Toespraak ter gelegenheid van Koninkrijksdag 2025
Bijdrage van de vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk aan de viering van Koninkrijksdag 2025 op de Haagse Hogeschool op maandag 15 december 2025.
Dames en heren,
Allereerst een compliment aan de studenten van de Haagse Hogeschool die deze bijeenkomst ook dit jaar met vereende krachten mogelijk hebben gemaakt. Een mooie positieve inzet van veel studenten voor goede Koninkrijksverhoudingen, geweldig. Laten we hopen dat dat een inspiratiebron is voor iedereen die zich met het Koninkrijk en de onderlinge verbindingen bezighoudt!
Ik maak ook een buiging voor de Haagse Hogeschool als instituut. De ‘Haagse’ is in korte tijd uitgegroeid tot de hoger onderwijsinstelling dat veel met de koninkrijksrelaties doet. Natuurlijk door de populaire minor koninkrijksrelaties, maar ook door cursussen voor ambtenaren en sinds kort via de postacademische leergang met de Universiteit Leiden. De Haagse Hogeschool weet het verschil te maken. En dat alles in goede samenwerking met vele andere instellingen, waaronder het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Caribische huizen in Den Haag en ook de Raad van State. Het Koninkrijk is op deze plek in goede handen, en dat zeg ik ook een beetje trots met mijn vroegere pet op van voorzitter van de Vereniging Hogescholen.
De koninkrijksrelaties kunnen vooral politiek en bestuurlijk wel wat positieve energie gebruiken, zeg ik u eerlijk. De zeventigste verjaardag van het Statuut precies een jaar geleden heeft helaas niet geleid tot een gehoopte her- of doorstart, tot een nieuw elan. Van een constructieve frisse wind is vooralsnog geen sprake. Het lijkt er zelfs een beetje op dat de verfrissende passaatwind vorig jaar vooral is gaan liggen en dat is – zoals u ongetwijfeld weet – met name in de Cariben geen goed nieuws!
Dat kan natuurlijk samenhangen met de politieke instabiliteit; dit keer niet op de eilanden, maar in Nederland. In de afgelopen vier jaar hebben we liefst vier Nederlandse bewindslieden voor Koninkrijksrelaties gehad, in drie verschillende kabinetten. En die verschilden nogal van elkaar qua politieke kleur, ideeën en ambitie. In de Tweede Kamer wisselden de leden van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties elkaar in hoog tempo op, een zekere consistentie en continuïteit waren ver te zoeken.
Ook daarom is het goed om hier vandaag op de Haagse Hogeschool te zijn, weg van de gebaande paden. De koninkrijksrelaties verdienen nieuwe creativiteit, nieuwe energie, nieuwe invalshoeken. En dan helpt het als er ook nieuwe mensen nadenken over hoe we gezamenlijk verder kunnen en moeten. Die nieuwe mensen zijn veelal ook jonge mensen en dat kan ik als ‘binnenkort gepensioneerde’ alleen maar van harte toejuichen. Laten we hopen dat een nieuw Nederlands kabinet mede geïnspireerd door jullie ook op het vlak van het Koninkrijk een positieve agenda zal opstellen.
De Raad van State is een stokoud instituut – en dan hoef ik niet eens terug naar 1531, bijna 500 jaar geleden, toen de Raad van State werd opgericht. Nee, het is inmiddels ook alweer meer dan zeventig jaar geleden dat de Raad van State de status kreeg van Koninkrijksorgaan, in het in 1954 tot stand gekomen Statuut voor het Koninkrijk. Precies 71 jaar geleden vandaag. Ook al zijn we – zelfs als Koninkrijksorgaan – inmiddels bejaard, wij hebben toch een permanente ambitie om zuurstof te geven aan nieuwe ideeën, betere verhoudingen en vooral goede samenwerking binnen het Koninkrijk. De Raad van State kan dat ook doen omdat we goede contacten onderhouden op alle eilanden, met alle instellingen, met de hoofdrolspelers hier en daar en wij ook de kennis in huis hebben, denk alleen al aan de drie staatsraden van het Koninkrijk, één van Curaçao, één van Aruba en één van Sint Maarten. Ik noem onze rol in het Koninkrijk vaak die van ‘honest broker’, die van alle landen is, boven partijen staat en belangen bij elkaar kan brengen.
