Burgemeester en ondermijning


Lezing Thom de Graaf, vice-president van de Raad van State, bij de Kennissessie Burgemeester versus het criminele circuit, ter gelegenheid van het afscheid van mr. H.H.B. Lamers als advocaat in Valkenburg op 29 november 2019.

  1. Met veel plezier spreek ik hier vanmiddag op deze kennissessie, die in het teken staat van het afscheid van mr. Herm Lamers. Ik zal een aantal kanttekeningen plaatsen bij de rolontwikkeling van de burgemeester en diens positie in de criminaliteitsbestrijding.¹ Dat is een kwetsbare positie en het is de vraag hoever die positie kan worden opgerekt met nieuwe en verstrekkende bevoegdheden. Burgemeester versus het criminele circuit, luidt de titel van deze kennissessie. Dat klinkt nogal omineus. Voor de rol van crimefighter is de gemiddelde burgemeester niet geboren en het is de vraag of we dat eigenlijk zouden moeten willen.

    Ik spreek vanuit mijn eigen ervaring van ruim vijf jaar burgemeesterschap in Nijmegen, een stad enigszins vergelijkbaar met Maastricht: centrumgemeente, universiteit, prachtige omgeving en oude stad. De burgemeesters van Maastricht en Nijmegen behoren tot de zogenoemde regioburgemeesters, de tien burgemeesters in de politieregio’s die een eerste verantwoordelijkheid dragen voor de relatie tussen het openbaar bestuur en de territoriale eenheden van de Nationale Politie. Beide burgemeesters zijn bovendien voorzitter van hun veiligheidsregio en ook om die reden min of meer de leidende bestuurder in de regio bij veiligheidsbeleid. Deze ervaring delen wij dus. In mijn professioneel verleden heb ik nog meer ervaringen kunnen opdoen rond veiligheid, als plaatsvervangend directeur Politie bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en in mijn jaren als Tweede Kamerlid onder meer door het vicevoorzitterschap van de parlementaire enquêtecommissie Opsporingsmethoden, ook wel bekend geworden als de IRT-enquête. Als Eerste Kamerlid bemoeide ik mij ook weer met wetgeving rond politie en veiligheid. En dat doe ik als vice-president van de Raad van State eveneens, maar in deze functie namens een heel college. Dat legt mij ook enige beperkingen op in mijn uitlatingen. U zult daar hopelijk begrip voor hebben. Ik spreek, kortom, op persoonlijke titel maar toch ook niet helemaal.

  2. De functie van burgemeester is verdraaid lastig en alleen maar lastiger geworden. Naarmate ik meer afstand in tijd heb genomen van mijn eigen burgemeesterschap, zie ik dat steeds scherper. De burgemeester was tot de jaren zestig vooral magistraat en regent, meester van de burgers en van de gemeente. Daar hoorden statige werkkamers, eerbiedig kijkende ambtenaren en wethouders en altijd de ambtsketen bij. Vrouwelijke burgemeesters bestonden niet en de mannen woonden zo’n beetje in hun jacquet en geklede jas. Tot 1931 stond in de gemeentewet (toen nog zonder hoofdletter) dat wethouders de burgemeester dienden bij te staan. Kom daar nu nog maar eens om; de meeste wethouders denken er vandaag precies omgekeerd over. Een echte verantwoordingsrelatie tussen burgemeester en de gemeenteraad bestond nauwelijks, politie en openbare-ordehandhaving waren daar tot 1969 zelfs van uitgezonderd. In kleine gemeenten was het burgemeesterschap niet zelden nog een soort ereambt, dat makkelijk kon worden gecombineerd met het landjonkerschap of zelfs met de functie van volksvertegenwoordiger. Mijn eigen vader bijvoorbeeld was burgemeester van Kerkdriel en Lisse en deed daar gedurende vijftien jaar moeiteloos het lidmaatmaatschap van de Tweede Kamer bij.
           
    De grote distantie die burgemeesters van hun burgers scheidde, werd indertijd nog niet overbrugd door een zwaar politiek georiënteerde gemeenteraad. Integendeel. De latere burgemeester van Breda, Claudius Prinsen, schreef kort na de Tweede Wereldoorlog een handboek over de burgemeester en beschreef die als de man die met ferme hand het college en de raad stuurde, al zette de wet eigenlijk ook toen al de gemeenteraad aan het hoofd van de gemeente. Kortom: de burgemeester die met distantie en soms als rijksorgaan de orde, rust en regelmaat in de gemeente wist te bewaren.

