Toespraken Tjeenk Willink

Korte toespraak bij het in ontvangst nemen van essay van prof.dr. J.Th.J. van den Berg.<br>

Gepubliceerd op 24 september 2002

Uitgesproken op dinsdag 24 september 2002 in Sociëteit de Witte te Den Haag:
1. Een historisch kenmerk van het Nederlandse staatkundige bestel is zijn vermogen te depolitiseren. Dat vermogen ontleent zijn betekenis aan het al even historische kenmerk het met elkaar oneens te zijn. Depolitisering heeft geen betekenis als politisering uit het woordenboek is geschrapt. Als een "open, geanimeerde politieke discussie" ontbreekt, consensus een doel in zichzelf wordt, wordt democratie tot “kartel democratie” (Van den Berg). Periodiek werkt dat op onze zenuwen. Dan moet alles anders. In 1945 was voor Koningin Wilhelmina het antwoord op de vraag: "Bent u vernieuwd?" doorslaggevend voor goed of fout. Ruim dertig jaar later vroeg Jan Blokker zich af: "Ben ik wel links genoeg?" En weer dertig jaar verder lijkt cruciaal het antwoord: "Oude of nieuwe politiek". Het is daarbij opmerkelijk dat de nadruk valt op oud of nieuw en niet op het kernwoord politiek. Het gaat in de woorden van Van den Berg om de terugkeer van de politiek, niet om oud of nieuw. Want hoe nieuw is de nieuwe politiek eigenlijk?

2. Met de scheidende directeur van de VNG deel ik ondermeer de fascinatie voor en de verbondenheid met de politiek. Die term politiek suggereert echter een exactheid die zij niet heeft. Liever gebruik ik daarom, in navolging van Focque (die weer Claude Lefort tot bron heeft) de term "het politieke", om te voorkomen dat politiek beperkt wordt tot politieke instellingen en politieke functionarissen. In “het politieke” gaat het om de vraag welke maatschappij wij wensen, hoe de overheid daaraan moet en kan bijdragen, hoe de politieke verantwoordelijkheid voor die bijdragen vorm moet krijgen. Drie elementen dus, politieke verantwoordelijkheid, overheid, maatschappij. Een kort woord over elk van die drie. De politieke verantwoordelijkheid voor de overheidsbemoeienis met de maatschappij is meer dan controleren of de organisatie loopt, de rekening klopt, de wet gehandhaafd wordt. Het gaat om de verantwoordelijkheid voor de handhaving van de sociale rechtsstaat of in andere woorden om de controle op de machten die de sociale rechtsorde schragen of ondermijnen. Dat is de betekenis van het primaat van de politiek. Over de overheid en haar macht is de laatste jaren nog al eens denigrerend gesproken. Ik heb me daar steeds, en steeds opnieuw, tegen verzet. Belangrijke maatschappelijke problemen – veiligheid, milieu, integratie, armoede – kunnen en mogen niet aan de markt worden overgelaten. De overheid wordt met die problemen geconfronteerd of we dat nu leuk vinden of niet. De populaire vraag wat de overheid niet (meer) moet doen omdat ze dat niet meer kan, heeft me de laatste vijftien jaar oneindig veel minder geïnteresseerd dan de veel belangrijker vraag wat de overheid wél kan omdat ze wel moet. Daarom is de vraag hoe de overheid functioneert zo belangrijk. Dat hoe bepaalt immers in belangrijke mate het wat. Bij dat hoe valt mij steeds weer op dat de maatschappelijke problemen die om een oplossing vragen en waar we de mond vol van hebben, zelden het ijkpunt vormen voor de daadwerkelijk uitgevoerde veranderingen in organisatie en functioneren van de overheid. Die maatschappelijke problemen worden wel gebruikt als startpunt voor de discussie over die veranderingen, maar gedurende de discussie wordt de band met de maatschappelijke problemen losser. De veranderingsprocessen krijgen hun eigen dynamiek en raken naar binnen gericht.

