Toespraak van de Vice-President van de Raad van State ter gelegenheid van de binnengeleiding van Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Máxima der Nederlanden.
Duidelijker kan het bijzondere karakter van deze bijeenkomst niet worden geduid. Met de beslissing Prinses Máxima als echtgenote van de troonopvolger in de Raad zitting te verlenen wordt een traditie voortgezet. Met Uw leiding van deze buitengewone vergadering wordt de bijzondere en symbolische betekenis van Uw voorzitterschap van deze oude staatsinstelling gemarkeerd. Instituties, symbolen en tradities; zij bieden houvast in tijden van verandering. Staatkundige instituties, zoals Regering, Staten-Generaal en Raad van State zijn méér dan organisaties die efficiënt “gemanaged” moeten worden. Zij staan ook voor het geheel van staatkundige regels en gemeenschappelijke omgangsvormen. Die staatkundige regels en gemeenschappelijke omgangsvormen bieden zekerheid als politieke, bestuurlijke en ambtelijke verhoudingen onduidelijk zijn geworden.
Symbolen zijn oriëntatiepunten. Zij verwijzen naar hetgeen wij gemeenschappelijk van waarde vinden. Dat biedt houvast in een maatschappij die meer individualistisch wordt en waarin de culturele verscheidenheid groeit. Tradities zijn elementen van een eigen identiteit die in de loop van de geschiedenis is ontstaan. Die eigen identiteit wint aan betekenis in een Europa zonder grenzen. Juist voorstanders van maatschappelijke veranderingen moeten daarom de staatkundige instituties, symbolen en tradities koesteren. De historicus Kossmann heeft eens opgemerkt: ”een van de kenmerken van het Nederlandse staatkundige bestel is het vermogen om zonder dramatische schokken ingrijpende veranderingen in de maatschappij, tussen staat en maatschappij en in de staat zelf op te vangen”. Waarom gaan we dan met dit bestel vaak zo slordig om? De Raad van State is één van de oudste staatsinstellingen in ons land, al is zijn positie in de loop van de eeuwen verschillende malen veranderd. In het heden heeft de Raad twee taken: adviseur van wetgever en bestuur en bestuursrechter.
In beide taken moet de Raad hetgeen aan hem wordt voorgelegd toetsen aan de vereisten van de democratische rechtsstaat. Dat vraagt een diepgaande kennis, maar misschien meer nog een intuïtief gevoel voor de waarden van ons staatsbestel en voor de constitutionele grenzen die niet mogen worden overschreden. Het vereist echter ook een helder zicht op de buitenwereld en de veranderingen in de maatschappij die de basis voor de democratische rechtsstaat vormt. Meer dan vroeger moet de Raad er rekening mee houden dat de eisen die de democratische rechtsstaat stelt, geen vanzelfsprekendheden meer zijn. Meer dan vroeger moet de Raad beseffen dat de Haagse werkelijkheid niet automatisch de maatschappelijke werkelijkheid weerspiegelt. Alleen al om deze twee redenen moet de Raad meer doen dan commentaar leveren op hetgeen hem aan (wets)voorstellen wordt voorgelegd. Meer dan vroeger zal de Raad de context moeten schetsen waarbinnen de voorstellen moeten worden beoordeeld. Meer dan vroeger zal de Raad een eigen consistente visie moeten ontwikkelen op de functies van het recht, de kwaliteit van de wetgeving en de praktische uitvoerbaarheid van wet- en regelgeving. Die wet- en regelgeving moet steeds meer in de Europese context worden gezet maar ook op haar gevolgen voor het Koninkrijk – Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba – worden bezien.
De Raad van State is immers, aangevuld met de Staatsraden van het Koninkrijk, ook Raad van State van het Koninkrijk. Ook aan die taak willen we uitdrukkelijk inhoud geven. Het moge duidelijk zijn, Koninklijke Hoogheid, Uw binnenkomst hier vindt plaats in een voor de Raad buitengewoon interessante periode. Door zitting te krijgen in de Raad van State treedt U in een traditie die is begonnen in een ver verleden nog voordat ons land als zelfstandige natie bestond. Het was in de Raad van State dat op oudejaarsdag 1564 Willem van Oranje zijn eerste grote rede hield waarin hij pleitte voor de gewetensvrijheid, voorwaarde voor het bestaan van de latere Republiek. “De Koning (Philips II) dwaalt als hij meent dat Nederland temidden van landen waarin godsdienstvrijheid bestaat voortdurend de bloedige plakkaten verdragen kan …
Hoe zeer ik aan het katholieke geloof gehecht ben, ik kan niet goedkeuren dat vorsten over het geweten van hun onderdanen willen heersen en hun vrijheid van geloof en godsdienst ontnemen”. Willem van Oranje sprak deze woorden uit niet als moraalridder maar als nuchtere politicus die besefte dat zonder gewetens- en geloofsvrijheid de Nederlandse samenleving uit elkaar valt. Philips II wilde dat niet geloven. Vier jaar later was de tegenstelling onoverbrugbaar geworden en begon de Tachtigjarige oorlog. Wie de historische lijn wil doortrekken: Toen Willem van Oranje in de Raad sprak, was hij zelf nog katholiek, maar getrouwd met een protestantse, de Lutherse Anna van Saksen. Nu in 2004 wordt een katholieke Prinses in de Raad opgenomen, terwijl haar Prins van Oranje protestant is.