  3. Dat beeld is in de afgelopen veertig jaar volledig verschoven. Vanaf de jaren zestig werd alles anders. Aanvankelijk ontwikkelden de burgemeester zich tot managers en bouwpastoren, opmerkelijk veel burgemeesters stortten zich persoonlijk op de aanleg van nieuwe wijken en infrastructuur. Het jacquet uit, de mouwen opgestroopt. Maar een nieuwe generatie kritische raadsleden en ambitieuze wethouders zorgen er in de jaren zeventig voor dat de rol van de burgemeester juist weer beperkter werd. Het lokale debat werd gepolitiseerd én gepolariseerd en het traditionele gezag kwam onder vuur, de burgemeester voorop. Autoriteiten hadden niet langer gezag uit hoofde van hun functie, maar moesten dat zelf verdienen.

    Burgemeesters kregen het moeilijker, met jonge honden als wethouder die zich op het takenpakket van de burgemeester wierpen en daarvan alleen de wettelijke onderdelen overlieten: openbare orde en politie. Het college van burgemeester en wethouders was niet langer een afspiegeling van de raad, maar trad op met een politiek programma dat de steun van een meerderheid kreeg. Vooral in de grotere steden schoot de ‘parlementarisering’ van het lokaal bestuur wortel, hoewel het nog tot het begin van deze eeuw duurde voordat het zogenoemde dualisme werd ingevoerd.
    Terugkijkend op de afgelopen vijftig jaar concludeer ik dat de directe impact van de burgemeester op het brede lokale bestuur werd teruggedrongen ten faveure van programcolleges met politiek zware wethouders die de inhoudelijke portefeuilles voor hun rekening nemen. Dat is wellicht een onvermijdelijke ontwikkeling geweest. De paradox is echter dat tegelijkertijd de strijd om de aanstelling van de burgemeester alleen maar heftiger leek te worden. Er werd slag geleverd over de politieke kleur van de burgemeester en over de vraag of de burgemeester benoemd kon blijven door de Kroon of toch door de bevolking of de raad moest worden gekozen. Fracties in de Tweede Kamer hadden ieder hun eigen lobbyist voor burgemeestersbenoemingen en de kaart van de Nederlandse gemeenten werd tot in het kabinet op Jalta-achtige wijze verdeeld. Tot het einde van de twintigste eeuw kon zo worden voorspeld in welke grote gemeente welke politieke kleur de burgemeester leverde. Zoals u weet is daar pas een einde aan gekozen toen gemeenteraden meer betrokken werden bij de selectie en lak kregen aan de bemoeizucht van landelijke politici. Dat is pure winst en daarom kan Maastricht zelfs een partijloze burgemeester hebben. De gekozen burgemeester laat ik verder maar zitten, daar heb ik in het verleden al te vaak over gesproken en – zacht gezegd – niet altijd met succes.

  4. Ik schetste de ontwikkeling van de burgemeestersfunctie tegen de achtergrond van de gemeentelijke democratie. Die heeft in de afgelopen decennia een grote vlucht genomen en de burgemeester moet zich daar toe weten te verhouden. Hoewel de opkomst bij raadsverkiezingen niet is toegenomen, leeft de gemeentepolitiek naar mijn waarneming wel meer: makkelijker toegankelijk voor de burgers, mede door het ontstaan van plaatselijke partijen die per definitie meer lokaal van aard zijn. En die burgers zijn zelf ook aanmerkelijk mondiger dan vroeger en maken actief gebruik van hun inspraak- en beïnvloedingsmogelijkheden. Gemeenten experimenteren ook meer dan op provinciaal of landelijk niveau met vormen van participatie en doe-democratie.

    Tegelijkertijd heeft die levendigheid van de lokale democratie ook zijn keerzijde: de volatiliteit onder kiezers is groot en de versnippering neemt toe. Ik hoef dat hier in Maastricht met maar liefst vijftien fracties op een gemeenteraad van 39 leden niet verder toe te lichten; het is een wonder van stuurkunst als daar nog een stabiele gemeenteraad uit kan worden gesmeed. Een ontwikkeling die in het hele land te zien is: de gemiddelde zittingsduur van raadsleden neemt af, de samenstelling varieert enorm; deze ‘vergruizing’ van de lokale politiek, zoals Johan Remkes dit ooit noemde, heeft forse gevolgen voor de politiek-bestuurlijke ervaring, het institutioneel geheugen en voor de normhandhaving in het gemeentebestuur. Dat laatste betekent ook dat de grenzen van de integriteit soms worden opgezocht. De casus in Den Haag waar nu twee oud-wethouders en een raadslid onder verdenking staan van corruptie staat denk ik niet op zich zelf, maar we zullen dat moeten afwachten. Een nieuwe politieke cultuur door partijen en politici met een wel zeer directe band met hun kiezers, heeft het voordeel dat de beruchte kloof tussen burger en bestuur wordt overbrugd maar als nadeel dat daarvoor methoden worden gebruikt die juist de legitimiteit van het lokale democratie ondergraven.

