Inleiding van de Vice-President ter gelegenheid van het Parlementair Overleg Koninkrijksrelaties<br>Tweede Kamer der Staten-Generaal
Gepubliceerd op 13 juni 2006
Dank aan beide voorzitters van de vaste commissies voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken voor de uitnodiging vandaag het woord te voeren. Ik zal spreken over het proces van staatkundige vernieuwing en de omgeving waarbinnen dat proces zich afspeelt. Juist die omgeving is van belang voor een goede analyse van de problemen waarvoor we gezamenlijk een oplossing moeten vinden. Het bedenken van oplossingen zonder voorafgaande analyse van het de problemen, staat gelijk aan het oplossen van raadsels. Het bouwen van nieuwe structuren zonder analyse van de redenen waarom de bestaande structuren niet werken, staat gelijk aan bouwen op drijfzand. Een goede analyse is overigens niet hetzelfde als een dik rapport. Aan dat laatste is in het Koninkrijk geen gebrek.
De Raad van State van het Koninkrijk heeft zich nog niet zo lang geleden tweemaal uitgesproken over de Koninkrijksrelaties. Allereerst in september 2003 met de voorlichting 'Verdieping of geleidelijk uiteengaan', over de relaties binnen het Koninkrijk en met de Europese Unie (zie voetnoot 1). Vervolgens gaf de Raad in december 2004 een (ongevraagd) advies naar aanleiding van het vijftigjarig bestaan van het Statuut voor het Koninkrijk (zie voetnoot 2). Ik beveel lezing in uw aandacht aan. Beide hebben nog niets aan actualiteitswaarde ingeboet. Misschien heeft u er iets aan bij uw discussies onderling.
Ook in de reguliere advisering over wetsvoorstellen, zoals het wetsvoorstel voor een Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba, probeert de Raad de relaties binnen het Koninkrijk niet geïsoleerd te bekijken, maar in samenhang met de veranderende wereld om ons heen.
De Raad hanteert bij zijn advisering over de toekomst van het Koninkrijk drie belangrijke uitgangspunten die ik graag aan u voorleg.
Het eerste uitgangspunt luidt: de wereld van 2006 is een totaal andere dan de wereld van 1954, het jaar waarin het Statuut werd bekrachtigd. Waarom doen we dan in het Koninkrijk soms alsof het nog 1954 is door vast te houden aan oude patronen van autonomie en zelfredzaamheid. Geen land ter wereld is meer autonoom; geen land ter wereld kan zich meer alleen zelf redden.
Tweede uitgangspunt: handhaving van de status quo, dus doorgaan zoals we nu bezig zijn, zal op termijn leiden tot het einde van de Koninkrijksband. De landen drijven uit elkaar. Nederland raakt steeds meer gericht op Europa. Door de bevolking wordt het Koninkrijk niet (meer) beleefd. Van het ene Nederlanderschap komt steeds minder terecht. Op papier kan het Koninkrijk nog wel een tijdje bestaan, maar papier is geduldig. Dat geldt zeker ook voor Statuutspapier.
Derde uitgangspunt: binnen het huidige Statuut kan veel meer dan nu gezamenlijk worden geregeld, als we dat zouden willen. Hebben we overigens een andere keuze? Wijzigen van het Statuut zal op den duur nodig zijn als middel om problemen beter aan te pakken maar op die wijziging hoeft die aanpak niet te wachten. Dan zou het Statuut (opnieuw) worden gebruikt als excuus om (nog even) niets aan die problemen te hoeven doen.
Alle pogingen het Statuut te wijzigen bij wijze van 'eerste stap' zijn de afgelopen jaren op niets uitgelopen. Intussen zijn de maatschappelijk problemen groter geworden in plaats van kleiner. Het verbaast me wel eens dat juist ook zoveel Nederlandse politici elke keer weer een nieuwe poging willen wagen om met wijziging van het Statuut te beginnen.
Dat zie je overigens vaak: meer aandacht voor structuren in plaats van voor processen; meer aandacht voor de vorm in plaats van voor de inhoud.
Deze drie uitgangspunten wil ik hierna graag kort met u bespreken, waarbij ik gebruik maak van de eerder genoemde adviezen van de Raad. Daarna wil ik stilstaan bij de consequenties van die uitgangspunten voor de herstructurering van het Koninkrijk.
Ik spreek trouwens consequent over de herstructurering van het Koninkrijk, omdat ik meen dat de herstructurering van de Nederlandse Antillen een ieder raakt; niet alleen de vijf eilanden van de Nederlandse Antillen, óók Aruba, óók Nederland en zeker ook de manier waarop het Koninkrijk als geheel functioneert.
De neiging bestaat - overigens zeer begrijpelijk - dit complexe dossier van de herstructurering op te delen in kleine behapbare brokjes, maar van bestuurders en politici wordt ook een visie gevraagd op de samenhang, op de omgeving en vooral en in de eerste plaats op de maatschappelijke problemen waarmee burgers in onze drie landen, allemaal Nederlanders, worstelen. Als volksvertegenwoordigers moeten die problemen uw eerste zorg zijn. We kennen die problemen, ik hoef ze u niet te noemen. Het is ons gezamenlijk tot nu toe niet gelukt ze op te lossen. Integendeel vele zijn, zeker in de ogen van de burgers, eerder groter geworden dan kleiner.
Hoe komt dat?
Een wereld in verandering
Een betoog over de staatkundige herstructurering van het Koninkrijk kan niet losstaan van de sinds 1954 gewijzigde internationale verhoudingen.
De onderlinge afhankelijkheid van mensen en volkeren is sterk toegenomen. De mondialisering heeft mensen die veraf leefden, dichtbij gebracht. Velen onder¬houden dagelijks intensieve contacten via telefoon, internet, e-mail, radio en televisie. Economische activiteiten in verschillende landen zijn nauw met elkaar verbonden geraakt. Al dan niet tijdelijke migratie is een algemeen verschijnsel geworden. We hebben er in alle landen mee te maken. Mondiale vraagstukken op het gebied van economie, milieu, mensenrechten, criminaliteit en terrorisme maken het voor nationale gemeenschappen, klein èn groot, onontkoombaar om intensiever samen te werken. Dit geldt voor Nederland, maar ook voor een supermacht als de Verenigde Staten. Zou dat dan toevallig niet gelden voor een land Curaçao, een land Sint Maarten, een land Aruba?
In de afgelopen vijftig jaar heeft het streven naar het verkrijgen en het behouden van nationale soevereiniteit plaats moeten maken voor het inzicht dat vrede, veiligheid en welvaart alleen maar door een steeds nauwere samenwerking kunnen worden verzekerd. Bevoegdheden die vroeger tot de exclusieve soevereiniteit van nationale staten werden gerekend, zijn gedeelde bevoegdheden geworden.
De keuze is dan ook steeds vaker: meedoen aan een grensoverschrijdende rechtsorde en daarop (bescheiden) invloed uitoefenen of een zogenaamde (formele) autonomie bewaken en (daardoor) steeds vaker overgeleverd zijn aan wat andere, meer invloedrijke staten eenzijdig beslissen.
Een voorbeeld van zo'n gemeenschappelijke grensoverschrijdende rechtsorde die in ruim vijftig jaar is ontstaan vormt de Europese Unie.
Sedert begin jaren negentig is de Europese samenwerking in drie opzichten voortgeschreden: door verbreding naar meer beleidsterreinen, door verdieping op die beleidsterreinen en door de uitbreiding met steeds nieuwe lidstaten. Ook zonder Europees grondwettelijk verdrag gaat dat proces door. Die Europese ontwikkelingen werken ook door binnen het Koninkrijk. Een aantal belangrijke koninkrijksaangelegenheden wordt inmiddels (mede) door Europees recht en Europees beleid bepaald (in de Voorlichting van september 2003 worden de Tweede Pijler genoemd en verschillende rechtsgebieden). Die doorwerking hebben we lang niet gezien of niet willen zien. Maar het is wèl de werkelijkheid. Met andere woorden, niet alleen de internationale positie van Nederland, maar ook die van de Nederlandse Antillen en Aruba is sinds 1954 en vooral de laatste twee decennia ingrijpend veranderd.
