Keynote speech voor het Top Management Forum met als thema: Als het tij keert, Leiderschap in barre tijden.
Anderhalf jaar geleden, toen we nog een kabinet hadden, schreef dat kabinet in de toelichting op de Miljoenennota 2002 dat een heroriëntatie op de rol van de overheid als één van de belangrijkste beleidsopgaven in de komende jaren moest worden beschouwd. Met "overheid" wordt dan vooral gedoeld op één functie van de staat, het openbaar bestuur. In zijn advies van 10 september 2001 op die Miljoenennota heeft de Raad van State erop gewezen dat de heroriëntatie op de rol van dat bestuur niet nieuw is. Sedert de eerste helft van de jaren tachtig is daaraan gewerkt. Financiële motieven waren daarvoor de directe aanleiding, maar de verwachting bestond dat daarmee ook de verbetering van de kwaliteit van de publieke instituties gediend zouden zijn. Daarvoor werd de vorm van die instituties vaak drastisch veranderd door verzelfstandiging en privatisering, ook als het ging om taken en activiteiten die als wezenlijke taak van de staat worden beschouwd.
De Raad adviseerde daarom alvorens aan weer een nieuwe heroriëntatie te beginnen en nieuwe vormen voor publieke instituties te zoeken, eerst na te gaan waartoe de eerder ondernomen heroriëntatie heeft geleid, in termen van verbetering van de dienstverlening aan en vermindering van de kosten voor de burger, ook in vergelijking met ontwikkelingen elders in Europa. In het nader rapport is dat advies, niet ongebruikelijk, weggeschreven. Blij verrast was ik dan ook toen één uwer een paar weken geleden informeerde naar mijn ervaringen als regeringscommissaris reorganisatie rijksdienst. Zou het niet wenselijk zijn, was zijn vraag, opnieuw een regeringscommissaris te benoemen. Die vraag gaf mij aanleiding om eens na te gaan wat mijn beeld was van die reorganisatie rijksdienst aan het einde van mijn periode als regeringscommissaris.
Ik heb dat gedaan aan de hand van mijn Eindbericht 1986 en de publicatie "Kunnen politici veranderen?" Het beeld dat daaruit oprijst is er één van een worsteling om, tegen de trend in, het politieke en publieke karakter van de overheid als essentiële elementen overeind te houden, en wat ik in 1984 het ambtelijk tussenniveau heb genoemd , te saneren. (U vindt die elementen terug in de jaarberichten 1983, 1984 en 1985.) Het is verleidelijk om daaruit of uit andere publicaties van toen te citeren. Is er dan weinig nieuws onder de zon? Ja en neen. Veel van de analyses die toen werden gemaakt, gelden nu nog. Door het verwaarlozen van het nadenken over de overheid en het debat daarover, zijn de problemen sedertdien echter wel verergerd. Het beheer van de rijksdienst is misschien wel op orde, de interdepartementale verhoudingen zijn onmiskenbaar verbeterd, maar de inhoudelijke kwaliteit van de overheid als geheel is onvoldoende vooruitgegaan. Het ontbreekt de managers – en wie is dat tegenwoordig niet? – aan inhoudelijke visie op die overheid.
Nu is dat de managers ook nauwelijks te verwijten. De theorievorming over de staat en zijn burgers is in Nederland traditioneel gebrekkig. De analyse van zijn feitelijk functioneren pover. Het collectieve geheugen is zwak. De grote mobiliteit in de ambtelijke organisatie, in het bestuur, in de Tweede Kamer verergert dat. De continuïteit bij Den Haag Vandaag vormt daartegen helaas geen tegenwicht. Voor die rubriek is nieuws datgene wat in de wandelgangen circuleert en wat daarin niet circuleert is het melden niet waard. Die drie zwakheden (gebrek aan visie op de overheid, povere analyse en zwak collectief geheugen) breken ons op nu een nieuwe generatie politici en bestuurders aantreedt. We zouden daarom juist nu meer moeten nadenken over de oorzaken van de problemen waarmee de overheid worstelt en de mogelijkheden voor gerichte oplossingen. Die tijd om na te denken gunnen we onszelf nauwelijks. We bellen, mailen, sms-en. Maar al die informatie en communicatie leveren niet automatisch inhoud en diepte. Gevolg: collectieve blikvernauwing en onvermogen onze eigen problemen te relativeren en in perspectief te zien. We zijn overgeleverd aan “gebeurtenissen”. Niet de feiten maar de weergave van de feiten door de media bepaalt letterlijk ons beeld. Die gebeurtenissen worden, in de woorden van Mark Elchardus in zijn boek "De dramademocratie", meestal "overroepen".