Maar juist ook omdat we voldoende zien, lezen en horen, maken we ons soms wat zorgen. Het Koninkrijk doet het vaak goed en al helemaal als je er met een regionale Caribische bril naar kijkt. Maar dat Koninkrijk kan nog zoveel beter. En de mensen die het Koninkrijk samen vormen – allemaal met de Nederlandse nationaliteit – verdienen dat alle overheden dagelijks hun uiterste best doen om prangende vraagstukken zoals armoede, beter onderwijs, veiligheid, aan te pakken. Natuurlijk autonoom, dat wil zeggen ieder zijn eigen taken en verantwoordelijkheden, maar als het even kan in intensieve samenwerking. Curaçaoënaars of Arubanen hebben niets aan competentiegevechten of hoogdravende woorden over het eigen gelijk; ze hebben we iets aan lands- en rijksbesturen die de handen ineenslaan, kennis delen en over de grenzen van de eigen bevoegdheid zo goed mogelijk samenwerken. Ook als dat geld kost.
Om die overheden een beetje te helpen heeft de Raad van State ruim een jaar geleden een beschouwing uitgebracht over de toekomstige koninkrijksrelaties. Een zogenoemd spontaan advies. Directe aanleiding was de zeventigste verjaardag van het Statuut voor het Koninkrijk, onze gedeelde constitutie.
Zeventig jaar na de totstandkoming van het Statuut zijn er diverse successen geboekt. De levensstandaard in de Caribische landen is duidelijk hoger dan in de meeste omringende landen. En inwoners waarderen de voordelen van het Koninkrijk: denk bijvoorbeeld aan het gezamenlijke paspoort van het Koninkrijk der Nederlanden dat ons allemaal in staat stelt over de hele wereld te reizen en te verblijven. Of denk aan de samenwerking rond veiligheid, politie, kustwacht en de rechtspleging. En juist in deze onzekere tijden kan het ook geen kwaad te wijzen op de gemeenschappelijke defensie, een koninkrijkstaak die hopelijk zichtbaar is en herkend wordt nu de spanningen tussen Venezuela en de Verenigde Staten toenemen.
Hoewel er af en toe op de eilanden hartenkreten klinken over onafhankelijkheid, is er al met al nauwelijks animo om uit het Koninkrijk te stappen. Terecht hechten de autoriteiten in de Caribische landen sterk aan hun autonomie ten opzichte van de Koninkrijksrelaties en Nederland. Dat is trouwens heel gezond en normaal: autonomie in de eigen landsaangelegenheden is een belangrijke pijler onder de koninkrijksconstructie. Maar iedereen beseft dat daadwerkelijk de banden met het Koninkrijk doorsnijden groter, haast onoverkomelijke nadelen kent. Vooral voor alle inwoners.
Er gaat veel goed binnen het Koninkrijk: veel mensen op de werkvloeren weten elkaar te vinden, jonge mensen van de eilanden kunnen hier een goede opleiding krijgen tegen relatief lage kosten, Europese kennis en technologie wordt op de eilanden aangewend, Nederlands toerisme spekt de kassen en Caribische muziek, kunst én mensen verwarmen hier onze harten, zeker tijdens grijze wintermaanden.
Maar het is wel zorgelijk dat de politiek-bestuurlijke relaties al geruime tijd in belangrijke mate worden beheerst door wantrouwen over en weer. De Caribische landen beschouwen de opstelling van Nederland regelmatig als te hard en autoritair, met te weinig kennis van en oog voor de complexe lokale omstandigheden. En met onvoldoende respect voor hun autonomie en de vaak pijnlijke koloniale geschiedenis die aan die autonomie vooraf ging.
Nederland wijst de Caribische landen er regelmatig op dat zij onvoldoende slagen in het oplossen van de schrijnende problemen waarmee hun burgers dagelijks te maken hebben, zoals armoede, schooluitval en criminaliteit. Waarbij politiek Den Haag ook vaak van mening is dat die problemen goed oplosbaar zouden zijn, als men maar iets meer hun best zou doen.
Kortom, het wringt in het Koninkrijk. De structuur van het Koninkrijk, waarin Nederland ontegenzeggelijk het overwicht heeft, maakt spanning in zekere zin onvermijdelijk. Dezelfde spanning zien we ook in de Europese Unie tussen bijvoorbeeld het grote Duitsland en het hele kleine Malta. Of in de NAVO waar Amerika domineert ten opzichte van de Europese landen.
Daar komt in ons Koninkrijk nog bij dat het contact tussen de landen sinds 1954 natuurlijk veel intensiever is geworden. In die zin zijn beide zijden van het Koninkrijk heel dichtbij gekomen. Het is nauwelijks nog voor te stellen dat post vroeger weken of maanden onderweg was. Nu lees ik de Caribische kranten online eerder dan mijn Caribische collega’s. En nu spreken we elkaar via email, whatsapp, video-calls en meerdere keren per jaar tijdens persoonlijke ontmoetingen, in Den Haag, in Willemstad, Oranjestad of Philipsburg. Bovendien zijn de drie kleinere eilanden sinds 2010 bijzondere openbare lichamen van Nederland geworden, waardoor er niet alleen meer verantwoordelijkheid is ontstaan, maar ook meer kennis en meer begrip. We weten kortom veel beter dan voorheen waar het knelt en schuurt.