Door die mondiale ontwikkelingen is het ook verklaarbaar dat, anders dan dertig jaar geleden de vorming van kleine onafhankelijke staten niet langer wordt beschouwd als de enig mogelijke of enig wenselijke afsluiting van het tijdvak van kolonisatie. Ook buiten Europa hebben kleine landen vaak zelf gekozen voor een verband met een verwant groter land. Dit levert een betere bescherming van collectieve belangen en individuele vrijheden dan de intern en extern kwetsbare constitutionele orde van een afzonderlijke kleine staat kan bieden. In de Antillen en Aruba is, anders dan in 1975 in Suriname, gekozen voor behoud van het Koninkrijksverband. Dat was niet alleen (toen) begrijpelijk maar is (ook achteraf) denk ik op zichzelf verstandig. Maar we hebben vervolgens aan dat verband geen nieuwe gemeenschappelijke inhoud gegeven.
Waar over het Koninkrijk wordt gesproken, wordt nog altijd vooral Nederland bedoeld. De regelingen van het Statuut worden vooral als grenzen voor de wederzijdse interventies beschouwd, minder als mogelijkheid om gemeenschappelijke problemen ook gemeenschappelijk te lijf te gaan.
Zo zijn twee grondpatronen ontstaan: de steeds verdergaande integratie van Nederland in een gemeenschappelijke Europese rechtsorde en een eigenlijk stilstaande relatie van de Antillen en Aruba met Nederland in het Koninkrijksverband. Termen als autonomie en zelfredzaamheid bepalen nog steeds de toon van de onderlinge discussie. Dat wringt niet alleen, het draagt eraan bij dat problemen niet worden opgelost, maar erger worden: problemen van verwaarloosd onderwijs, schrijnende armoede, niet vanzelfsprekende rechtsbescherming en stijgende criminaliteit worden (ondanks of dankzij de autonomie?) niet kleiner maar groter.
Als het Koninkrijk bij dit soort complexe landenoverstijgende problemen voor de burgers onzichtbaar blijft, welk inhoudelijk bestaansrecht heeft het dan eigenlijk nog?
De wereld is veranderd, nu het Koninkrijk nog. De irritaties over het gebrek aan inhoudelijke vooruitgang en de vele verwijten over en weer maken dat het draagvlak voor het Koninkrijk afneemt. Een referendum onder de bevolking in Nederland zou inmiddels naar ik vrees een (grote) meerderheid voor het uittreden van Nederland uit het Koninkrijk opleveren. Ik vraag me wel eens af of we ons niet aan beide zijden van de oceaan in spiegelbeeldige situaties bevinden. Nederlandse politici die (zij het afnemend) nog wel iets willen doen aan verbetering van het Koninkrijk en een bevolking die steeds meer afhaakt. In de Antillen en Aruba een bevolking die in het Koninkrijk wil blijven, omdat die ziet dat de zogenaamde autonomie de problemen niet oplost, en politici die (zij het afnemend) tegen veranderingen vooral bezwaren inbrengen. Daarmee kom ik op de status quo.
De status quo
In 2003 en 2004 organiseerde het Comité 2004 van prof. Pieter van Vollenhoven en prof. Jaime Saleh een publiek debat over de toekomst van het Koninkrijk. Alle deelnemers aan dat debat waren het eens met de stelling dat handhaving van de bestaande situatie ook politiek geen optie meer was. De landen moesten kiezen voor hechtere banden òf een afscheid op termijn. De keuze van de overzeese burgers van het Koninkrijk bij de diverse referenda was duidelijk.
Bestuurders en politici kunnen hierna niet in het negatieve blijven steken: èn géén hechtere banden, èn géén afscheid op termijn. De vraag is niet: wat niet, maar wat wèl.
Een ieder wil verandering en toch lukken veranderingen maar niet. Hoe komt dat? Of is het zo dat eigenlijk toch niet iedereen verandering wil? Is het misschien zo dat handhaving van de bestaande situatie weliswaar niet in het belang is van de bevolking, maar wel in het belang is van een groot aantal deelnemers aan het Koninkrijksdebat in elk van de drie landen van het Koninkrijk? Ontlenen deze deelnemers aan de bestaande situatie een positie die in dat hernieuwde Koninkrijk minder vanzelfsprekend is of onzeker wordt? Ik denk dat er tenminste twee factoren aan de noodzakelijke veranderingen in de weg staan. Allereerst onduidelijkheid over de richting waarin veranderd moet worden. Dit is het gevolg van een gebrek aan visie, allereerst bij de Koninkrijksregering, op waar het met Europa heen moet, op de betekenis van het Caribisch gebied (kruispunt van verbindingen), op de mogelijkheden van één Koninkrijk met één ongedeelde soevereiniteit, één rechtssubject in volkenrechtelijke zin, en één ongedeeld staatsburgerschap.
(Onbegrijpelijk hoe de Koninkrijksregering tot nu toe is omgegaan met de mogelijke (!) UPG-status van de Antillen en Aruba. Zodadelijk is die mogelijkheid misschien verdwenen en valt er niets meer te kiezen. Onbegrijpelijk ook dat er niet een veel duidelijker regiobeleid wordt gevoerd, zo mogelijk in samenwerking met de EU-partners Spanje, Portugal en Frankrijk).
De tweede factor die waarschijnlijk meespeelt, is de sterke verambtelijking van de Koninkrijksrelaties. Politici maken zich voor veranderingen (als ze die al echt zouden willen) afhankelijk van ambtenaren die aan de bestaande situatie hun positie ontlenen. Dat geldt, het zijn maar twee voorbeelden, voor BZK en USONA. Ambtenaren zijn tot verandering, zelfs in hun eigen positie, wel (en alleen) bereid als er een duidelijke politieke visie is. Maar die ontbreekt. En daar zitten ambtenaren ook mee.
Als we verandering van de bestaande situatie willen, moeten we in elk van de drie landen kritisch naar onze eigen positie en ons eigen functioneren willen kijken. Anders gaat het alleen maar over de ander en blijft alles uiteindelijk bij het oude.
Ook dáárom spreek ik liever niet van de herstructurering van de Nederlandse Antillen, maar van de herstructurering van het Koninkrijk.
En als we dan kritisch naar onszelf kijken valt op hoe weinig er in het verleden in het publieke debat tussen de drie landen is gepraat over de echte problemen en hun oorzaken; en hoeveel over de gevolgen van die problemen en over de stroom aan incidenten. De communicatie staat in de sleutel van verwijten en, vaak letterlijk, “afrekenen” in plaats van wederzijds belang. Een bewuste communicatiestrategie van de Koninkrijksregering naar de bevolking van de drie landen ontbreekt. Ook dat biedt ruimte aan geruchtvorming en incidenten.
De communicatie tussen Nederland en de Nederlandse Antillen en Aruba kan echter niet beperkt blijven tot de (kleine) elite die vaak zelf daar èn hier gevangen lijkt te zitten in de status quo. Zonder betrokkenheid van maatschappelijke groepen, vertegenwoordigers van de nieuwe generatie, personen buiten de politieke hitte van de dag, zal het niet lukken de status quo te doorbreken.
Ik wijs er daarbij – ten overvloede – op dat onze bevolking sterk gewijzigd is. De jongere generatie Europese Nederlanders beschouwt veel minder dan hun ouders en grootouders de Koninkrijksband nog als een historisch gegeven. Daarbij komt dat een groeiend deel van de Nederlandse bevolking geen gemeenschappelijke historie heeft. Min of meer hetzelfde geldt op Aruba en Sint Maarten voor de grote groep mensen die van elders uit de regio in het Koninkrijk is gaan wonen. De verbondenheid tussen de landen wordt alleen al daardoor steeds minder vanzelfsprekend en dient actief te worden onderhouden. Dat kunnen we niet alleen aan het Koninklijk Huis en het Nederlands voetbalelftal overlaten.
