Inleiding van de Vice-President bij de viering van vijftig jaar Novib in de Grote of St. Jacobs Kerk te Den Haag
Novib is er als niet-gouvernementele organisatie (NGO) in geslaagd met haar tijd mee te gaan. Dat is haar gelukt omdat zij trouw is gebleven aan haar doelstellingen, aan haar combinatie van middelen/instrumenten, aan haar besef van wederzijdse afhankelijkheid. Die combinatie van continuïteit en aanpassingsvermogen vormt mogelijk één van de sleutels van haar succes. In de verklaring 50 jaar Novib herken ik veel dat ook mij in de jaren 1988-1995 als voorzitter van de Novib motiveerde: de centrale doelstelling (de structurele armoedebestrijding) en de instrumenten (concrete projecten en programma's in ontwikkelingslanden daar, bewustwording daar èn hier, politieke pressie hier). Wat mij echter bovenal is blijven interesseren en intrigeren is Novib als een onderdeel van de civil society, noch overheid noch markt; non-gouvernementeel en niet-commercieel. Is het u overigens wel eens opgevallen hoe vaak organisaties die niet tot overheid of markt behoren worden gedefinieerd naar wat ze niet zijn en niet wat zij wèl zijn?
De "Novib-methode" is in wezen het steeds opnieuw stimuleren en herdefiniëren van wat de civil society wél behoort te zijn; een aanvulling op- en een tegenwicht tegen overheid en markt. Dat is niet gemakkelijk in een staatsbestel waarin de overheid zegt terug te treden, maar haar toezicht en controle-instrumenten uitbreidt. Dat is ook niet gemakkelijk in een maatschappij waarin vraag en aanbod als belangrijkste ordeningsprincipes worden gehanteerd en geld meer en meer de enige maatstaf van succes lijkt te zijn. Maar een goed functionerende markt heeft, wil zij duurzaam zijn, het tegenwicht nodig van een krachtige overheid. En een krachtige overheid heeft, wil zij democratisch zijn, zelfbewuste burgers nodig en een krachtige civil society. Zelfbewuste burgers, niet als object of klant van de overheid maar als subject en publiek ambtsdrager.
Krachtige civil society, niet als beleidsinstrument in handen van de overheid maar als complement en tegenwicht tegen die overheid. Een democratische rechtsorde, zoals onze rechtsstaat, functioneert door middel van een subtiel stelsel van checks and balances; binnen de staat (zoals beschreven door Montesquieu en anderen als de Trias politica), tussen staat en maatschappij en binnen de maatschappij. Misschien zou in de verhouding tussen overheid en civil society het aantal 'checks' wat minder en het vertrouwen wat groter kunnen zijn om de algehele 'balance' te handhaven. Stelt de overheid aan zichzelf de eisen die zij aan anderen stelt; in bestuurlijk vermogen, in financiële verantwoording? Als de overheid in haar eigen functioneren nu eens de verhouding tussen direct en indirecte kosten zou hanteren die zij aan de NGO's oplegt?
Leggen we aan ontwikkelingen in onze eigen samenleving dezelfde maatstaven aan als aan ontwikkelingen in het zuiden. Hoe geloofwaardig zijn we bij het bestrijden van de armoede dààr als we geen oordeel hebben over productie en consumptie hier? De civil society rust op twee pijlers: de liberale burgerschapstraditie en de veel oudere republikeinse burgerschapstraditie. In de liberale traditie staan centraal de klassieke en sociale burgerrechten. Zij dienen ter bescherming van de burger tegen de macht van de Staat en leggen de Staat verplichtingen op de rechten en vrijheden van burgers te waarborgen. De republikeinse traditie, die teruggaat op de Griekse filosoof Aristoteles, legt de nadruk op de rol van de burger als "citoyen" in de samenleving. Burgerschap als publiek ambt waarin het niet alleen of niet in de eerste plaats gaat om de politieke participatie maar om de actieve deelname in de publieke ruimte. In Nederland hebben we een rijke historie in de laatste traditie, zowel ten aanzien van het individuele als het collectieve burgerschap.