Ze blijken achteraf minder belangrijk dan we dachten. Die, achteraf kleine, gebeurtenissen verdringen grote kwesties. Op de echt belangrijke gebeurtenissen wordt inadequaat gereageerd. (Voor mij hèt voorbeeld daarvan: de Troonrede 2001 na de gebeurtenissen 11 september). Dat is ook de laatste maanden weer gebleken. Wie de laatste maanden behalve de Nederlandse media de buitenlandse volgt, meent in Nederland op een andere planeet te leven. Ik mag op drie punten wijzen. - De oplopende spanning rond Irak en de dreigende oorlog kregen hier minder aandacht. Toch waren er de nodige vragen, die ook door Nederland beantwoord moesten worden. We deden net alsof de Veiligheidsraad dat antwoord wel voor ons zou geven. Dat antwoord zou echter hooguit een rechtsgrond hebben opgeleverd, geen rechtvaardiging om zelf niet meer na te denken en te debatteren over het verschil tussen oorlog tegen staten en bestrijding van terrorisme; over het waarom van de oorlog nù en niet gisteren of morgen; over de gevolgen voor de regio, voor het bestaan van Israël, voor de verhouding met de Islam; over het machtsevenwicht in de wereld en de rol van Europa daarin. - Wij, maar niet alleen wij, ook de Verenigde Staten, hebben belang bij een krachtig Europa; een Europa dat voldoende zelf doet, niet alleen militair, maar ook in het ontwikkelen van een strategische visie op een wereld met minder armoede en onrecht en daardoor minder voedingsbodem voor terreur. Europa heeft de laatste jaren daarop onvoldoende ingezet. Het was vooral naar binnen gericht en miste moreel leiderschap ook als correctie op de globalisering.
De groei naar een krachtig Europa wordt op dit moment op drie manieren ondergraven: - door de polarisatie met de VS in het conflict met Irak; - door het onvermogen van de Europese Unie zelf om tot één standpunt te komen; - door de uitbreiding gelijktijdig met tien nieuwe leden als institutionele hervormingen nu nog langer uitblijven. Ook daarom zijn de uitkomsten van de Europese Conventie zo belangrijk. Daar worden de fundamenten voor de Europese ontwikkelingen in de komende jaren gelegd. In die Conventie dringt de Nederlandse stem maar zwak door. De publieke en politieke belangstelling voor de agenda van de Europese Conventie is in Nederland mager. In de dagelijkse politiek in Den Haag (ook in kabinetsformaties) is Europa vooral afwezig. De structurele problemen waarmee de Nederlandse overheid worstelt zijn echter alleen in Europees verband op te lossen. In de Algemene Beschouwingen in het Jaarverslag van de Raad van State over het jaar 2001 staat: "Een visie op Europa vooronderstelt een visie op hetgeen de eigen staat nog vermag en de wijze waarop die eigen mogelijkheden binnen de staat kunnen worden gerealiseerd. Visie op Europa en visie op de eigen staat zijn steeds meer twee zijden van een zelfde medaille. Misschien is het publieke en politieke debat over Europa in Nederland daarom slecht ontwikkeld, omdat ook het publieke en politieke debat over de staat zo mager is." - De laatste maanden is de financieel-economische situatie ook in Nederland snel verslechterd. Duizenden en duizenden nieuwe werklozen erbij. Toch leidde dat tot nu toe niet tot een spoeddebat in de Kamer.