Voor die onderlinge communicatie en verbondenheid moet de oplossing van de echte problemen het begin- èn eindpunt zijn.
De burgers moeten zien dat het Koninkrijk werkt.
Het Statuut
De veranderde wereld, die om grotere samenwerking vraagt, is onvoldoende vertaald in de wijze waarop de partners in het Koninkrijk met elkaar omgaan. In vele opzichten is de samenwerking tussen de landen van de Europese Unie hechter dan de samenwerking binnen het Koninkrijk. En dat geldt dan niet alleen de samenwerking tussen regeringen, maar vooral ook tussen bedrijven en maatschappelijke organisaties. Ik vind dat raar. Waarom op Europees niveau zoveel en binnen het Koninkrijk zo mondjesmaat directe samenwerking tussen milieuorganisaties, met culturele instellingen, tussen onderwijsinstellingen of met gemeenten?
De artikelen uit het Statuut die gaan over gezamenlijke verantwoordelijkheden en samenwerking worden amper gebruikt.
Die beperkte benutting van het Statuut staat haaks op de mondiale ontwikkelingen die de wederzijdse afhankelijkheid juist hebben vergroot.
Het is van belang vast te stellen dat ook zonder wijziging van het Statuut veel dringende maatschappelijke vraagstukken goed kunnen worden aangepakt. Het Statuut biedt immers ruimte voor verschillende vormen van bestuurlijke samenwerking. En over de samenwerking tussen niet-overheidsinstellingen met publieke taken zegt het Statuut niets. Datzelfde Statuut biedt nu al, zeg ik tegen hen die menen dat elk ingrijpen onmogelijk is, een basis voor een gerichte ingreep door het Koninkrijk als dat echt nodig wordt geacht, zoals in 1992 op Sint Maarten.
Op Sint Maarten ging het destijds om het waarborgen van fundamentele rechten en vrijheden en van een goed bestuur. Daarin waren de Landsregering en die van het Koninkrijk, maar zeker ook Nederland zelf, tekortgeschoten. Het zou van die waarborgen, destijds ging het om het recht op een integere overheid, veel tijdiger werk hebben moeten maken. Geldt dat momenteel niet ook voor het fundamentele recht op goed onderwijs?
Het Koninkrijk is geen los verband. De eenheid in verscheidenheid van de landen van het Koninkrijk volgt uit het Statuut. De verantwoordelijkheden van het Koninkrijk bij het uitvoeren en nakomen van internationale verplichtingen zijn sinds1954 in aantal toegenomen. Het is het Koninkrijk, de landen gezamenlijk, dat op die naleving kan worden aangesproken. Ook dat dwingt tot het geven van meer inhoud aan de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.
Het Koninkrijk kan het domweg niet maken bij belangrijke verdragen - zoals dat ter bestrijding van corruptie - verdeeld te zijn tussen een deel dat meedoet met de internationale rechtsorde en een deel dat minder haast maakt. Wat is er eigenlijk tegen om samen met de goedkeuring van een verdrag bij rijkswet ook (consensus)rijkswetten over de implementatie van die verdragen tot stand te brengen?
Dan wordt meteen ook aan het Koninkrijk duidelijk welke kosten met die implementatie gemoeid zijn en welke bijstand daarvoor nodig is.
Het Statuut staat aan dit alles niet in de weg. De keuze in 1954 voor een gezamenlijke nationaliteit, het Nederlanderschap kent geen allochtonen of makamba's, verplicht ons daartoe.
Koninkrijk nieuwe stijl
Het Koninkrijk is via het Statuut gebouwd op drie pijlers: de gemeenschappelijke zorg voor aangelegenheden van het Koninkrijk, de zelfstandige behartiging van de eigen belangen van de landen en de verlening aan elkaar van wederzijdse bijstand.
Ook in een hernieuwd Koninkrijk blijven die uitgangspunten geldig.
Vanwege de veranderingen in de internationale omgeving waarin het Koninkrijk is komen te verkeren is het echter steeds minder mogelijk alleen, op eigen kracht, grote maatschappelijke vraagstukken op te lossen. Dat geldt voor alle landen. Dat geldt zeker voor kleine landen. Tegelijk wordt de noodzaak groter de (lokale) bevolking bij die oplossingen daadwerkelijk te betrekken. Er ligt daarom in een hernieuwd Koninkrijk meer nadruk op de gezamenlijke verantwoordelijk¬heden. Ik noem een paar belangrijke onderwerpen die in samenhang moeten worden bezien.
1. Nederland legt in de huidige gesprekken met de Antillen en Aruba terecht veel nadruk op de overheidsfinanciën en de rechtshandhaving. Deze twee onderwerpen zijn van vitaal belang voor het behoud van de democratische rechtsstaat, voor het aantrekken van investeerders en – zoals we zien bij de zaak Holloway in Aruba – voor vitale sectoren in de economie, zoals het toerisme. De noodzaak van gestructureerde en intensieve samenwerking binnen het Koninkrijk (en daarbuiten) op het terrein van politie, Openbaar Ministerie, rechtelijke macht staat als een paal boven water. Ook dit is in Europa al lang geaccepteerd. Die noodzaak is er ook binnen het Koninkrijk. Ook die les kunnen we trekken opnieuw uit de zaak Holloway.
2. Tegelijkertijd dreigt Den Haag wel eens het belang van andere grote maatschappelijke vraagstukken over het hoofd te zien. Waarom worden onderwijs, jeugdbeleid en armoedebestrijding niet óók als onderwerpen van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid gedefinieerd en op korte termijn daadwerkelijk, concreet aangepakt. Dit is geen kwestie van geld, maar van organisatie en bestrijding van bureaucratie, daar èn hier. Mogelijk geldt die gemeenschappelijke verantwoordelijkheid ook voor volksgezondheid en milieu. Binnen het Koninkrijk moeten we ons toch tenminste de vraag stellen welke normen gelden voor een minimaal niveau van maatschappelijke voorzieningen, zoals onderwijs en gezondheidszorg in de Nederlandse Antillen en Aruba. Welke verschillen in sociaaleconomische positie zijn binnen één staatsburgerschap nog acceptabel?
Veel van de problemen op de eilanden en in Nederland (ik noem de hoge werkloosheid op Curaçao en de gebrekkige integratie in Nederland) vinden een belangrijk deel van hun oorzaak in de verwaarlozing van het overzeese onderwijs en de geringe daadwerkelijke deelneming daaraan. Is het niet al lang tijd voor een gemeenschappelijk "deltaplan" onderwijs?
3. Om daadwerkelijk samen de gezamenlijke belangen te definiëren, problemen te benoemen en gemeenschappelijk beleid te ontwikkelen, zijn gezamenlijke instellingen nodig waarin de verschillende partners zich ook vertegenwoordigd weten. Dat is nu niet het geval. In de instellingen van het Koninkrijk heeft de gemeenschappelijkheid maar zeer beperkt vorm gekregen. Er is bijvoorbeeld geen gemeenschappelijk secretariaat Koninkrijksaangelegenheden, vergelijkbaar met het Commonwealth Secretariat in Londen, en er is dus ook geen gemeenschappelijk adres of telefoonnummer van het Koninkrijk. Er is evenmin een gemeenschappelijk budget voor Koninkrijkstaken.
Waar wel een gemeenschappelijke instelling bestaat, de Rijksministerraad bijvoorbeeld, wordt die maar zeer beperkt – of eigenlijk niet – gebruikt voor de ontwikkeling van een gemeenschappelijke visie en strategie.
Het aantal medewerkers op BZK dat de Nederlandse Antillen of Aruba "van huis uit" kent is zeer gering. In de vorige kabinetsformatie heb ik (informeel) wel eens gezegd: waarom wordt er voor de kabinetspost Koninkrijksrelaties niet (ook) gezocht naar een gezaghebbende bestuurder of politicus die de Antillen en Aruba al goed kent?