Ons staatsbestel is er gedeeltelijk op gegrondvest. Juist die grondvesten hebben we de laatste jaren wat verwaarloosd, geconcentreerd als we zijn geraakt op overheid en markt. Mede daardoor is de nadruk gaan liggen op de liberale traditie van individuele burgerrechten; niet alleen in de verhouding overheid – burger, maar ook in de verhouding tussen burgers onderling. Het republikeinse burgerschap, het burgerschap als publieke ambt, stelt grenzen aan de wijze waarop burgers hun individuele burgerschapsrechten ten opzichte van elkaar uitoefenen. Zonder het in acht nemen van die grenzen aan de wijze waarop burgers hun individuele burgerschapsrechten ten opzichte van elkaar uitoefenen is geen republikeins burgerschap mogelijk. De civil society is op beide tradities gevestigd. Novib heeft dan ook in haar werk altijd beide tradities gekoesterd. Ze zijn elkaars randvoorwaarde. Dat geldt niet alleen nationaal maar ook internationaal. Het lijkt soms dat met het kosmopolitischer worden van de eigen nationale samenleving het kosmopolitisch burgerschap afneemt. Zeker, we reizen meer, we zien meer, we weten meer. Maar hoe groot is onze wereld? Dreigen we door al die informatie ook niet te worden afgeschermd? Prins Claus, zijn naam zij hier met ere genoemd, zei in 1991: "De wereld verandert sneller dan onze capaciteit om veranderingen te kunnen beheersen". Novib heeft tijdig begrepen dat in het dorp dat de wereld (ook) geworden is niet alleen grensoverschrijdende bedrijven en internationale overheidssamenwerking, maar juist ook een grensoverschrijdend burgerschap nodig is; zeker als de samenwerking tussen staten nog te wensen overlaat.
Het is het besef dat niet alleen de individuele mensenrechten ten opzichte van de eigen staat universeel zijn maar dat ook het collectieve burgerschap, de civil society niet meer aan nationale grenzen gebonden is. Daarvoor is nodig de erkenning dat elke burger meerdere identiteiten heeft. Daarom heb ik ook altijd twijfel gehouden over de strijd tegen de dubbele nationaliteit. Die strijd gaat langs de kernvraag heen. En die kernvraag luidt: hoe kun je Nederlander zijn en toch je Marokkaanse achtergrond niet verloochenen? Hoe kun je Nederlander blijven en toch wereldburger worden; solidair zijn met de mensen in het Zuiden? Wat betekent de opheffing van de grenzen tussen Noord en Zuid? In zijn wekelijkse column in Trouw van 18 maart 2006 wijst Goslinga op het late werk van Mondriaan waarin de zwarte lijnen die hij aanvankelijk gebruikt om de harde kleurenvlakken van elkaar te scheiden zijn weggevallen. Door het opheffen van die grenzen bleek het niet alleen mogelijk de kleuren volledig in hun waarde te laten, nog veel belangrijker was dat hierdoor ruimte werd gecreëerd voor een nieuwe wereld. Goslinga concludeert dat de verrassende paradox van het late werk van Mondriaan is dat het niet nodig is van kleur te verschieten om te kunnen samenleven.
Dat geldt individueel, dat geldt collectief. In de vijftig jaar Novib wordt een ontwikkeling zichtbaar van bijstand naar samenwerking, van samenwerking naar wederzijdse afhankelijkheid, van wederzijdse afhankelijkheid naar gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid naar actieve betrokkenheid bij elkaars problemen, ervaringen èn mogelijkheden; dààr èn hier. Ik ben steeds meer gefascineerd geraakt door de mogelijkheden om hier te leren van de ervaringen van partners in landen die al veel langer worstelen met de problemen waarmee wij ook hier nu worden geconfronteerd: structurele armoede, sociale spanningen en gevoelens van angst en onzekerheid. Wij moeten af van het misverstand dat ik bij mijn aantreden als voorzitter van Novib in 1988 aldus omschreef: hoe rijker, hoe hoger in de hiërarchie, hoe hoger in de hiërarchie hoe deskundiger. Voor de oplossing van het armoedevraagstuk is (ook) het omgekeerde waar.
Ervaring en deskundigheid zit vaak laag in de hiërarchie; laag in de hiërarchie betekent minder geld. Veranderingen komen de meestal uit de marge. Daar ligt het aangrijpingspunt voor veranderingen. Veranderingen lukken niet zonder een actief burgerschap. Novib is zelf een voorbeeld van een organisatie met verschillende identiteiten: Oxfam zijn en Novib blijven. Wat mij boeit in de manier waarop Novib werkt, is de bevlogen zakelijkheid of de zakelijke bevlogenheid; de bereidheid de discussie aan te gaan, zowel binnen de eigen organisatie als met anderen binnen en buiten Nederland; de bereidheid ook steeds weer zelf de vraag te stellen: waar staan we voor? Je kunt pas openstaan voor anderen als je weet wie je zelf bent. Je kunt pas de volgende stap zetten als je stevig staat. Die stevigheid heeft Novib bewezen te bezitten in de afgelopen vijftig jaar. Ik wens de jarige veel succes voor de komende vijftig jaar.
(deze tekst is een vertaling van de inleiding die in het Engels is uitgesproken)