    Die legitimiteit wordt ook ondergraven door de stelselmatige ondermijning van onze samenleving door de georganiseerde misdaad, in het bijzonder de drugscriminelen. De langetermijneffecten van de grootschalige ondermijning door de onderwereld zijn desastreus voor de bovenwereld: economische macht verworven met witgewassen winsten, maatschappelijke sectoren die ernstig geïnfecteerd raken zoals de bouw, de horeca, de gokwereld, het hotelwezen en wie weet ook financiële en publieke diensten. Wij hebben soms de neiging voor dit soort dingen vooral naar de Caribische delen van ons Koninkrijk te kijken, maar dichterbij zien wij soortgelijke tendensen. Buitenlandse maffiabestrijders noemen Nederland zelfs een ‘narcostaat‘. Onze open economie, onze transport-infrastructuur, onze handelsgeest en ons vrijzinnig strafklimaat vormen kennelijk een gevaarlijk mengsel. De lokale samenlevingen worden er in toenemende mate door beïnvloed. We merken dat onder meer aan intimidatie en bedreigingen van bestuurders. Een granaat bij het stadhuis van Haarlem levert tegenwoordig helaas niet meer dan een klein berichtje in de krant op. Het wordt gewoon.

  5. In dit lastige krachtenveld moet de burgemeester opereren. Wie heeft daar geen bewondering voor? Ik heb eerder wel eens gezegd dat de burgemeester een Januskop heeft en liefst als een kat over negen levens moet beschikken. Die zijn niet iedere burgemeester gegeven, zoals recentelijk in de Residentie weer is gebleken. Een burgemeester is een evenwichtskunstenaar die op verschillende koorden balanceert. En een overlevingskunstenaar. Zijn of haar rol is opgebouwd uit heel veel verschillende stukjes: neutrale en onpartijdige voorzitter van de gemeenteraad, voorzitter maar ook als het kan regisseur binnen het college, regiobestuurder, moeder van de inwoners, boegbeeld van de stad, baas over de openbare orde veiligheid, opperbevelhebber bij brand en eenhoofdig bestuursorgaan op grond van vele wetten.

    Zoals u weet, burgemeester Penn in de eerste plaats, heeft de burgemeester ook nog te maken met de kracht en de impact van de pers en van de sociale media. Reputatieschade is zo aangebracht, ongeacht of daar feitelijke gronden voor aanwezig zijn. Kan de burgemeester onder dat gesternte de rol van onafhankelijk en onpartijdig boegbeeld duurzaam vervullen? Mij dunkt dat dit nog steeds het geval is, maar het ambt is wel veranderd en het wordt steeds lastiger. Distantie bijvoorbeeld, in de zin van persoonlijk afstand bewaren en door een professionele houding je onafhankelijkheid benadrukken, dat is er eigenlijk niet meer bij. Vroeger noodzakelijk, nu niet meer gewaardeerd. De burgemeester moet een mensenmens zijn en wat ooit privé was, is dat nu allang niet meer. Veel burgemeesters weten daarover mee te praten.

    De burgemeester wordt vaak aansprakelijk gehouden voor het gehele gemeentelijk beleid. Dat hangt samen met de personificatie van het openbaar bestuur. Zoals premier Rutte geacht wordt elk Haags probleem op te lossen, ook al gaat hij er niet over, zo kijkt men ook naar de burgemeester. Dat wordt wel statusincongruentie genoemd: je gaat er over in de ogen van de burgers, maar je gaat er eigenlijk niet over.