En als ik dan toch vandaag hardop mag denken over meer gemeenschappelijkheid: waarom geen vorm van kiesrecht voor de Tweede Kamer voor alle Caribische Nederlanders, zodat de ontwikkelde gemeenschappelijke visie en strategie door een waarlijk Koninkrijksparlement kan worden getoetst en gecontroleerd?
4. Als de gemeenschappelijkheid institutioneel beter vorm krijgt, wordt het Koninkrijk in Caribische ogen zeker ook minder Nederlands van karakter. Dan is het ook gemakkelijker te accepteren als dat Koninkrijk vaker in gezamenlijkheid optreedt.
De Caribische delen van het Koninkrijk zullen daarbij wel, maar dat geldt voor elke staatkundige constellatie, moeten accepteren dat er binnen een democratisch rechtsbestel steeds checks and balances moeten zijn; macht en tegenmacht; bevoegdheid en controle.
Dit geldt zeker ook voor de overheidsfinanciën. Verantwoordelijk financieel beleid moet niet iets zijn dat (alleen maar) door Nederland wordt afgedwongen, maar moet ons aller zorg zijn. Het Koninkrijk kan zich alleen dan tot een waarborgfunctie beperken als er althans een begin van naleving in elk van de landen zelf is. Dit gold en geldt ook voor Nederland in Europa.
Nederland onderwerpt zich vrijwillig en autonoom aan het toezicht door de Europese Centrale Bank. Daarnaast zijn er tal van samenwerkingsverbanden tussen Nederlandse en Europese instellingen: Rekenkamers, rechters, Raden van State, toezichthouders etc.
5. De directe samenwerking tussen instellingen met dezelfde taken in Nederland en overzee is gering. In een gemeenschappelijk Koninkrijk, dat ons voor ogen zou moeten staan, zijn vele Nederlandse ministeries als samenwerkingspartner betrokken. Ik denk bijvoorbeeld aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Dat ministerie zou daartoe ook financieel in staat moeten worden gesteld; niet op basis van project- of programmafinanciering via BZK, de Antilliaanse Dienst Ontwikkelingssamenwerking (DOS) of USONA, maar op basis van een eigen deel van het Koninkrijksbudget.
Andere partners in een gemeenschappelijk Koninkrijk zijn bijvoorbeeld de Vereniging van Nederlandse Gemeenten voor bestuurlijke verbetering; of De Nederlandsche Bank, die gezamenlijk met de Bank Nederlandse Antillen en de Centrale Bank van Aruba zou kunnen bijdragen aan het financieel toezicht.
De Raad voor de Rechtspraak zou, in samenspraak met de Hoge Raad en de Raad van State, het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba kunnen bijstaan. Allerlei varianten zijn daarbij denkbaar. De President van het Gemeenschappelijk Hof, De Lannoy, heeft daarover recent nog geadviseerd.
Het valt me overigens op hoe weinig we vaak gebruik maken, over en weer, van goede adviezen en rapporten die in de verschillende landen van het Koninkrijk zijn uitgebracht. Waarom een nieuw Nederlands voorstel als er een goed Nederlands-Antilliaans advies ligt (De Lannoy; Tromp)?
Deze verbreding van de samenwerking binnen het Koninkrijk naar andere ministeries, lokale overheden, rechterlijke instanties en Hoge Colleges van Staat mag vanzelfsprekend niet vrijblijvend worden ingericht, maar zal waar nodig kunnen worden verankerd in Rijkswetten. Dat kan allemaal binnen het huidige Statuut.
6. Het Koninkrijk nieuwe stijl moet vooral meer zijn dan een politiek en ambtelijk gezelschapsspelletje. Dat is het de afgelopen periode te veel geweest. De burgers en hun maatschappelijke organisaties in alle delen van het Koninkrijk moeten elkaar zien te vinden als we dat Koninkrijk daadwerkelijk tot leven willen brengen. Dit gebeurt met allerlei subsidieprogramma’s wel enthousiast binnen de Europese Unie, maar gebeurt dat vandaag de dag wel voldoende binnen het Koninkrijk? Ook voor het stimuleren van die Koninkrijksbrede "civil society" hoeft het Statuut niet te worden aangepast.
Wel nodig is dat u als politici allereerst de bereidheid moet hebben te erkennen dat niet alle onderwerpen alleen via de overheid of via de markt kunnen worden aangepakt. Tussen overheid en markt zijn er organisaties van burgers met een publieke verantwoordelijkheid op allerlei gebied. De politieke en bestuurlijke aandacht daarvoor is de laatste decennia zwakker geworden. Burgers zijn echter niet alleen maar kiezers of klanten, zelfs niet in een kleine gemeenschap.
7. Belangrijke voorwaarde voor een dergelijke Koninkrijksbrede "civil society" is ook dat we elkaar verstaan. Ruim 350.000 mensen hebben in het Koninkrijk het Fries als moedertaal. En het is goed dat deze taal wordt gewaardeerd en een stevige plaats in het onderwijs krijgt. Maar als je in dat grotere verband wilt meekomen, moet je de gezamenlijke taal van dat grotere verband vanaf zeer jonge leeftijd machtig zien te worden. Dat willen de ouders ook, om hun kinderen de ruimte te geven verder te komen. Geldt dat alleen voor het Fries, of ook voor het Papiaments en het Engels?
Tenslotte
Ik rond af. Historisch zijn de drie landen van het Koninkrijk met elkaar verbonden. Deze verbintenis behoeft echter vandaag de dag een nieuwe legitimatie. Die zou kunnen worden bereikt door een sterkere integratie in het Koninkrijksverband, waardoor ook de Nederlandse Antillen en Aruba aansluiting kunnen vinden bij, èn invloed kunnen hebben op, grotere verbanden waarbij Nederland betrokken is zoals de Europese Unie. Niet voor financieel gewin op korte termijn, maar ten behoeve van stabiliteit, welzijn en ontwikkeling voor de generaties die na ons komen.
De Nederlandse Antillen en Aruba raken daardoor niet in een geïsoleerde positie en kunnen bij gevolg op waarborgen rekenen, ook met betrekking tot een redelijk niveau van voorzieningen voor de Caribische burgers van het Koninkrijk.
Een sterkere integratie binnen het Koninkrijksverband staat niet per definitie haaks op de eigen regionale, intergouvernementele, sociaaleconomische en culturele relaties van de Caribische delen van het Koninkrijk. Het één sluit het ander niet uit. Temeer niet omdat ook andere delen van het Caribische gebied op Europa georiënteerd zijn gebleven.
Maar dan is er wel een visie van de Koninkrijksregering, de drie landen gezamenlijk, op de regio nodig.
Onderzoek heeft aangetoond dat de burgers in de Antillen en Aruba, mede als gevolg van sterke banden met familie en vrienden in Nederland, in overgrote meerderheid gehecht zijn aan de Koninkrijksrelatie. Tegelijkertijd is sprake van talrijke en veelzijdige regionale netwerken. Een oriëntatie op Europa sluit een oriëntatie op Latijns Amerika niet uit; beide kunnen elkaar versterken. Kijk naar Spanje of Portugal, landen die beide oriëntaties uitstekend weten te combineren. Dat is in die landen onderdeel van bewust beleid.
Het gaat er in het Koninkrijk de komende jaren om de eenheid te versterken, zonder de verscheidenheid teniet te doen. Dat is niet eenvoudig, maar het kan wel, als we willen. Willen we echt?
Ik heb geprobeerd te schetsen dat het Statuut u en ons daarbij in elk geval niet in de weg staat. Met het huidige document is meer mogelijk dan we ons vaak beseffen. Het zal een historische vergissing blijken te zijn als we de grote maatschappelijke vraagstukken nu op z'n beloop laten en de status quo omhelzen. In een wereld die zal blijven veranderen betekent stilstand nog steeds achteruitgang.
Ik wens u als medewetgevers en politieke controleurs bij die verdieping en verbreding van dat gemeenschappelijke Koninkrijk veel succes!
