Toespraak Vice-President van de Raad van State van het Koninkrijk in een buitengewone vergadering bijeen op maandag 6 december 2004 om 14.00 uur ter nagedachtenis van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard der Nederlanden
"Kerstmis zal ik niet halen. Ik heb er vrede mee. Ik voel me net een jongetje van 6 dat zich verheugt op zijn verjaardag, maar hij is de precieze datum vergeten". Drie zinnen uit de mooie column, eigenlijk een in memoriam, die Jan Blokker in de Volkskrant schreef de ochtend na het overlijden van Prins Bernhard; de Prins met de witte anjer. Hij stierf zoals hij leefde; bewust en zich steeds meer bewust dat leven en dood onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
De afgelopen dagen is in beschouwingen en met anekdotes teruggekeken op het veelkleurige leven van de Prins met de lichte kanten en de schaduwzijden. Wat frappeert in die terugblik is de veerkracht waarmee hij steeds nieuwe inhoud aan zijn functie heeft gegeven. Een functie waarvoor geen opleiding bestaat; een inhoud die behalve door de persoon door de omstandigheden wordt gedicteerd. Allereerst zijn rol in de oorlog in Londen, nauwelijks 30 jaar oud. Misschien met Koningin Wilhelmina de enige Nederlander in Londen die verstand had van – en belangstelling voor - het militaire vak en de bewapening. Bevelhebber van de Nederlandse strijdkrachten. Hij was het die in Wageningen aan de onderhandelingen over de Duitse capitulatie deelnam. Hij was het die, via de radio, de bevrijding bekendmaakte.
Die positie kon na 1945 in de herstelde constitutionele verhoudingen van herrijzend Nederland niet worden gecontinueerd. Daarna tot 1976, zijn inzet voor handel en industrie en zijn rol als inspecteur-generaal van de krijgsmacht. De goodwill ambassadeur die deuren opende die anders gesloten bleven. Het oog van de minister en het oor van de militairen. Voor veel militairen bleef hij ook na 1976 de inspecteur-generaal. Zijn onvermoeibaar ijveren voor cultuur en vooral natuur waarmee hij na de Lockheed-affaire het vertrouwen herkreeg en, meer dan dat, sympathie wekte. "Ik hoop de gelegenheid te behouden het land te dienen en mede daardoor het vertrouwen in mij te herstellen", schreef hij in 1976, 65 jaar oud. Het is zijn eigen inzet geweest waardoor dit is gelukt. En tenslotte, na 1995 toen hij (opnieuw) op het randje van de dood balanceerde, zijn rol als oudere man met een welhaast religieuze liefde voor de natuur en zijn rol als (over-)grootvader met aandacht en tijd voor de kleinkinderen.
Tijd die hij zich eerder vaak niet had gegund. "Als je weer tot de levenden gaat behoren, verplicht je dat om de nieuwe tijd die je gegeven is opnieuw vruchtbaar te maken voor de wereld en de mensen om je heen". Er zijn echter tenminste twee constanten in zijn leven en werken: nooit terugzien maar vooruit kijken en gehechtheid aan mensen. Hij kon er slecht tegen als mensen die hij waardeerde boos op hem waren. Ruim 43 jaar – van 1937 tot 1980 – had Prins Bernhard zitting in de Raad van State. Bij zijn installatie op 8 januari 1937 sprak de Voorzitter, Koningin Wilhelmina de hoop uit dat "zijn zitting in de Raad hem in staat zou stellen zich grondige kennis eigen te maken van onze staatsinstellingen en dat het hem gegeven zou zijn nog lange jaren aan de beraadslagingen van dit Hoge College deel te nemen en zodoende het zijne bij te dragen tot bevordering van de belangen van deze staat".
Aan het eerste werd na zijn binnenkomst weinig aandacht geschonken. De meeste vergaderingen van de Raad gaan nu eenmaal niet over het functioneren van onze staatsinstellingen. Over het tweede, zijn deelname aan de beraadslagingen, bestaat een hardnekkig misverstand. De Prins zou voor de Raad geen belangstelling hebben getoond. Niets blijkt echter minder waar. In het jaar van zijn installatie in 1937 was hij nog driemaal aanwezig; in 1938 tienmaal; in 1939 dertigmaal; in 1940 veertienmaal, voor het laatst op 7 mei 1940. Ook na de oorlog nam hij nog vrij geregeld, een aantal malen per jaar, aan de vergaderingen deel. Soms intervenieerde hij en bracht hij een stem uit. (Dat kon toen nog). Op 18 juni 1957 wordt de middagvergadering verplaatst naar de ochtend om Prins Bernhard de gelegenheid te geven aanwezig te zijn.
Aan de orde zijn de adviezen inzake de Europese Verdragen (EG, EURATOM, gemeenschappelijke instellingen). Een diepgaande discussie waarin de Prins intervenieert met een heldere analyse van de positie van (West-)Duitsland en van de Amerikaanse politiek ten opzichte van Europa. Er wordt wel gezegd dat Prins Bernhard zich altijd weinig heeft aangetrokken van de regels van de ministeriële verantwoordelijkheid. Volgens mij is dat feitelijk onjuist. De ministeriële verantwoordelijkheid voor leden van het Koninklijk Huis was in 1936 niet duidelijk geregeld. Er wáren immers, buiten de troonopvolgster, geen leden van het Koninklijk Huis. In de hoofden van ministers (èn volksvertegenwoordigers) kwam de gedachte aan een regeling ook niet op. Vanaf mei 1940 was de ministeriële verantwoording tegenover het parlement vijf jaar onmogelijk.