Wij, Nederlandse burgers, doen alsof voor iedereen in Nederland geldt: het bedrijf draait weliswaar slecht, maar wij verdienen nog een bonus. Wordt het geen tijd na te denken en te debatteren over hoe we èn de financieel-economische problemen het hoofd bieden èn de structuur van de Nederlandse economie moderniseren èn de achterstanden in de publieke sector gaan oplossen èn de lasten daarvoor eerlijk zullen verdelen? Zo gingen we onvoorbereid de oorlog met Irak in, zijn we afhankelijk van wat anderen in Europa beslissen en hebben we ons leven niet ingesteld op wat financieel-economisch nodig is. Daarvoor betalen we een prijs. De prijs van de versimpeling. Als wordt nagelaten te discussiëren over een complex vraagstuk als de oorlog tegen Irak, met zijn lange voorgeschiedenis en zijn mogelijke gevolgen voor de internationale rechtsorde, moeten we niet verbaasd zijn dat, eenmaal uitgebroken, de oorlog wordt verengd tot een controverse CDA-PvdA.
Zou het niet mooi zijn geweest als op het moment dat Minister van Staat Van der Stoel zijn goed onderbouwde standpunt in de PvdA fractie toelichtte, oud Minister-President Van Agt of Lubbers, of oud minister van Buitenlandse Zaken Van den Broek hun zwaarwegende argumenten in de CDA fractie uiteen hadden gezet? Ook in de heroriëntatie van de overheid betalen we de prijs van de versimpeling; de jarenlange versimpeling van overheid tot de ambtelijke organisatie, van beleid tot beheer en van leiderschap tot management. Ik kreeg laatst het eerste exemplaar van Pluche, een tijdschrift voor reflectie en debat over het openbaar bestuur. Bij het doorbladeren van dat eerste nummer werd ik getroffen door de volgende passage in de gemiste toespraak van de minister-president, tekst Pieter Hilhorst. "In ieders leven bestaan momenten van de waarheid. Momenten waarop het niet gaat om wat je binnenhaalt, maar om wie je bent. Momenten waarop het niet gaat om kleine voordelen, maar om karakter. Momenten waarop het niet gaat om sluwheid, maar om ruggengraat. Momenten zonder grijs. Momenten waarop het kiezen is tussen wit of zwart. Momenten waarop zwijgen meehuilen is met de wolven." De afgelopen maanden en misschien al de afgelopen 1½ jaar na de mislukte Troonrede 2001, heb ik verschillende malen het gevoel gehad dat dat moment was aangebroken; het moment om je stem te verheffen. Tegelijkertijd was er het pijnlijke besef dat de waan van de dag te sterk was en alles wat gezegd zou worden in de context van de versimpeling dreigt te worden geplaatst. Als ik daarover met andere mensen spreek die ook publieke verantwoordelijkheid dragen, wordt dat gevoel en dat besef gedeeld. Waarom verheffen we dan onze stem niet en zeggen we wat we vinden?
Ik heb me de afgelopen weken de hersens afgepijnigd wat de oorzaken kunnen zijn van de collectieve blikvernauwing, die ook een vorm van escapisme lijkt te zijn, een vlucht uit de onbevredigende werkelijkheid. Ik leg vijf punten aan u voor om over na te denken en te debatteren. - We zijn in Nederland altijd op een bepaalde manier omgegaan met conflicten en emoties. Ze werden via de zuilen gekanaliseerd en politiek gepacificeerd. Politieke samenspraak en maatschappelijk evenwicht zijn twee kenmerken van het "poldermodel" dat eigenlijk helemaal geen model is, maar de Nederlandse vorm van democratie; een Nederlands stelsel van checks and balances dat al doende is ontstaan. Maar voor samenspraak is tegenspraak nodig en voor evenwicht, tegenwicht. Zonder tegenspraak en tegenwicht kapseist deze Nederlandse vorm van democratie. Toen de verzuilde structuren afbrokkelden en het politieke debat verschraalde hebben we, juist ook als rijksoverheid nagelaten doelbewust te zoeken naar tegengeluiden, en hebben we niet doelbewust het eigen tegenwicht gecreëerd. De rijksoverheid is opgesloten geraakt in zijn eigen dynamiek waarin de politici geen tegenwicht (meer) bieden en de uitvoerders op afstand zijn geplaatst, waardoor de voeling met de maatschappij is verminderd. Misschien zouden we daarover weer eens moeten nadenken en het debat moeten voeren. - Waar de ideologische grenzen tussen politieke partijen niet scherp meer te trekken zijn, kunnen maatschappelijke problemen niet meer langs de partijpolitieke meetlat worden afgepast.