(1) - Voorlichting van de Raad van State van het Koninkrijk d.d. 9 september 2003, in februari 2004 uitgegeven als: 'Verdieping of geleidelijk uiteengaan? De relaties binnen het Koninkrijk met de Europese Unie'. (2) - Advies '50 jaar Raad van State van het Koninkrijk', d.d. 10 december 2004, Kamerstukken II 2005/06, 30 300 IV, nr 26 en Bijvoegsel Staatscourant 14 maart 2006, nr 52.
De Raad van State van het Koninkrijk heeft zich nog niet zo lang geleden tweemaal uitgesproken over de Koninkrijksrelaties. Allereerst in september 2003 met de voorlichting 'Verdieping of geleidelijk uiteengaan', over de relaties binnen het Koninkrijk en met de Europese Unie (zie voetnoot 1). Vervolgens gaf de Raad in december 2004 een (ongevraagd) advies naar aanleiding van het vijftigjarig bestaan van het Statuut voor het Koninkrijk (zie voetnoot 2). Ik beveel lezing in uw aandacht aan. Beide hebben nog niets aan actualiteitswaarde ingeboet. Misschien heeft u er iets aan bij uw discussies onderling.
Ook in de reguliere advisering over wetsvoorstellen, zoals het wetsvoorstel voor een Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba, probeert de Raad de relaties binnen het Koninkrijk niet geïsoleerd te bekijken, maar in samenhang met de veranderende wereld om ons heen.
De Raad hanteert bij zijn advisering over de toekomst van het Koninkrijk drie belangrijke uitgangspunten die ik graag aan u voorleg.
Het eerste uitgangspunt luidt: de wereld van 2006 is een totaal andere dan de wereld van 1954, het jaar waarin het Statuut werd bekrachtigd. Waarom doen we dan in het Koninkrijk soms alsof het nog 1954 is door vast te houden aan oude patronen van autonomie en zelfredzaamheid. Geen land ter wereld is meer autonoom; geen land ter wereld kan zich meer alleen zelf redden.
Tweede uitgangspunt: handhaving van de status quo, dus doorgaan zoals we nu bezig zijn, zal op termijn leiden tot het einde van de Koninkrijksband. De landen drijven uit elkaar. Nederland raakt steeds meer gericht op Europa. Door de bevolking wordt het Koninkrijk niet (meer) beleefd. Van het ene Nederlanderschap komt steeds minder terecht. Op papier kan het Koninkrijk nog wel een tijdje bestaan, maar papier is geduldig. Dat geldt zeker ook voor Statuutspapier.
Derde uitgangspunt: binnen het huidige Statuut kan veel meer dan nu gezamenlijk worden geregeld, als we dat zouden willen. Hebben we overigens een andere keuze? Wijzigen van het Statuut zal op den duur nodig zijn als middel om problemen beter aan te pakken maar op die wijziging hoeft die aanpak niet te wachten. Dan zou het Statuut (opnieuw) worden gebruikt als excuus om (nog even) niets aan die problemen te hoeven doen.
Alle pogingen het Statuut te wijzigen bij wijze van 'eerste stap' zijn de afgelopen jaren op niets uitgelopen. Intussen zijn de maatschappelijk problemen groter geworden in plaats van kleiner. Het verbaast me wel eens dat juist ook zoveel Nederlandse politici elke keer weer een nieuwe poging willen wagen om met wijziging van het Statuut te beginnen.
Dat zie je overigens vaak: meer aandacht voor structuren in plaats van voor processen; meer aandacht voor de vorm in plaats van voor de inhoud.
Deze drie uitgangspunten wil ik hierna graag kort met u bespreken, waarbij ik gebruik maak van de eerder genoemde adviezen van de Raad. Daarna wil ik stilstaan bij de consequenties van die uitgangspunten voor de herstructurering van het Koninkrijk.
Ik spreek trouwens consequent over de herstructurering van het Koninkrijk, omdat ik meen dat de herstructurering van de Nederlandse Antillen een ieder raakt; niet alleen de vijf eilanden van de Nederlandse Antillen, óók Aruba, óók Nederland en zeker ook de manier waarop het Koninkrijk als geheel functioneert.
De neiging bestaat - overigens zeer begrijpelijk - dit complexe dossier van de herstructurering op te delen in kleine behapbare brokjes, maar van bestuurders en politici wordt ook een visie gevraagd op de samenhang, op de omgeving en vooral en in de eerste plaats op de maatschappelijke problemen waarmee burgers in onze drie landen, allemaal Nederlanders, worstelen. Als volksvertegenwoordigers moeten die problemen uw eerste zorg zijn. We kennen die problemen, ik hoef ze u niet te noemen. Het is ons gezamenlijk tot nu toe niet gelukt ze op te lossen. Integendeel vele zijn, zeker in de ogen van de burgers, eerder groter geworden dan kleiner.
Hoe komt dat?
Een wereld in verandering
Een betoog over de staatkundige herstructurering van het Koninkrijk kan niet losstaan van de sinds 1954 gewijzigde internationale verhoudingen.
De onderlinge afhankelijkheid van mensen en volkeren is sterk toegenomen. De mondialisering heeft mensen die veraf leefden, dichtbij gebracht. Velen onder¬houden dagelijks intensieve contacten via telefoon, internet, e-mail, radio en televisie. Economische activiteiten in verschillende landen zijn nauw met elkaar verbonden geraakt. Al dan niet tijdelijke migratie is een algemeen verschijnsel geworden. We hebben er in alle landen mee te maken. Mondiale vraagstukken op het gebied van economie, milieu, mensenrechten, criminaliteit en terrorisme maken het voor nationale gemeenschappen, klein èn groot, onontkoombaar om intensiever samen te werken. Dit geldt voor Nederland, maar ook voor een supermacht als de Verenigde Staten. Zou dat dan toevallig niet gelden voor een land Curaçao, een land Sint Maarten, een land Aruba?
In de afgelopen vijftig jaar heeft het streven naar het verkrijgen en het behouden van nationale soevereiniteit plaats moeten maken voor het inzicht dat vrede, veiligheid en welvaart alleen maar door een steeds nauwere samenwerking kunnen worden verzekerd. Bevoegdheden die vroeger tot de exclusieve soevereiniteit van nationale staten werden gerekend, zijn gedeelde bevoegdheden geworden.
De keuze is dan ook steeds vaker: meedoen aan een grensoverschrijdende rechtsorde en daarop (bescheiden) invloed uitoefenen of een zogenaamde (formele) autonomie bewaken en (daardoor) steeds vaker overgeleverd zijn aan wat andere, meer invloedrijke staten eenzijdig beslissen.
Een voorbeeld van zo'n gemeenschappelijke grensoverschrijdende rechtsorde die in ruim vijftig jaar is ontstaan vormt de Europese Unie.
Sedert begin jaren negentig is de Europese samenwerking in drie opzichten voortgeschreden: door verbreding naar meer beleidsterreinen, door verdieping op die beleidsterreinen en door de uitbreiding met steeds nieuwe lidstaten. Ook zonder Europees grondwettelijk verdrag gaat dat proces door. Die Europese ontwikkelingen werken ook door binnen het Koninkrijk. Een aantal belangrijke koninkrijksaangelegenheden wordt inmiddels (mede) door Europees recht en Europees beleid bepaald (in de Voorlichting van september 2003 worden de Tweede Pijler genoemd en verschillende rechtsgebieden). Die doorwerking hebben we lang niet gezien of niet willen zien. Maar het is wèl de werkelijkheid. Met andere woorden, niet alleen de internationale positie van Nederland, maar ook die van de Nederlandse Antillen en Aruba is sinds 1954 en vooral de laatste twee decennia ingrijpend veranderd.