    Dat is een kwetsbare ontwikkeling, want dan blijkt soms dat de keizer niet altijd kleren aan heeft. Het burgemeesterschap kent steeds meer afbreukrisico, mede omdat hij of zij steeds meer op één lijn wordt gezet met zuiver politieke bestuurders zoals wethouders of ministers. Waar burgemeesters vroeger terughoudend werden bejegend en beoordeeld, is dat er vandaag de dag niet meer bij. Boegbeeld ja, maar evenzogoed aambeeld waar naar hartenlust op kan worden geslagen.

  6. Deze hybride geaardheid van het burgemeesterschap wordt ook veroorzaakt door het veiligheidsdomein. Op het vlak van openbare en veiligheid heeft de burgemeester nu juist wél meer taken en bevoegdheden gekregen. Zowel wat betreft de openbare orde in enge zin, dat wil zeggen de orde en rust op straat en in het publieke domein (denk aan cameratoezicht, aanwijzing van veiligheidsrisico-gebieden, maatregelen op grond van de voetbalwetgeving en de BOPZ) als in meer brede zin (denk aan tijdelijke uithuisplaatsingen, buurtverboden, bestuurlijk ophouden, uithuisplaatsing van overlast gevende gezinnen). Ook waar het betreft veiligheid in ruime zin die niet direct met de openbare orde samenvalt, is de burgemeester steeds meer in beeld gekomen. Wetgeving die de burgemeester in staat stelt om drugspanden te sluiten, Bibob-bevoegdheden toe te passen op grond van strafvorderlijke informatie, preventief fouilleren op drugs en wapenbezit.

    Al sinds een jaar of tien woedt de discussie of dit arsenaal aan bestuursrechtelijke bevoegdheden van de burgemeester niet een beetje too much wordt.² Is de burgemeester niet te kwetsbaar als hij of zij voor alle maatschappelijke problemen de oplosser moet zijn, van gebrekkige opvang in de jeugdzorg tot slechte regie bij de volkshuisvesters? De metafoor – die vanzelf een cliché werd – van de sheriff-ster aan de ambtsketen, spreekt niet iedereen aan. Zelf heb ik mij als burgemeester wel eens hardop afgevraagd of die rollen verenigbaar zijn: boegbeeld en verzoener aan de ene kant, super-handhaver en sanctie-oplegger aan de andere kant. Ik merkte bijvoorbeeld in 2008 dat een gebiedsverbod aan een groep Marokkaanse jongeren die in Ramadan-nachten voor veel overlast zorgden mij in het brandpunt van lokale politieke twisten plaatste; plotseling bestond de onpartijdige gezagsdrager niet meer. Ook in de wetenschap kwamen twijfels op: ging de burgemeester niet steeds meer op de stoel van het openbaar ministerie en de strafrechter zitten en ondermijnde juist die ontwikkeling niet zijn positie als gezag boven alle partijen?³

  7. Dit debat lijkt enigszins geluwd te zijn, maar laait nu weer op bij de aanpak van de georganiseerde criminaliteit en de ondermijning van de lokale samenleving die door die maffiose drugsbendes wordt veroorzaakt. Het is niet alleen een discussie over de vraag of de burgemeester er verstandig aan doet om in het middelpunt van de bestrijding van de al dan niet georganiseerde criminaliteit te staan, maar ook over de vraag hoe bestuursrecht en strafrecht zich tot elkaar verhouden. Die laatste vraag speelt steeds meer op en in niet alleen bij burgemeesters. Willen wij bijvoorbeeld, zoals een deel van de Tweede Kamer, dat niet de burgerlijke rechter op vordering van het openbaar ministerie, maar de minister voor rechtsbescherming een Outlaw Motor Gang kan verbieden? Willen wij dat bestuursrechtelijk sanctierecht in de plaats komt van het lichtere strafrecht omdat het sneller is, meer lik op stuk brengt? Ik weet niet of ik dat een goede ontwikkeling vindt binnen de rechtsstatelijke verhoudingen en het komt mij voor dat een diepgravend gesprek hierover op zijn plaats is.

  8. Een stevige rol van de burgemeester in de borging van de lokale veiligheid zal altijd nodig blijven, nu waarschijnlijk meer dan ooit. Maar het lijkt mij verstandig dat de burgemeester daarbij, in nauwe samenwerking met politie, justitie, andere overheidsdiensten en maatschappelijke organisaties, zich bij de eigen bestuurlijke leest houdt. Een bestuurlijke regiefunctie dus, geen branchevervaging.
    In de afgelopen twee jaar hebben de regioburgemeesters voorstellen gedaan om de wettelijke openbare orde-taak van de burgemeester uit te breiden met het voorkomen en bestrijden van criminele activiteiten. Hiermee zou onder meer een stevige grondslag worden gecreëerd tussen de uitwisseling van persoonsgegevens tussen gemeentelijke instellingen en diensten. Deze regioburgemeesters vinden dat privacywetgeving de gemeenten teveel belemmert in het delen van informatie die wijst op criminele activiteiten. Op verzoek van minister Grapperhaus heeft de Afdeling advisering van de Raad van State advies uitgebracht of deze taakuitbreiding van de burgemeester past in het huidige staatsbestel.