Niet de kiezer zweeft, partijen zweven. De kiezers staan bij het uitbrengen van hun stem voor de vraag dat zweven te sanctioneren of te corrigeren. Ook daardoor is voor politici de zekerheid van het eigen politieke bestaan verdwenen; hun afbreukrisico is groot, hun toekomst ongewis. Meer dan vroeger is het voor hen zaak het vertrouwen van de burgers steeds opnieuw te winnen. Er valt ook iets te winnen. Politieke beeldvorming wordt belangrijker dan staatsrechtelijke spelregels. Door verwaarlozing van deze regels neemt de onzekerheid echter verder toe. In het jaarverslag 2002 van de Raad noem ik voorbeelden uit het afgelopen jaar. We zouden weer eens moeten nadenken over de waarde van die staatsrechtelijke spelregels. - Waar de politieke beeldvorming de staatsrechtelijke regels wegdrukt wordt afhankelijkheid van het publieke optreden, en dus van de media, nog groter en groeit de “dramademocratie”, waarin de politicus moet reageren op de door de media veronderstelde standpunten van zijn kiezers en afhankelijk raakt van zijn "performance". De politicus als acteur waarbij volgens de logica van de media het bestaande altijd wijkt voor het nieuwe, wat misgaat wegdrukt wat goed gaat, de korte termijn het wint van de langere termijn. We zouden weer eens moeten nadenken over de eigen rol van verschillende publieke functionarissen (politici, bestuurders, ambtenaren) en over de professionele voorwaarden waaraan de media als uitermate belangrijk instrument voor publieke controle moeten voldoen. (Ik zeg dus niet dat "de media" de schuld zijn, zoals sommigen hebben gesuggereerd.
Ik probeer te analyseren.) - Iedereen is in meerdere of mindere mate onder de invloed geraakt van de narcistische beeldcultuur waarin emotie, ongelimiteerd genieten, directe bevrediging voorop staat. Die "cultuur" is nu ook tot de politiek doorgedrongen. Het beeld van wat buiten ons gebeurt en het zicht op de langere termijn vervagen. We zouden moeten nadenken over het burgerschap als publiek ambt; weer meer onderscheid moeten maken tussen de publieke rol en het persoonlijke leven. Dat geldt voor publieke functionarissen. Dat geldt voor individuele burgers. Wij zouden moeten nadenken over het verschil tussen de moraal van het individu en de publieke moraal. Geen kwestie voor de rechter. - En tenslotte speelt uiteraard een rol dat we al anderhalf à twee jaar feitelijk een demissionair kabinet hebben. Een politieke agenda ontbreekt. In dat vacuüm krijgen incidenten een kans, zeker incidenten waarbij we ons allemaal betrokken weten. En misschien zijn we al veel langer het zicht kwijt op wat leiding geven inhoudt: luisteren, eigen visie ontwikkelen, informeren, verantwoording afleggen, inspireren, ruimte geven. We moeten ons realiseren dat sommige elementen van herkenbaar leiderschap in Nederland moeilijk te realiseren zijn.