Daarna hoorde de parlementaire enquêtecommissie 1940-1945 noch Koningin Wilhelmina noch Prins Bernhard die daartoe wel bereid waren. De ministers lieten vervolgens de Prins de ruimte en Nederland profiteerde daarvan. Niet alleen economisch, ook cultureel. Niet alleen door internationale contacten (Bilderberg), ook in de sport. Het leerstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid voor leden van het Koninklijk Huis kreeg pas in het midden van de jaren '60, bijna 30 jaar na zijn huwelijk met Prinses Juliana, inhoud toen hun kinderen gingen trouwen (Er is niets nieuws onder de zon). De regels werden geformuleerd in de adviezen van Drees en Oud en van de Raad van State. Op basis van die regels werd in 1976 voor het handelen in de Lockheed-zaak door ministers verantwoording afgelegd; in de openbaarheid, in het parlement. En dat werkte. Sindsdien weten we dat ministeriële verantwoordelijkheid niet alleen is ruimte laten, maar ook beperkingen in acht nemen; niet alleen beperkingen aanleggen, maar ook ruimte geven. (Dat laatste wordt helaas wel eens vergeten).
Begrip voor elkaars positie èn functie, weten van elkaars agenda is essentieel voor de continuïteit van het staatsbestel. Prins Bernhard heeft aan dìe continuïteit bijgedragen door op de werkelijk belangrijke momenten de juiste positie te kiezen: in 1940 voor Nederland tegen nazi-Duitsland; in 1945 door afstand te doen van de bijzondere positie die hij in de oorlog had verworven; in 1956 bij de Hofmans-affaire (geen kwestie van alleen maar particuliere aard zoals Drees (te) lang hoopte); in 1976 door zich neer te leggen bij de maatregelen van de regering en in de jaren daarna door een nieuwe inhoud aan zijn functie te geven. Toch kan dat niet de gevoelens van sympathie voor hem verklaren ook bij diegenen, onder wie ik mijzelf reken, die in 1976 oprecht teleurgesteld in hem waren.
Misschien komt dat breed gedeelde gevoel van sympathie voort uit het feit dat Prins Bernhard in vele opzichten was wat wij soms willen zijn: gul in plaats van krenterig; onverschrokken in plaats van risicomijdend; een doener in plaats van een overlegger; kosmopolitisch in plaats van kleinsteeds; een jongen in plaats van een ouderling; eerlijk ten opzichte van zichzelf. "Ik ben altijd eigenlijk een jongetje van elf gebleven". Als jongen beschermd opgevoed; als man weinig tegengesproken. Daarom had hij groot respect voor Donner (de oude) die hem persoonlijk in 1976 niet alleen haarfijn uitlegde wat er in het verleden mis was gegaan, maar ook hoe hij het in de toekomst beter kon doen. "Hij (Donner) was na mijn moeder eigenlijk een van de eersten die mij eens op mijn donder gaf". Een kritische omgeving is de echtgenoot van het staatshoofd niet automatisch gegeven. Die omgeving moet steeds opnieuw, door hem zelf, georganiseerd worden.
De omgeving van de Prins was de wereld. Uit de berichten de laatste dagen blijkt met hoe veel verschillende mensen, met heel verschillende achtergronden de Prins contacten onderhield. Hij was niet te beroerd zelf contact te leggen met mensen waarmee hij het absoluut oneens was. Hij kon tegen kritiek en was bereid zich van zijn ongelijk te laten overtuigen. Maar uit de reacties van velen blijkt ook hoe moeilijk het (blijkbaar) was om tegenover deze man objectief kritisch te blijven, als men al van plan was kritisch te zijn. Het geheim van zijn succes. De oorzaak van zijn kwetsbaarheid. Aan de vooravond van het staatsbezoek van Japan in mei 2000 werd de Prins ernstig ziek. Opnieuw werd voor zijn leven gevreesd en afscheid van hem genomen. Weer bij kennis zei hij: "wees maar blij, beter een staatsbezoek dan een staatsbegrafenis". Hij wilde nog niet dood. Er waren nog dingen die op zijn programma stonden: the Peace Parks in Afrika; praten over zaken waarover hij altijd had moeten zwijgen (de brief in de Volkskrant), om slechts twee dingen te noemen.
Toen dit jaar na de zomervakantie, een half jaar na het overlijden van Prinses Juliana, de gezondheidsklachten terugkwamen, was het genoeg. Hij nam afscheid van zoveel mogelijk mensen, op Soestdijk en via de telefoon. Een zorgvuldige afronding van zijn rijke leven; een uitzonderlijk blijk van dankbaarheid voor dat leven waaraan hij zozeer gehecht was geweest. In het laatste contact dat ik met hem had zei ik hem dat hij tevreden kon zijn over wat hij juist de laatste jaren nog had kunnen doen. "Ja", zei hij, "tevreden, niet zelf tevreden". We hebben vrede met zijn overlijden, zoals hij er zelf vrede mee had. De standaard boven Soestdijk is voorgoed gestreken. Over blijven de vele herinneringen aan deze uitzonderlijke, kleurrijke Prins: dè Prins der Nederlanden. Onze gedachten zijn bij de Koningin en haar familie.