Niet alleen het contact is toegenomen, datzelfde geldt voor de afhankelijkheid van de Caribische landen van het Koninkrijk en dus van Nederland. De uit te voeren overheidstaken zijn sinds 1954 veel zwaarder en omvangrijker geworden, mede door internationale eisen en ontwikkelingen, bijvoorbeeld op het gebied van mensenrechten. De meeste landen kunnen deze taken niet meer volledig op eigen kracht vervullen. Dat geldt voor Nederland binnen Europa – we hebben de Europese Unie nodig - en dat geldt zeker ook voor de landen in de vaak onrustige Caribische regio.
De Raad van State onderkent in het spontaan advies over zeventig jaar Statuut dat de gespannen verhoudingen in het Koninkrijk niet alleen veroorzaakt worden door de fysieke disbalans tussen de landen. Er zijn ook dieperliggende oorzaken die niet simpelweg met enkele maatregelen kunnen worden weggenomen. In het bijzonder valt te wijzen op de lange koloniale geschiedenis, waaronder ook het slavernijverleden. Of we dat nu leuk vinden of niet, die geschiedenis is minder ver weg dan sommigen denken en laat zich niet wegredeneren. We zien nog steeds de donkere schaduwen van het verleden in vooroordelen, discriminatie, racisme en ongelijke uitgangsposities. De geschiedenis van het Koninkrijk is helaas een onvoltooide verleden tijd.
Wat dat betreft mag hoop worden geput uit het traject dat is ingegaan met de excuses van zowel de Koning als toenmalig minister-president Rutte. Sindsdien lijkt er sprake van een veranderende tijdgeest, waardoor mensen op een andere manier omgaan met het gedeelde verleden. Dat zagen we ook terug bij het staatsbezoek aan Suriname eerder deze maand.
Het Statuut van het Koninkrijk, de basis van onze staatkundige verhoudingen is ondanks de soms grote maatschappelijke, politieke en demografische veranderingen sinds 1954 nog steeds relevant. Als wij bereid zijn daar positief naar te kijken en ons niet blind staren op elk artikellid en elk potentieel geschil. De basisprincipes van het Statuut zijn en blijven waardevol: steunend op eigen kracht met de wil om elkaar bij te staan. Omdat je domweg samen verder komt dan alleen.
Diezelfde grondgedachte zien we trouwens op heel veel staatkundige plekken terugkomen. Denk aan de Europese Unie, waar samenwerking de enige manier is om als wereldspeler serieus te worden genomen. Vele andere landen in Europa zagen eenzelfde ontwikkeling: eenheid én verscheidenheid, vrijheid én verbondenheid.
De afgelopen decennia heb ik mij in vele hoedanigheden intensief beziggehouden met de koninkrijksrelaties. Ooit was ik een voorstander van modernisering van het Statuut, het bij de tijd brengen en ingrijpend vernieuwen. Maar later – sadder and wiser zo u wilt – ben ik huiverig geworden voor grootse vergezichten en grootscheepse herzieningen. Dergelijke herzieningen zijn denk ik niet nodig en bovendien is het buitengewoon moeizaam en tijdrovend om ze tot stand te brengen.
Dat laatste ligt voor de hand: het Statuut kan immers pas worden herzien als alle partners het over die herzieningen eens zijn, unanimiteit dus. Dat is in de afgelopen jaren sinds 1954 een paar keer gebeurd: bijvoorbeeld in 1975 en de onafhankelijkheid van Suriname, de Status Aparte van Aruba in 1986 en het afscheid van de Nederlandse Antillen in 2010. Hoe belangrijk deze aanpassingen ook zijn geweest, de inhoudelijke spelregels en omgangsvormen van het Statuut zijn vrijwel gelijk gebleven. En wat ook gelijk bleef was dat er geen consensus bestaat over meer of minder autonomie, meer of minder centralisatie, meer of minder zeggenschap van buiten de eigen kring. Die consensus zit er ook de komende jaren niet in. Het heeft dan ook weinig zin om daarvoor te pleiten en veel energie te verliezen.
