niet in de positie zich al te openlijk te weer te stellen tegen het dominante op verandering gerichte denken, dat van bovenaf, eenvormig wordt opgelegd. Al wordt dat denken, in tegenstelling tot 25 jaar geleden, niet meer gevangen in het woord "maakbaarheid" maar in de woorden "doorzettingsmacht" (vooraf) en "afrekenen" (achteraf).
Het valt het centrale bestuur nu eenmaal zwaar met verscheidenheid om te gaan. Die verscheidenheid en is riskant, denkt men. Maar zoals het nu gaat is riskanter, omdat de legitimiteit van het openbaar bestuur wordt aangetast. Hoe legitiem is een openbaar bestuur waarin alleen de meest competente burgers, en dan nog soms met moeite, zelf hun weg kunnen vinden en niet diegenen waarvoor de democratische rechtsstaat juist ook was bedoeld? In de woorden van Herman Vuijsje (NRC-Handelsblad 16 december 2006): "de niet slimmen, de niet assertieven, de oude Turken, degenen die niet hun mannetje staan en wél op hun mondje zijn gevallen".
Hoe legitiem is een openbaar bestuur waarin deskundige uitvoerders van publieke taken steeds minder tijd aan hun eigenlijke werk kunnen besteden, maar als het mis gaat toch als eersten verantwoordelijk worden gesteld? We moeten onder ogen zien wat er de afgelopen 25 jaar in alle ongetwijfeld goed bedoelde veranderingsoperaties mis is gegaan, zonder af te doen aan alles wat goed loopt (en dat is veel) en beter gaat. Als Vice-President van de Raad van State voel je, ook bij het schrijven van algemene beschouwingen, de spanning tussen het besef dat het anders moet om de kwaliteit, de legitimiteit en de eenheid van het openbaar bestuur overeind te houden en begrip voor het feit dat het gaat zoals het gaat. Het is, ook binnen de Raad, de spanning tussen de waarden waarvoor de Raad moet staan en het praktische handelen van dag tot dag.
De toekenning van dit eredoctoraat beschouw ik vooral als een eerbetoon aan de institutie waarvan ik sinds 10 jaar de Vice-President mag zijn. Zij vormt een extra stimulans om daarmee door te gaan. Een weinig "sadder", hopelijk wat "wiser" en in ieder geval steeds met dezelfde overtuiging van de waarde van het openbaar bestuur in onze democratische rechtsstaat. Graag breng ik op dit bijzondere moment mijn grote erkentelijkheid tot uiting jegens de rector magnificus, het college van bestuur en het college voor de promoties voor de toekenning van dit zo eervolle eredoctoraat en in het bijzonder jegens mijn erepromotor voor de wijze waarop hij mij, allerminst waardevrij, heeft willen toespreken.
mr. H.D. Tjeenk Willink
De achtereenvolgende Raden van State, sinds 1531, hebben bij al hun verschillen één waarde gemeen gehad: de eenheid, legitimiteit en kwaliteit van het openbaar bestuur. De Raad van State heeft , door advisering en rechtspraak, er aan bij te dragen dat Nederland behoorlijk bestuurd wordt en, mede daardoor, een fatsoenlijk land blijft. Open naar de wereld, met een eigen positie in Europa, tolerant tegenover andersdenkenden, zich bewust van de eigen historische verworvenheden; ook institutionele verworvenheden. Instituties zijn van grote betekenis bij de ontwikkeling en overdracht van waarden. Dat geldt zowel voor maatschappelijke instituties (universiteiten bijvoorbeeld) als voor staatkundige, waaronder de Raad. Het is interessant te constateren dat de zorg van politici en bestuurders over maatschappelijke waarden (en spelregels) groter is geworden, maar hun kennis van de (eigen) staatkundige waarden (en spelregels) drastisch is verminderd.
Daartussen zit een spanning. Eigenlijk gaan de algemene beschouwingen in de jaarverslagen van de Raad over dit soort spanningen; tussen staat en maatschappij; tussen beleid en uitvoering; tussen intenties en praktijk; tussen weten en doen. Die spanningen verklaren ook de discrepantie tussen de vrij brede publieke acclamatie van die jaarlijkse beschouwingen en de praktische consequenties die daaruit door bestuurders getrokken worden. Toch zijn er, ook in het openbaar bestuur (individuele) functionarissen, die niet alleen de analyses in de algemene beschouwingen onderschrijven maar daaruit ook praktische consequenties willen trekken. Misschien moet de aandacht meer op hen worden gericht. Zij zijn immers meestal niet in de positie zich al te openlijk te weer te stellen tegen het dominante op verandering gerichte denken, dat van bovenaf, eenvormig wordt opgelegd. Al wordt dat denken, in tegenstelling tot 25 jaar geleden, niet meer gevangen in het woord "maakbaarheid" maar in de woorden "doorzettingsmacht" (vooraf) en "afrekenen" (achteraf).
Het valt het centrale bestuur nu eenmaal zwaar met verscheidenheid om te gaan. Die verscheidenheid en is riskant, denkt men. Maar zoals het nu gaat is riskanter, omdat de legitimiteit van het openbaar bestuur wordt aangetast. Hoe legitiem is een openbaar bestuur waarin alleen de meest competente burgers, en dan nog soms met moeite, zelf hun weg kunnen vinden en niet diegenen waarvoor de democratische rechtsstaat juist ook was bedoeld? In de woorden van Herman Vuijsje (NRC-Handelsblad 16 december 2006): "de niet slimmen, de niet assertieven, de oude Turken, degenen die niet hun mannetje staan en wél op hun mondje zijn gevallen".
Hoe legitiem is een openbaar bestuur waarin deskundige uitvoerders van publieke taken steeds minder tijd aan hun eigenlijke werk kunnen besteden, maar als het mis gaat toch als eersten verantwoordelijk worden gesteld? We moeten onder ogen zien wat er de afgelopen 25 jaar in alle ongetwijfeld goed bedoelde veranderingsoperaties mis is gegaan, zonder af te doen aan alles wat goed loopt (en dat is veel) en beter gaat. Als Vice-President van de Raad van State voel je, ook bij het schrijven van algemene beschouwingen, de spanning tussen het besef dat het anders moet om de kwaliteit, de legitimiteit en de eenheid van het openbaar bestuur overeind te houden en begrip voor het feit dat het gaat zoals het gaat. Het is, ook binnen de Raad, de spanning tussen de waarden waarvoor de Raad moet staan en het praktische handelen van dag tot dag.
De toekenning van dit eredoctoraat beschouw ik vooral als een eerbetoon aan de institutie waarvan ik sinds 10 jaar de Vice-President mag zijn. Zij vormt een extra stimulans om daarmee door te gaan. Een weinig "sadder", hopelijk wat "wiser" en in ieder geval steeds met dezelfde overtuiging van de waarde van het openbaar bestuur in onze democratische rechtsstaat. Graag breng ik op dit bijzondere moment mijn grote erkentelijkheid tot uiting jegens de rector magnificus, het college van bestuur en het college voor de promoties voor de toekenning van dit zo eervolle eredoctoraat en in het bijzonder jegens mijn erepromotor voor de wijze waarop hij mij, allerminst waardevrij, heeft willen toespreken.
mr. H.D. Tjeenk Willink