    Het advies van de Raad van State was niet erg positief. Het is op zich niet onbegrijpelijk dat gemeenten vragen om meer intensieve uitwisseling van persoonsgegevens bij de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Maar het uitbreiden van de taak en de scope van de burgemeester is daar niet het geëigende middel voor. Om intensievere gegevensuitwisseling mogelijk te maken, zijn bovendien andere stappen nodig.

  9. De voorgestelde uitbreiding van de taak van de burgemeester is in de eerste plaats niet noodzakelijk. De huidige taken en bevoegdheden bieden naar het oordeel van de Raad van State al voldoende ruimte om als gemeente een essentiële bijdrage te leveren aan de criminaliteitsbestrijding. Die bestrijding is vooral gebaat bij een aanpak, vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheden. Uit de geschiedenis van de openbare orde-taak en bevoegdheid van de burgemeester blijkt dat het voorkomen van criminaliteit daar van oudsher al onder wordt begrepen. De burgemeester heeft daarvoor bovendien de nodige bestuurlijke instrumenten gekregen, ik wees daar al op. Om de burgemeester daarnaast ook wettelijk verantwoordelijk te maken voor de bestrijding van de criminaliteit, gaat naar het oordeel van de Afdeling advisering en van mij een stap te ver. De regering heeft eerder terecht aangegeven dat waar strafrechtelijke doelen aan de orde zijn, bestuurlijk optreden van de burgemeester niet in de rede ligt. Het openbaar ministerie is dan aan zet omdat daar de exclusieve verantwoordelijkheid is belegd voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, de andere helft van de handhavingstweeling. Zo’n ruime uitleg van de openbare orde-taak van de burgemeester kan niet alleen leiden tot rolvervaging en onhelderheid tussen lokaal bestuur, politie en openbaar ministerie (dat bezwaar kan je wellicht nog relativeren, omdat professionals dat samen wel kunnen oplossen) maar het kan ook leiden tot nieuwe verwachtingen bij burgers die de burgemeester gewoon niet waar kan maken.

  10. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat de burgemeester geen relevante rol kan spelen in de criminaliteitsbestrijding, maar dan binnen diens bestuurlijke domein, in nauwe samenwerking met justitie en andere partners. Bevoegdheden en taken moeten elkaar aanvullen en bij voorkeur niet overlappen. Zoals ik zei: geen branchevervaging. Het probleem van de gegevensuitwisseling moet niet worden genegeerd, maar tot dusverre is nog onvoldoende aangetoond dat de wetgeving belemmerend werkt en dat nieuwe wetgeving nodig is. Dat vergt een grondige analyse en ondertussen kan er al meer dan men denkt. Een nieuwe wettelijke grondslag voor gegevensuitwisseling is naar het oordeel van de Afdeling advisering alleen gerechtvaardigd als kan worden aangetoond dat dit zou leiden tot concrete gemeentelijke maatregelen of interventies.

    Minister Grapperhaus nam het advies van de Afdeling advisering over en denkt nu aan modelprotocollen op basis waarvan gemeenten de gegevensuitwisseling kunnen inrichten. Mocht iemand denken dat daarmee de discussie is beëindigd, dan kent hij Nederland niet. De VNG is kritisch, de regioburgemeesters zijn kritisch, het Nederlands Genootschap van Burgemeesters is kritisch, en die hebben allemaal een verstrekkende invloed op de landelijke politieke besluitvorming, zo weet ik uit ervaring.