Door die mondiale ontwikkelingen is het ook verklaarbaar dat, anders dan dertig jaar geleden de vorming van kleine onafhankelijke staten niet langer wordt beschouwd als de enig mogelijke of enig wenselijke afsluiting van het tijdvak van kolonisatie. Ook buiten Europa hebben kleine landen vaak zelf gekozen voor een verband met een verwant groter land. Dit levert een betere bescherming van collectieve belangen en individuele vrijheden dan de intern en extern kwetsbare constitutionele orde van een afzonderlijke kleine staat kan bieden. In de Antillen en Aruba is, anders dan in 1975 in Suriname, gekozen voor behoud van het Koninkrijksverband. Dat was niet alleen (toen) begrijpelijk maar is (ook achteraf) denk ik op zichzelf verstandig. Maar we hebben vervolgens aan dat verband geen nieuwe gemeenschappelijke inhoud gegeven.
Waar over het Koninkrijk wordt gesproken, wordt nog altijd vooral Nederland bedoeld. De regelingen van het Statuut worden vooral als grenzen voor de wederzijdse interventies beschouwd, minder als mogelijkheid om gemeenschappelijke problemen ook gemeenschappelijk te lijf te gaan.
Zo zijn twee grondpatronen ontstaan: de steeds verdergaande integratie van Nederland in een gemeenschappelijke Europese rechtsorde en een eigenlijk stilstaande relatie van de Antillen en Aruba met Nederland in het Koninkrijksverband. Termen als autonomie en zelfredzaamheid bepalen nog steeds de toon van de onderlinge discussie. Dat wringt niet alleen, het draagt eraan bij dat problemen niet worden opgelost, maar erger worden: problemen van verwaarloosd onderwijs, schrijnende armoede, niet vanzelfsprekende rechtsbescherming en stijgende criminaliteit worden (ondanks of dankzij de autonomie?) niet kleiner maar groter.
Als het Koninkrijk bij dit soort complexe landenoverstijgende problemen voor de burgers onzichtbaar blijft, welk inhoudelijk bestaansrecht heeft het dan eigenlijk nog?
De wereld is veranderd, nu het Koninkrijk nog. De irritaties over het gebrek aan inhoudelijke vooruitgang en de vele verwijten over en weer maken dat het draagvlak voor het Koninkrijk afneemt. Een referendum onder de bevolking in Nederland zou inmiddels naar ik vrees een (grote) meerderheid voor het uittreden van Nederland uit het Koninkrijk opleveren. Ik vraag me wel eens af of we ons niet aan beide zijden van de oceaan in spiegelbeeldige situaties bevinden. Nederlandse politici die (zij het afnemend) nog wel iets willen doen aan verbetering van het Koninkrijk en een bevolking die steeds meer afhaakt. In de Antillen en Aruba een bevolking die in het Koninkrijk wil blijven, omdat die ziet dat de zogenaamde autonomie de problemen niet oplost, en politici die (zij het afnemend) tegen veranderingen vooral bezwaren inbrengen. Daarmee kom ik op de status quo.
De status quo
In 2003 en 2004 organiseerde het Comité 2004 van prof. Pieter van Vollenhoven en prof. Jaime Saleh een publiek debat over de toekomst van het Koninkrijk. Alle deelnemers aan dat debat waren het eens met de stelling dat handhaving van de bestaande situatie ook politiek geen optie meer was. De landen moesten kiezen voor hechtere banden òf een afscheid op termijn. De keuze van de overzeese burgers van het Koninkrijk bij de diverse referenda was duidelijk.
Bestuurders en politici kunnen hierna niet in het negatieve blijven steken: èn géén hechtere banden, èn géén afscheid op termijn. De vraag is niet: wat niet, maar wat wèl.
Een ieder wil verandering en toch lukken veranderingen maar niet. Hoe komt dat? Of is het zo dat eigenlijk toch niet iedereen verandering wil? Is het misschien zo dat handhaving van de bestaande situatie weliswaar niet in het belang is van de bevolking, maar wel in het belang is van een groot aantal deelnemers aan het Koninkrijksdebat in elk van de drie landen van het Koninkrijk? Ontlenen deze deelnemers aan de bestaande situatie een positie die in dat hernieuwde Koninkrijk minder vanzelfsprekend is of onzeker wordt? Ik denk dat er tenminste twee factoren aan de noodzakelijke veranderingen in de weg staan. Allereerst onduidelijkheid over de richting waarin veranderd moet worden. Dit is het gevolg van een gebrek aan visie, allereerst bij de Koninkrijksregering, op waar het met Europa heen moet, op de betekenis van het Caribisch gebied (kruispunt van verbindingen), op de mogelijkheden van één Koninkrijk met één ongedeelde soevereiniteit, één rechtssubject in volkenrechtelijke zin, en één ongedeeld staatsburgerschap.
(Onbegrijpelijk hoe de Koninkrijksregering tot nu toe is omgegaan met de mogelijke (!) UPG-status van de Antillen en Aruba. Zodadelijk is die mogelijkheid misschien verdwenen en valt er niets meer te kiezen. Onbegrijpelijk ook dat er niet een veel duidelijker regiobeleid wordt gevoerd, zo mogelijk in samenwerking met de EU-partners Spanje, Portugal en Frankrijk).
De tweede factor die waarschijnlijk meespeelt, is de sterke verambtelijking van de Koninkrijksrelaties. Politici maken zich voor veranderingen (als ze die al echt zouden willen) afhankelijk van ambtenaren die aan de bestaande situatie hun positie ontlenen. Dat geldt, het zijn maar twee voorbeelden, voor BZK en USONA. Ambtenaren zijn tot verandering, zelfs in hun eigen positie, wel (en alleen) bereid als er een duidelijke politieke visie is. Maar die ontbreekt. En daar zitten ambtenaren ook mee.
Als we verandering van de bestaande situatie willen, moeten we in elk van de drie landen kritisch naar onze eigen positie en ons eigen functioneren willen kijken. Anders gaat het alleen maar over de ander en blijft alles uiteindelijk bij het oude.
Ook dáárom spreek ik liever niet van de herstructurering van de Nederlandse Antillen, maar van de herstructurering van het Koninkrijk.
En als we dan kritisch naar onszelf kijken valt op hoe weinig er in het verleden in het publieke debat tussen de drie landen is gepraat over de echte problemen en hun oorzaken; en hoeveel over de gevolgen van die problemen en over de stroom aan incidenten. De communicatie staat in de sleutel van verwijten en, vaak letterlijk, “afrekenen” in plaats van wederzijds belang. Een bewuste communicatiestrategie van de Koninkrijksregering naar de bevolking van de drie landen ontbreekt. Ook dat biedt ruimte aan geruchtvorming en incidenten.
De communicatie tussen Nederland en de Nederlandse Antillen en Aruba kan echter niet beperkt blijven tot de (kleine) elite die vaak zelf daar èn hier gevangen lijkt te zitten in de status quo. Zonder betrokkenheid van maatschappelijke groepen, vertegenwoordigers van de nieuwe generatie, personen buiten de politieke hitte van de dag, zal het niet lukken de status quo te doorbreken.
Ik wijs er daarbij – ten overvloede – op dat onze bevolking sterk gewijzigd is. De jongere generatie Europese Nederlanders beschouwt veel minder dan hun ouders en grootouders de Koninkrijksband nog als een historisch gegeven. Daarbij komt dat een groeiend deel van de Nederlandse bevolking geen gemeenschappelijke historie heeft. Min of meer hetzelfde geldt op Aruba en Sint Maarten voor de grote groep mensen die van elders uit de regio in het Koninkrijk is gaan wonen. De verbondenheid tussen de landen wordt alleen al daardoor steeds minder vanzelfsprekend en dient actief te worden onderhouden. Dat kunnen we niet alleen aan het Koninklijk Huis en het Nederlands voetbalelftal overlaten.
Voor die onderlinge communicatie en verbondenheid moet de oplossing van de echte problemen het begin- èn eindpunt zijn.
De burgers moeten zien dat het Koninkrijk werkt.