In een land van politieke minderheden is het presenteren van een eigen afwijkende visie riskant. Dat brengt immers het evenwicht – de coalitie - in gevaar. Ook de eigen verantwoordelijkheid is zwak ontwikkeld; gezamenlijke verantwoordelijkheid en evenwichtspolitiek horen bij elkaar. Het teloorgaan van de verzuiling hebben we in ons politiek-bestuurlijk stelsel nog niet verwerkt. De horizontale verhoudingen van ons in wezen republikeinse staatsbestel, de directe betrokkenheid van velen, is onze sterkte, maar maakt ook kwetsbaar als het evenwicht wordt doorbroken; het evenwicht tussen ambtenaren en politici; tussen beleidsmakers en beleidsuitvoerders; tussen overheid en burgers. Die evenwichten zijn in de afgelopen jaren verder verstoord in plaats van hersteld. Dat zou ons tot nadenken moeten aanzetten. Dit pleidooi om na te denken richt zich niet alleen tot politici en bestuurders, maar juist ook tot ambtenaren. Waar een nieuwe generatie politici en bestuurders aantreedt nog zonder ervaring, opgegroeid in een tijd waarin de overheid als inefficiënt werd weggezet en het bedrijfsleven dè norm vormde, groeit de afhankelijkheid van de ambtelijke organisatie. Dat zal ook spanningen opleveren. Die verhouding tussen politieke bestuurders en ambtenaren is onhelder geworden. De specifieke eisen die in een moderne Europees georiënteerde overheid aan de verschillende publieke ambten worden gesteld, zijn vervaagd. Om een ambt goed te kunnen vervullen moet het duidelijk zijn wat dat specifieke ambt inhoudt. Volksvertegenwoordigers hebben een andere ambt dan bestuurders; bestuurders hebben weer een andere ambt dan ambtenaren. De eisen verschillen. Die verschillen zijn echter onduidelijk geworden. Dat beperkt de doorzichtigheid van beleidsprocessen en belemmert de controle.
Het eerste dat bij het aantreden van een nieuw kabinet zou moeten gebeuren is dat over en weer helderheid, kan het zijn overeenstemming, ontstaat over die verschillen. In het jaarverslag 2002 ben ik daar nader op ingegaan. Wat zou er verder moeten gebeuren om de kwaliteit van de overheid te verbeteren? Dat hangt allereerst af van hoe tegen de ontwikkelingen van de afgelopen jaren wordt aangekeken. Ik denk dat we moeten constateren dat de beweerde terugtred van de overheid toch vooral een terugtred van de politieke ideologie is geweest. Het heeft ertoe geleid dat de ambtelijke organisatie aan zichzelf werd overgeleverd. De oriëntatie op het bedrijfsleven was daarom niet alleen een uiting van de heersende mode, maar ook een verlegenheidsoplossing. Onvoldoende werd in de ambtelijke organisatie onderkend dat bedrijfsmatig werken geen inhoudelijk ijkpunt inhoudt. Zeker, meten is weten, maar wat weten we als we de gemeten resultaten kennen? Die resultaten worden verschillend gewogen, omdat dat nu juist de essentie is van een pluriforme democratische samenleving. De gevolgen van het gebrek aan een inhoudelijk ijkpunt werden nog verergerd door verzelfstandiging van publieke diensten. Daardoor raakte de ambtelijke beleidsvorming nog verder geïsoleerd. Die verzelfstandiging leverde voor de burgers meestal niet op wat werd voorgespiegeld: lagere prijzen, betere service, minder bureaucratie. Integendeel. Ook de echte uitvoerders van publieke diensten (de leraar, de politieagent, de consulent bij de sociale dienst) hebben bij alle reorganisaties van de afgelopen jaren in hun sector zeer weinig gewonnen. Integendeel. In verschillende sectoren zijn overheid en markt, ambtenaren en deskundigen, belangengroepen en semi-publieke functionarissen onlosmakelijk met elkaar verstrengeld geraakt en elkaars ijkpunten gaan vormen. Het "ambtelijk tussenniveau" is daardoor niet gesaneerd maar versterkt. Hebben we wel eens uitgerekend hoeveel mensen en geld ten behoeve van de reïntegratie werkzaam zijn en is dat wel eens afgezet tegen het aantal mensen waarop die integratie zich richt?