Het Statuut hoeft niet te worden herzien of gewijzigd, maar het kan wel beter worden toegepast. Het Statuut maakt uiteenlopende vormen van samenwerking mogelijk en binnen de spelregels van het Statuut is meer evenwicht en meer gelijkwaardigheid te bereiken. Het is vooral een kwestie van willen en doen, niet van palaveren over de ongelijke verhoudingen, maar van een open gesprek en van de wil tot samenwerking. In die geest kan worden gekeken naar mogelijke oplossingen voor het bekende democratische deficit en naar een werkbare rijksgeschillenregeling waar we nu al 15 jaar over bakkeleien zonder het fatsoenlijk te regelen.
De Raad van State concludeert ook al vele jaren dat het Statuut – bijvoorbeeld via de waarborgfunctie – gericht ingrijpen mogelijk maakt als een bepaalde situatie onhoudbaar is geworden. Aan het Statuut ligt het dus niet dat er te vaak te weinig gezamenlijk gebeurt bij de armoedebestrijding of bij verbeteringen in het onderwijs. Als het Koninkrijk gerechtigd is om in te grijpen als goed bestuur niet kan worden gewaarborgd, moet het mogelijk zijn om over de grenzen van ieders autonome bevoegdheden heen samen te werken en problemen op te lossen, juist om te voorkomen dat ingrijpen noodzakelijk wordt. En daar hoort ook geld bij. Nederlanders zijn dominees en kooplieden die hun hand meestal op hun portemonnee houden, maar soms is dat penny wise and pound foolish.
Het advies van de Raad van State over het toekomstperspectief van het Koninkrijk kreeg bij de presentatie eind oktober vorig jaar de nodige positieve aandacht, met name in de Caribische landen. Maar het duurde al met al een jaar voordat alle vier regeringen van de landen met een eerste afzonderlijke reactie kwamen. Onduidelijk is of en wanneer er een gezamenlijke koninkrijksbrede reactie zal komen en of er een parlementair debat zal plaatsvinden. Ik betreur dat, want het minste dat je er nu over kan zeggen is dat een gevoel van urgentie lijkt te ontbreken.
Om geen misverstanden te wekken: het gaat er mij niet per se om een antwoord te krijgen op ons specifiek advies, maar dit is nu eens een unieke mogelijkheid om met de vier landen gezamenlijk in gesprek te gaan over de randvoorwaarden voor een duurzame toekomst van het Koninkrijk, waarin de belangen en rechten van alle burgers beter geborgd worden en de gelijkwaardigheid van de landen sterker uit de verf kan komen. Het is ook bij uitstek de kans om samen vast te stellen wat de prioriteiten van het Koninklijk en van de landen zijn in hun onderlinge samenwerking en wat daarvoor nodig is.
Er liggen nu vier verschillende standpunten die niet gemakkelijk tot een gezamenlijke beleidslijn zijn samen te brengen. Een proces waarin eerst samen zou zijn gesproken en daarna pas conclusies werden getrokken, was wellicht raadzamer geweest. Maar misschien is dat nog steeds mogelijk. Het afgelopen jaar zijn op Curaçao, Aruba en Sint Maarten kabinetten aangetreden met een redelijk stevig mandaat. In Nederland wordt gewerkt aan een nieuw kabinet dat hopelijk het doemdenken van zich af kan schudden en ook voor het Koninkrijk een positieve agenda heeft. Waarom het komend jaar geen koninkrijksconferentie organiseren? Misschien wel een rondetafelconferentie zoals dat vroeger deftig heette, met regeringsvertegenwoordigers, parlementariërs van alle vier landen, wetenschappers en adviesraden om raad te geven en jonge mensen om de zittende machten van nieuwe inzichten en creatieve oplossingen te voorzien? Een koninkrijksconferentie die de oude structuren en tegenstellingen van nieuw licht moet voorzien en van een nieuw esprit, al was het maar om er voor te zorgen dat in 2054 we nog steeds een Koninkrijk van de vier landen hebben en een Statuut dat het eeuwfeest vieren kan.
Een hechter Koninkrijk kan! Vaak wordt gezegd dat juridische obstakels en het oude Statuut daaraan in de weg staan, maar dat is onzin. Een hechter Koninkrijk kan, mits de landen echt willen en bereid zijn tot constructieve samenwerking, onderlinge bijstand en wederzijds begrip. Liefst met idealen over hoe Koninkrijksburgers het beter kunnen krijgen. En met een creatieve bril van 2025 om teksten van 1954 adequaat te interpreteren en toe te passen.
We hebben jonge generaties nodig die ons daartoe aanmoedigen, wat heet: ons dwingen om te handelen. Ik reken op alle studenten met een hart voor het Koninkrijk!