  11. Dames en heren, ik kom tot een afronding. De burgemeester heeft een grote verantwoordelijkheid binnen de lokale en regionale samenleving, die deels is gebaseerd op zijn of haar persoonlijk gezag en de rol van boegbeeld en verbinder in de lokale samenleving. En voor een ander deel op de stapeling van taken en bevoegdheden die soms wel heel erg neigt naar de positie van prefect of directeur van politie, zoals ooit de Commissaris van de Koning die had. Ik denk dat een fundamenteel debat over het gewenste bestuursmodel op gemeentelijk niveau in de komende jaren wenselijk is, net als een duidelijker antwoord op de vraag wat de verhouding zal zijn tussen het bestuursrecht en de strafrechtelijke aanpak. Het een is immers niet alleen maar bedoeld als een snelle bypass voor het andere. Dat debat kan ook erg dienstbaar zijn voor het politieke vraagstuk van de aanstellingswijze van de burgemeester. De Kroonbenoeming is inmiddels uit de Grondwet gehaald, de keuze is nu aan de gewone wetgever. Die zal dus ook de vraag moeten beantwoorden wat voor soort burgemeester wij in de toekomst willen hebben. Een burgervader of  -moeder, een krachtige regisseur, een gemeentelijke president, een super-crimefighter? De Raad van State zal naar beste vermogen daarin adviseren als dat zal worden gevraagd. Ik verheug mij daar al op.

  12. Dit seminar vanmiddag staat in het teken van het afscheid van Herm Lamers als in het bestuursrecht gespecialiseerd advocaat. Het belang van Herm voor de advocatuur en het bestuursrecht in Limburg kan beter door anderen dan door mij worden beschreven; het lijkt mij dat een carrière van bijna veertig jaar mooie vergezichten en sappige anekdotes zal opleveren. Vooral in die laatste categorie ben ik geïnteresseerd.

    Herm en ik delen inmiddels een vriendschap van meer dan 43 jaar. Hij was ouderejaars toen ik lid werd van zijn dispuut. Dat hij ouderejaars was, wil overigens niet zeggen dat hij ver voor lag in de studie en ook niet dat hij eerder afstudeerde. Ik moet eerlijk opbiechten dat de rechtswetenschap nauwelijks gespreksonderwerp vormde tijdens onze studiejaren; Veeleer bespraken wij de verrichtingen in de eredivisie en belangwekkende literatuur zoals poëzie (voor mij) en avonturen van Bob Evers en Arie Roos (voor Herm). Toch wisten wij door gezamenlijke inspanningen onze doctoraalexamens te behalen. Wij schreven zelfs samen een heus min of meer wetenschappelijk artikel in Ars Aequi. Dat handelde over de staatsrechtelijke relaties tussen ambtenaren en Kamerleden. Voor mij een mooie opstap, want ik werd later zowel ambtenaar als Kamerlid, voor Herm werd het vooral een theoretische exercitie. De overheid bleef niettemin altijd wel een beetje aan hem trekken. Politiek vond hij leuk en leiding geven zit in zijn genen – in ons dispuut speelde hij altijd de baas totdat onze tolerantiegrens bereikt was, meestal was dat het geval na het vierde of vijfde biertje. Het is er nooit van gekomen, maar ik beschouw Herm als de beste gedeputeerde of senator die Limburg nooit heeft gehad.

    Herm, ik heb niet laten nazoeken hoe vaak je een procedure voor de Raad van State hebt gevoerd. Ook niet hoe vaak je hebt gewonnen en verloren (ik wilde je feestje natuurlijk niet bederven). En ik heb je beloofd dat ik niet uitweid over de vele long weekenden die ons Vierheeren-gezelschap in al die jaren samen heeft doorgebracht; reputaties zijn zo gemaakt, maar ook zo geknakt.
    Resteert dus alleen om je te zeggen dat de vriendschap in de komende jaren alleen maar zal toenemen en je toe te wensen dat je mooie jaren zonder het juk van de rechtspraktijk zult beleven. Ik zal dit met een lichte jaloezie volgen.


¹ Deze lezing is deels gebaseerd op de tekst van de Hayo Apotheker-lezing, Boegbeeld en aambeeld, die ik op 17 oktober 2019 in Sneek uitsprak.
² Zie: Nota Burgemeester & Veiligheid, ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 8 april 2009, Kamerstukken II 2008/09, 28684, nr. 212, bijlage.
³ Zie: R. Salet en H. Sackers, Bestuurlijke bevoegdheden, politie en de lokale aanpak van onveiligheid, in: Politiewetenschap, nr. 107, 2019.
 Proeve van wetgeving “Voorkomen en aanpakken ondermijning”, Regioburgemeesters, september 2017.
De rol van de gemeenten in de bestuurlijke en integrale aanpak van ondermijning. Voorlichting van de Afdeling advisering van de Raad van State van 20 maart 2019.