Het Statuut
De veranderde wereld, die om grotere samenwerking vraagt, is onvoldoende vertaald in de wijze waarop de partners in het Koninkrijk met elkaar omgaan. In vele opzichten is de samenwerking tussen de landen van de Europese Unie hechter dan de samenwerking binnen het Koninkrijk. En dat geldt dan niet alleen de samenwerking tussen regeringen, maar vooral ook tussen bedrijven en maatschappelijke organisaties. Ik vind dat raar. Waarom op Europees niveau zoveel en binnen het Koninkrijk zo mondjesmaat directe samenwerking tussen milieuorganisaties, met culturele instellingen, tussen onderwijsinstellingen of met gemeenten?
De artikelen uit het Statuut die gaan over gezamenlijke verantwoordelijkheden en samenwerking worden amper gebruikt.
Die beperkte benutting van het Statuut staat haaks op de mondiale ontwikkelingen die de wederzijdse afhankelijkheid juist hebben vergroot.
Het is van belang vast te stellen dat ook zonder wijziging van het Statuut veel dringende maatschappelijke vraagstukken goed kunnen worden aangepakt. Het Statuut biedt immers ruimte voor verschillende vormen van bestuurlijke samenwerking. En over de samenwerking tussen niet-overheidsinstellingen met publieke taken zegt het Statuut niets. Datzelfde Statuut biedt nu al, zeg ik tegen hen die menen dat elk ingrijpen onmogelijk is, een basis voor een gerichte ingreep door het Koninkrijk als dat echt nodig wordt geacht, zoals in 1992 op Sint Maarten.
Op Sint Maarten ging het destijds om het waarborgen van fundamentele rechten en vrijheden en van een goed bestuur. Daarin waren de Landsregering en die van het Koninkrijk, maar zeker ook Nederland zelf, tekortgeschoten. Het zou van die waarborgen, destijds ging het om het recht op een integere overheid, veel tijdiger werk hebben moeten maken. Geldt dat momenteel niet ook voor het fundamentele recht op goed onderwijs?
Het Koninkrijk is geen los verband. De eenheid in verscheidenheid van de landen van het Koninkrijk volgt uit het Statuut. De verantwoordelijkheden van het Koninkrijk bij het uitvoeren en nakomen van internationale verplichtingen zijn sinds1954 in aantal toegenomen. Het is het Koninkrijk, de landen gezamenlijk, dat op die naleving kan worden aangesproken. Ook dat dwingt tot het geven van meer inhoud aan de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.
Het Koninkrijk kan het domweg niet maken bij belangrijke verdragen - zoals dat ter bestrijding van corruptie - verdeeld te zijn tussen een deel dat meedoet met de internationale rechtsorde en een deel dat minder haast maakt. Wat is er eigenlijk tegen om samen met de goedkeuring van een verdrag bij rijkswet ook (consensus)rijkswetten over de implementatie van die verdragen tot stand te brengen?
Dan wordt meteen ook aan het Koninkrijk duidelijk welke kosten met die implementatie gemoeid zijn en welke bijstand daarvoor nodig is.
Het Statuut staat aan dit alles niet in de weg. De keuze in 1954 voor een gezamenlijke nationaliteit, het Nederlanderschap kent geen allochtonen of makamba's, verplicht ons daartoe.
Koninkrijk nieuwe stijl
Het Koninkrijk is via het Statuut gebouwd op drie pijlers: de gemeenschappelijke zorg voor aangelegenheden van het Koninkrijk, de zelfstandige behartiging van de eigen belangen van de landen en de verlening aan elkaar van wederzijdse bijstand.
Ook in een hernieuwd Koninkrijk blijven die uitgangspunten geldig.
Vanwege de veranderingen in de internationale omgeving waarin het Koninkrijk is komen te verkeren is het echter steeds minder mogelijk alleen, op eigen kracht, grote maatschappelijke vraagstukken op te lossen. Dat geldt voor alle landen. Dat geldt zeker voor kleine landen. Tegelijk wordt de noodzaak groter de (lokale) bevolking bij die oplossingen daadwerkelijk te betrekken. Er ligt daarom in een hernieuwd Koninkrijk meer nadruk op de gezamenlijke verantwoordelijk¬heden. Ik noem een paar belangrijke onderwerpen die in samenhang moeten worden bezien.
1. Nederland legt in de huidige gesprekken met de Antillen en Aruba terecht veel nadruk op de overheidsfinanciën en de rechtshandhaving. Deze twee onderwerpen zijn van vitaal belang voor het behoud van de democratische rechtsstaat, voor het aantrekken van investeerders en – zoals we zien bij de zaak Holloway in Aruba – voor vitale sectoren in de economie, zoals het toerisme. De noodzaak van gestructureerde en intensieve samenwerking binnen het Koninkrijk (en daarbuiten) op het terrein van politie, Openbaar Ministerie, rechtelijke macht staat als een paal boven water. Ook dit is in Europa al lang geaccepteerd. Die noodzaak is er ook binnen het Koninkrijk. Ook die les kunnen we trekken opnieuw uit de zaak Holloway.
2. Tegelijkertijd dreigt Den Haag wel eens het belang van andere grote maatschappelijke vraagstukken over het hoofd te zien. Waarom worden onderwijs, jeugdbeleid en armoedebestrijding niet óók als onderwerpen van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid gedefinieerd en op korte termijn daadwerkelijk, concreet aangepakt. Dit is geen kwestie van geld, maar van organisatie en bestrijding van bureaucratie, daar èn hier. Mogelijk geldt die gemeenschappelijke verantwoordelijkheid ook voor volksgezondheid en milieu. Binnen het Koninkrijk moeten we ons toch tenminste de vraag stellen welke normen gelden voor een minimaal niveau van maatschappelijke voorzieningen, zoals onderwijs en gezondheidszorg in de Nederlandse Antillen en Aruba. Welke verschillen in sociaaleconomische positie zijn binnen één staatsburgerschap nog acceptabel?
Veel van de problemen op de eilanden en in Nederland (ik noem de hoge werkloosheid op Curaçao en de gebrekkige integratie in Nederland) vinden een belangrijk deel van hun oorzaak in de verwaarlozing van het overzeese onderwijs en de geringe daadwerkelijke deelneming daaraan. Is het niet al lang tijd voor een gemeenschappelijk "deltaplan" onderwijs?
3. Om daadwerkelijk samen de gezamenlijke belangen te definiëren, problemen te benoemen en gemeenschappelijk beleid te ontwikkelen, zijn gezamenlijke instellingen nodig waarin de verschillende partners zich ook vertegenwoordigd weten. Dat is nu niet het geval. In de instellingen van het Koninkrijk heeft de gemeenschappelijkheid maar zeer beperkt vorm gekregen. Er is bijvoorbeeld geen gemeenschappelijk secretariaat Koninkrijksaangelegenheden, vergelijkbaar met het Commonwealth Secretariat in Londen, en er is dus ook geen gemeenschappelijk adres of telefoonnummer van het Koninkrijk. Er is evenmin een gemeenschappelijk budget voor Koninkrijkstaken.
Waar wel een gemeenschappelijke instelling bestaat, de Rijksministerraad bijvoorbeeld, wordt die maar zeer beperkt – of eigenlijk niet – gebruikt voor de ontwikkeling van een gemeenschappelijke visie en strategie.
Het aantal medewerkers op BZK dat de Nederlandse Antillen of Aruba "van huis uit" kent is zeer gering. In de vorige kabinetsformatie heb ik (informeel) wel eens gezegd: waarom wordt er voor de kabinetspost Koninkrijksrelaties niet (ook) gezocht naar een gezaghebbende bestuurder of politicus die de Antillen en Aruba al goed kent?
En als ik dan toch vandaag hardop mag denken over meer gemeenschappelijkheid: waarom geen vorm van kiesrecht voor de Tweede Kamer voor alle Caribische Nederlanders, zodat de ontwikkelde gemeenschappelijke visie en strategie door een waarlijk Koninkrijksparlement kan worden getoetst en gecontroleerd?
4. Als de gemeenschappelijkheid institutioneel beter vorm krijgt, wordt het Koninkrijk in Caribische ogen zeker ook minder Nederlands van karakter. Dan is het ook gemakkelijker te accepteren als dat Koninkrijk vaker in gezamenlijkheid optreedt.