3. Door die interne gerichtheid was in de “oude” politiek “het politieke”, met die drie wel te scheiden elementen, min of meer opgedroogd. Alles was bestuur geworden. Daarin waren de relatie met de maatschappelijke problemen, de eigen rol (zo men wil: identiteit) van de overheid en het primaat van de politiek niet meer duidelijk. Het is voor mij echter zeer de vraag of “het politieke” nu wel tot leven kan worden gebracht door alle kaarten te zetten op effectiviteit van het bestuur, normen en waarden in de maatschappij en door het, door politieke functionarissen en in politieke instellingen, aanroepen van dé wil van dé kiezer. Heerschappij van het recht, democratische participatie en publieke verantwoording, en sociale grondrechten, om de voornaamste kenmerken van de sociale rechtsstaat te noemen, eisen toch nog wel iets meer. Het gaat bij elk overheidsoptreden steeds om een afweging tussen wat de kiezers is voorgehouden en de beginselen van de rechtsstaat (niet alles wat kan, mag); tussen wat politiek haalbaar is en in de praktijk uitvoerbaar is gebleken (niet alles wat mag, kan); tussen hetgeen ambtenaren achter hun bureau bedenken en de wereld waarin de burgers leven (niet alles wat kan en mag, moet); tussen de belangen die om voorrang strijden en de eigen politieke visie van minister of kabinet (niet alles wat kan en mag en misschien zelfs wel moet, moet een minister of kabinet willen). Daarom is besturen vooral het om kunnen gaan met paradoxen. Dat maakt besturen ook zo aardig. Ik noem enkele van deze schijnbare tegenstellingen: - burgers motiveren, meekrijgen, hun problemen serieus nemen, maar ook afstand bewaren, eigen visie ontwikkelen, verantwoordelijkheid durven nemen. Het tweede is tenminste even belangrijk als het eerste. Dat geldt ook voor de volgende vier paradoxen: - politiek debat durven voeren, maar ook praktisch uitvoerbare conclusies daaruit kunnen trekken; - bereid zijn aan consensusvorming bij te dragen, maar ook niet bang zijn om het conflict aan te gaan; - de eigen organisatie goed kennen, toegankelijk zijn, maar niet de verantwoordelijkheid overnemen van gemeentesecretaris of diensthoofden; - loyaal zijn aan ambtelijke medewerkers bij kritiek van buiten, maar ook intern in staat zijn tot duidelijk en hard ingrijpen bij ambtelijk disfunctioneren.

4. Met deze paradoxen zullen vooral bestuurders op lokaal niveau te maken hebben. En dat brengt me op de betekenis van “het lokale”. In zijn essay stelt Van den Berg dat elke gemeente in elk geval de woonplaats is. "Men kan dat beschouwen", schrijft hij, "als een beperkt criterium en dus als reden om het lokaal bestuur te gaan zien als een vorm van functioneel bestuur, vooral gericht op de organisatie van de woonomgeving en de bijbehorende voorzieningen. Tegelijkertijd gaat het om zoiets fundamenteels als de habitat: niet alleen onderdak, maar ook de plek waar omheen de primaire behoeftebevrediging wordt georganiseerd." Het zou de moeite waard zijn dat begrip habitat (Van Dale: natuurlijk woongebied van een organisme of een levensgemeenschap) nader uit te diepen. Wat is nog de betekenis van het lokale, nu bestuur en territoriale levensgemeenschap steeds minder samen vallen? Hoever kan die scheiding gaan als men toch een territoriale indeling van het bestuur wil handhaven? Nationaal worden we ons bewust dat met het vervagen van de grenzen van de staat er een grote behoefte is aan een herdefiniëring van de betekenis van de natie. Wat houdt ons hier in Nederland bijeen? Wat zouden wij in een groter Europees verband willen behouden? Moeten die vragen niet ook en juist voor de lokale gemeenschap worden gesteld? Is er niet teveel de nadruk gelegd op de functionaliteit van het lokaal bestuur en te weinig op de habitat van de lokale levensgemeenschap waarin “het gezamenlijk spreken en handelen van gelijke burgers een kans krijgt” (om Hannah Arendt's definitie van politiek te citeren)? Zijn de leefbaarheids partijen niet een uiting van onvrede dáárover? Zijn we in onze discussies over de reorganisatie van het binnenlands bestuur en bij de binnengemeentelijke decentralisatie niet automatisch uitgegaan van de gedachte: levende democratie is vertegenwoordigende democratie; vertegenwoordigende democratie volgt bestuur? En heeft dat niet tot de marginalisering van “het politieke” op lokaal niveau geleid? En als dat zo is, zal dan de ontrafeling van de politieke en bestuurlijke instellingen, zoals met de dualisering is beoogd, tot een revitalisering van een inmiddels van zijn habitat beroofde levensgemeenschap van burgers kunnen leiden? Of is de kans groot dat ook op lokaal niveau de kartelvorming plaatsvindt die op nationaal niveau het gevolg is geweest van het de teloorgang van “het politieke”?

5. Niet alleen de fascinatie voor "het politieke" maar ook de combinatie van praktisch bezig zijn en pogingen tot reflectie verbindt mij met Joop van den Berg. Nu zijn praktisch bezig zijn bij de VNG eindigt, hoop ik dat we zullen kunnen blijven profiteren van zijn reflecties over het functioneren van de democratische rechtsstaat. Zo ooit, dan zeker nu, hebben we kritische beschouwers nodig die niet alleen hun commentaar leveren op het incident van de dag, maar ook hun staatkundige geschiedenis kennen, gevoel hebben voor de publieke zaak en weten dat de democratische rechtsstaat ook in Nederland geen gegeven is, maar onderhoud behoeft. Elke dag.