In de afgelopen twintig jaren zijn de organisaties tussen de politiek-ambtelijke top op de departementen en de uitvoerders in het veld in alleen maar gegroeid. Het ambtelijk tussenniveau plus. Wie hebben daar vooral last van? Burgers, uitvoerders van beleid en, als ze zich dat zouden realiseren, politici. Uitgerekend de drie hoofdrolspelers in de democratische rechtsstaat. Zij zijn gemarginaliseerd. Tegen deze achtergrond zal het u niet verbazen dat naar mijn opvatting de verbeteringen in drie richtingen moeten worden gezocht. Allereerst meer ruimte voor het politieke debat. Dat vereist om te beginnen de bereidheid bij politici om dat politieke debat te voeren en bij hun ambtenaren de capaciteit, ook inhoudelijk, de politici daartoe te stimuleren en daarop te prepareren. De onbedwingbare neiging om dikke regeerakkoorden te sluiten staat hier haaks op. Daarnaast meer ruimte voor de uitvoerders van het beleid. Dat vereist de erkenning van politici en ambtenaren dat de uitvoerders de echte deskundigen zijn bij het oplossen van maatschappelijke problemen. (In principe kan een fietsenmaker het beste een fiets tekenen. Hij weet hoe die fiets in elkaar zit. Misschien kan hij niet tekenen. Dat doet aan het principe niet af. Misschien kan een geoefend tekenaar hem leren tekenen of op zijn aanwijzing de tekening maken). Tenslotte meer ruimte voor burgers die zich willen inzetten voor het publieke belang.
Dat noemden we vroeger particulier initiatief, met een kleine p; “onafhankelijke organisaties van burgers die zich inzetten voor aspecten van publiek belang en daarmee pogen een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de maatschappelijke ontwikkeling”. Aan deze definitie zouden twee elementen kunnen worden toegevoegd: de gemeenschappelijk gevoelde behoefte of de gemeenschappelijk beleefde inspiratie als grondslag voor deze organisaties en de eis de beginselen van de democratische rechtsstaat in acht te nemen. Dat particulier initiatief is ook het beste tegenwicht tegen het hechte verbond van ambtenaren, deskundigen en belangengroepen en semi-publieke functionarissen. Dat geldt overigens niet alleen in Nederland, maar ook in Europa. Meer ruimte geven aan politici, uitvoerders en particulier initiatief betekent risico durven nemen. Het risico dat het publieke debat publicitair wordt vertaald in ruzie. Het risico dat er in de uitvoering fouten worden gemaakt waar politiek verantwoordelijken op zullen worden aangesproken. Het risico dat verscheidenheid wordt aangemerkt als ongelijkheid. Een voorname taak van de overheid is echter de maatschappelijke verscheidenheid organiseren èn de publieke rechtsgemeenschap handhaven. Meer ruimte geven aan politici, uitvoerders en particulier initiatief betekent ook doelgericht het hechte verbond doorbreken van ambtenaren, deskundigen, belangengroepen en semi-publieke functionarissen, overheid en marktpartijen doorbreken.
Het ambtelijk tussenniveau uit 1984 is een blackbox geworden. Daarop moet de publieke en politieke controle worden gericht Dat moet worden gesaneerd (en laten we simpel beginnen met de salarissen in die blackbox). Wat betekent dit nu voor u, de ambtelijke leiding van de departementen? Dat u naast het leiding geven aan de ambtelijke organisatie (het inspireren en ruimte geven aan de eigen mensen) consequent uw ijkpunt verlegt van de eigen ambtelijke wereld naar de wereld van politici, uitvoerders en particulier initiatief. Voor het eerste (ijkpunt bij politici) dient u goed in het oog te houden wat de functie van politiek bestuurder en volksvertegenwoordiger inhoudt. U dient bestuurders en volksvertegenwoordigers daarop aan te spreken en daarin te ondersteunen zonder bestuurder- of volksvertegenwoordiger-plaatsvervanger te worden. Het tweede (ijkpunt bij uitvoerders) betekent de daadwerkelijke erkenning dat alles wat onder uw verantwoordelijkheid wordt bedacht en gedaan uiteindelijk elders wordt uitgevoerd. In die zin staat u ten dienste van de uitvoerders in plaats van omgekeerd. Daarom is het zo stom geweest de uitvoering op afstand te zetten, zonder de eigen organisatie en werkwijze te veranderen. Misschien zou het een goed idee zijn dat elke regel of richtlijn die hier in Den Haag wordt bedacht of gesanctioneerd door de bedenker bij de uitvoerders wordt bezorgd en uitgelegd. Zoals het misschien dienstig zou zijn dat de belemmeringen die de uitvoerders in hun werk ondervinden, juist de kleine dingen, systematisch vanuit Den Haag zouden worden opgeruimd. Een tijdelijke functionaris dáárvoor lijkt me buitengewoon veel zinniger dan een “Strategische functie”, hoe inspirerend de titel “Kracht zonder macht” ook moge zijn. Het derde (ijkpunt bij particulier initiatief) betekent het nog beter aansluiten bij initiatieven die in het publiek belang door burgers zelf worden genomen (hetgeen iets anders is dan het eigen belang nastreven). Vrijwilligers inspireren in plaats van encadreren. Ook dat uit zich vaak in praktische maatregelen.