De Caribische delen van het Koninkrijk zullen daarbij wel, maar dat geldt voor elke staatkundige constellatie, moeten accepteren dat er binnen een democratisch rechtsbestel steeds checks and balances moeten zijn; macht en tegenmacht; bevoegdheid en controle.
Dit geldt zeker ook voor de overheidsfinanciën. Verantwoordelijk financieel beleid moet niet iets zijn dat (alleen maar) door Nederland wordt afgedwongen, maar moet ons aller zorg zijn. Het Koninkrijk kan zich alleen dan tot een waarborgfunctie beperken als er althans een begin van naleving in elk van de landen zelf is. Dit gold en geldt ook voor Nederland in Europa.
Nederland onderwerpt zich vrijwillig en autonoom aan het toezicht door de Europese Centrale Bank. Daarnaast zijn er tal van samenwerkingsverbanden tussen Nederlandse en Europese instellingen: Rekenkamers, rechters, Raden van State, toezichthouders etc.
5. De directe samenwerking tussen instellingen met dezelfde taken in Nederland en overzee is gering. In een gemeenschappelijk Koninkrijk, dat ons voor ogen zou moeten staan, zijn vele Nederlandse ministeries als samenwerkingspartner betrokken. Ik denk bijvoorbeeld aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Dat ministerie zou daartoe ook financieel in staat moeten worden gesteld; niet op basis van project- of programmafinanciering via BZK, de Antilliaanse Dienst Ontwikkelingssamenwerking (DOS) of USONA, maar op basis van een eigen deel van het Koninkrijksbudget.
Andere partners in een gemeenschappelijk Koninkrijk zijn bijvoorbeeld de Vereniging van Nederlandse Gemeenten voor bestuurlijke verbetering; of De Nederlandsche Bank, die gezamenlijk met de Bank Nederlandse Antillen en de Centrale Bank van Aruba zou kunnen bijdragen aan het financieel toezicht.
De Raad voor de Rechtspraak zou, in samenspraak met de Hoge Raad en de Raad van State, het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba kunnen bijstaan. Allerlei varianten zijn daarbij denkbaar. De President van het Gemeenschappelijk Hof, De Lannoy, heeft daarover recent nog geadviseerd.
Het valt me overigens op hoe weinig we vaak gebruik maken, over en weer, van goede adviezen en rapporten die in de verschillende landen van het Koninkrijk zijn uitgebracht. Waarom een nieuw Nederlands voorstel als er een goed Nederlands-Antilliaans advies ligt (De Lannoy; Tromp)?
Deze verbreding van de samenwerking binnen het Koninkrijk naar andere ministeries, lokale overheden, rechterlijke instanties en Hoge Colleges van Staat mag vanzelfsprekend niet vrijblijvend worden ingericht, maar zal waar nodig kunnen worden verankerd in Rijkswetten. Dat kan allemaal binnen het huidige Statuut.
6. Het Koninkrijk nieuwe stijl moet vooral meer zijn dan een politiek en ambtelijk gezelschapsspelletje. Dat is het de afgelopen periode te veel geweest. De burgers en hun maatschappelijke organisaties in alle delen van het Koninkrijk moeten elkaar zien te vinden als we dat Koninkrijk daadwerkelijk tot leven willen brengen. Dit gebeurt met allerlei subsidieprogramma’s wel enthousiast binnen de Europese Unie, maar gebeurt dat vandaag de dag wel voldoende binnen het Koninkrijk? Ook voor het stimuleren van die Koninkrijksbrede "civil society" hoeft het Statuut niet te worden aangepast.
Wel nodig is dat u als politici allereerst de bereidheid moet hebben te erkennen dat niet alle onderwerpen alleen via de overheid of via de markt kunnen worden aangepakt. Tussen overheid en markt zijn er organisaties van burgers met een publieke verantwoordelijkheid op allerlei gebied. De politieke en bestuurlijke aandacht daarvoor is de laatste decennia zwakker geworden. Burgers zijn echter niet alleen maar kiezers of klanten, zelfs niet in een kleine gemeenschap.
7. Belangrijke voorwaarde voor een dergelijke Koninkrijksbrede "civil society" is ook dat we elkaar verstaan. Ruim 350.000 mensen hebben in het Koninkrijk het Fries als moedertaal. En het is goed dat deze taal wordt gewaardeerd en een stevige plaats in het onderwijs krijgt. Maar als je in dat grotere verband wilt meekomen, moet je de gezamenlijke taal van dat grotere verband vanaf zeer jonge leeftijd machtig zien te worden. Dat willen de ouders ook, om hun kinderen de ruimte te geven verder te komen. Geldt dat alleen voor het Fries, of ook voor het Papiaments en het Engels?
Tenslotte
Ik rond af. Historisch zijn de drie landen van het Koninkrijk met elkaar verbonden. Deze verbintenis behoeft echter vandaag de dag een nieuwe legitimatie. Die zou kunnen worden bereikt door een sterkere integratie in het Koninkrijksverband, waardoor ook de Nederlandse Antillen en Aruba aansluiting kunnen vinden bij, èn invloed kunnen hebben op, grotere verbanden waarbij Nederland betrokken is zoals de Europese Unie. Niet voor financieel gewin op korte termijn, maar ten behoeve van stabiliteit, welzijn en ontwikkeling voor de generaties die na ons komen.
De Nederlandse Antillen en Aruba raken daardoor niet in een geïsoleerde positie en kunnen bij gevolg op waarborgen rekenen, ook met betrekking tot een redelijk niveau van voorzieningen voor de Caribische burgers van het Koninkrijk.
Een sterkere integratie binnen het Koninkrijksverband staat niet per definitie haaks op de eigen regionale, intergouvernementele, sociaaleconomische en culturele relaties van de Caribische delen van het Koninkrijk. Het één sluit het ander niet uit. Temeer niet omdat ook andere delen van het Caribische gebied op Europa georiënteerd zijn gebleven.
Maar dan is er wel een visie van de Koninkrijksregering, de drie landen gezamenlijk, op de regio nodig.
Onderzoek heeft aangetoond dat de burgers in de Antillen en Aruba, mede als gevolg van sterke banden met familie en vrienden in Nederland, in overgrote meerderheid gehecht zijn aan de Koninkrijksrelatie. Tegelijkertijd is sprake van talrijke en veelzijdige regionale netwerken. Een oriëntatie op Europa sluit een oriëntatie op Latijns Amerika niet uit; beide kunnen elkaar versterken. Kijk naar Spanje of Portugal, landen die beide oriëntaties uitstekend weten te combineren. Dat is in die landen onderdeel van bewust beleid.
Het gaat er in het Koninkrijk de komende jaren om de eenheid te versterken, zonder de verscheidenheid teniet te doen. Dat is niet eenvoudig, maar het kan wel, als we willen. Willen we echt?
Ik heb geprobeerd te schetsen dat het Statuut u en ons daarbij in elk geval niet in de weg staat. Met het huidige document is meer mogelijk dan we ons vaak beseffen. Het zal een historische vergissing blijken te zijn als we de grote maatschappelijke vraagstukken nu op z'n beloop laten en de status quo omhelzen. In een wereld die zal blijven veranderen betekent stilstand nog steeds achteruitgang.
Ik wens u als medewetgevers en politieke controleurs bij die verdieping en verbreding van dat gemeenschappelijke Koninkrijk veel succes!
(1) - Voorlichting van de Raad van State van het Koninkrijk d.d. 9 september 2003, in februari 2004 uitgegeven als: 'Verdieping of geleidelijk uiteengaan? De relaties binnen het Koninkrijk met de Europese Unie'. (2) - Advies '50 jaar Raad van State van het Koninkrijk', d.d. 10 december 2004, Kamerstukken II 2005/06, 30 300 IV, nr 26 en Bijvoegsel Staatscourant 14 maart 2006, nr 52.