Nederland is één door respect voor de verscheidenheid. Van die eenheid is het Koningschap het symbool. U kan daaraan bijdragen. De Raad heeft U gevolgd vanaf de dag van uw verloving op 30 maart 2001 en sommigen van ons al eerder. Inmiddels heeft U, zoals onze Voorzitter die van nu af aan dus ook de Uwe is, al zei: Nederland leren kennen en Nederland U. Voor Uw inburgeringsprogramma bezocht U provincies en steden en voerde U verkennende gesprekken over de geschiedenis van Nederland, het staatsbestel in de praktijk en diverse actuele onderwerpen. U maakte kennis met de Ministerraad, de Staten-Generaal, de Raad van State en andere Hoge Colleges. Na Uw huwelijk volgden de bezoeken aan de andere landen van het Koninkrijk maar ook aan Turkije en Marokko om maar enkele landen te noemen. U verdiepte zich in de geschiedenis van de Nederlandse Antillen en Aruba, in de betekenis van 4 en 5 mei, in de financieel-economische situatie van ons land, in het stelsel van sociale zekerheid, in de verhouding tussen werkgevers en werknemers en in de cultuur.
De afgelopen twee jaar heeft U Uw kennismaking verdiept op de terreinen van educatie, economie, zorg, Europa, emancipatie. Steeds meer is integratie een leidraad geworden. Integratie is in Uw eigen woorden, “het samenwerken aan een leefbare samenleving van alle Nederlanders en niet (of nog niet) Nederlanders die in ons land wonen. Erbij horen, daar gaat het om”. Uit eigen ervaring weet U hoe moeilijk het is om als nieuwkomer in een vreemd land van harte te kunnen zeggen “ja, ik hoor erbij”. Als geen ander beseft U dat begrip voor de verschillen moet samengaan met een gevoel voor gemeenschappelijkheid. Een lid van het Koninklijk Huis, echtgenote van de troonopvolger en zelf nieuwe Nederlandse, is als geen ander gekwalificeerd om aan die gemeenschappelijkheid ook voor de nieuwe Nederlanders uitdrukking te geven. Integratie is een belangrijk en ook gevoelig onderwerp.
Dat vraagt van U, èn van de mensen met wie U werkt, een scherp zicht op Uw staatsrechtelijke positie, een gedegen kennis van de inrichting van Nederland, een gevoel voor maatschappelijke verhoudingen en voor nieuwe ontwikkelingen. Dat zal niet altijd makkelijk zijn, maar alles wijst erop dat U dat zicht, die kennis en dat gevoel snel ontwikkelt. Moge u daarin, of misschien beter óók daarin, het voorbeeld van uw schoonvader volgen. Prins Claus heeft mij wel eens gezegd: “zelf ben ik in het begin misschien te voorzichtig geweest. Je moet ook risico durven nemen. Er is ook ruimte”. Steeds stelde hij zich bij de invulling van die ruimte de vraag: Kun je wat je meent te moeten doen, voor jezelf en je eigen geweten verantwoorden, ook als het morgen naar buiten komt en dan kritiek losbarst. Als echtgenote van de troonopvolger zult U Uw man bijstaan in zijn toekomstige functie, maar daarnaast zult U ook Uw eigen taken krijgen.
Zitting hebben in deze Raad biedt U de mogelijkheid kennis te nemen van het werk van de Raad en de overwegingen die daarbij een rol spelen. Daarnaast kunt U, wanneer dat nodig is, op de Raad of individuele leden een beroep doen als U ten behoeve van Uw eigen werk of Uw eigen staatkundige positie aan een onafhankelijk oordeel behoefte heeft. Bovenal hoop ik dat de contacten met de Raad U voldoening zullen geven. In navolging van onze Voorzitter heet ik U, ook persoonlijk, van harte welkom in ons midden. Het is mij een genoegen U als aandenken aan dit bijzondere moment een exemplaar van de Grondwet aan te bieden met een overzicht van de ontwikkeling van die Grondwet sinds 1814, de stichting van het Koninkrijk.
Het Koningschap in Nederland kan functioneren niet ondanks maar juist dankzij de Koninklijke onschendbaarheid en de ministeriële verantwoordelijkheid die in artikel 42 van de Grondwet is vastgelegd. Deze beschermen het Koningschap tegen wat het leven van politici tekent: de verbinding met maar één partij, de noodzaak beloften waar te maken, de volgende verkiezingen. Het Koningschap staat juist voor het gemeenschappelijke, voor datgene wat deelbelangen of de levensduur van één kabinet overstijgt. Een goed functionerend Koningschap heeft ministers nodig die niet bang zijn daarvoor ruimte te geven en (dus) kritiek op te vangen. Dat is óók de betekenis van de ministeriële verantwoordelijkheid van artikel 42. Moge U dat ervaren in de praktijk van Uw werk.
H.D. Tjeenk Willink