Ik ben bestuurslid geweest van verschillende instellingen, als vrijwilliger. Het is me altijd opgevallen dat departementen het buitengewoon normaal vonden je op te roepen om ten departemente te verschijnen op een tijdstip dat ambtelijk goed uitkwam. Dat vrijwilligers meestal ook zelf een baan hebben, kwam niet in de hoofden op. Vrijwilligers zijn ambtelijk vooral lastig. Hun werkelijkheid is immers vaak zo moeilijk op de Haagse werkelijkheid te passen. Als regeringscommissaris en daarna is me door “Den Haag” vaak verweten dat mijn rapporten en speeches wel mooi waren, maar te abstract. Ik heb dat eerst niet begrepen, daarna ontkend, met verwijzing naar zeer concrete aanbevelingen, en tenslotte als compliment aanvaard. Abstract betekent immers: los van de bestaande (lees in dit geval Haagse) werkelijkheid. De voornaamste heroriëntatie van de (rijks-)overheid ligt in de erkenning dat de Haagse werkelijkheid hooguit “een” werkelijkheid is naast andere werkelijkheden die belangrijker zijn. Het ijkpunt zou bij die andere werkelijkheden moeten liggen. Daarom heb ik in de jaren (chr39)80 – als gedachte-exercitie – wel eens voorgesteld naast een gemeentefonds in handen van het Rijk een Rijksfonds in handen van de gemeenten te geven. Veranderingen lukken immers alleen met druk van buitenaf. De wijze waarop Den Haag tot nu toe is omgegaan met de uitslag van de verkiezingen in mei 2002 en januari 2003, stemt niet optimistisch over de gevoeligheid van de Haagse politici, bestuurders en ambtenaren voor deze externe druk. U zult het me niet kwalijk nemen dat ik hierom eindig met een citaat uit de laatste publicatie die ik als regeringscommissaris reorganisatie rijksdienst in 1986 uitbracht onder de titel: “Kunnen politici veranderen”. "In mijn werk (als regeringscommissaris) heb ik steeds geprobeerd de vraag te beantwoorden hoe de kwaliteit van het overheidsoptreden naar buiten kan worden verhoogd. Ik ben ervan overtuigd dat met hetzelfde geld (ambtenaren) betere kwaliteit kan worden geleverd, respectievelijk dezelfde kwaliteit met minder geld (ambtenaren).
Probleem is dat die kwaliteitsvraag voor de politieke partijen (nog) geen echt probleem is. Het eindbericht (van de regeringscommissaris) en de daaraan voorafgaande publicaties brengen politici niet veel verder omdat zij de problemen die daar aan de orde komen, niet aan den lijve ondervinden. De kwantiteitsvraag wordt als het probleem gezien en daarmee zet men zichzelf klem. Blijft over de hoop dat minder ook beter zal zijn. Daarmee wordt een gigantische wissel getrokken op de kwaliteit van de ambtelijke organisatie en de politieke en maatschappelijke krachten die op die organisatie inwerken. (…) Ik constateer dit alles overigens zonder enige bitterheid. Allereerst omdat een regeringscommissaris zich bij de politieke besluitvorming moet neerleggen of zelf politicus moet worden. Vervolgens, omdat deze uitkomsten de logische consequentie zijn van mijn eigen analyses omtrent het functioneren van de centrale overheid, politiek en ambtelijk. Tenslotte, omdat binnen een aantal jaren politici en ambtenaren wel gedwongen zullen worden de huidige veranderingskoers te verlaten. Het enige, dat me echt hindert is dat over een aantal jaren de omstandigheden minder gunstig zullen zijn en de maatschappelijke kosten hoger." Hoeveel hoger kon ik toen, in 1986, nog niet bevroeden.
